Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan 'Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Lekdijk'
Tekst van het document
Als de werkzaamheden doorlopen tot in het broedseizoen, dan worden er geen verbodsbepalingen overtreden. Vogels zullen zich ofwel niet vestigen of er is gewenning opgetreden aan de verstoring waardoor negatieve effecten zijn uitgesloten. Voor het broedseizoen stelt de Wnb geen vaste begin- of einddatum. Het gaat er om of er een broedgeval is. Normaal gesproken loopt het broedseizoen voor de meeste vogelsoorten van 15 maart tot 15 juli, maar er zijn soorten die buiten deze periode broeden. Omdat er een broedende houtduif (Columba palumbus) is aangetroffen is de kans groot dat het broedseizoen pas laat in het seizoen eindigd (oktober / november). Jaarrond beschermde nesten Nestlocaties van huismus (Passer domesticus) kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Deze locaties zullen verloren gaan door de sloop van deze gebouwen. Dit zal leiden tot een overtreding van de verbodsbepaling van art. 3.1 lid 2 Wnb. Hierin wordt gesteld dat het verboden is om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is daarom noodzakelijk om aanvullend onderzoek te verrichten naar de huismus om de aan- of afwezigheid van nestlocaties van de huismus aan te tonen.
Het onderzoek naar huismus bestaat uit twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of uit vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni. Aangenomen kan worden dat er geen broedende huismussen aanwezig zijn als er tijdens deze bezoeken geen aanwezigheid kan worden aangetoond. Eventueel mogen ook nesten worden aangetoond door dakpannen te lichten buiten de broedperiode, dat wil zeggen van 15 september tot 1 maart. Nestlocaties van overige soorten met een jaarrond beschermd nest worden niet verwacht of liggen buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden waardoor geen negatieve effecten zullen optreden.
NL.IMRO.1978.BPUitkoopLekdijkLK-VG01
Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Lekdijk
|29 Soorten met een ongunstige staat van instandhouding (SVI) Soorten die zich in een ongunstige staat van instandhouding bevinden, en gevoelig zijn voor verstoring, worden echter niet verwacht binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen kan niet op voorhand worden uitgesloten. Mochten vleermuizen aanwezig zijn, dan kunnen deze bij de voorgenomen ingreep worden gedood of verwond. Dit leidt tot een overtreding van art. 3.5 lid 1 Wnb (het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen). Daarnaast zullen de mogelijke verblijfplaatsen niet meer kunnen functioneren. Dit leidt tot een overtreding van art. 3.5 lid 4 Wnb (het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen). Het is daarom noodzakelijk om aanvullend onderzoek uit te voeren naar het voorkomen van vleermuizen. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd volgens het vleermuisprotocol 2021 (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging, 2020). Omdat vleermuizen in meerdere woningen kunnen worden verwacht zal het noodzakelijk zijn om bij de avondbezoeken 2 vleermuisonderzoekers in te zetten zodat 75% van het plangebied kan worden overzien. De volgende soorten kunnen mogelijk worden verwacht: •
gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus);
•
ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii);
•
laatvlieger (Eptesicus serotinus);
•
gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus);
•
meervleermuis (Myotis dasycneme).
De volgende functies kunnen mogelijk worden verwacht op de onderzoekslocatie: •
zomerverblijf (schuil- en rustplaats);
•
paarverblijf (plek/territorium waar een mannetje vrouwtjes proberen te lokken);
•
mild winterverblijf (verblijfplaats in de winter buiten vorstperiodes).
