Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan ‘Woningen Meeuwenlaan-Doorbraak’
Tekst van het document
Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het NSL. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; kantoorlocaties: 100.000 m² bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m² bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. Het planvoornemen betreft het planologisch-juridisch mogelijk maken van de bouw van 3 woningen. Het mogelijk maken van 3 woningen valt binnen het niet in betekenende mate criterium van de Wet milieubeheer (<1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg). Gesteld kan worden dat het planvoornemen daardoor niet in betekende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijnstof en stikstofdioxide in de lucht. Fijn stof Voor wat betreft de beoordeling van het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit dient er gelet te worden op de fijnstofconcentraties ter plaatse. Hiervoor is de NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) geraadpleegd. Direct nabij het plangebied zijn geen rekenpunten gelegen.
Om alsnog een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit ter plaatse, zijn daarom de fijnstofconcentraties nabij het dichtstbij gelegen rekenpunt aan de Graafland beoordeeld. Uit de NSL-monitoringskaart blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 hier respectievelijk maximaal 17,17 ìg/m3, 19,21 ìg/m3 en 11,92 ìg/m3 zijn (zie onderstaande afbeelding). De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 ìg/m3) en PM2,5 (20 ìg/m3) wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uur
28
bestemmingsplan Woningen Meeuwenlaan-Doorbraak
gemiddelde concentratie is maximaal 6,99 waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden.
Uitsnede NSL-monitoringskaart met rekenpunt bij rode contour en plangebied bij donkerblauwe contour De concentratie fijnstof heeft geen negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plekke van de locatie. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.7
Externe veiligheid
Met externe veiligheid wordt bedoeld de kans op overlijden van mensen buiten de grenzen van een bedrijf of transportmedium, als rechtstreeks gevolg van een ongeval met (gevaarlijke) stoffen binnen de grenzen van het bedrijf dan wel het transportmedium. In de externe veiligheid worden twee risicobegrippen gehanteerd: 1.
2.
Plaatsgebonden Risico (PR): de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit. Groepsrisico (GR): is de kans dat in een keer een groep mensen van tenminste een bepaalde grootte komt te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongeval met (gevaarlijke) stoffen. De norm voor het GR is een oriënterende waarde.
bestemmingsplan Woningen Meeuwenlaan-Doorbraak
29
Uitsnede risicokaart De locatie ligt niet binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit (inrichting of leiding). In de omgeving van het plangebied is geen rijksweg of provinciale weg gelegen. Op ca. 2200 meter afstand is het bedrijf Akzo Nobel Decorative Coatings B.V. gelegen. Het bedrijf Akzo Nobel Decorative Coatings B.V. betreft een Bevi-inrichting. De PR 10-6 contouren van de inrichting bedragen 20 meter en 50 meter. Het invloedsgebied van de inrichting bedraagt 2765 meter. Het plangebied is daarmee binnen dit invloedsgebied gelegen. Gezien de grote afstand en het feit dat het aantal personen op de locatie zeer beperkt toeneemt, ligt het groepsrisico echter ruim onder de oriëntatiewaarde, waarmee dit gekwalificeerd kan worden als een ‘verwaarloosbaar groepsrisico’. Daarnaast is op circa 850 meter afstand de Lek gelegen. Over de Lek vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De Lek is in het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen aangeduid als binnenvaartverbinding chemische clusters en achterlandverbinding met toetsingsafstand. In het Basisnet is aangegeven dat voor een dergelijke vaarweg alleen een groepsrisicoberekening en -verantwoording noodzakelijk is als in het plangebied langs de oever sprake is van een populatiedichtheid van meer dan 1.500 personen/ha bij dubbelzijdige bebouwing of 2.250 personen/ha bij enkelzijdige bebouwing.
