CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting Bestemmingsplan Streefkerk, Nieuwe Veer 71

Raadsvergadering 24 januari 2023, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Streefkerk, Nieuwe Veer 7113.826 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting bestemmingsplan ‘Streefkerk, Nieuwe Veer 71’

Toelichting bestemmingsplan ‘Streefkerk, Nieuwe Veer 71’

Identificatie: NL.IMRO.1978.BPNieuweVeer71SKK-VG01 Datum: 21-11-2022 Planstatus: Vastgesteld Versie: 1.0

2

Inhoud 1.

2.

3.

Inleiding ....................................................................................................................................... 5 1.1

Inleiding ..................................................................................................... 5

1.2

Kader .......................................................................................................... 6

1.3

Maatschappelijk resultaat ........................................................................... 7

1.4

Maatschappelijk draagvlak .......................................................................... 8

1.5

Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid.............................. 8

1.6

Communicatie ............................................................................................ 9

1.7

Realisatie .................................................................................................... 9

1.8

Leeswijzer................................................................................................... 9

Planbeschrijving .................................................................................................................... 10 2.1

Bestaande situatie ..................................................................................... 10

2.2

Nieuwe situatie ......................................................................................... 12

Verantwoording beleidskader ......................................................................................... 18 3.1 Rijksbeleid ................................................................................................... 18

4.

3.2

Provinciaal beleid ...................................................................................... 21

3.3

Regionaal beleid ....................................................................................... 26

3.4

Gemeentelijk beleid .................................................................................. 27

3.5

Conclusie .................................................................................................. 29

Verantwoording sectorale aspecten ............................................................................. 30 4.1

Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) .................................................. 30

4.2

Watertoets ................................................................................................ 31

4.3

Geluid ....................................................................................................... 37

4.4

Luchtkwaliteit ........................................................................................... 39

4.5

Bedrijven en milieuhinder ......................................................................... 41

4.6

Externe veiligheid ..................................................................................... 43

4.7

Kabels en leidingen................................................................................... 46

4.8

Ecologie .................................................................................................... 47

4.9

Bodem ...................................................................................................... 49

4.10 Archeologie .............................................................................................. 51 4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie ........................................................... 54 5 Juridische planbeschrijving .................................................................................................. 55 5.1

Inleiding ................................................................................................... 55

5.2

Systematiek van de regels ......................................................................... 55

5.3

Bestemmingen .......................................................................................... 55

5.4

Aanduidingen ........................................................................................... 56 3

Bijlage Omschrijving 1 Inrichtingsschets 2

Digitale Watertoets

3

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Ecologische quickscan Verkennend bodemonderzoek Verkennend archeologisch onderzoek

4 5 6

Auteur Lagendijk Tuin- en Landschapsarchitecten Waterschap Rivierenland Voortman Ingenieurs

Referentie LTL21462

Datum 29-04-2022

-

21-01-2022

R-JVO/1764

24-01-2022

Blom Ecologie

2022-0034

19-01-2022

Adromi

B202146

28-01-2022

ADC Archeoprojecten

5686

19-04-2022

4

1.

Inleiding

1.1 Inleiding 1.1.1 Aanleiding De Nieuwe Veer 71 te Streefkerk betreft een agrarische bedrijfslocatie. De agrariërs komen op leeftijd, er is geen bedrijfsopvolging en verkoop van het agrarische bedrijf is gezien het karakter (locatie, schaal etc.) zeer onwaarschijnlijk en gezien de locatie minder wenselijk. Daarom is het plan ontstaan om het agrarische bedrijf te beëindigen, de agrarische bedrijfsbebouwing te saneren, de bedrijfswoningen om te zetten naar burgerwoning en achter de boerderij twee woningen te realiseren (ruimte-voor-ruimte). Ten behoeve van dit plan dient de bestemming op het perceel te worden gewijzigd. Het vigerende bestemmingsplan ter plaatse is het bestemmingsplan ‘Dijkverzwaren Liesveld’ (vastgesteld 2 juli 2013), de vigerende enkelbestemming ter plaatse is ‘Agrarisch’. In de huidige situatie is het daarmee niet toegestaan om de bestaande woningen in de boerderij te bewonen als zijnde burgerwoning, deze moeten in relatie staan met een volwaardig agrarisch bedrijf. Tevens is het daarmee niet toegestaan om twee extra woningen te realiseren achter de boerderij. Op 2 december 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Molenlanden besloten om medewerking te verlenen aan het plan. Om het plan juridisch-planologisch mogelijk te maken wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen.