Een massa winterverblijf (verblijfplaats waar grote groepen vleermuizen in de winter verblijven) wordt niet verwacht. De warmtecapaciteit (vermogen om energie in de vorm van warmte op te slaan) en de temperatuurbuffering (mate waarin fluctuaties in het verloop van de temperatuur kunnen worden gebufferd) van de gebouwen is hiervoor te laag. Beschermingsregime ‘andere soorten’ Er wordt een aantal soorten verwacht die beschermd zijn onder het beschermingsregime ‘andere soorten’. De meeste te verwachten soorten zijn echter vrijgesteld volgens de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Een uitzondering vormt de grote vos (Nymphalis polychloros). De fruitbomen in de tuin, die gebruikt kunnen worden voor eiafzet, zullen echter behouden blijven. Daarom worden er geen negatieve effecten verwacht op deze soort. Een overtreding van de verbodsbepalingen onder dit beschermingsregime is daarom niet aan de orde. Zorgplicht Voor soorten die zijn vrijgesteld, geldt wel de zorgplicht. Dit betekent dat er maatregelen moeten worden genomen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen, te beperken of ongedaan NL.IMRO.1978.BPUitkoopLekdijkLK-VG01
Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Lekdijk
|30 te maken. Let continue op aanwezige individuen binnen het werkterrein (denk aan algemeen voorkomende amfibieën en zoogdieren) en verplaats deze naar een vergelijkbare, veilige plek buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Ontheffing soortbescherming Er zal na het aanvullende onderzoek een ontheffing soortbescherming moeten worden aangevraagd bij de Omgevingsdienst Haaglanden voor soorten waarbij een negatief effect valt te verwachten en waarbij dit effect niet kan worden voorkomen (eventueel voor de huismus en vleermuis). Hiervoor is het noodzakelijk een activiteitenplan op te stellen waarin onder andere de volgende zaken gedetailleerd moeten worden toegelicht: •
beschrijving van de voorgenomen activiteiten, waaronder werkzaamheden, planning, locatie(s), etc.;
•
wijze waarop de aan/afwezigheid van beschermde soorten is onderzocht en vastgesteld (hoe, wat, wanneer, inventarisatie, verspreiding, functies, etc.);
•
effectanalyse, inclusief maatregelen om negatieve effecten te beperken;
•
Welk wettelijk belang er met de beoogde ingreep wordt gediend;
•
alternatievenafweging waarin mogelijke alternatieven voor de geplande ingreep worden beschreven;
•
analyse van de gunstige staat van instandhouding i.r.t. het beoogde effect.
Aanvullend ecologisch onderzoek naar vleermuizen en huismussen Door Natuurlink en Twisk Ecologisch Onderzoek is aanvullend onderzoek verricht naar het voorkomen van huismussen en vleermuizen op de Lekdijk 307, 312, 314 en 315 in NieuwLekkerland. Het rapport is als bijlage 3 bij de toelichting opgenomen. Onderzoek naar vleermuizen Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol 2021. Er zijn tijdens het vleermuisonderzoek de volgende functies vastgesteld: •
Drie zomer- en/of paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis. Volgens het Kennisdocument gewone dwergvleermuis moet er zekerheidshalve vanuit worden gegaan dat een plek die als zomerverblijfplaats in gebruik is, tevens ook als winterverblijf wordt gebruikt.
•
Foerageergebied van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis.
•
Passerende dieren van meervleermuis en rosse vleermuis.