Binnen de kern Groot Ammers en ter hoogte van het plangebied wordt hier bij lange na niet aan voldaan. Een verantwoording van het groepsrisico is in dit kader niet noodzakelijk. In verband met de effecten van een mogelijke plasbrand op het water, dient in het kader van het Basisnet rekening gehouden te worden met een aandachtsgebied van 25 m vanaf de oeverlijn van de Lek: hierbinnen moet de realisatie van kwetsbare objecten zoveel mogelijk geweerd worden. Aangezien het plangebied op circa 850 meter afstand van de Lek is gelegen, is geen sprake van de oprichting van een nieuw kwetsbaar object binnen het plasbrandaandachtsgebied. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
30
bestemmingsplan Woningen Meeuwenlaan-Doorbraak
4.8
Natuur
4.8.1 Beschermde gebieden De Wet natuurbescherming vormt in Nederland het wettelijke kader voor de bescherming van Natura2000-gebieden. De wet bepaalt dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura2000-gebied kunnen verslechteren of die een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. Het plangebied bevindt zich niet in of direct nabij het Natura2000-gebieden. Er is een inventarisatie gemaakt van de Natura2000-gebieden welke zich binnen een afstand van 10 km van het plangebied bevinden. Het gaat dan om de volgende Natura2000-gebieden: Zouweboezem op circa 5,5 km Donkse Laagten op circa 5 km In de onderstaande figuur is de ligging van de verschillende gebieden ten opzichte van de plangebied weergegeven.
Het plangebied is niet gelegen in Natura2000-gebied, zodat er uitsluitend sprake is van externe werking. Gezien de kleinschalige aard van het voornemen en de grote afstand tot de dichtstbijzijnde Natura2000-gebieden, is geen sprake van verstoring door licht, trilling, optische verstoring of verstoring door mechanische effecten. Natuurnetwerk Nederland In paragraaf 3.3.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland is reeds besproken dat het plangebied niet is gelegen binnen of nabij het Natuurnetwerk Nederland. Gezien de kleinschalige aard van het voornemen en de afstand tot het NNN, zijn negatieve effecten op het NNN veroorzaakt door de ontwikkeling van 3 woningen ter plaatse van het plangebied uit te sluiten. Stikstof
bestemmingsplan Woningen Meeuwenlaan-Doorbraak
31
Na de PAS uitspraak van mei 2019 is er gewerkt aan een nieuw wettelijk kader om de stikstofproblematiek aan te pakken. Uitvloeisel daarvan is de Wet Stikstofreducie en Natuurherstel. Met deze wet wordt voorzien in de wettelijke verankering van de door het kabinet aangekondigde structurele aanpak van de stikstofproblematiek. De wet is op 17 december 2020 aangenomen door de Tweede Kamer en op 9 maart 2021 aangenomen door de Eerste Kamer. Op 1 juli 2021 is de wet in werking getreden. Met de komst van de nieuwe wet is voor woningbouwprojecten een belangrijke wijziging ingevoerd. Namelijk een partiële vrijstelling voor de bouwsector van de natuurvergunningplicht als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid Wnb. De vrijstelling voor bouwactiviteiten is om twee redenen partieel. Allereerst omdat de vrijstelling alleen geldt voor tijdelijke stikstofemissies tijdens de bouw, sloop en aanleg (“Realisatiefase”) en niet voor structurele stikstofemissies in de gebruiksfase van het bouwwerk of werk, als gevolg van bijvoorbeeld bewoning, gebruik van utiliteitsbouw of verkeer dat over een weg rijdt (“Gebruiksfase”). Voor de structurele uitstoot die een project in de gebruiksfase uitstoot, blijft de natuurvergunningplicht dus onverkort van toepassing.
De vrijstelling is voorts partieel, omdat deze alleen geldt voor de gevolgen van stikstofdepositie en niet voor ándere significante gevolgen, bijvoorbeeld de verstoring van diersoorten. Voor de onderhavige planvoornemen geldt daarmee dus dat indien er geen significante effecten ten aanzien van de emissie van stikstof zijn te verwachten in de gebruiksfase, de sloop- en bouwfase buiten beschouwing kan worden gelaten (vrijgesteld) en dat een ontheffing van de Wnb voor het project niet aan de orde is. Derhalve is er navolgend in Bijlage 3 middels een aeriusberekening gekeken of er een effect in de gebruiksfase is te verwachten ten aanzien van stikstof. Er wordt uitgegaan dat het project gasloos zal worden uitgevoerd. In de gebruiksfase is derhalve alleen sprake van een verkeersgeneratie. Met het planvoornemen worden 3 woningen gerealiseerd. Op basis van de CROW normen geldt een norm van maximaal 8,5 bewegingen voor een vrijstaande woning en 8,1 bewegingen voor twee-onder-één kapwoningen per etmaal in een weinig stedelijk gebied in schil centrum. Het planvoornemen genereert daarmee maximaal 26 lichte verkeersbewegingen per etmaal. Dit verkeer wordt 50/50 afgewikkeld in beide richting. Op basis van de aeriusberekening kan geconcludeerd worden dat het planvoornemen in de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura2000-gebieden.
