Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan Park Julianastraat, Groot-Ammers
Tekst van het document
Toelichting bestemmingsplan ‘Park Julianastraat, Groot-Ammers’
Toelichting bestemmingsplan ‘Park Julianastraat, Groot-Ammers’
Identificatie NL.IMRO.1978.BPPrkJulianastrAMS-VG01 Datum 12 maart 2024 Planstatus Vastgesteld Versie 2.0
2
Inhoudsopgave 1.
2.
3.
4.
Inleiding ....................................................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding .................................................................................................. 5
1.2
Ligging en begrenzing plangebied .............................................................. 5
1.3
Vigerend bestemmingsplan......................................................................... 6
1.4
Maatschappelijk resultaat ........................................................................... 7
1.5
Maatschappelijk draagvlak .......................................................................... 8
1.6
Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid.............................. 8
1.7
Communicatie ............................................................................................ 8
1.8
Realisatie .................................................................................................... 9
1.9
Leeswijzer................................................................................................... 9
Planbeschrijving .................................................................................................................... 10 2.1
Bestaande situatie ..................................................................................... 10
2.2
Nieuwe situatie ......................................................................................... 12
Verantwoording beleidskader ......................................................................................... 14 3.1
Rijksbeleid ................................................................................................ 14
3.2
Provinciaal beleid ...................................................................................... 16
3.3
Gemeentelijk beleid .................................................................................. 25
Verantwoording sectorale aspecten ............................................................................. 27 4.1
Milieueffectrapportage .............................................................................. 27
4.2
Watertoets ................................................................................................ 28
4.3
Geluid ....................................................................................................... 33
4.4
Luchtkwaliteit ........................................................................................... 34
4.5
Bedrijven- en milieuhinder ........................................................................ 36
4.6
Externe veiligheid ..................................................................................... 37
4.7
Kabels en leidingen................................................................................... 39
4.8
Ecologie .................................................................................................... 40
4.9
Bodem ...................................................................................................... 42
4.10 Archeologie en cultuurhistorie .................................................................. 44 4.11 Klimaatadaptatie ....................................................................................... 46 5.
Juridische planbeschrijving .............................................................................................. 47 5.1
Inleiding ................................................................................................... 47
5.2
Systematiek van de regels ......................................................................... 47
5.3
Bestemmingen .......................................................................................... 47
5.4
Aanduidingen ........................................................................................... 47
3
Bijlage bij toelichting # Document 1 Herinrichtingsplan
Auteur Gemeente Molenlanden
2
Archeologisch onderzoek
ADC ArcheoProjecten
3
Quickscan Wet natuurbescherming
Blom Ecologie
4
Verkennend bodemonderzoek
Bakker Milieuadvies
4
1.
Inleiding
1.1 Aanleiding Het perceel tussen de Julianastraat en de Voorstraat 102 en 104 te Groot-Ammers betreft een onbebouwd terrein in eigendom van de gemeente Molenlanden. Het terrein is voorzien van een woonbestemming. De woonbestemming is tot op heden nog niet benut, waardoor het terrein onbebouwd is. Omwonenden gebruiken het onbebouwde terrein inmiddels al jaren als park voor verschillende doeleinden. Zo is er in het park sprake van een voetbalveld, een volleybalveld en wordt het park gebruikt om te wandelen. De Klankbordgroep Ons Ammers wil de huidige functie als park behouden en zijn tevens voornemens om het huidige park op te waarderen. Zo is het plan ontstaan om een park te realiseren voor jonge en oude inwoners van Groot-Ammers, zodat iedereen kan genieten van het park. Het plan is strijdig met het vigerende bestemmingsplan ‘Dorpskernen’ (vastgesteld op 4 november 2014). De locatie valt binnen de bestemming ‘Wonen’ waar groenvoorzieningen, die niet ten dienste van een woning staan, niet zijn toegestaan. Het initiatief is met een principeverzoek voorgelegd aan de gemeente. Op 1 juni 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten in principe medewerking te verlenen aan het plan door het bestemmingsplan te herzien. Daarmee wordt het plan juridisch-planologisch mogelijk gemaakt.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen in de kern van het dorp Groot-Ammers, langs de Voorstraat. Het plangebied wordt aan de zuidzijde begrensd door een watergang. De woonpercelen Voorstraat 102 en 104 zorgen voor respectievelijk de westelijke en oostelijke begrenzing van het plangebied. De Voorstraat zorgt tenslotte voor de begrenzing van het plangebied aan de noordzijde. Het plangebied is kadastraal bekend gemeente Groot-Ammers, sectie D, perceel 530 (gedeeltelijk).