Alleen op de eerst genoemde functie is van de ingreep een negatief effect te verwachten. Bij de sloop van de woningen kunnen vleermuizen worden gedood of verwond. Dit leidt tot een overtreding van art. 3.5 lid 1 Wnb (het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen). Daarnaast zullen de verblijfplaatsen niet meer kunnen functioneren. Dit leidt tot een overtreding van art. 3.5 lid 4 Wnb (het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen). Ook kunnen dieren bij de activiteiten worden gestoord. Dit leidt tot een overtreding van art.3.5 lid 2 (het is verboden dieren opzettelijk te verstoren). De ingreep kan uitgevoerd worden onder de gedragscode soortenbescherming voor gemeenten. Hiervoor moet in grote lijnen aan dezelfde voorwaarden voldaan worden als een ingreep waarvoor een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd moet worden. NL.IMRO.1978.BPUitkoopLekdijkLK-VG01
Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Lekdijk
|31 Onderzoek naar huismussen Er zijn tijdens het huismusonderzoek 4 nestlocaties aangetroffen in woning 307. De voorgenomen sloop van woning 307 zal daarom leiden tot een overtreding van de volgende verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Dit betreft de volgende verbodsbepalingen: Art. 3.1 lid 1.: Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen. Dit verbod wordt alleen overtreden indien er vogels aanwezig zijn op de nestlocatie als deze wordt gesloopt. Art. 3.1 lid 2.: Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. De ingreep kan uitgevoerd worden onder de gedragscode soortenbescherming voor gemeenten. Ook voor huismus moet in grote lijnen aan dezelfde voorwaarden voldaan worden als een ingreep waarvoor een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd moet worden. Vervolgstappen Om de ingreep onder de gedragscode soortenbescherming voor gemeenten uit te kunnen voeren dient er een activiteitenplan en ecologisch werkprotocol te worden opgesteld waarin wordt beschreven hoe negatieve effecten op de gewone dwergveermuis en huismus zoveel mogelijk worden voorkomen. Een ecoloog zal het proces ecologisch moeten begeleiden. Hij/zij moet een ecologisch logboek bijhouden om de bevindingen en mondelinge aanwijzingen vast te leggen.
Op deze manier kan aantoonbaar worden gemaakt dat er volgens de regels uit het werkprotocol is gehandeld. Het ecologisch werkprotocol en logboek moet te allen tijde op de locatie (digitaal) aanwezig zijn en op eerste verzoek te worden getoond aan de daartoe bevoegde toezichthouder of opsporingsambtenaar. Een melding van het toepassen van de gedragscode (incl. Ecologisch werkprotocol) voor dit plan dient te worden gemaild naar toezicht groen via: meldingWnb@ozhz.nl. Lekdijk nr. 315 bevat mogelijk verblijfplaatsen van de gierzwaluw. Hiernaar is geen aanvullend onderzoek uitgevoerd, omdat aan deze woning in principe geen werkzaamheden worden uitgevoerd (bestemmingswijziging). Mocht die situatie veranderen en op enig moment renovatie of sloopwerkzaamheden aan de orde zijn, dan dient een aanvullend onderzoek naar de gierzwaluw te worden uitgevoerd. Hierbij dient het kennisdocument voor deze soort van Bij12 (zie Bij12.nl) te worden gevolgd. Stikstof Natura 2000-gebied en stikstof Voor het planvoornemen moet bekeken worden wat de invloed is van de stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden. Hiervoor is een stikstofdepositieonderzoek opgesteld (bijlage 3 van de toelichting). De berekening voor de stikstofdepositie betreft de uitkoopregeling voor woningen onder hoogspanningsleidingen in Nieuw-Lekkerland in de gemeente Molenlanden. Hierbij worden alle woonbestemmingen verwijderd.
Vervolgens worden de gronden vervangen (met bijbehorende gebruiks- en bouwmogelijkheden) door de bestemmingen ‘Tuin’, ‘Groen’, ‘Bedrijf’ en ‘Kantoor’. Door intreding van de wet Stikstofreductie op 1 juli 2021 is het niet langer nodig een activiteit met tijdelijke emissies op de lokale effecten te toetsen. Het gaat hierbij om de bouw, sloop en eenmalige aanleg van bebouwing. Hierdoor is uitsluitend de gebruiksfase bekeken. NL.IMRO.1978.BPUitkoopLekdijkLK-VG01
Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Lekdijk
|32 Uit de berekeningen blijkt dat – met de uitgangspunten die in dit onderzoek gedaan zijn gedurende de gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar is berekend. Wanneer de uitgangspunten in dit onderzoek, zoals werktuigen, stageklasse en ureninzet wijzigen, dan dient een nieuwe AERIUS-berekening te worden uitgevoerd. Het is namelijk in dat geval mogelijk dat een Wnb-vergunningsplicht toch noodzakelijk is. Conclusie Het aspect natuurwetgeving vormt geen belemmering voor het planvoornemen zolang aan de genoemde voorwaarden wordt voldaan.