Op basis van de Wet Stikstofreductie en Natuurherstel kan gebruik worden gemaakt van de partiële vrijstelling voor bouwactiviteiten zoals opgenomen in artikel 2.9a Wnb. Voor het plan is derhalve geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming vereist. 4.8.2 Beschermde soorten Het plangebied is gelegen binnen bestaand bebouwd gebied waar de natuurwaarde nihil is. Het plangebied wordt momenteel gebruikt voor het houden van diverse eenden en andere vogelsoorten. Op de locatie bevindt zich dan ook een grote afgeschermde volierè met daarbinnen enkele nachtverblijven in combinatie met een waterpartij. De ondergrond bestaat uit grasland en beplanting. Het geheel wordt regelmatig onderhouden en is in het geheel omgeving door gaas in de vorm van een volieré waardoor het niet mogelijk is voor dieren om van buitenaf in het plangebied te komen. De inrichting van de volieré is aangelegd en bestaat uitsluitend uit sierbeplanting. Gezien het gebruik en het regelmatige onderhoud zijn er geen beschermende dier- en plantensoorten binnen het plangebied aanwezig. Verder is er geen mogelijkheid voor algemene broedvoegels aangezien het plangebied volledig ingericht is als volierè. Het is voor broedvogels niet mogelijk om zich te nestelen binnen het plangebied. Dit geldt ook voor overige soorten groepen.
Het gehele plangebied is volledig afgeschermd en niet toegankelijk voor dieren van buitenaf.
32
bestemmingsplan Woningen Meeuwenlaan-Doorbraak
Implessie gebruik plangebied
4.9
Archeologie en cultuurhistorie
4.9.1 Archeologie Als wettelijk toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta uit 1992. De Wamz is in zijn geheel opgenomen in de Monumentenwet 1988 (Mw art. 38 t/m 60). In de Wamz is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen. Ter plekke van de planlocatie geldt dat er sprake is van een archeologische dubbelbestemming van de archeologische waarden. Het betreft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 5'. Op basis hiervan is het op de locatie verboden grondbewerkingen met een oppervlakte groter dan 250 m2 en dieper dan 1,5 m uit te voeren, tenzij vooraf middels archeologisch onderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.
Gezien met het plan grondbewerkingen met een oppervlakte van meer dan 250 m2 worden uitgevoerd, dient middels een verkennend archeologisch onderzoek aangetoond te worden dat geen archeologische waarden worden geschaad. Om die reden is er een archeologisch onderzoek uitgevoerd (Econsultancy, rapportnummer 10711.003, d.d. 27 september 2019). De conclusie van het onderzoek is in onderstaande overgenomen. Het rapport is bijgevoegd als Bijlage 4. Conclusie Het bureauonderzoek heeft aangetoond dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Op basis van de vermoede aanwezigheid van een crevassegeul ten zuiden van het plangebied, werden in eventuele oeverafzettingen van deze crevasse archeologische resten verwacht uit de periode Romeinse tijd – Vroege-Middeleeuwen. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend en karterend booronderzoek uitgevoerd. Tijdens dit booronderzoek zijn in alle boringen komafzettingen (matig siltige klei) aangetroffen, die in drie van de vijf boringen dieper dan circa 150 cm –mv overgaan op Hollandveen (bosveen en riet-veen). In twee boringen bevindt zich onder de komafzettingen, vanaf circa 200 cm –mv, een pakket sterk siltige klei met plantenresten en detritus- en veenlagen.