5
Afbeelding 1: Begrenzing plangebied
1.3 Vigerend bestemmingsplan Bestemmingsplan ‘Dorpskernen’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Dorpskernen’ (vastgesteld op 4 november 2014). Het plangebied heeft de enkelbestemmingen: • Tuin; • Water; • Wonen. Met de dubbelbestemmingen: • Waarde – Archeologie – 2; • Waarde – Archeologie – 4; • Waterstaat – Waterkering. En de aanduidingen: • Bouwvlak; • Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 3’; • Maatvoering ‘maximum goothoogte: 6m’.
6
Afbeelding 2: Uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Dorpskernen’
Bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’ Op 27 oktober 2020 heeft de gemeente Molenlanden het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’ vastgesteld. Het doel van deze parapluherziening is het bieden van een eenduidige regeling ten aanzien van het aspect ‘parkeren’ in de gemeente Molenlanden. Dit paraplubestemmingsplan vormt de juridische vertaling van het parkeerbeleid. In de beleidsregel “Nota Parkeernormen Molenlanden 2020” zijn de parkeernormen opgenomen die van toepassing zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’ regelt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden voldaan aan de beleidsregel “Nota Parkeernormen Molenlanden 2020”. Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten Op 26 oktober 2021 heeft de gemeente Molenlanden het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’ vastgesteld. Het paraplubestemmingsplan voorziet uitsluitend in een juridische borging voor het reguleren van het beleid met betrekking tot huisvesting van arbeidsmigranten. Door deze regeling wordt het eveneens onmogelijk gemaakt om andere ongewenste huisvestingsvormen toe te staan in (bedrijf)woningen.
1.4 Maatschappelijk resultaat Met de vaststelling van het bestemmingsplan wordt een nieuwe, geactualiseerde en gedigitaliseerde juridische regeling geboden. Middels dit nieuwe bestemmingsplan wordt het huidige gebruik van de locatie als park/recreatie juridisch-planologisch vastgelegd. Daarmee komt de huidige praktijk overeen met de planologische situatie. Daarnaast wordt het tevens mogelijk gemaakt om het park verder op te waarderen door het toestaan van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals 7
speelvoorzieningen (zoals een klimrek en een glijbaan), sportvoorzieningen (zoals een volleybalnet, voetbaldoelen, jeu de boules-baan en sporttoestellen) en kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen (zoals bankjes, picknicktafels, vissteigers en informatieborden).
1.5 Maatschappelijk draagvlak Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Participatie De plannen voor de realisatie van het park zijn opgesteld in samenwerking met Klankbordgroep Ons Ammers, Jong Molenlanden, GiGa Molenlanden en de gemeente Molenlanden. Daarnaast is er een bewonersbijeenkomst georganiseerd waarbij de reacties op de plannen positief waren. Vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan opgestuurd naar de overlegpartners waaronder de Gasunie, TenneT, Provincie Zuid-Holland en het Waterschap Rivierenland. Het waterschap heeft in een reactie aangegeven positief tegen het plan te staan, mits enkele tekstuele toevoegen in de toelichting worden opgenomen ten aanzien van werkzaamheden nabij watergangen, onderhoudsstrook van 1 meter langs B-watergangen en ten aanzien van waterberging en -compensatie. Naar aanleiding hiervan zijn deze onderdelen toegevoegd in de toelichting. De Gasunie en TenneT hebben aangegeven geen opmerkingen te hebben op het plan.
Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken hebben vanaf 28 december 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen (Gemeenteblad 2023, 553801), waarbij eenieder in de gelegenheid werd gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Er zijn geen zienswijzen binnengekomen op het plan.
1.6 Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan voor de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente is een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt en wie verantwoordelijk is voor het onderhoud van het park.