5.9
Water
Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Water Programma 2022-2027 In het Nationaal Water Programma 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Dit doet het Rijk voor de periode 2022 – 2027, maar men kijkt ook verder vooruit. Het Rijk werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.
De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Dit ontwikkelen zij samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Bestuursakkoord Water Het Bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: • • • • •
heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; beheersbaar programma voor de waterkeringen; doelmatig beheer van de waterketen; werkzaamheden slim combineren; het waterschapsbestuur.
De doelstellingen van het ‘oude’ Nationaal Bestuursakkoord blijven van kracht. NL.IMRO.1978.BPUitkoopLekdijkLK-VG01
Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Lekdijk
|33 Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 Op 9 maart 2022 is het Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022 – 2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. Hierin staat hoe we samen met onze partners werken aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. Voorheen gold het Regionaal Waterplan Zuid-Holland 2016-2021. Op hoofdlijnen wordt het beleid uit het regionale waterplan voortgezet in het regionaal waterprogramma, maar op punten is het ook aangepast. Aanleidingen daartoe waren: 1. kwaliteitsverbetering; 2. klimaatadaptatie; 3. verandering van wetgeving. Er zijn diverse Europese richtlijnen rondom water, zoals de Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn, de Richtlijn Overstromingsrisico's en de Zwemwaterrichtlijn. In de Waterwet is bepaald wat de provincie moet doen om uitvoering te geven aan deze richtlijnen. Dit is opgenomen in het regionaal waterprogramma van de provincie. De provincie Zuid-Holland gaat in het regionaal waterprogramma - naast deze verplichte onderwerpen - ook in op onderwerpen zoals zoetwatervoorziening, waterrecreatie, vaarwegen en wateroverlast. Op deze manier komt al het beleid dat te maken heeft met water samen in één document.
In het Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 komen de volgende beleidskeuzes aan de orde: • Waterveiligheid: De provincie kiest voor een duurzaam en toekomstbestendig waterveiligheidsbeleid; • Mooi en schoon water: De provincie wil een goede kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater; • Bodemdaling: De provincie wil, samen met alle belanghebbende partners en partijen, de directe en indirecte maatschappelijke kosten door bodemdaling beperken; • Sport, recreatie, water- en groenbeleving: De provincie streeft naar behoud en versterking van de sportieve en recreatieve belevingswaarde van landschap, water en erfgoed en ontwikkelt en verbindt hiervoor onder meer met name de uit oogpunt van belevingswaarde bijzonder waardevolle gebieden inzake landschap, water en natuur en verbindt sportief en recreatief de groenblauwe netwerken in en om de stad; • Goed functionerende provinciale infrastructuur: De provincie zorgt voor een vlotte en veilige afwikkeling van het verkeer in Zuid-Holland en voor een zo efficiënt en duurzaam mogelijk onderhoud van de provinciale infrastructuur; • Toekomstbestendige infrastructuur: De provincie werkt aan duurzame en toekomstbestendige infrastructuur ten behoeve van bereikbaarheid en veiligheid.
Daarnaast draagt de provincie bij aan het behalen van andere maatschappelijke opgaven en doelstellingen, zoals energie transitie, CO2-reductie, circulariteit, klimaat adaptatie en biodiversiteit. Waterbeheerprogramma 2022-2027 (Waterschap Rivierenland) Het waterbeheerprogramma (WMP) beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode (2022-2027) wil bereiken en hoe ze dat willen doen en waarom. In de watervisie 2050 beschrijft Waterschap het gewenste toekomstbeeld: een toekomstbestendig rivierengebied. De principes zijn als volgt: 1 De natuurlijke kenmerken van de ondergrond vormen het uitgangspunt voor het werk van Waterschap RIverenland; 2 Water is bepalend voor de inrichting van het gebied;
NL.IMRO.1978.BPUitkoopLekdijkLK-VG01
Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Lekdijk
|34 3 4 5 6 7
Zuinig op water en grondstoffen; Bescherming van het gebied tegen overstromingen; Pakken uitdagingen op binnen de generatie en wentelen het niet af; Waterbeheer van de toekomst: Waterschap maakt maatschappelijke verantwoorde keuzes; Met elkaar zorgen voor een toekomstbestendig rivierengebied.