Dit betreft een pakket geulafzettingen, vermoedelijk gevormd in een crevassegeul die vanuit de Schoonhove stroomgordel gevormd is. In één boring is boven de komklei een 20 cm dikke laag oeverafzettingen aangetroffen, gevormd vanuit een crevasse van de Lek. De bovenste 40 à 80 cm bestaat uit verstoorde, zandige klei met puinresten of lichtgrijs ophoogzand. In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Ook zijn geen vegatiehorizonten binnen de rivierafzettingen waargenomen die zouden kunnen wijzen op bewoonbare niveaus. De
bestemmingsplan Woningen Meeuwenlaan-Doorbraak
33
oeverafzettingen, waarop mogelijke archeologische resten verwacht werden, zijn slechts in één boring aangetroffen. Hier is de top van de oever echter verstoord (tot 70 cm –mv). Archeologische resten worden op basis van deze bevindingen niet meer verwacht. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor onderhavig plan. 4.9.2 Cultuurhistorie Vanaf 1 januari 2012 dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met cultuurhistorie. Dit is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. Binnen het plangebied is, afgezien van de kooi voor vogels en eenden, alleen bebouwing in de vorm van nachtverblijven aanwezig. Deze bebouwing heeft geen enkele cultuurhistorisceh waard. Het plangebied zelf wordt eveneens niet aangeduid als cultuurhistorisch waardevol. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
4.10
Waterparagraaf
Het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerder en het meewegen van het waterbelang is, door middel van de Watertoets, sinds 1 november 2003 verankerd in het ‘Besluit op de ruimtelijke ordening 1985’. Het streven naar een veilig, gezond en duurzaam waterbeheer staat landelijk in de belangstelling. Thema’s zoals ‘water in de stad’ en ‘water als ordenend principe’ zijn als speerpunten aangegeven in het vigerende beleid zoals vastgelegd in de Vierde Nota Waterhuishouding (ministerie van V&W), de Nota Ruimte (ministerie van VROM), de Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw (WB21), de Handreiking Watertoets (VROM), het Provinciaal Waterplan van Noord-Brabant (Provincie Noord-Brabant), het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Op Europees, nationaal en stroomgebiedsniveau wordt gewerkt aan de Kaderrichtlijn Water (KRW). De KRW streeft naar duurzame en robuuste watersystemen. Basisprincipes van het nationaal en Europees beleid zijn: meer ruimte voor water, voorkomen van afwenteling van de waterproblematiek in ruimte of tijd en stand-still (géén verdere achteruitgang in de huidige (2000) chemische en ecologische waterkwaliteit). Dit resulteert in twee drietrapsstrategieën: waterkwantiteit (hergebruik, vasthouden, bergen, afvoeren); waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren).
Beleid waterschap Rivierenland Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 Koers houden, kansen benutten bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Het waterschap vraagt bij een watertoets specifiek aandacht voor de volgende punten: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
34
Veiligheid (waterkering); Waterberging; Grondwater en kwel; Inrichten en waterkwaliteit Beheer en onderhoud watergangen; Riolering en hemelwater.
bestemmingsplan Woningen Meeuwenlaan-Doorbraak
Veiligheid In het plangebied is geen kern- en beschermingszone van een waterkering gelegen.
Waterberging Ingeval dat de verharding toeneemt, dient de initiatiefnemer compenserende waterberging te realiseren. Het Waterschap hanteert hierbij de vuistregel dat voor elke hectare nieuwe verharding 436 m³ waterberging gerealiseerd moet worden. Deze waterberging dient te worden aangelegd in open water en daarbij mag de maximale peilstijging niet meer dan 20 cm bedragen. Als de toename aan verhard oppervlak voor het stedelijk gebied kleiner is dan 500 m² en de ontwikkeling op zichzelf staat (dus geen cumulatief effect), is op basis van een eenmalige vrijstelling geen watercompensatie nodig. Voor het plangebied is uitgegaan van de volgende verhardingsoppervlakten Daken (woning en garage): 296 m2 Opritten: 294 m2 Terras en overig: 270 m2
Beoogde bebouwing en verhard oppervlak
bestemmingsplan Woningen Meeuwenlaan-Doorbraak
35
De totale verharding binnen het plangebied komt hiermee op 860 m2 Het totale opppevlak van het plangebied bedraagt 1.650 m2. Hiervan wordt 75 m2 ingericht als groenstrook en 1.575 m2 ingericht als bouwperceel ten behoeve van de woningen. Het verhard oppervlak van de bouwpercelen komt hiermee uit op ongeveer 54 % (860/1.575 m2 x 100). Hierin is de groenstrook niet meegenomen omdat deze ingericht wordt als groen en als zodanig niet verhard zal worden. Dak Inrit/verharding Terras Totaal Bestaand 120 70 0 190 Nieuw 296 294 270 860 Toe-/afname + 196 + 224 + 270 + 670 Gezien het feit dat met het plan de toename aan verhard oppvervlak voor het stedelijk gebied groter is dan 500 m2,, is watercompensatie nodig.
