Bijlage 1 – Toelichting bestemmingsplan Woonwagenlocatie Dorpsweg Arkel
Tekst van het document
Het besluit is -op enkele onderdelen na- op 27 oktober 2004 inwerking getreden. Nieuwe kwetsbare objecten mogen niet worden gerealiseerd in gebieden waar sprake is van een plaatsgebonden risico (PR) van meer dan 10-6 per jaar. De kans per jaar dat één persoon, die op een bepaalde plaats verblijft, komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen moet kleiner zijn dan 1 op 1 miljoen. Ook het vaststellen van een bestemmingsplannen geldt als nieuwe situatie, waarbij voldaan moet worden aan de eisen uit het Bevi. Concreet betekent dit dat kwetsbare objecten binnen de 10-6 contour niet zijn toegestaan. Volgens de risicokaart van de provincie Zuid-Holland liggen in de omgeving van het plangebied diverse risicovolle inrichtingen (op het bedrijventerrein van Arkel). Het plangebied ligt echter ver buiten de invloedsgebieden van deze risicovolle inrichtingen.
NL.IMRO.1978.BPWoonwagenlocatie-VG01
Bestemmingsplan Woonwagenlocatie Dorpsweg Arkel
|30
Figuur 11 Uitsnede Risicokaart (oranje omkadering = plangebied)
Invloed transport gevaarlijke stoffen, buisleiding Bij het besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. Volgens de risicokaart van de provincie Zuid-Holland ligt in de omgeving van het plangebied een aardgasleiding en hoogspanningsleiding. De aardgasleiding van Gasunie heeft een diameter van 168,3 mm en een druk van 40,0 bar. De 1% legaliteitsgrens ligt op 70 m. De afstand van deze glasleiding tot het plangebied is echter circa 180 m. De gasleiding vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. Hetzelfde geldt voor de hoogspanningsleiding. Het plangebied ligt ver buiten het invloedsgebied van deze hoogspanningsleiding. Invloed transport gevaarlijke stoffen, wegverkeer Per 1 april 2015 is de Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht. Basisnet Weg moet de bereikbaarheid van de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het aangrenzende buitenland garanderen voor wat betreft het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. Met Basisnet Weg is een duurzaam evenwicht gecreëerd tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkeling en externe veiligheid.
Het Basisnet Weg richt zich uitsluitende op het hoofdwegennet (Rijkswegen en verbindende wegen die van belang worden geacht voor het vervoer van gevaarlijke stoffen). In de directe omgeving van het plangebied vindt geen transport van gevaarlijke stoffen over wegen plaats.
NL.IMRO.1978.BPWoonwagenlocatie-VG01
Bestemmingsplan Woonwagenlocatie Dorpsweg Arkel
|31 Invloed van transport gevaarlijke stoffen, spoorwegen Op circa 200 m van het plangebied ligt de spoorlijn Gorinchem – Leerdam. Volgens de risicokaart van Zuid-Holland vindt over deze spoorlijn geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Invloed transport gevaarlijke stoffen, vaarwegen Op circa 550 m van het plangebied ligt het Merwedekanaal. Volgens de risicokaart van Zuid-Holland vindt over dit kanaal geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.
5.6
Geluid
Wet geluidhinder Bij het opstellen of herzien van een bestemmingsplan worden de regels van de Wet geluidhinder (Wgh) toegepast. De Wgh kent drie soorten geluidsbronnen: industrie, wegverkeer en spoorwegen. De wet bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van deze bronnen. Indien het bestemmingsplan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van deze bronnen, of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt, dient akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan. Bij het vaststellen van geluidbelasting voor geluidsgevoelige functies zoals ‘Wonen’ dient op grond van de Wgh iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij de weg binnen een woonerf is gelegen of voor de weg een maximum snelheidsregime geldt van 30 km/uur. Op basis van de Wro is het noodzakelijk om aan te tonen dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Er moet voldaan worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Onderzoek Met onderhavig planvoornemen wordt een nieuwe geluidsgevoelige bestemming mogelijk gemaakt (6 extra woonwagenstandplaatsen). Geluid van bedrijven (industrie) met betrekking tot het planvoornemen is in paragraaf 5.2 (bedrijven en milieuzonering) beoordeeld.