Verordening “de Keur” Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening “de Keur”. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening “de Keur” is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-waterloop niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Watertoets Oppervlaktewater Rond het plangebied lopen A en B-watergangen. Zowel de A-watergang als de B-watergangen hoeven niet aangepast te worden voor het planvoornemen.
Figuur 7 Uitsnede legger Waterschap Rivierenland
Waterkwantiteit In de Keur heeft het waterschap een vuistregel opgenomen voor de compensatie van toename aan verhard oppervlak. Deze vuistregel houdt in dat voor elke hectare nieuw verhard oppervlak er 436
NL.IMRO.1978.BPUitkoopLekdijkLK-VG01
Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Lekdijk
|35 m3 waterberging gerealiseerd moet worden. Daarbij mag het waterpeil niet meer dan 0,20 meter stijgen. Door de sloop van de woningen binnen het plangebied zal de totale hoeveelheid verharding afnemen. Watercompensatie is niet noodzakelijk. Afvalwater en riolering Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Er mogen hierbij geen uitlogende bouwmaterialen worden gebruikt. Met de inwerkingtreding van het ‘Besluit lozen buiten inrichtingen’ per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van het afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is lozen van hemelwater op oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan wel maatwerk door Waterschap Rivierenland mogelijk blijven. Vuilwater wordt afgevoerd via het bestaande rioleringsstelsel. Bij herbouw zal hier rekening mee worden gehouden. Het rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.10
M.e.r.-beoordeling
Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijzig die daarbij is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarde in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteiten een omvang heeft die onder de grenswaarde ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r-beoordelingsplichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarde liggen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.procedure nodig is.
Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies komen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. NL.IMRO.1978.BPUitkoopLekdijkLK-VG01
Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Lekdijk
|36 In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-beoordelingsplichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Beoordeling Drempelwaarde D-lijst In D.11.2 in bijlage II van het Besluit m.e.r. is de activiteit “stedelijke ontwikkeling” opgenomen. Dit betreft de aanleg, de wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit van D.11.2 bedragen: •
Een oppervlakte van 100 hectare of meer;
•
Een aangesloten gebied van 2.000 of meer woningen.
Gelet op de kenmerken van het plan (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarde), de locatie en de kenmerken van potentiële effecten, kan worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van dusdanige omvang dat sprake is van ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’. Dit blijkt ook uit de onderzoeken naar de verschillen milieuaspecten zoals deze in voorgaande paragrafen zijn opgenomen. Voor het bestemmingsplan is dan ook geen m.e.r.beoordelingsprocedure noodzakelijk. Conclusie Gelet op het inzicht in de milieugevolgen van het project op basis van de plantoelichting kan gesteld worden te beslissen af te zien van het opstellen van een milieueffectrapport. Dit is als een afzonderlijk beslispunt in het collegevoorstel opgenomen.
NL.IMRO.1978.BPUitkoopLekdijkLK-VG01
Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Lekdijk
|37
6.
JURIDISCHE REGELGEVING
6.1
Inleiding
In dit hoofdstuk is uiteengezet welke gedachten aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen en hoe de juridische regeling is vormgegeven.