Conform het beleid van Waterschap Rivierenland dient ingeval van hemelwaterlozing van een verhard oppervlak groter dan 500 m² de aanvrager voorzieningen te treffen om de landelijke afvoer te realiseren door middel van: het creëren van extra waterberging op het eigen terrein door middel van het graven of vergroten van een oppervlaktewaterlichaam, en/of het creëren van extra retentie in het oppervlaktewaterlichaam waarop wordt geloosd door vergroten van het profiel van de oppervlaktewaterlichaam, en/of het graven van nieuw oppervlaktewaterlichaam binnen hetzelfde peilgebied en aangesloten op bestaande A- of B-wateren, en/of het creëren van extra berging door het aanleggen van wadi’s. Compensatie voor verhard oppervlak kan zowel plaatsvinden in een nieuw oppervlaktewaterlichaam als in een bestaand oppervlaktewaterlichaam. De aanvrager moet bij de aanvraag zelf aangeven op welke manier en waar hij de compensatie gaat maken. Het waterschap toetst vervolgens of dat voldoende is. Soms heeft het waterschap om locatiespecifieke redenen een voorkeur voor compensatie in een nieuw dan wel bestaand oppervlaktewaterlichaam. Als er compensatie plaatsvindt in een bestaand oppervlaktewaterlichaam, dan gaat de voorkeur uit naar compensatie in B-wateren boven compensatie in A-wateren. Dit onder andere op basis van het veroorzakersbeginsel.
Daarbij is compensatie in A-wateren minder gewenst vanwege optredende problemen in de sfeer van eigendom en onderhoud. Binnen het plangebied zal een totale toename van 670 m² aan verharding plaatsvinden. Hiervan is 500 m2 vrijgesteld op basis van de eenmalige vrijstelling. Dit houdt in dat voor 170 m2 toename verharding voorzien dient te worden in watercompensatie. Conform de stelregel van het waterschap zal hiermee 7,4 m³ (170 ÷ 10.000 × 436) watercompensatie moeten plaatsvinden. Rekening houdend met een peilstijging van 0,2 m zal de watercompensatie 37 m2 bedragen. De watercompensatie zal plaatsvinden op een nader te bepalen locatie binnen het plangebied, bij voorkeur bij het lozingspuntplangebied. In het kader van onderhavig planvoornemen wordt er voor gekozen om de locatie en de wijze waarop de noodzakelijke watercompensatie plaatsvindt te regelen in de benodigde watervergunning.
Grondwater en kwel Het plangebied wordt gekenmerkt door een bepaalde grondwaterstand. De drooglegging van het gebied is hiervoor medebepalend. Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlaktewaterpeil ligt. Doorgaans geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. Uitgaande van het zomerpeil binnen het peilgebied van 1,52 m -NAP levert dit de volgende peilen op: straatpeil 0.52 m - NAP; bouwpeil 0.22 m - NAP.
36
bestemmingsplan Woningen Meeuwenlaan-Doorbraak
In gebieden waar grondwateroverlast bekend is of gebieden met hoge grondwaterstanden, wordt geadviseerd om hier nader onderzoek naar te doen. Bij hoge rivierwaterstanden kunnen gebieden gelegen nabij de rivieren overlast ondervinden van kwel. Eventuele maatregelen zijn het ophogen van het maaiveld of kruipruimteloos bouwen. In onderhavig geval is hier geen sprake van.