Wegverkeerslawaai De 6 extra woonwagenstandplaatsen liggen binnen de geluidzones van de Dorpsweg en de Bazeldijk. Door K+ Adviesgroep is een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe situatie Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de Stationsweg en Parallelweg opgenomen in het akoestisch onderzoek. Het rapport is als bijlage 5 opgenomen bij de toelichting. De volgende conclusies worden getrokken uit het onderzoek: Dorpsweg De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 40 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. NL.IMRO.1978.BPWoonwagenlocatie-VG01
Bestemmingsplan Woonwagenlocatie Dorpsweg Arkel
|32 Bazeldijk De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 32 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Stationsweg (niet gezoneerde weg) De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting is ten hoogste 37 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de aftrek wel gehanteerd worden dan bedraagt de optredende geluidbelasting 32 dB (incl. art. 110g Wgh) waarmee deze onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Parallelweg De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting is ten hoogste 19 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de aftrek wel gehanteerd worden dan bedraagt de optredende geluidbelasting 14 dB (incl. art. 110g Wgh) waarmee deze onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Spoorweglawaai Ten zuidoosten van het plangebied ligt de spoorlijn. De zonebreedte vanuit de Wet geluidhinder van het spoor is ter plaatse 100 meter. De locatie is gelegen op circa 225 meter. Een akoestisch onderzoek spoorweglawaai is daardoor niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect geluidhinder vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.7
Luchtkwaliteit
Wet milieubeheer Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). De Wet milieubeheer, met ingang van 15 november 2017, implementeert deze regelgeving. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt worden getoond in onderstaande tabel. Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Geldig
Stikstofdioxide (NO2)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m3
Vanaf 2015
Fijnstof (PM10)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011
Fijnstof (PM2,5)
24-uurgemiddelde concentratie
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011
Om toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit “Niet In Betekenende Mate” vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in NL.IMRO.1978.BPWoonwagenlocatie-VG01
Bestemmingsplan Woonwagenlocatie Dorpsweg Arkel
|33 welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenede mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit Niet in Betekenende Mate (NIBM) en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden getoetst hoeft te worden. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: •
Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO 2 en PM10:
•
Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden: deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
Huidige luchtkwaliteit Door middel van de NSL-monitoringstool kan gekeken worden naar de huidige luchtkwaliteit in (de omgeving van) het plangebied. Op de NSL-kaart voor de luchtkwaliteit zijn metingen verricht voor het bepalen van de luchtkwaliteit in (de omgeving van) het plangebied. Uit de monitoringstool uit 2020 blijkt dat de concentratie voor NO2, PM10 en PM2,5 kleiner is dan 35 μg/m3. Bovendien is het aantal dagen dat de toegestane concentratie voor stikstof en fijnstof wordt overschreden minder dan 35 dagen. Toekomstige luchtkwaliteit Het planvoornemen betreft de realisatie van 6 extra woonwagenstandplaatsen, dit aantal ligt ver onder de normering van 1.500 wegen. Er is in dit geval sprake van het “Niet in Betekenende Mate” bijdragen aan de luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.8
Natuurwetgeving
Beleidskader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wn) in werking getreden. De Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn opgegaan in deze wet. Deze nieuwe wet bestaat uit minder regels en is overzichtelijker dan de drie vorige wetten. De uitvoering van de Wet natuurbescherming komt grotendeels in handen van de provincies. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoort en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. In de nieuwe Wet natuurbescherming vervalt de bescherming van Beschermde Natuurmonumenten uit de Natuurbeschermingswet. Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000-gebieden of het Natuurnetwerk Nederland en worden dus indirect beschermd. NL.IMRO.1978.BPWoonwagenlocatie-VG01
Bestemmingsplan Woonwagenlocatie Dorpsweg Arkel
|34 De provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzonder provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Zij kunnen in een later stadium door de Minister worden toegevoegd aan de Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving die met ingang van de Wet natuurbescherming (Wnb) niet is veranderd. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: •
Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken;
•
Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;
•
Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;
•
Ruim 6 miljoen hectare grote wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee;
•
Alle Natura 2000-gebieden.
In het Natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027, 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aaneengesloten Pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. Beschermde planten en dieren Met de nieuwe wet wijzigt de lijst van beschermde soorten. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en met de komst van de Wnb niet meer en andersom. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes: 1. Soorten Vogelrichtlijn: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn); 2. Soorten Habitatrichtlijn: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlage van de verdragen worden tevens vogels genoemd; 3. Andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wn. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor soorten die ook niet in de bijlage van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet.