Afbeelding 1: Uitsnede luchtfoto plangebied (indicatief)

5

1.1.2 Plangebied Het plangebied (zie afbeelding 1) wordt aan de noordwestzijde begrenst door de waterkering met daarachter de rivier de Lek. Ten zuidoosten is het open polderlandschap gelegen. Ten noordoosten en zuidwesten zijn naburige bebouwde percelen gelegen. Het plangebied betreft de volgende kadastrale percelen: • SKK00 – E – 181; • SKK00 – E – 183; • SKK00 – E – 739; • SKK00 – E – 907; • SKK00 – E – 908 (deels); 1.1.3 Belang De gemeente Molenlanden geeft toestemming aan een plan wanneer het plan bijdraagt aan het behalen van gemeentelijke en/of regionale doelstellingen, een bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit (of daar tenminste geen afbreuk aan doet) en overige belangen niet, of in ieder geval niet onevenredig nadelig worden beïnvloed. Het plan is een wenselijke ontwikkeling voor de gemeente Molenlanden, omdat: Het plan resulteert in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit (landschap). Met het plan worden alle agrarische bedrijfsbebouwing en opstallen gesloopt. Ter compensatie worden twee vrijstaande woningen gerealiseerd. De bebouwing en verharding neemt hiermee aanzienlijk af en er wordt meer openheid gecreëerd. Hiermee is er sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Om tot een optimale ruimtelijke kwaliteitsverbetering te komen worden de woningen op een passende wijze in het landschap ingepast (zie paragraaf 2.2.3).

Het plan voorziet in een verbetering van het woon- en leefklimaat. Met het plan wordt de agrarische bestemming gewijzigd naar een woonbestemming. Hiermee wordt een volwaardige agrarische bedrijfslocatie uit het cultuurhistorische lint verwijderd en wordt nieuwvestiging van een (agrarisch) bedrijf in de toekomst uitgesloten. Hetgeen een verbetering van het woon- en leefklimaat tot gevolg heeft.

1.2 Kader Bestemmingsplan ‘Dijkverzwaren Liesveld’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Dijkverzwaren Liesveld’ (zie afbeelding 2), vastgesteld op 2 juli 2013 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Molenwaard. Het plangebied heeft de enkelbestemming: • Agrarisch; De dubbelbestemmingen: • Waarde – Archeologie – 2; • Waarde – Archeologie – 4; • Waarde – Archeologie – 7; • Waterstaat – Waterkering; En de aanduidingen: • Bouwvlak; • Maatvoering: maximaal aantal wooneenheden: 2. 6

Afbeelding 2: Uitsnede vigerende bestemmingsplankaart plangebied met perceelsgrenzen (indicatief)

In de huidige situatie is het daarmee niet toegestaan om de bestaande woningen in de boerderij te bewonen als zijnde burgerwoning, deze moeten in relatie staan met een volwaardig agrarisch bedrijf. Tevens is het daarmee niet toegestaan om twee extra woningen te realiseren achter de boerderij. Bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren’, vastgesteld op 27 oktober 2020 door de gemeenteraad van de gemeente Molenlanden. In deze parapluherziening is het parkeerbeleid van gemeente Molenlanden vastgesteld (zie paragraaf 2.2.2). ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’ Het plangebied valt binnen de contouren van het ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’, vastgesteld op 26 oktober 2021 door de gemeenteraad van de gemeente Molenlanden. In dit paraplubestemmingsplan is het beleid omtrent de huisvesting van arbeidsmigranten vastgesteld.

1.3 Maatschappelijk resultaat Met de vaststelling van het bestemmingsplan wordt een nieuwe, geactualiseerde en gedigitaliseerde juridische regeling geboden. De twee bedrijfswoningen in de boerderij worden juridisch-planologisch omgezet naar twee burgerwoningen en het wordt mogelijk gemaakt om twee vrijstaande woningen achter de boerderij te realiseren op het perceel Nieuwe Veer 71 te Streefkerk.

7

1.4 Maatschappelijk draagvlak Participatie Na het positieve principebesluit van de gemeente Molenlanden op het plan (2 december 2021) hebben de initiatiefnemers de directe buren persoonlijk op de hoogte gebracht van de plannen. Het plan is in deze fase positief ontvangen door de directe buren. Daarna is het plan nogmaals overlegd met de directe buren alvorens de start van de bestemmingsplanprocedure. De initiatiefnemers hebben met behulp van de inrichtingsschets (18 januari 2022) het plan nader toegelicht. Het plan is in deze fase nogmaals positief ontvangen door de directe buren. De bewoners van de nummers 65 en 74 hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het plan. De bewoners van nr. 68 hebben aangegeven eerst te willen weten hoe de situatie achter de woning er exact uit komt te zien alvorens men definitief akkoord wil geven. De initiatiefnemers hebben toegezegd dat zij hen op de hoogte houden lopende de procedures en t.z.t. de exacte invulling van de situatie. Vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan opgestuurd naar de overlegpartners waaronder de Provincie Zuid-Holland en het Waterschap Rivierenland.

Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken zijn gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder in de gelegenheid is gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Desgevraagd kon ook een mondelinge zienswijze gegeven kunnen worden. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Ambtshalve wijziging Om onduidelijkheden ten tijde van de omgevingsvergunning te voorkomen is besloten de bouwregels van eventuele bijgebouwen bij de nieuwe woningen beter te reguleren. De situering van de voorgevel kan door het karakter van het perceel tot onduidelijkheden leiden, hetgeen ten gevolge tevens onduidelijkheden voor eventuele vergunningsvrije bouwwerken oplevert. Daarom is een specifieke aanduiding – bijgebouwen opgenomen (met de daarbij horende wijzigingen in de regels van het bestemmingsplan) ter plaatse van de nieuwe woningen (met uitzondering van de westzijde van het bouwvlak) om te positie/bouwmogelijkheden van eventuele (vergunningsvrije) bijgebouwen beter te reguleren. Ter plaatse van de aanduiding is conform de vergunningsvrije bouwmogelijkheden (achtererf groter dan 900 m2) nu maximaal 150 m2 bijgebouwen toegestaan.

