CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan Park Julianastraat, Groot-Ammers

Raadsvergadering 28 mei 2024, gemeente MolenlandenBij agendapunt: 5b. Bestemmingsplan Groot-Ammers, Park Julianastraat11.345 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Tabel 3: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Het plan betreft de planologische borging van een park. Hiermee is geen sprake van een milieubelastende of milieugevoelige activiteit. Het plan zal geen belemmering zijn voor omliggende woningen of bedrijven. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder geen belemmeringen.

36

4.6 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geendirecte relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).

Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Onderzoek Om externe risicobronnen te inventariseren is de kaart ‘REV – Quickscan’ van de Atlas voor de Leefomgeving gebruikt.

ca. 320 m

Plangebied

Afbeelding 17: Uitsnede kaart REV – Quickscan, Atlas voor de Leefomgeving

37

Risicovolle inrichtingen Volgens de kaart bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het plan. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen welke in het kader van de externe veiligheid relevant zijn. Transport gevaarlijke stoffen – wegverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen wegen gelegen waarvan bekend is dat daarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen is niet uit te sluiten, maar deze vallen tevens buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Invloed transport gevaarlijke stoffen – spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Invloed transport gevaarlijke stoffen – vaarwegen Ten noordwesten is de rivier de Lek gelegen. De Lek is in het Basisnet (aangewezen in het Bevt) aangeduid als binnenvaartverbinding chemische clusters en achterlandverbinding met toetsingsafstand. Ontwikkelingen die binnen 200 meter van de transportroute vallen, dienen rekening te houden met het transport.

In verband met de effecten van een mogelijke plasbrand op het water, dient in het kader van het Basisnet rekening gehouden te worden met een aandachtsgebied van 25 meter vanaf de oeverlijn van de Lek: hierbinnen moet de realisatie van kwetsbare objecten zoveel mogelijk geweerd worden. De afstand tot de oever van de Lek bedraagt circa 320 meter. Er is daarmee geen noodzaak voor het berekenen van het groepsrisico en het opstellen van een (beperkte) verantwoording. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.

38

4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologische relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

39

4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming (Wnb) toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het plan betreft de juridisch-planologische borging en de opwaardering van een park. Om de invloed van de aanpassingen aan het park op eventueel beschermde aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. De quickscan is toegevoegd in de bijlage van de toelichting. De conclusies uit de quickscan luiden: ‘Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli).

Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie De beoogde herontwikkeling van een park, waarbij groen wordt verwijderd en bomen gekapt ten behoeve van aanleg van een vijver, natuurvriendelijke oevers, paden en plaatsen van sporttoestellen, zitbanken, omheining, steiger en bijenhotel aan de Voorstraat ong. te Groot-Ammers is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en 40

algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes).

Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De beoogde graafwerkzaamheden aan de oevers leiden niet tot aantasting van functioneel leefgebied van beschermde vissoorten. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht. De graafwerkzaamheden dienen in één werkrichting worden uitgevoerd om aanwezige vissen voldoende uitwijkmogelijkheden te bieden.’ Conclusie Het plan ondervindt wat betreft ecologie geen belemmeringen, mits de genoemde maatregelen worden getroffen.

41

4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Het plan voorziet in het juridisch-planologisch vastleggen van de huidige functie van het park. Om te beoordelen of de kwaliteit van de bodem geschikt is, is door Bakker Milieuadvies een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage bij deze toelichting. De conclusies van dit onderzoek luiden: “Op basis van het hierboven beschreven bodemonderzoek kan voor het onderzochte terrein het volgende worden geconcludeerd: • De bovengrond op het westelijke terreindeel bevat alleen een licht verhoogd gehalte aan PAK.

Bij indicatieve toetsing aan het Besluit Bodemkwaliteit zou deze grond voldoen aan klasse AW 2000; • De bovengrond op het middenterrein bevat lichte verhogingen aan lood, kwik, zink en PAK. Bij indicatieve toetsing aan het Besluit Bodemkwaliteit zou deze grond voldoen aan Klasse Wonen; • De bovengrond op het oostelijke terreindeel bevat lichte verhogingen aan diverse metalen en PAK. Opgemerkt wordt dat het door het laboratorium gerapporteerde lutumgehalte (10%) als onjuist wordt beschouwd op basis van de veldwaarnemingen en omdat de beide andere vergelijkbare kleiige bovengrondmengmonsters wel lutumgehalten hebben van gemiddeld ruim 30%. Bij een juist lutumgehalte zouden alleen kwik, lood en PAK verhoogd zijn. In dat geval zou deze grond bij indicatieve toetsing aan het Besluit Bodemkwaliteit voldoen aan Klasse Wonen; • De bovengrond op het terrein bevat voor de regio normale gehalten aan PFAS (PFOA 5.4 ug/kgds); • De kleiige ondergrond op het westelijke terreindeel is geheel schoon voor alle parameters uit het NEN-5740-pakket; • Het tweede ondergrondmengmonster betrof de donkergrijze tot zwarte bodemlaag ter plaatse van de boringen 13, 15 en 16. Deze boringen zijn uitgevoerd ter plaatse van een gedempte sloot (boring 13) en in het verlengde van de 2 meest oostelijke slootjes.