6.2
Systematiek van de regels
Voor wat betreft de regels wordt voor het onderhavige bestemmingsplan aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan “Dijkverzwaren Nieuw-Lekkerland” van de gemeente Molenlanden (vastgesteld op 26 februari 2014). Hier is voor gekozen, omdat het plangebied gelegen is binnen de plangrenzen van dit bestemmingsplan. De opzet van de regels is gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). Uiteraard is de mogelijkheid tot het leveren van maatwerk opgenomen, om de specifieke eisen die een gebied stelt aan de bestemmingsregeling te kunnen verwerken. Daarnaast is in landelijke standaarden (SVBP 2012 en IMRO 2012) vastgesteld welke kleuren, lijnen, symbolen, e.d. toegepast worden bij het opstellen van de verbeelding. In de volgende paragraaf worden de gebruikte bestemmingen nader toegelicht. Hieronder wordt een toelichting gegeven op welke wijze een ander in de regels is vastgelegd. De regels zijn als volgt ingedeeld: Hoofdstuk 1: Inleidende bepalingen Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begripsomschrijvingen opgenomen, het tweede artikel bevat de wijze van meten. Hoofdstuk 2: Regels met betrekking tot de bestemmingen Dit hoofdstuk bestaat uit een beschrijving van de bestemmingen. Deze kennen per bestemming globaal de volgende opzet: •
Bestemmingsomschrijving;
•
Bouwregels voor gebouwen;
•
Bouwregels voor aan-, uit- en bijgebouwen;
•
Bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
•
Eventuele nadere eisen;
•
Eventuele afwijking van de bouwregels;
•
Eventuele specifieke gebruiksregels;
•
Eventuele afwijking van de gebruiksregels.
In dit hoofdstuk worden de bestemming van gronden als eerste beschreven en daarna gevolgd door eventuele dubbelbestemmingen voor leidingen, waarden en waterstaatsdoelen.
NL.IMRO.1978.BPUitkoopLekdijkLK-VG01
Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Lekdijk
|38 Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de regels die op het hele plangebied betrekking hebben en regelt de volgende onderwerpen: •
Anti-dubbeltelregel;
•
Algemene bouwregels;
•
Algemene aanduidingsregels;
•
Algemene afwijkingsregels;
•
Algemene wijzigingsregels;
•
Overige regels.
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregel Dit hoofdstuk bevat regels die op het hele plangebied betrekking hebben en regelt de volgende onderwerpen: •
Overgangsregeling: bouwwerken welke op het moment van tervisielegging van het plan aanwezig zijn, mogen blijven bestaan, ook al is het in strijd met de bebouwingsregels. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijk van de regels op het moment waarop het plan rechtskracht verkrijgt, mag gehandhaafd blijven;
•
Titel: in deze regel wordt aangegeven onder welke naam de regels aangehaald kunnen worden.
6.3
Beschrijving van de bestemmingen
Artikel 3 Bedrijf Één bedrijf per bestemmingsvlak uit ten hoogste categorie A van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging'. Ter plaatse van de aanduiding 'opslag': uitsluitend opslag. Ter plaatse van de aanduiding 'bed & breakfast': tevens een bed & breakfast met maximaal 4 bedden. Bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals groen, water, nutsvoorzieningen, verkeers- en parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen. Op deze gronden mogen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels: •
gebouwen en overkappingen worden uitsluitend gebouwd binnen het bouwvlak;
•
de goot- en bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte (m)' aangegeven goot- en bouwhoogte.
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken voor de gronden binnen het bouwvlak met de aanduiding 'opslag' om bedrijven toe te laten in één categorie hoger of om bedrijven toe te laten, die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' zijn genoemd. Voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot categorie A van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' met dien verstande dat alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen, schriftelijk advies ingewonnen wordt bij de milieudeskundige omtrent de aard van het bedrijf en de invloed daarvan op de omgeving, gelet op de specifieke werkwijze en verschijningsvorm en, voor zover vereist, getoetst aan de maatgevende milieuaspecten.
NL.IMRO.1978.BPUitkoopLekdijkLK-VG01
Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Lekdijk
|39 Artikel 4 Kantoor De voor 'Kantoor' aangewezen gronden zijn bestemd voor kantoren, wegen, paden, parkeervoorzieningen en verhardingen, tuinen en erven en bij de bestemming behorende voorzieningen zoals nutsvoorzieningen, groen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Op deze gronden mogen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels: •
gebouwen worden uitsluitend gebouwd binnen het bouwvlak;
•
de goot- en bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte (m)' aangegeven goot- en bouwhoogte.