1.7 Communicatie Er wordt op een wettelijke manier gecommuniceerd over de te voeren procedure (via internet en het Gemeenteblad).
8
1.8 Realisatie Wanneer er geen beroep wordt ingediend, is het bestemmingsplan na de ter inzage termijn onherroepelijk. Omgevingsvergunningen kunnen vervolgens worden verleend.
1.9 Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van de planontwikkeling zijn beschreven: • Hoofdstuk 2: Planbeschrijving; • Hoofdstuk 3: Verantwoording beleidskader; • Hoofdstuk 4: Verantwoording sectorale aspecten; • Hoofdstuk 5: Juridische planbeschrijving.
9
2.
Planbeschrijving
2.1 Bestaande situatie 2.1.1 Ontstaansgeschiedenis en stedenbouwkundige structuur Groot-Ammers is gelegen in het noorden van de Alblasserwaard, langs de rivier de Lek. Groot-Ammers wordt in de geschiedenis voor het eerst genoemd in 1042. Groot-Ammers dankt haar naam aan het veenriviertje wat uitmondde in de Lek en waarlangs Groot-Ammers is ontstaan (Ammers betekent waterloop). Groot-Ammers en omgeving stonden onder invloed van de heren van Liesvelt, welke bestuurde vanuit slot Liesvelt, wat een van de grootste en sterkste kastelen van Nederland was. Tussen 1300 en 1400 werd de boezem uitgegraven. Deze waterloop mondde via een sluis uit in de Lek en speelt nog steeds een belangrijke rol in de beheersing van het waterpeil in de Alblasserwaard, hoewel de sluis buiten gebruik is genomen. Aan deze boezem staan een viertal poldermolens. Rond 1900 was er in Groot-Ammers veel handel in kaas. De kaas werd in de Alblasserwaardse polder geproduceerd, en in Groot-Ammers verhandeld, getuide de kaaspakhuizen in het dorp. Om de bevolkingsgroei na de Tweede Wereldoorlog op te kunnen vangen is het dorp aanzienlijk uitgebreid. Met de uitbreiding van het dorp heeft ook de industrie in Groot-Ammers zich aanzienlijk uitgebreid. Door de groter groeiende bedrijven uit de kern ontstond ook de behoefte aan een bedrijfsterrein.
Het bedrijfsterrein Gelkenes, gelegen tussen Groot-Ammers en Nieuwpoort voorzag in deze behoefte. Het plangebied is gelegen in de kern van het dorp. 2.1.2 Huidige status/gebruik Op het perceel is al jaren een groenstrook aanwezig welke wordt gebruikt voor verschillende doeleinden. Er is spake van een voetbalveld en volleybalveld. Daarnaast wordt de groenstrook gebruikt om te wandelen.
10
Afbeelding 3: Luchtfoto bestaande situatie
Afbeelding 4: Aanzicht plangebied
11
2.2 Nieuwe situatie 2.2.1 Planbeschrijving Met het plan wordt de huidige functie van het park aan de Julianastraat in GrootAmmers juridisch-planologisch vastgelegd. Hierdoor wordt de planologische situatie in overeenstemming gebracht met de feitelijke situatie. Als gevolg van het positief bestemmen van het park, wordt tevens de mogelijkheid gecreëerd om het park verder op te waarderen. In overleg met omwonenden, de klankbordgroep ‘Ons Ammers’, Jong Molenlanden, GiGa Molenlanden en de gemeente is een plan opgesteld. Met voorliggend bestemmingsplan wordt dit plan ook juridisch-planologisch mogelijk gemaakt. Het plan voorziet in het opwaarderen van het huidige park, waarbij rekening is gehouden met jonge en de al wat oudere inwoners van Groot-Ammers. In de bijlage van deze toelichting is het ontwerp toegevoegd, een uitsnede hiervan is te zien in onderstaande afbeelding.