1.5 Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan, voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente wordt een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer gesloten, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de

8

initiatiefnemer komt. Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

1.6 Communicatie Er is op de wettelijke manier gecommuniceerd over de te voeren procedure.

1.7 Realisatie Wanneer er geen beroep wordt ingesteld, is het vastgestelde bestemmingsplan na de ter inzage termijn onherroepelijk. De omgevingsvergunningen kunnen dan worden aangevraagd.

1.8 Leeswijzer Deze toelichting van het bestemmingsplan bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van het plan zijn beschreven: • Hoofdstuk 2: Planbeschrijving; • Hoofdstuk 3: Verantwoording beleidskaders; • Hoofdstuk 4: Verantwoording sectorale aspecten; • Hoofdstuk 5: Juridische planbeschrijving.

9

2.

Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie 2.1.1 Ontstaansgeschiedenis en stedenbouwkundige structuur Rond de 12e en 13e eeuw is men voor bewoning het uitgestrekte natte veengebied van de Alblasserwaard ingetrokken. Daarbij kwamen de in het veen zichtbare donken en stroomruggen van riviertjes als de Alblas en Goudriaan het eerst voor permanente bewoning in aanmerking. Zo is ook het huidige dorp Streefkerk ontstaan. Op de in het landschap van nature aanwezige zanddonk is in de vroege middeleeuwen de eerste bewoning ontstaan. Recente archeologische vondsten doen zelfs vermoeden dat er door jagers zelfs gebruik is gemaakt van de Streefkerkse donk voor onze jaartelling. In de vroege middeleeuwen vestigden de eerste bewoners van deze streek zich op deze uit het veen oprijzende zandheuvel, om vandaar uit met de ontginning van het moerasland te beginnen. In de Gouden Eeuw begint in Streefkerk de welvaart toe te nemen, wat resulteert in de groei van het dorp. Met de bedijking van de Alblasserwaard neemt ook langzaam de bewoning langs de dijken toe. Zo ontstaat er een langgerekt dijkdorp met een compacte kern. Een ruimtelijke structuur die nog steeds kenmerkend is voor het dorp. De eerste uitbreiding van het dorp concentreerde zich in een compacte bebouwing rond de in 1495 gebouwde kerk, op de van nature aanwezige zanddonk.

Pas in de 20e eeuw kent Streefkerk een grotere uitbreiding en met name de naoorlogse wijken zijn hiervan een goed voorbeeld. Het centrum van het dorp is gelegen aan de Kerkstraat en Kerklaan. De commerciële en maatschappelijke functies zijn langs deze straten geconcentreerd. Doordat Streefkerk een kleine kern is, staat het draagvlak voor winkels onder druk. Een studie naar een passendere schaal en maat voor deze voorzieningen is momenteel gaande. Hierbij spelen zaken als kwaliteit en toekomstvastheid een belangrijke rol. Het plangebied is gelegen in de lintbebouwing langs de Lekdijk/Nieuwe Veer. Langs de dijk is door de tijd een langgerekt lint van min of meer samengegroeide gemengde bebouwing ontstaan. Het bebouwingslint typeert zich door een grote verscheidenheid in maat. Opvallend is het verschil tussen de bouwvolumes. Grote boerderijen en kleine woningen wisselen elkaar af en zorgen voor een gemêleerd beeld. 2.1.2 Huidige status/gebruik De Nieuwe Veer 71 te Streefkerk betreft een agrarische bedrijfslocatie. In de eerste lijn aan de dijk is de boerderij met twee bedrijfswoningen gelegen (zie afbeelding 3). Achter de boerderij is de bedrijfsbebouwing gelegen. Momenteel vinden er nog (volwaardige) agrarische bedrijfsactiviteiten plaats. Na de bestemmingsplanwijziging zullen de agrarische bedrijfsactiviteiten worden beëindigd ten behoeve van het plan.

10

Afbeelding 3: Vooraanzicht boerderij Nieuwe Veer 71 Streefkerk

Afbeelding 4: Voor-/zijaanzicht bedrijfsbebouwing achter de boerderij Nieuwe Veer 71 Streefkerk

11

2.2 Nieuwe situatie 2.2.1 Plan Met dit plan wordt de juridisch-planologische situatie ter plaatse van de Nieuwe Veer 71 te Streefkerk gewijzigd. De agrarische bestemming aan de weg wordt gewijzigd naar een woonbestemming. De agrarische bestemming daarachter blijft behouden, maar het bouwvlak ter plaaste wordt verwijderd. Deze bestemmingsplanwijziging om de twee bedrijfswoningen in de boerderij om te zetten naar twee burgerwoningen, waarmee de boerderij blijft behouden. De agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en daarvoor in de plaats worden twee vrijstaande woningen gerealiseerd achter de boerderij. Door een landschapsarchitect is een inrichtingsschets van het plan in grote lijnen opgesteld (zie bijlage 1 en afbeelding 5). In paragraaf 2.2.3 wordt hier verder op ingegaan.