Inrichten en waterkwaliteit Bij nieuwbouw is het uitgangspunt dat hemelwater van het verhard oppervlak voor 100% gescheiden wordt afgevoerd. Het waterschap gaat bij nieuwbouw van woningen uit van een (duurzaam) gescheiden rioleringsstelsel. Hemelwater van terreinverhardingen stroomt bij voorkeur niet direct af op het oppervlaktewater, maar wordt eerst voorgezuiverd door een berm wadi of bodempassage.
Beheer en onderhoud watergangen De te beheren wateren worden verdeeld in: A-wateren: van primair belang voor het waterbeheer en worden daarom door het waterschap onderhouden. B-wateren: van secundair belang voor het waterbeheer en dienen door de aangrenzende eigenaren te worden onderhouden. C-wateren: wateren die van tertiair belang zijn voor het waterbeheer waarvoor geen jaarlijkse onderhoudsplicht geldt. Wel geldt dat deze watergangen niet mogen verlanden.
Uitsnede legger wateren Het plangebied grenst aan de oostzijde aan een B-watergang en aan de zuidzijde aan een A-watergang (gedeeld onderhoud). Voor beide watergangen zijn beschermingszones opgenomen. Beschermingszones bij A-wateren zijn vooral bedoeld om onderhoud te kunnen uitvoeren aan de watergang, deze wateren toegankelijk te houden voor het uitvoeren van inspecties en ter voorkoming van instabiele oevers. De beschermingszone van A-watergangen bedraagt 5 meter, gemeten vanuit de insteek van de watergang. Beschermingszones bij B-wateren zijn vooral bedoeld om deze wateren toegankelijk te houden voor het uitvoeren van inspecties en ter voorkoming van instabiele oevers. De beschermingszone van B-watergangen bedraagt 1 meter, gemeten vanuit de insteek van de watergang.
bestemmingsplan Woningen Meeuwenlaan-Doorbraak
37
In artikel 3.2 eerste lid van de keur is een ruime verbodsbepaling opgenomen voor handelingen of het laten liggen of staan van werken, vaste substanties of voorwerpen bij waterstaatwerken. De formulering en reikwijdte van de verbodsbepaling sluiten aan bij de verbodsbepaling in het Waterbesluit ten aanzien van rijkswaterstaatswerken, waarvoor het Rijk beheerder is. Het gaat om handelingen die het gebruik van waterstaatswerken en een daartoe behorende beschermingszone betreffen, door anders dan in overeenstemming met de functie, daar werkzaamheden te verrichten, werken te maken of vaste substanties of voorwerpen te storten of te plaatsen. Het zijn handelingen waarin de keur voorziet. De onderhoudstroken dienen vrij te blijven van obstakels. Het gaat dan om bebouwing, bomen, beplanting, verkeersborden, schuttingen en dergelijke. Met het planvoornemen wordt aan deze regels gehoor gegeven. De nieuwe woningen en bijbehorende bijgebouwen worden buiten deze beschermingszones opgericht waardoor deze obstakelvrij blijven. Indien hier in de toekomst toch werken of werkzaamheden uitgevoerd worden, dan is hier een watervergunning voor nodig.
Riolering en hemelwater De woningen worden voorzien van een gescheiden stelsel. Het hemelwater van het verhard oppervlak (bebouwing, verharding) zal worden geloosd op het oppervlaktewater. De voorkeur van het waterschap hierbij is dat kavel 1 en 2 (hoekwoning en middelste woning) lozen op de de A-watergang, met een buis door de beschoeiing heen. Komt er geen beschoeiing, dan met een betonnen uitstroombak. Kavel 3 (woning naast nr 2) kan lozen op de B-watergang waardoog deze watergang extra doorstroming heeft. Bij de bouw zullen daarom geen uitloogbare materialen worden toegepast, of worden deze voorzien van een coating. Indien er een beschoeiing of iets dergelijks komt dan dient hiervoor een aanvraag bij het waterschap worden gedaan. De nieuwe woningen worden voor de afvoer van het afvalwater aangesloten op het gemengde systeem van de gemeente zoals aanwezig in het straatprofiel van de Meeuwenlaan. Het aspect water vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
4.11
Leidingen
Binnen of in de directe omgeving van het besluitgebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, gas, brandstof en/of hoogspanningsleidingen gelegen, die van invloed zijn op de realisatie van het project. In het straatprofiel van de Meeuwenlaan zijn wel de reguliere leidingen c.q. nutsvoorzieningen aanwezig zoals gas, electra en telefonie.