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning onder voorwaarden afwijken voor lichte bedrijvigheid met categorie A van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging', zoals opgenomen in de bijlage bij de regels. Artikel 5 Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor bermbeplanting en andere groenvoorzieningen, picknickplaatsen en speelvoorzieningen, wegen, paden, parkeervoorzieningen, ontsluitingen van percelen en verhardingen en bij de bestemming behorende voorzieningen zoals nutsvoorzieningen, bruggen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Artikel 6 Tuin De gronden met de bestemming ‘Tuin’ zijn bestemd voor tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. Bij de bestemming behorende voorzieningen zoals nutsvoorzieningen, groen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, worden gebouwd. Artikel 7 Leiding-Hoogspanningsverbinding De voor 'Leiding-Hoogspanningsverbinding' bestemde gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) mede bestemd voor aanleg, het beheer en instandhouding van een hoogspanningsverbinding; met de daarbij behorende masten en (veiligheids)voorzieningen.
In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de regels van dit artikel vóór de bepalingen die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn. Artikel 8 Waarde – Archeologie - 2 In dit artikel is de bescherming van de archeologische waarde van gronden in het plangebied De voor 'Waarde - Archeologie - 2' aangewezen gronden zijn -behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en)- mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Artikel 9 Waterstaat - Waterkering De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en) mede bestemd voor het treffen van voorzieningen ten behoeve van het kwantitatieve waterbeheer en behoud, bescherming en het vervullen van een waterkerende functie, onder meer door middel van de aanleg en instandhouding van een dijklichaam. Ter plaatse van de aanduiding ‘Vrijwaringszone - dijk – 1’ zijn de gronden, naast de voor die gronden aangewezen bestemmingen, tevens aangeduid voor de bescherming, onderhoud en instandhouding van de primaire waterkering. Ter plaatse van de aanduiding 'Vrijwaringszone - dijk - 2' zijn de
NL.IMRO.1978.BPUitkoopLekdijkLK-VG01
Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Lekdijk
|40 gronden naast de voor die gronden aangewezen bestemmingen, aangeduid als buitenbeschermingszone van de primaire waterkering.
NL.IMRO.1978.BPUitkoopLekdijkLK-VG01
Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Lekdijk
|41
7.
UITVOERBAARHEID
7.1
Economische uitvoerbaarheid
De grond is in eigendom van de gemeente Molenlanden. De exploitatieopzet, waarin onderzoek is uitgevoerd naar de financieel-economische haalbaarheid van het plan, heeft uitgewezen dat een positief exploitatieresultaat is te verwachten. Het kostenverhaal wordt middels de gronduitgifte zeker gesteld. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van voorliggend plan voldoende aangetoond.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Wettelijk vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met belanghebbende overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan voorgelegd aan de volgende partijen: •
Provincie Zuid-Holland;
•
Waterschap Rivierenland;
•
TenneT.
Zienswijze Op de voorbereiding van een ruimtelijke planprocedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken hebben 6 weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Wel zijn in dit plan twee ambtshalve wijzigingen doorgevoerd: 1. In de verbeelding het bestemmingsvlak ‘Groen’ verkleinen en het bestemmingsvlak ‘Tuin’ vergroten (zie figuur 8). Op het kaartje staat met een rode stippellijn weergegeven wat gewijzigd is naar de bestemming ‘Tuin’ (is nu bestemd als ‘Groen’). De reden tot de wijziging is dat de bestemming ‘Tuin’ meer mogelijkheden biedt voor de bewoners van Lekdijk 305 die deze grond hebben aangekocht als tuingrond bij hun woning. 2. In de regels staat nu onder het artikel 3.3 lid b (specifieke gebruiksregels bij Bedrijf) het volgende: ‘b. opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk is niet toegestaan’. Dit impliceert dat er wel 10.000 kg aan consumentenvuurwerk mag worden opgeslagen. Deze regel is verwijderd.
NL.IMRO.1978.BPUitkoopLekdijkLK-VG01
Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Lekdijk
|42
Figuur 8 Wijziging verbeelding
NL.IMRO.1978.BPUitkoopLekdijkLK-VG01
Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Lekdijk