Afbeelding 5: Uitsnede inrichtingsschets (zie bijlage)

12

2.2.2 Verkeer en parkeren Ontsluiting De Nieuwe Veer 71 Streefkerk wordt in de huidige situatie ontsloten via een stoep op de Nieuwe Veer. Deze loopt door over het erf naar het achtergelegen weiland. In de nieuwe situatie blijft deze stoep ongewijzigd. Het erf/pad wordt wel gewijzigd ten behoeve van de woningen. Het doel is al het landbouwverkeer over de Beneden Tiendweg het agrarisch land te laten bereiken dat bij de boerderij hoorde, zodat het landbouwverkeer zo min mogelijk over de Nieuwe Veer hoeft. Parkeren Voor de vaststelling van de parkeernormering is gebruik gemaakt van de Nota Parkeernormen Molenlanden 2020. Voor het vaststellen van de parkeerbehoefte gaat de nota uit van de stedelijkheidsgraad ‘niet stedelijk’ en de stedelijke zone ‘Buitengebied’. In onderstaande tabel is de parkeerbalans weergegeven. Tabel 1: Parkeren Woning Koop twee-onder-een-kap Koop vrijstaand

Parkeernorm 2,2 2,4

Aantal 2 2 Totaal

Parkeerbehoefte 4,4 4,8 9,2 parkeerplaatsen

In totaal zijn er 9,2 parkeerplaatsen noodzakelijk ten behoeve van het plan. Op de inrichtingsschets zijn 11 parkeerplaatsen ingetekend, zie op afbeelding 6 de parkeerplekken in het rood weergegeven. Daarmee kan worden gesteld dat de parkeerbehoefte volledig op het eigen terrein opgelost kan worden en het plan daarmee voldoet aan de Nota Parkeernormen Molenlanden 2020.

Afbeelding 6: Parkeren nieuwe situatie

13

2.2.3 Molenwaards Kookboek / Landschappelijke inrichting Om in een optimale kwaliteitsverbetering te voorzien is het plan om het plangebied op een verantwoorde wijze landschappelijk in te passen. Bij de uitwerking van de landschappelijke inpassing is rekening gehouden met het ruimtelijk kwaliteitskader van de gemeente, het ‘Molenwaards Kookboek’. De stappen van het Kookboek zijn hieronder globaal uiteengezet. Geschiedenis In 1900 is de cultuurhistorische lintbebouwing langs de Nieuwe Veer, langs de Lek al goed zichtbaar. Ook het plangebied is reeds bebouwd. Kenmerk van deze tijd zijn de langgerekte smalle kavels haaks op de Lek. In de periode tot 1950 blijft het karakter van het gebied hetzelfde, wel is de bebouwing toegenomen en zijn er meer brede kavels ontstaan. In de periode tot 2000 is er verdere intensivering van de bebouwing en de landbouw zichtbaar. Er is meer kolossale bebouwing in de tweede bebouwingslijn gerealiseerd en de kavels zijn nog breder geworden. De periode tot 2020 laat weinig tot geen verandering zien. 1900

1950

2000

2020

Afbeelding 7: Geschiedenis in beeld (topotijdreis)

14

Kenmerken omgeving Het plangebied is gelegen in het cultuurhistorische dijklint aan de noordoostkant van het dorp Streefkerk. Het perceel ligt binnendijks aan de rivier de Lek. Het plangebied betreft een perceel in het karakteristieke slagenlandschap aan de weg Nieuwe Veer. De cultuurhistorische lintbebouwing kenmerkt zich door een afwisseling van (grotere) boerderijen en (kleinere) arbeiders-/knechtenhuisjes. Hier en daar is de traditionele bebouwing vervangen door nieuwbouw (vrijstaande woningen) en hebben de bestaande boerderijen de agrarische functie verloren en zijn volledig in gebruik als woonfunctie. De hoofdvolumes (zowel traditioneel als nieuwbouw) zijn hoofdzakelijk rechthoekig opgebouwd uit bakstenen gevels met een gebakken pan of riet als dakbedekking. De vervangende nieuwbouwwoningen hebben doorgaans een modernere bouwstijl dan de traditionele (woon)boerderijen en de arbeidershuisjes welke meer klassiek zijn vormgegeven. De gebruikte materialen zijn bij zowel de traditionele bebouwing als de nieuwbouw overwegend traditioneel (streekeigen). De gebruikte kleuren zijn ingetogen en zijn in harmonie met het omliggende slagenlandschap. Landschappelijke inpassing Het perceel wordt op een passende wijze landschappelijk ingericht conform het Molenwaards Kookboek, conform ‘inbreiding in lint’. De inrichtingsschets is uitvergroot toegevoegd in de bijlage.