Op grond van deze bepalingen moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te beperken. Onderzoek Quickscan natuurwetgeving Voor het planvoornemen is een quickscan Natuurwetgeving door Aeres Milieu B.V in samenwerking met faunaconsult B.V. uitgevoerd op de locatie. De quickscan is als bijlage 6 opgenomen bij de toelichting. NL.IMRO.1978.BPWoonwagenlocatie-VG01
Bestemmingsplan Woonwagenlocatie Dorpsweg Arkel
|35 Natuurnetwerk Nederland De plaatsing en het gebruik van de stacaravans en de toenemende verkeersbewegingen hebben waarschijnlijk geen negatieve effecten op het NNN of weidevogelgebieden. Omdat er geen negatieve effecten zijn te verwachten, zijn er op deze punten geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid. Beschermde planten en dieren In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Zuid-Holland een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Vleermuizen: verstoring voorkomen De rijen esdoorn ten zuidoosten van het plangebied fungeren mogelijk als vaste vliegroute en/of foerageergebied van vleermuizen. Omdat deze esdoorns blijven behouden, is er geen aantasting aan een vaste vliegroute of foerageergebied.
Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van deze bomen alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen. Hierbij kan worden gekozen voor amberkleurige UV-vrije led armaturen (Zoogdiervereniging, 2011) of rood licht (Spoelstra et al, 2017). Algemene vogels In de opgaande vegetaties komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de werkzaamheden (sloop kleine opstalletjes en het verwijderen van vegetaties) buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) uit te voeren. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van algemene vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Bomen Het is niet de intentie om bomen te kappen. Mocht dit nodig zijn, dan worden inlandse loofbomen terug geplant. Stikstof Natura 2000-gebied en stikstof Voor het planvoornemen moet bekeken worden wat de invloed is van de stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden.
Hiervoor is een stikstofdepositieonderzoek opgesteld (bijlage 7 van de toelichting).
NL.IMRO.1978.BPWoonwagenlocatie-VG01
Bestemmingsplan Woonwagenlocatie Dorpsweg Arkel
|36 Het plangebied ligt op circa 1,3 kilometer van de dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’. Met de Aerius calculator 2020 is inzichtelijk gemaakt of zowel de gebruiksfase als de aanlegfase van het planvoornemen van invloed is op de omliggende Natura 2000 gebieden. De berekening voor de stikstofdepositie betreft de realisatie van maximaal 6 woonwagens aan de Dorpsweg in Arkel. Door intreding van de wet Stikstofreductie op 1 juli 2021 is het niet langer nodig een activiteit met tijdelijke emissies op de lokale effecten te toetsen. Het gaat hierbij om de bouw, sloop en eenmalige aanleg van bebouwing. Hierdoor is uitsluitend de gebruiksfase bekeken. Uit de berekeningen blijkt dat – met de uitgangspunten die in dit onderzoek gedaan zijn gedurende de gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar is berekend. Wanneer de uitgangspunten in dit onderzoek wijzigen, dan dient een nieuwe AERIUSberekening te worden uitgevoerd. Het is namelijk in dat geval mogelijk dat een Wnbvergunningsplicht toch noodzakelijk is. Conclusie Het aspect natuurwetgeving vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.9
Water
Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het RIjk werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Grote opgaven voor het waterdomein zijn: •
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering;
•
Nederland moet blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte;
•
Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.
Bestuursakkoord Water Het Bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: • • •
heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; beheersbaar programma voor de waterkeringen; doelmatig beheer van de waterketen;
NL.IMRO.1978.BPWoonwagenlocatie-VG01
Bestemmingsplan Woonwagenlocatie Dorpsweg Arkel
|37 • •
werkzaamheden slim combineren; het waterschapsbestuur.
De doelstellingen van het ‘oude’ Nationaal Bestuursakkoord blijven van kracht. Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. Hierin staat hoe de provincie samen met haar partners werkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. In de Waterwet is bepaald dat in het regionaal waterprogramma ten minste moet staan wat de provincie doet om uitvoering te geven aan de Europese richtlijnen rondom water, zoals de Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn, de Richtlijn Overstromingsrisico’s en de Zwemwaterrichtlijn. De provincie Zuid-Holland gaat in het regionaal waterprogramma – naast deze verplichte onderwerpen – ook in op onderwerpen zoals zoetwatervoorziening, waterrecreatie, vaarwegen en wateroverlast. Op deze manier komt het beleid dat te maken heeft met water samen in één document. Dit geeft een helder beeld van de aanpak en laat de samenhang tussen de verschillende onderwerpen duidelijk zien. Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom.
In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit.