Deze twee oostelijke slootjes waren vroeger namelijk langer in noordelijke richting dus deze noordelijke delen zijn ook gedempt. Het onderzochte mengmonster van 1-1.5 m-mv betreft dus de voormalige slootbodem en hierin zijn verhoogde gehalten aangetroffen aan diverse metalen, PAK en olie. Deze grond (voormalige slootbodem) bevindt zich onder een voldoende dikke bodemlaag die voldoet aan Klasse Wonen. • Het derde ondergrondmengmonster betrof de westelijke slootdemping. In deze demping zijn 3 boringen verricht (4, 21 en 22). Bij boring 4 is wel afwijkende grond aangetroffen maar dat was geen verdachte grond. Bij de boringen 21 en 22 bevatte de dempingsgrond wel kooldeeltjes en resten

42

•

•

•

baksteen. Deze bodemlaag is algemeen licht verontreinigd met enkele metalen, PAK en PCB. Dit heeft geen consequenties. Door het park liggen circa 1 a 1.5 meter brede paden. Hiervoor is bij de aanleg in de jaren ’80 kennelijk roodbruine lava gebruikt en plaatselijk ligt er nog een dun versleten asfaltlaagje op. Hoewel lava geen bodemmateriaal is in de zin van de Wet Bodembescherming, is dit lava ter indicatie onderzocht op het NEN-5740-pakket voor eventuele toekomstige afvoer. Hierbij zijn gehalten aangetroffen die voor steenachtig materiaal gangbaar zijn. Echter vanwege het nikkelgehalte is het raadzaam om het lava (indien dit verwijderd moet worden) nauwkeurig apart te ontgraven en af te voeren. De verwachting is overigens wel dat dit lavamateriaal elders of in onderhavig park herbruikbaar is als bouwstof. NB: het plaatselijk aanwezige (versleten) dunne laagje asfalt op de lavapaden is op basis van een PAK-markeronderzoek niet teerhoudend. Dit asfalt dient hoe dan ook nauwkeurig gescheiden te worden ontgraven en afgevoerd te worden naar een erkende verwerker. In het grondwater uit de 2 peilbuizen zijn gangbare lichte overschrijdingen voor alleen barium aangetroffen.

Aanbevelingen. Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit (gemiddeld Klasse Wonen) geen enkele belemmering of beperking bij de voorgenomen herinrichting van het park. NB: bij eventuele afvoer naar elders van licht verontreinigde grond (om welke reden dan ook) dient qua kosten rekening gehouden te worden met de regels uit het Besluit Bodemkwaliteit. Dit geldt uiteraard ook bij ontgraving en afvoer van de materialen uit de paden (lava en plaatselijk asfalt).” Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bodemkwaliteit geen belemmeringen.

43

4.10 Archeologie en cultuurhistorie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.

Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een specifieke verwachting voor de late middeleeuwen en nieuwe tijd (zie onderstaande afbeelding). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

44

Afbeelding 18: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Het plan betreft de opwaardering van het huidige park. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door ADC ArcheoProjecten een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage bij de toelichting. De conclusie van het onderzoek luidt: ‘ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Voorwaarde is dan wel dat geen bodemingrepen dieper dan het onderzochte bodemtraject (tot 400 cm -mv) plaatsvinden. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht deze zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie geen belemmeringen bij bodemingrepen dieper dan 400 cm-mv. Conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk eventuele archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag. Omdat bescherming van de archeologische waarden niet meer nodig is, wordt in dit plan geen archeologische dubbelbestemming opgenomen.

45

4.11 Klimaatadaptatie Beleidskader In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening ZuidHolland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: 1. Wateroverlast door overvloedige neerslag; 2. Overstroming; 3. Hitte; 4. Droogte. Onderzoek Wateroverlast door overvloedige neerslag Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien op te kunnen vangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om te infiltreren in de bodem. Het plan betreft een kleinschalige ontwikkeling. Er vinden geen ingrepen aan watergangen plaats. In en rondom het plangebied zijn voldoende mogelijkheden om hemelwater in de bodem te laten infiltreren. Hiermee is voldoende waterberging aanwezig om zware regenbuien op te kunnen vangen. Overstroming Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. Hitte en droogte Gezien het warmer en droger wordt is het van belang om de beplanting hierop af te stemmen.

De beplanting moet blijven voorzien in het afbreken van CO2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier. De te kiezen beplantingen moeten ook erosie van het terrein terugdringen. Het plangebied wordt groen ingericht middels streekeigen beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden en erosie terugdringen. Conclusie In dit bestemmingsplan wordt voldoende rekening gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering.

46

5.

Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Park Julianastraat, Groot-Ammers’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Park Julianastraat, Groot-Ammers’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Park Julianastraat, GrootAmmers’ is aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘Dorpskernen’ (NL.IMRO.1927.BPDorpskernenLSV-VG04), het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren’ (NL.IMRO.1978.BPparkerenMLLN-VG01) en het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’ (NL.IMRO.1978.BP woonvormenMLLN-VA01). De regels bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

5.3 Bestemmingen Groen De woonbestemming wordt gewijzigd naar de bestemming ‘Groen’, zodat het gebruik van de locatie als openbaar park juridisch-planologisch wordt vastgesteld. Binnen deze bestemming zijn qua bouwwerken uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen toegestaan. Water De huidige waterbestemming wordt overgenomen.

5.4 Aanduidingen •

Vrijwaringszone – dijk - 2

47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=39753b48-3f93-4958-837d-47da765cdb91