Het uitgangspunt daarbij is behoud dan wel versterken van de waardevolle landschappelijke elementen op het perceel. Het verkavelingspatroon, verkavelingsrichting en ook de poldersloten blijven behouden. Er wordt meer openheid gecreëerd achter de boerderij middels het slopen van de agrarische bedrijfsbebouwing en opstallen. Er wordt aangesloten bij het dorpse karakter van het lint. Zo worden de woningen gepositioneerd achter en zoveel mogelijk in één lijn met de boerderij, parallel aan de verkaveling. Essentiele landschapselementen worden niet geblokkeerd en de vorm van het plangebied, de kavels, sluiten aan op de bestaande verkaveling. Er wordt niet voorbij een wetering gebouwd en er worden streekeigen plantensoorten gebruikt. Tussen het transportbedrijf en de nieuwe woningen wordt voornemens een groenbuffer gecreëerd. Het parkeren wordt volledig op eigen terrein opgelost, achter de boerderij, en de toegang tot het achtergelegen land blijft behouden langs de noordoostgrens van het plangebied zodat de overlast nihil blijft. Hiermee is sprake van een goede landschappelijke inpassing van de boerderij en nieuwe woningen (en eventuele bijgebouwen) in het lint langs de Nieuwe Veer. Met een optimale verbetering van de ruimtelijke kwaliteit tot gevolg. Het plan voldoet daarmee met de relevante richtpunten van de Kwaliteitskaart van de provincie Zuid-Holland. Zie onderstaand i.c.m.

met het landschappelijk inpassingsplan en paragraaf 3.2.1: Veenweidelandschap: • De diversiteit aan het verkavelingspatroon blijven bewaart en de lengtesloten blijven behouden; • Het plan houdt rekening met kenmerkende landschapselementen; • De maat en weidsheid van de polder blijft behouden; • De bestaande bebouwing welke diep de polder in staat wordt gesaneerd. De nieuwe bebouwing wordt verder terug getrokken uit de polder, dichter en 15

compacter aan de dijk gerealiseerd, daarmee binnen de bestaande structuur van het lint. Er ontstaat met het plan meer openheid in de veenweidepolder ter plaatse.

Afbeelding 8: Inrichtingsschets

Rivierdijken • De maat en weidsheid van de polder blijft behouden. De bestaande bebouwing welke diep de polder in staat wordt gesaneerd. De nieuwe bebouwing wordt verder terug getrokken uit de polder, dichter en compacter aan de dijk gerealiseerd, daarmee dichter bij het bestaande dijklint. Er ontstaat met het plan meer openheid in de veenweidepolder ter plaatse; • De bebouwing ter plaatse neemt aanzienlijk af en de nieuwe bebouwing wordt in één lijn met elkaar gerealiseerd. De openheid en het doorzicht vanaf de dijk op het achterliggende landschap verbeterd;

16

Linten • Het lineaire karakter van het lint blijft behouden en wordt zelfs verbeterd, doordat het erf ter plaatse compacter wordt in vergelijking met de bestaande situatie van het agrarische bedrijf; • De uitwerking van het onderhavige plan heeft de huidige korrel, het profiel, de transparantie en het respect voor de historische gaafheid van het lint als basis gebruikt;

17

3.

Verantwoording beleidskader

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio's; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat er zowel maatregelen op korte termijn als maatregelen op lange termijn nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven als de ondergrond. Het plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het plan is kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro.

3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting van een bestemmingsplan waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, een beschrijving op te nemen over de behoefte aan de voorgenomen 18

stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. In artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro is de volgende definitie van stedelijke ontwikkeling opgenomen: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Het Bro biedt geen verdere definitie van het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’.

Inmiddels is door jurisprudentie wel een verder beoordelingskader van dit begrip ontstaan: De bouw van één woning is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder (ABRvS 14 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:156). Ook een plan dat voorziet in de planologische inpassing van drie woningen is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS: 2014:3929). De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is tevens niet van toepassing op een ontwikkeling waarbij zes woningen mogelijk worden gemaakt (ABRVS 18 december 2013, ECLI: NL:RVS:2013: 2471). Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3). Toetsing aan ladder voor duurzame verstedelijking Met het plan worden twee wooneenheden toegevoegd. Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is toetsing van het plan aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk.

3.1.4 Voorbereidingsbesluit hyperscale datacenters Middels dit voorbereidingsbesluit verklaart de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke ordening dat voor het werkingsgebied van het voorbereidingsbesluit een algemene maatregel van bestuur wordt voorbereid over de inhoud van bestemmingsplannen en andere ruimtelijke besluiten op decentraal niveau voor de bouw van hyperscale datacenters. In het coalitieakkoord is aangegeven dat hyperscale datacenters een onevenredig groot beslag leggen op de beschikbare duurzame energie in verhouding tot de maatschappelijke en/of economische meerwaarde. Daarom wil het kabinet de landelijke regie en de toelatingscriteria bij de vergunningverlening aanscherpen. Het kabinet wil daarom op nationaal niveau in overleg met medeoverheden aanvullend aan de Nationale Omgevingsvisie nadere ruimtelijke keuzes maken waar deze 19

hyperscale datacenters in Nederland gevestigd kunnen worden waarna deze keuzes in instructieregels worden vastgelegd. Het is daarom wenselijk te voorkomen dat voordat deze instructieregels zijn opgesteld en de criteria wettelijk zijn vastgelegd nieuwe hyperscale datacenters in Nederland worden vergund, opgericht en gevestigd. Het plan heeft geen enkel raakvlak met hyperscale datacenters en met de inhoud van de voorbereidingsbesluit.