Afbeelding 5: Schetsontwerp park
Versterken groen, water en biodiversiteit Het plan voorziet in het behouden van de huidige watergangen. De watergangen worden voorzien van natuurlijke oevers ter bevordering van de biodiversiteit. De 12
huidige bomen en struiken blijven behouden. Aan de noordwestzijde van het park wordt een bosschage/struweel aangebracht en aan de zuidoostzijde van het nieuwe park wordt een kleurrijke pluktuin gerealiseerd, bestaande uit grassen, kruiden en bloemen. Om de biodiversiteit verder te bevorderen is er tevens ruimte gereserveerd voor een bijen-/insectenhotel.
Afbeelding 6: Voorbeelden natuurvriendelijke oever, insectenhotel en pluktuin
Diverse voorzieningen Het park moet een ontmoetingsplaats worden voor alle inwoners van Groot-Ammers. In het park worden daarom diverse voorzieningen toegevoegd om het park aantrekkelijk te maken voor alle doelgroepen. Voor de allerjongste doelgroep wordt een knuffeldierenhoekje gemaakt waar peuters en kleuters met elkaar kunnen spelen. Voor tieners en (jong)volwassenen worden speelvelden en fitnesstoestellen aangebracht. Voor de oude van dagen is in het park ruimte gereserveerd voor een jeu de boules-baan. Uiteraard kunnen ouderen ook gebruikmaken van de sportvoorzieningen en de jongvolwassenen gebruikmaken van de jeu de boulesbaan. Op deze manier wordt er een park gerealiseerd voor en door de inwoners van Groot-Ammers. Verder wordt een vissteiger aangelegd en wordt door het park heen een wandelpad aangelegd met hier een daar ruimte om te kunnen zitten en rusten.
Afbeelding 7: Voorbeelden kinderhoekje, vissteiger, sporttoestellen
Ontsluiting Het park wordt in de bestaande situatie ontsloten via een wandel-/fietsbruggetje aan de Julianastraat. Deze blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd.
13
3.
Verantwoording beleidskader
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: • • • •
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat er zowel maatregelen op korte termijn als maatregelen op lange termijn nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond. Het plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee.
Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het plan is op rijksniveau kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro.
14
3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting van een bestemmingsplan waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, een beschrijving op te nemen over de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ladder voor duurzame verstedelijking wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt.
In artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro is de volgende definitie van stedelijke ontwikkeling opgenomen: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Het plan voorziet in het juridisch-planologisch vastleggen van een bestaande functie in bestaand stedelijk gebied. Wel wordt met het plan mogelijk gemaakt om het park verder op te waarderen door enkele voorzieningen toe te staan. Het plan voorziet echter niet in een zodanige functiewijziging of is van zodanige aard en omvang dat het gezien moet worden als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Daarnaast kan gesteld worden dat binnen het plangebied al woningen zijn toegestaan en daarmee de locatie al geschikt is voor een stedelijke voorziening, zoals woningbouw of een park. Daardoor is er in ieder geval sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik. De ladder voor duurzame verstedelijking hoeft niet doorlopen te worden.
15
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie ZuidHolland. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie ZuidHolland. Het Omgevingsbeleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. Op 15 maart 2022 is een herziening van de Omgevingsvisie Zuid-Holland gepubliceerd. De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zeven richtinggevende ambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van ZuidHolland. 5.
Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Verbeteren ruimtelijke kwaliteit Gezien het sterke contrast tussen een dynamische stedelijke omgeving en open deltalandschappen in Zuid-Holland, is zorg voor de ruimtelijke kwaliteit in het bijzonder van belang. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving.
De essentie van het ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten toevoegen aan het gebied en de samenleving. 16
Kwaliteitskaart De kwaliteitskaart is voor de provincie Zuid-Holland een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen. De kwaliteitskaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De kwaliteitskaart biedt een middel om vroeg in het planproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. Het verbinden van nieuwe ontwikkelingen aan de bestaande gebiedskenmerken vormt hierbij uitgangspunt. Laag van de ondergrond Het plangebied is gelegen in het gebied ‘rivierdeltacomplex – rivierklei en veen’.