4.12
Duurzaamheid
De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De initiatiefnemers zijn bewust van deze gemeentelijke ambitie en zullen onderzoek doen naar toepassingen in het kader van het opwekken van duurzame energie (bijvoorbeeld zonnepanelen). In het kader van de energiebesparing wordt de nieuwe woning op een goede wijze geïsoleerd (conform de huidige bouweisen) en gasloos gerealiseerd. Verder worden mogelijkheden voor duurzame energiebronnen nader onderzocht.
38
bestemmingsplan Woningen Meeuwenlaan-Doorbraak
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische opzet
Inleiding
Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.
5.2
De verbeelding
De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale BGT en BRK ondergrond, schaal 1:1000, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Hierbij dient te worden aangetekend dat de BGT en BRK ondergrond geen juridische status heeft.
5.3
De regels
De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouwen gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan ‘Woningen Meeuwenlaan-Doorbraak’ zijn opgebouwd conform de door de SVBP2012 voorgeschreven systematiek en zijn gebaseerd op de regels van het vigerende bestemmingsplan 'Dorpskernen'. De regels omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels, en ten slotte de overgangs- en slotregels. 5.3.1 Toegekende bestemmingen Woongebied De globale bestemming 'Woongebied' is opgenomen ten behoeve van de aanwijzing van gronden voor woningen. Tot de bestemming behoren eveneens de erven en tuinen, de groenvoorzieningen en speelterreinen, alsmede de wegen, paden en parkeervoorzieningen. De aanwezige hoofdgebouwen worden in de vorm van bouwvlakken aangegeven. Binnen het bouwvlak is de woningtypologie vastgelegd middels de aanduiding 'vrijstaand' en twee-aan-een' en is bepaald dat de gevels van de woning in de 'gevellijn' opgericht moeten worden. De omvang van erven en tuinen is niet gedetailleerd op de verbeelding aangegeven. Bepalend voor de oppervlakte aan aanbouwen en bijgebouwen is de omvang van het perceel (gedeelte dat niet door het hoofdgebouw in beslag is genomen) en een maximum oppervlak zoals opgenomen in de regels.
Dit houdt in dat bijvoorbeeld de gezamenlijke oppervlakte van aan-, uitbouwen en bijgebouwen tot een vastgesteld maximum kan toenemen wanneer er bijvoorbeeld een uitbreiding van het perceel plaatsvindt. Dit laatste is zeer wel denkbaar indien bijvoorbeeld de gemeente in het kader van een efficiënt groenbeheer zou overwegen bepaalde 'groensnippers' zonder structurele betekenis af te stoten en te verkopen aan de aangrenzende eigenaren. Het maximum van de gezamenlijke toelaatbare erfbebouwing bedraagt 50 m². Binnen de bestemming 'Woongebied' mag het aantal woningen niet worden vermeerderd dan is toegestaan op basis van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'. Ter voorkoming van misverstanden is de bepaling opgenomen dat uitbreiding van hoofdgebouwen niet mag leiden tot een vermeerdering van het aantal woningen. Aan de inrichting van het openbare gebied van wegen, paden, groen-, speel- en parkeervoorzieningen is geen gedetailleerde invulling gegeven. Gewijzigde herinrichting blijft op die manier mogelijk.
bestemmingsplan Woningen Meeuwenlaan-Doorbraak
39
40
bestemmingsplan Woningen Meeuwenlaan-Doorbraak
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Inleiding
Naast het toetsen van het planvoornemen aan diverse milieu- en veiligheidsaspecten, dient ook getoetst te worden aan de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Hierbij wordt gekeken naar de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.2
Economische en financiële uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke/anterieure overeenkomst met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeiegenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Voor onderhavig planvoornemen is een overeenkomst gesloten tussen innitiatiefnemer en de gemeente. In de overeenkomst zijn afspraken gemaakt over de verdeling van kosten om de realisatie van 2/3 woningen mogelijk te maken. Tevens is hierin meegenomen de kosten voor evt. planschade. Daarmee zijn de kosten in voldoende mate verzekerd. Een exploitatieplan is daarmee niet noodzakelijk.