20

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid Holland. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie Zuid Holland. Het Omgevingsbeleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. Op 10 oktober 2020 is een herziening van de Omgevingsvisie Zuid-Holland Koers 2020 gepubliceerd (ontwerp Omgevingsvisie Zuid-Holland - Koers 2020). De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zeven richtinggevende ambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van ZuidHolland. 5.

Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied De provincie Zuid-Holland zet in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Onder ‘bebouwde ruimte’ wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiek-industrieel systeem. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD.

Stedelijke ontwikkelingen die niet binnen BSD gerealiseerd kunnen worden en kleinschalige stedelijke ontwikkelingen, kunnen in het landelijk gebied plaatsvinden 21

in aansluiting op BSD of in bebouwingslinten. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen buiten BSD dient het plan te voldoen aan het provinciaal beleid voor ruimtelijke kwaliteit. Stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 hectare buiten BSD dienen eerst door Provinciale Staten worden afgewogen en worden op de kaart ‘woningbouwlocaties, bedrijventerreinen en andere stedelijke ontwikkelingen’ (ook wel genoemd: ‘3 ha kaart’) gezet. Het plangebied is gelegen binnen het cultuurhistorische lint langs de Nieuwe Veer en daarmee binnen de bebouwde ruimte. Middels de sloop van de agrarische bebouwing en opstallen is er sprake van een betere benutting van de bestaande bebouwde ruimte. De nieuwe woningen zorgen voor een compacter ruimtegebruik. Er vindt geen uitbreiding, maar juist een inbreiding plaats. Hiermee sluit het plan aan op het provinciaal beleid en het streven om de bebouwde ruimte beter te benutten. Verbeteren Ruimtelijke kwaliteit Gezien het sterke contrast tussen een dynamische stedelijke omgeving en open deltalandschappen in Zuid-Holland, is zorg voor de ruimtelijke kwaliteit in het bijzonder van belang. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde.

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De essentie van het ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten toevoegen aan het gebied en de samenleving. Kwaliteitskaart De kwaliteitskaart is voor de provincie Zuid-Holland een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen. De kwaliteitskaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De kwaliteitskaart biedt een middel om vroeg in het planproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. Het verbinden van nieuwe ontwikkelingen aan de bestaande gebiedskenmerken vormt hierbij uitgangspunt.

Het plangebied is in de laag van cultuur- en natuurlandschappen gelegen in het ‘veenweidelandschap’, ‘rivierdijken’ en de ‘linten’ (zie afbeelding 9). Veenweidegebied De ruimtelijke structuur in het veen(weide)gebied wordt sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Haaks hierop staan de verkavelingspatronen. Kenmerkend voor het veen(weide)landschap is de openheid van het gebied met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels omringd door sloten. Voor ontwikkelingen in het veen(weide)landschap heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: 22

• • • • •

Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders; Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar.

Rivierdijken Rivierdijken zijn lijnvormige, herkenbare structuurdragers in het landschap met als primaire functie het keren van water. De dijken worden periodiek aangepast aan de dan geldende veiligheidsnormen. Indien mogelijk worden recreatieve routes gekoppeld aan het water en/of de dijk. Voor ontwikkelingen in de rivierdijken heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Behoud van maat en weidsheid van de poldereenheden. Eventuele nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen het bestaande dijklint en niet in de veenweidepolders; • Behouden van de doorzichten vanaf de dijk op het achterliggende landschap; • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud of herstel van de openbaarheid van oevers. Linten Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend.

Voor ontwikkelingen in de linten heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied; • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst; • Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend; • Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht. Conclusie Kwaliteitskaart Het plan sluit aan bij de relevante richtpunten van de gebieden ‘veenweidegebied’, ‘rivierdijken’ en ‘linten’ van de kwaliteitskaart van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland. In paragraaf 2.2.3 is hier dieper op in gegaan. Bij de beoogde uitwerking van het plan wordt rekening gehouden met en aangesloten op de karakteristieke elementen van deze gebieden. Er wordt daarmee geen afbreuk gedaan aan deze gebieden, maar er is zelfs sprake van een verbetering. 23

Afbeelding 9: Uitsnede Kwaliteitskaart Laag van cultuur- en natuurlandschappen

3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9).

Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a) De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b) Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: ▪ zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen;

24

c) Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: ▪ Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. Het plan kan het beste worden geschaard onder de categorie ‘inpassen’. Het plan past binnen de bestaande gebiedsidentiteit en er vinden geen wijzigingen plaats op structuurniveau. Er wordt aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart voldaan (zie paragraaf 3.2.1) en het plan past bij de aard en schaal van het gebied. Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen.

Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: • De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; • Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma Ruimte. Met het plan worden twee wooneenheden toegevoegd. Vanuit jurisprudentie (zie paragraaf 3.1.3) is in dit geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is toetsing van het plan aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk.