Afbeelding 8: Uitsnede kwaliteitskaart – laag van de ondergrond
Rivierdeltacomplex – rivierklei en veen Zoals overal in Zuid-Holland heeft het water en het menselijk handelen grote invloed gehad op de geomorfologie van dit deel van de provincie. Het land in de delta is vergroot door aanleg van dijken rond droogvallende gronden. De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap. Voor dit gebied heeft de provincie het volgende richtpunt opgenomen: • Ontwikkelingen in het rivierengebied houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar.
17
Het plan betreft het juridisch-planologisch vastleggen van het bestaande park en het opwaarderen van het park. Het plan is niet strijdig met het richtpunt. Laag van de natuur- en cultuurlandschappen Het plangebied is gelegen binnen de gebieden ‘rivierdijken’, ‘veenweidelandschap’ en ‘linten’.
Afbeelding 9: Uitsnede kwaliteitskaart – laag van de natuur- en cultuurlandschappen
Rivierdijken De dijken zijn lijnvormige, herkenbare structuurdragers in het landschap met als primaire functie het keren van water. De dijken worden periodiek aangepast aan de dan geldende veiligheidsnormen. Met name in het veengebied is er sprake van dichte lintbebouwing op of aan de dijk. Het doorgaand profiel van de dijk is een belangrijk uitgangspunt. Dit draagt bij aan het herkenbaar houden en begrijpbaar houden van de dijk. Het ritme langs de dijk met afritten, bebouwing, afwisselend open-dicht etc. kan houvast geven voor het plaatsen en vormgeven van nieuwe ontwikkelingen, evenals het dwarsprofiel van de dijk en bijbehorende bebouwing. Indien mogelijk worden recreatieve routes gekoppeld aan het water en/of de dijk. Voor dit gebied heeft de provincie de volgende richtpunten opgenomen: • Behoud van maat en weidsheid van de poldereenheden. Eventuele nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen het bestaande dijklint en niet in de veenweidepolders; • Behouden van de doorzichten vanaf de dijk op het achterliggende landschap; • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud of herstel van de openbaarheid van oevers. Veenweidelandschap De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. 18
Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik. Het agrarisch gebruik overheerst. Belangrijke kenmerken van het veenweidegebied zijn het contrast tussen (meer verdichte) hooggelegen boezems, linten en bovenlanden en het uitgestrekte, ingeklonken veen (open gebied). Veenstromen, dijken en kades vormen landschappelijke structuurdragers en begrenzen de (open) poldereenheden. Het gebruik richt zich op behoud van de maat van de poldereenheden, het verkavelingspatroon, de beplanting, de kades en dijken en de zichtbaarheid van water in de vorm van sloten, weteringen en boezems. Een duurzaam gebruik en eigenaarschap van het veen(weide)gebied is van belang. Het maken van nieuwe (agrarische) natuurlandschappen met een (extensieve) recreatieve functie behoort daarbij tot de mogelijkheid. In het oosten van de provincie is het veengebied vermengd met oeverwallen en kommen van het rivierenlandschap. In delen is het voor de oeverwallen kenmerkende fruitteelt aanwezig. De kommen zijn grootschalig met regelmatige (cope)verkaveling, maar gaan al snel over in het veenweidelandschap. Deze overgangen zijn nauwelijks tot niet zichtbaar en staan dan ook niet op kaart.
Richtpunten: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders; • Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar. Linten Linten zijn lineaire, aangesloten bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. Om die reden worden linten beschouwd als onderdeel van de tweede laag. Op kaart zijn zowel de linten buiten als binnen het stedelijk gebied aangegeven. De linten binnen het stedelijk gebied zijn met name opgenomen om de relatie met het lint in het buitengebied aan te geven. Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend.
Aansluiten bij de huidige korrel betekent, dat bij een lint met grootschalige bebouwing, grote loodsen of schuren inpasbaar zijn, maar bij een lint met kleinschalige bebouwing niet. Bestaand dwarsprofiel richtinggevend betekent het in stand houden van het bestaande wegprofiel (breedte, beplanting en berm), aansluiten bij de bestaande afstand van bebouwing tot de weg, (a)symmetrie van het lint, diepte van de (bouw)kavels en dergelijke. Om het lint transparant te houden, 19
dienen doorzichten vanaf de weg naar het achterliggende landschap intact te blijven. Respect voor historische gaafheid van het lint tenslotte, houdt in dat bij nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden wordt met cultuurhistorische kwaliteiten van zowel het lint als geheel, als van de individuele bebouwing. Bestaande linten kunnen worden verlengd met inachtneming van bovenstaande uitgangspunten voor een lint, als dit bijdraagt aan de leesbaarheid van het landschap en dit de (verdere) verdichting en verdikking van hetzelfde lint voorkomt. Richtpunten: • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied; • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst; • Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend; • Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht. Het plan betreft het juridisch-planologisch vastleggen van het bestaande park en het opwaarderen van het park. Het plan is niet strijdig met de richtpunten.