Verordening “de Keur” Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening “de Keur”. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening “de Keur” is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-waterloop niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. NL.IMRO.1978.BPWoonwagenlocatie-VG01
Bestemmingsplan Woonwagenlocatie Dorpsweg Arkel
|38 Watertoets Oppervlaktewater Rond het plangebied lopen C-watergangen en het plangebied grens aan de noordoostkant aan een B-watergang 043251 met een beschermingszone van 1 meter, zie figuur 12. Deze B-watergang wordt aangepast, zie figuur 13. De andere watergangen hoeven niet aangepast te worden.
Figuur 12 Uitsnede legger Waterschap Rivierenland (rode lijn = plangebied)
Waterkwantiteit In de Keur heeft het waterschap een vuistregel opgenomen voor de compensatie van toename aan verhard oppervlak. Deze vuistregel houdt in dat voor elke hectare nieuw verhard oppervlak er 436 m3 waterberging gerealiseerd moet worden. Daarbij mag het waterpeil niet meer dan 0,20 meter stijgen. Binnen het plangebied worden 6 extra woonwagenstandplaatsen gerealiseerd (met een mogelijke berging). Veelal komt er ook een oprit, terras, etc. In veel gevallen wordt bijna het gehele perceel verhard (slechts een klein deel blijft onverhard of wordt groen geplaatst). In de berekening van de watercompensatie is daarom gerekend met een plangebied dat in z’n geheel verhard is. Door de ontwikkeling zal het verhard oppervlak maximaal toenemen met circa 2900 m2. Ter compensatie van de toename verhard oppervlak dient op basis van onderstaande berekening 632,2 m2 gecompenseerd te worden. De watercompensatie vindt binnen het plangebied plaats. Toename verharding
2.900 m2
Compensatieregel
436 m3/ha
Toegestane peilstijging
0,20 m
NL.IMRO.1978.BPWoonwagenlocatie-VG01
Bestemmingsplan Woonwagenlocatie Dorpsweg Arkel
|39 Te creëren water (in m3)
126,44 m3
Te creëren oppervlakte water (in m2)
632,2 m2
Bedoeling is om de watercompensatie te realiseren aan de zuidoostzijde van het plangebied, waar reeds een bestaande watergang langs loopt (zie figuur 13). Dit is gemeentelijk grondgebied. Het voorstel is in overleg met het waterschap verder uitgewerkt.
Figuur 13 Locatie watercompensatie
Hemelwater, afvalwater en riolering Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Er mogen hierbij geen uitlogende bouwmaterialen worden gebruikt. Met de inwerkingtreding van het ‘Besluit lozen buiten inrichtingen’ per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van het afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is lozen van hemelwater op oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap mogelijk blijven.
NL.IMRO.1978.BPWoonwagenlocatie-VG01
Bestemmingsplan Woonwagenlocatie Dorpsweg Arkel
|40 Een nieuw vrijverval stelsel wordt aangelegd om de nieuwe (en toekomstige) woonwagens aan te sluiten op de riolering/afvalwaterstelsel. Het nieuwe vrijverval stelsel gaat onder verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden vallen. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.10
M.e.r.-beoordeling
Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijzig die daarbij is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarde in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteiten een omvang heeft die onder de grenswaarde ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r-beoordelingsplichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarde liggen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.procedure nodig is.
Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies komen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-beoordelingsplichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Beoordeling Drempelwaarde D-lijst In D.11.2 in bijlage II van het Besluit m.e.r. is de activiteit “stedelijke ontwikkeling” opgenomen. Dit betreft de aanleg, de wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit van D.11.2 bedragen: •
Een oppervlakte van 100 hectare of meer;
•
Een aangesloten gebied van 2.000 of meer woningen.
Gelet op de kenmerken van het plan (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarde), de locatie en de kenmerken van potentiële effecten, kan worden geconcludeerd NL.IMRO.1978.BPWoonwagenlocatie-VG01
Bestemmingsplan Woonwagenlocatie Dorpsweg Arkel
|41 dat het project niet leidt tot milieueffecten van dusdanige omvang dat sprake is van ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’. Dit blijkt ook uit de onderzoeken naar de verschillen milieuaspecten zoals deze in voorgaande paragrafen zijn opgenomen. Voor het bestemmingsplan is dan ook geen m.e.r.beoordelingsprocedure noodzakelijk. Conclusie Gelet op het inzicht in de milieugevolgen van het project op basis van de plantoelichting kan gesteld worden te beslissen af te zien van het opstellen van een milieueffectrapport. Dit besluit moet door bevoegd gezag (B&W) genomen worden.