25

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. De opvolgende visie ‘open voor elkaar’ benadrukt het bijzondere cultuurhistorische landschap, de grote sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden. Met het plan worden alle agrarische bedrijfsbebouwing en opstallen gesloopt. Ter compensatie worden twee vrijstaande woningen gerealiseerd. De bebouwing en verharding neemt hiermee aanzienlijk af en er wordt meer openheid gecreëerd. Hiermee wordt het landelijk gebied duurzaam vernieuwd én wordt het open, rustige en authentieke karakter van het bijzondere cultuurhistorische landschap versterkt.

3.3.2 Regionale woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een actualisatie van de Regionale woonvisie 2020 (2013) vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn. De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied en een dynamische stedelijke zone. Elke gemeente en kern heeft kwaliteiten en weet sommige groepen te binden, maar andere weer minder. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau. Om die goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld. Door een jaarlijkse woonmonitor worden bereikte resultaten en de planning voor volgende jaren geregistreerd. In de actualisatie van de woonvisie zijn de afspraken rond het afstemmen opgenomen. Daarbij is gebruik gemaakt van de jongste demografische cijfers van de provincie Zuid-Holland. Van belang is dat er voldoende flexibel geprogrammeerd wordt.

Ook is besloten gebruik te blijven maken van de benadering waarbij woonmilieus en mentality milieus als handreiking. Streefkerk is aangeduid als woondorp. Deze dorpen hebben verspreide huizen en kleine kernen met weinig of geen voorzieningen. Deze dorpen zijn voor voorzieningen (grotendeels) afhankelijk van omliggende dorpen of steden. In deze dorpen is er sprake van een hoge mate van sociale cohesie. De twee nieuwe vrijstaande woningen zijn voor eigen gebruik, de twee wooneenheden in de boerderij komen op de markt. De woningen wordt gemeld in het regionaal overleg en wordt meegenomen in de herijking van de woningbouw-monitor Alblasserwaard Vijfheerenlanden 2020-2030.

26

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Toekomstvisie Molenlanden De Toekomstvisie Molenlanden 2030 ‘Eigenheid in verbondenheid’ houdt de gemeente op koers tot 2030 door dialoog, nabijheid en ambitie. Op zes onderwerpen beschrijft de visie de landelijke en lokale trends en de wensen van de gemeente. Deze trends die de gemeente ziet, gebruikt de gemeente om de wensen mogelijk te maken. Per onderwerp schetst de gemeente het beeld voor het jaar 2030. Deze zes beelden samen bepalen het integrale beeld voor wat de gemeente in 2030 wil zijn: • Inclusieve samenleving: in onze samenleving staat gezondheid voorop en zijn alle inwoners even belangrijk; • Leefomgeving: de omgeving waarin we wonen voelt veilig en is zo ingericht dat we grote gevolgen van klimaat op kunnen vangen. Er staan genoeg woningen in onze gemeente waar vraag naar is; • Economie: Molenlanden is een gemeente waar innovatie een belangrijke plek heeft en ondernemen vanzelfsprekend is; • Recreatie en Toerisme: het toerisme in Molenlanden is in balans; • Klimaat en energie: we werken samen aan een circulair, energieneutraal, klimaatbestendig en schoon Molenlanden met aandacht voor een eerlijke voedselketen waarin afval wordt gezien als grondstof; • Bereikbaarheid: Inwoners van Molenlanden ervaren met verschillende vervoersmiddelen dat onze dorpen, de vestingstad en de regio veilig en goed bereikbaar zijn.

Het plan heeft voornamelijk betrekking op het onderwerp leefomgeving en in mindere mate klimaat. Een agrarisch bedrijf wordt beëindigd en er wordt op een duurzame wijze een nieuwe bestemming gerealiseerd ter plaatse. Leegstand van agrarische bedrijfsbebouwing wordt voorkomen en de nieuwe woningen worden conform de huidige bouweisen geïsoleerd en duurzaam gerealiseerd. De gemeente wenst de identiteit van de dorpen in stand te houden. Door een stoppende agrarische bedrijfslocatie op een karakteristieke wijze om te zetten ten behoeve van kleinschalige woningbouw, wordt hieraan bijgedragen. Het plan is in overeenstemming met de toekomstvisie. 3.4.2 Woonvisie Molenlanden 2020-2024 In oktober 2020 heeft de gemeente Molenlanden de Woonvisie 2020 - 2024 vastgesteld. Relevant voor het plan is het gemeentelijk beleid ten aanzien van woningbouw. Op het vlak van woningbouw luidt de visie als volgt: •

•

•

Er worden voldoende woningen gebouwd om te voorzien in de lokale woningvraag, het gaat daarbij om de realisatie van +1.460 woningen in de periode 2020 t/m 2029. De focus in de nieuwbouw gaat uit naar het bouwen van betaalbare woningen voor starters, jonge doorstromers en nultredenwoningen voor senioren. Daarbij gaat het met name om een vraag naar betaalbare koopwoningen. De gemeente stuurt meer op de juiste prijs-kwaliteit van woningen, gericht op die doelgroepen waar de grootste vraag zit. Tegelijkertijd versnel de gemeente de woningproductie, zodat voorkomen wordt dat woningzoekenden naar andere gemeenten uitwijken. 27

•

•

•

Nieuwbouw voldoet minimaal aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. Dit betekent dat woningen bijna energieneutraal zijn (BENG) en aardgasloos. Bij de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties en herstructurering van bestaande wijken is het belangrijk om voldoende aandacht te hebben voor klimaatadaptatie, om de gevolgen van droogte en wateroverlast op te kunnen vangen. Nieuwbouw wordt primair gerealiseerd op transformatieplekken binnen de kernen (sloop / nieuwbouw of herbestemming leegstaand vastgoed).