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het planvoornemen betreft de realisatie van 3 woningen ter plaatse van een inbreidingslocatie in de kern Groot-Ammers. Gezien de ligging en stedenbouwkundige positie van het plangebied in de bestaande ruimtelijke structuur, sluit het plan goed aan op de de bestaande structuur en functies rondom het plangebied. Het betreft de inrichting van een open plek op de hoek Meeuwenlaan/Doorbraak waarbij de woonbebouwing wordt afgerond. De realisatie van de nieuwe woningen doet verder geen afbreuk aan de omgeving. Er is hier immers sprake van een woongebied. Het bestemmingsplan wordt conform de gebruikelijke procedure gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan een ieder reageren op het planvoornemen en zijn of haar zienswijzen indienen.
6.4
Conclusie
Het planvoornemen zal gezien het bovenstaande recht doen aan een goede ruimtelijke ordening, als bedoeld in artikel 3.1 Wro. De bestemmingswijziging betekent, na een afweging van de verschillende belangen, een aanvaardbare nieuwe invulling van het plangebied.
bestemmingsplan Woningen Meeuwenlaan-Doorbraak
41
42
bestemmingsplan Woningen Meeuwenlaan-Doorbraak
Hoofdstuk 7 7.1
De procedure
De te volgen procedure
Het bestemmingsplan doorloopt de volgende procedure:
a. b. c. d.
Ontwerp: publicatie en terinzagelegging overeenkomstig afdeling 3.4 Awb en Wro een ieder kan gedurende deze terinzagelegging een zienswijze indienen bij de gemeenteraad. Vaststelling: vaststelling door de Raad. Mogelijkheid reactieve aanwijzing. Publicatie en terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan gedurende de beroepstermijn. Inwerkingtreding: na afloop van de beroepstermijn (tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan). Beroep: beroep bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In het kader van deze procedure is het voor eenieder mogelijk om zijn/haar zienswijze (bij de gemeenteraad) kenbaar te maken. In publicaties met betrekking tot de diverse stappen die het plan moet doorlopen, wordt daarvan steeds melding gemaakt. Wanneer beroep wordt ingesteld, beslist uiteindelijk c.q. in hoogste instantie, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan.
7.2
Kennisgeving
Overeenkomstig artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is kennis gegeven van het voornemen tot het voorbereiden van het bestemmingsplan 'Woningen Meeuwenlaan-Doorbraak'. Hierbij is aangegeven dat het de ontwikkeling van 3 woningen ter plaatse van een inbreidingslocatie in de kern Groot-Ammers betreft.
7.3
Vooroverleg
Met de realisatie van 2/3 woningen op een open plek in de bestaande ruimtelijke structuur van de kern Groot Ammers zijn gezien de omvang en schaal van het planvoornemen geen Rijks-, provinciale en gemeentelijke belangen in het geding. Het betreft immers de realisatie van een kleinschalige woningbouwontwikkeling in een woongebied. Met de belangen van het waterschap wordt in voldoende mate rekening gehouden. Er wordt geen bebouwing opgericht binnen de beschermingszones van de aangrenzende watergangen. De locatie en de wijze van watercompensatie wordt geregeld in de watervergunning. Het voorontwerpbestemmingsplan is voorgelegd aan de vooroverlegpartners. Dit heeft niet geleid tot opmerkingen dan wel aanpassingen. In de tussentijd is het planvoornemen nader geconcretiseerd bestaande uit een vrijstaande woning op de hoek en twee-onder-één kapwoningen. Dit is in het ontwerpbestemmingsplan planologisch-juridisch door vertaald op de verbeelding en in de regels.
7.4
Vaststelling
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van datum gedurende zes weken, dat wil zeggen tot en met datum ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn wel/geen zienswijzen tegen het plan ingediend. Het bestemmingsplan is ten opzichte van het ontwerp dan ook ongewijzigd vastgesteld in de raadsvergadering van datum.
bestemmingsplan Woningen Meeuwenlaan-Doorbraak
43