NL.IMRO.1978.BPWoonwagenlocatie-VG01
Bestemmingsplan Woonwagenlocatie Dorpsweg Arkel
|42
6.
JURIDISCHE REGELGEVING
6.1
Inleiding
In dit hoofdstuk is uiteengezet welke gedachten aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen en hoe de juridische regeling is vormgegeven.
6.2
Systematiek van de regels
Voor wat betreft de regels wordt voor het onderhavige bestemmingsplan aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan “Dorpskern Noordeloos” van de voormalige gemeente Giessenlanden. Hier is voor gekozen, omdat het plangebied gelegen is binnen de plangrenzen van dit bestemmingsplan. De opzet van de regels is gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). Uiteraard is de mogelijkheid tot het leveren van maatwerk opgenomen, om de specifieke eisen die een gebied stelt aan de bestemmingsregeling te kunnen verwerken. Daarnaast is in landelijke standaarden (SVBP 2012 en IMRO 2012) vastgesteld welke kleuren, lijnen, symbolen, e.d. toegepast worden bij het opstellen van de verbeelding. In de volgende paragraaf worden de gebruikte bestemmingen nader toegelicht. Hieronder wordt een toelichting gegeven op welke wijze een ander in de regels is vastgelegd. De regels zijn als volgt ingedeeld: Hoofdstuk 1: Inleidende bepalingen Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begripsomschrijvingen opgenomen, het tweede artikel bevat de wijze van meten. Hoofdstuk 2: Regels met betrekking tot de bestemmingen Dit hoofdstuk bestaat uit een beschrijving van de bestemmingen. Deze kennen per bestemming globaal de volgende opzet: •
Bestemmingsomschrijving;
•
Bouwregels voor gebouwen;
•
Bouwregels voor aan-, uit- en bijgebouwen;
•
Bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
•
Eventuele nadere eisen;
•
Eventuele afwijking van de bouwregels;
•
Eventuele specifieke gebruiksregels;
•
Eventuele afwijking van de gebruiksregels.
In dit hoofdstuk worden de bestemming van gronden als eerste beschreven en daarna gevolgd door eventuele dubbelbestemmingen voor leidingen, waarden en waterstaatsdoelen.
NL.IMRO.1978.BPWoonwagenlocatie-VG01
Bestemmingsplan Woonwagenlocatie Dorpsweg Arkel
|43 Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de regels die op het hele plangebied betrekking hebben en regelt de volgende onderwerpen: •
Anti-dubbeltelregel;
•
Algemene bouwregels;
•
Algemene afwijkingsregels;
•
Algemene wijzigingsregels;
•
Overige regels.
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregel Dit hoofdstuk bevat regels die op het hele plangebied betrekking hebben en regelt de volgende onderwerpen: •
Overgangsregeling: bouwwerken welke op het moment van tervisielegging van het plan aanwezig zijn, mogen blijven bestaan, ook al is het in strijd met de bebouwingsregels. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijk van de regels op het moment waarop het plan rechtskracht verkrijgt, mag gehandhaafd blijven;
•
Titel: in deze regel wordt aangegeven onder welke naam de regels aangehaald kunnen worden.
6.3
Beschrijving van de bestemmingen
Artikel 3 Verkeer De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding en waterberging en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals duikers, bruggen, geluidswerende voorzieningen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, fietsen voetpaden en groen. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, waarbij geldt dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan ten behoeve van verkeersgeleiding, wegverlichting, verkeersregeling en wegaanduiding, ten hoogste 3 m bedraagt. Artikel 4 Wonen De voor “Wonen” aangewezen gronden zijn bestemd voor woonwagenstandplaatsen met aan-huisgebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, water en voorzieningen voor de waterhuishouding en waterberging en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, wegen, nutsvoorzieningen, speelvoorzieningen, parkeervoorzieningen, water en groen. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen – nissenhut’ is een nissenhut toegestaan. Op deze gronden mogen woonwagens (hoofdgebouwen), aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde en een nissenhut worden gebouwd. Gebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd.