De Woonvisie geeft aan dat er tot 2030 in deze kern voldoende woningen gebouwd worden om in de concrete behoefte te voorzien. De afweging om medewerking te verlenen aan dit plan heeft voornamelijk een ruimtelijke argumentatie. Een stoppende agrarische bedrijfslocatie, asbesthoudende in slechte bouwkundige staat zijnde bebouwing en opstallen, worden gesloopt. Hiermee wordt leegstand voorkomen. Toch sluit het plan aan op aspecten van de woonvisie. Zo wordt doorstroming gestimuleerd, de initiatiefnemers stromen door van een twee-onderkapper naar een vrijstaande woning. Twee-onder-kapwoningen komen hiermee vrij op de markt voor doorstromers vanuit tussenwoningen. De nieuwe woningen voldoen aan de landelijke eisen wat betreft duurzaamheid en energiegebruik. Er wordt veel aandacht besteed aan klimaatadaptatie, zo neemt de verharding aanzienlijk af en ontstaat een zachtere en groenere locatie. De locatie komt ook overeen met de visie van de gemeente, het betreft een herbestemming van toekomstig leegstaand vastgoed.

28

3.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • Het plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders; • Vanuit jurisprudentie is met het plan geen sprake van een 'stedelijke ontwikkeling' en is toetsing aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' niet van toepassing; • De extra woningen worden meegenomen in de herijking van de woningbouwmonitor Alblasserwaard-Vijfheerenlanden 2020-2030; • Het plan zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.

29

4.

Verantwoording sectorale aspecten

4.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Het plan betreft het verwijderen van een agrarisch bedrijf en de realisatie van twee woningen naast de bestaande boerderij. Het plan betreft geen ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Het ruimtebeslag, de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is zeer beperkt. De omvang van het bebouwde gebied juist af middels het plan. Er is daarmee geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. Wel geldt de vergewisplicht. Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd, onderstaand in het kort de kenmerken van het plan.

Kenmerken van het plan Het plan maakt het juridisch-planologisch mogelijk om een agrarische bedrijfslocatie te wijzigen naar een woonbestemming, ten einde de twee bedrijfswoningen in de boerderij om te zetten naar twee burgerwoningen en daarnaast twee vrijstaande woningen te realiseren. Behoudens de standaard toegestane aan-huis-gebonden beroepen en bedrijven zullen er geen andere bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park of Natuurnetwerk Nederland. Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling zal het aantal zwaar verkeersbewegingen afnemen. Het aantal motorvoertuigbewegingen als gevolg van het plan kan in voldoende mate worden afgewikkeld via de bestaande wegen. Als gevolg van het plan neemt de hoeveelheid afvalstoffen en uitstoot aanzienlijk af. Significante negatieve effecten op het milieu zijn vanwege de kleinschaligheid van het plan niet te verwachten. Conclusie Een m.e.r.-beoordeling is niet verplicht en kan derhalve achterwege worden gelaten.

30

4.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Gemeentelijk beleid Vanuit onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), is bepaald dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld moet worden. Om aan deze eis te kunnen voldoen hebben de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en het waterschap Rivierenland de handen ineengeslagen en het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom opgesteld. In dit waterplan is aangegeven welke doelen men wenst te bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom. De doelen uit het beleidsplan zijn uitgewerkt in vier aspecten: • Afkoppelen, meer ruimte voor water creëren en diffuse bronnen aanpakken (duurzaam onkruidbeheer, duurzaam bouwen); • Belevingswaarde; • Samenwerking; • Beheer en onderhoud.

Het beleidsplan moet de gemeenten helpen om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 door optimalisering van het huidige systeem. De gemeenten en het waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit.

Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur 31

is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de water aanen afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Voor het plan is de digitale watertoets doorlopen (zie bijlage). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt.

Afbeelding 10: Uitsnede legger wateren

Watergangen In en rondom het plangebied zijn een aantal watergangen aanwezig (zie afbeelding 10). Vanuit het zuidoosten loopt een B-watergang (014997) tot halverwege het plangebied. Aan de noordoostzijde is op de perceelgrens een C-watergang (061478) gelegen. In en aan de zuidelijke kant van het plangebied zijn tevens een aantal Cwatergangen gelegen (061497, 061528, 062012 en 062022). Enkele schuren die worden gesloopt, zijn vlak langs een C-watergang gelegen. De bouwwerkzaamheden vinden geheel buiten de beschermingszones van de watergangen plaats.

32

Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied NDW035. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,77 m NAP en een winterpeil van -1,82 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.

Afbeelding 11: Uitsnede peilgebiedenkaart

Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=bcbd4c12-8be0-41db-8dd6-694eeb707a60