Indien de aanduiding 'bijgebouwen' is opgenomen binnen het bouwvlak dan mogen uitsluitend bijgebouwen ter plaatse van deze aanduiding worden gebouwd. Indien de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - nissenhut' is opgenomen dan mag uitsluitend een nissenhut ter plaatse van de aanduiding worden gebouwd. Het aantal hoofdgebouwen binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan door middel van de aanduiding NL.IMRO.1978.BPWoonwagenlocatie-VG01
Bestemmingsplan Woonwagenlocatie Dorpsweg Arkel
|44 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven. De bouwhoogte van de nissenhut bedraagt ten hoogste 3 m. De goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte (m)' aangegeven goothoogte. De grondoppervlakte van hoofdgebouwen voor de sociale woonwagenstandplaatsen bedraagt ten hoogste 80 m2, voor de overige standplaatsen bedraagt dit 125 m2. Voor de nissenhut bedraagt dit 77 m2. De onderlinge afstand tussen hoofdgebouwen bedraagt ten minste 5 m. De afstand van hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt ten minste 1 m. Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden achter de voorgevel (of het verlengde daarvan) van het hoofdgebouw gebouwd. Voor bijgebouwen geldt een uitzondering als de aanduiding 'bijgebouwen' is opgenomen binnen het bouwvlak. De afstand van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen tot de voorgevel (of het verlengde daarvan) van het hoofdgebouw bedraagt ten minste 1 m. Voor bijgebouwen geldt een uitzondering als de aanduiding 'bijgebouwen' is opgenomen binnen het bouwvlak. De goothoogte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste 3 m. Het gezamenlijk te bebouwen oppervlak aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste 50% van het zij- en achtererf met een maximum van 75 m2.
Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering en afmetingen van gebouwen, in het bijzonder de gerichtheid van hoofdgebouwen op en de overwegende ligging evenwijdig aan de lengterichting van de Dorpsweg een overwegend verticale geleding van de hoofdgebouwen en verticale beëindiging ervan door kappen of daarmee vergelijkbare elementen, teneinde de stedenbouwkundige kwaliteiten van het cultuurhistorische en landschappelijk waardevolle bebouwingslint te beschermen c.q. te handhaven. Het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning of afhankelijke woonruimte is niet toegestaan. De nissenhut mag uitsluitend voor opslag gebruikt worden (het gebruik van het bouwwerk als zelfstandige woning of afhankelijke woonruimte is niet toegestaan). De vloeroppervlakte ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige activiteiten bedraagt ten hoogste 30% van de vloeroppervlakte van de betrokken woning inclusief aan-, uitbouwen en bijgebouwen met een maximum van 50 m2. Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning of afhankelijke woonruimte. Artikel 5 Waarde – Archeologie - 3 In dit artikel is de bescherming van de archeologische waarde van gronden in het plangebied geregeld met een zogenoemde dubbelbestemming.
NL.IMRO.1978.BPWoonwagenlocatie-VG01
Bestemmingsplan Woonwagenlocatie Dorpsweg Arkel
|45
7.
UITVOERBAARHEID
7.1
Economische uitvoerbaarheid
De grond is in eigendom van de gemeente Molenlanden. De gemeenteraad heeft voor het bouw- en woonrijp maken budget vrijgemaakt. De overige kosten worden gedekt door de gronduitgifte. Een budgetneutraal exploitatieresultaat is te verwachten. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van voorliggend plan voldoende aangetoond.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Wettelijk vooroverleg Het volkstuinencomplex en de nabijgelegen voetbalvereniging zijn betrokken en op de hoogte gesteld van voorliggend plan. Tevens heeft afstemming plaatsgevonden met de vooroverlegpartners, het Waterschap en de Provincie. Zienswijze Op de voorbereiding van een ruimtelijke planprocedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 24 maart 2022 6 weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend op het plan. Alleen het waterschap Rivierenland heeft gereageerd op de toelichting van het plan. Naar aanleiding van de reactie is het beleid in de waterparagraaf geactualiseerd. Onder het kopje ‘watertoets’ is toegevoegd dat ten noordoosten van het plangebied een B-watergang met een beschermingszone van 1 meter loopt en figuur 13 (locatie watercompensatie) in de waterparagraaf is vervangen. Daarnaast hebben enkele kleine ambtelijke wijzigingen plaatsgevonden ten opzichte van het ontwerp. Zo is in paragraaf 3.1 toegevoegd dat vanaf 2016 al gesprekken hebben plaatsgevonden over toekomstige woonwagenstandplaatsen. Artikel 4.2 onder f van de regels is het aantal vierenkante meters aangepast naar 80 m2. Vaststelling Het bestemmingsplan is op 5 juli 2022 vastgesteld door de gemeenteraad van Molenlanden.
NL.IMRO.1978.BPWoonwagenlocatie-VG01
Bestemmingsplan Woonwagenlocatie Dorpsweg Arkel