Laag van de stedelijke occupatie Het plangebied is gelegen binnen het gebied ‘steden en dorpen’.
Afbeelding 10: Uitsnede Kwaliteitskaart – laag van de stedelijke occupatie
Steden en dorpen Elk dorp ontwikkelt zijn eigen identiteit en bouwt voort op haar karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap. Het dorp is deel van het omringende 20
landschap, doordat onderliggende patronen herkenbaar zijn in de structuur van het dorp. Richtpunten: • Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp; • Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur; • Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving; • Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur; • Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand (zie stadsen dorpsranden); • Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd; • Het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt. • Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied; • Bij bedrijventerreinen krijgt de beeldkwaliteit van de randen, een goede ontsluiting en de samenhang met de omgeving extra aandacht. Het plan betreft het juridisch-planologisch vastleggen van het bestaande park en het opwaarderen van het park.
Het plan is niet strijdig met de richtpunten. Door het opwaarderen van het park draagt het plan bij aan het versterken van het groen en water in het dorp. Laag van de beleving Het plangebied is gelegen binnen het gebied ‘fiets- en wandelroutes’. Fiets- en wandelroutes Het netwerk van fiets- en wandelpaden (indicatief op kaart weergeven) en vaarwegen verbindt een verscheidenheid van stedelijke en landelijke gebieden, natuur- en recreatiegebieden en andere toeristische trekpleisters. Dit netwerk is bedoeld als ontsluiting, maar ook als middel om stad en landschap van Zuid-Holland te ervaren. Recreatieknooppunten in dit netwerk zijn de overstapplaatsen tussen verschillende vervoersmodaliteiten als auto, fiets of kano. Deze kunnen een toeristisch-recreatieve bestemming op zich zijn. Een samenhangend, gevarieerd en aantrekkelijk stelsel van gebieden en routes vraagt om het opheffen van barrièrewerking of het toevoegen van ontbrekende schakels. De basis van een regionaal fijnmazig netwerk wordt gevormd door de langeafstandsroutes aangevuld met stadlandverbindingen. Recreatieve ontwikkelingen (bij voorkeur rond knooppunten) worden gebaseerd op een regionale recreatieve uitwerking naar routes en bestemmingen (transferia, poorten en toeristische overstappunten). Voor de uitbreiding van recreatieve voorzieningen wordt waar mogelijk gebruik gemaakt van cultuurhistorisch erfgoed,
21
maar kunnen ook nieuwe bijzondere locaties worden toegevoegd. Gangbare maaswijdten in een routenetwerk zijn voor wandelaars 0,5 km en voor fietsers 2 km.
Afbeelding 11: Uitsnede Kwaliteitskaart – laag van de beleving
Verbeteren van de recreatieve gebruikswaarde en belevingskwaliteit van de vaarnetwerken kan door het toevoegen van nieuwe verbindingen of het wegnemen van obstakels. Havens, aanlegplaatsen en dergelijke zijn onderdeel van het netwerk. Voor dit gebied heeft de provincie de volgende richtpunten opgenomen: • Voorkomen van (nieuwe) obstakels en omwegen in het recreatief netwerk. • Recreatieve voorzieningen worden zoveel mogelijk gekoppeld aan recreatieknooppunten in het recreatieve netwerk. Waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van het cultuurhistorisch erfgoed of andere recreatief interessante locaties. Het plan betreft het juridisch-planologisch vastleggen van het bestaande park en het opwaarderen van het park. Het plan is niet strijdig met de richtpunten. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Op 15 maart 2022 is een herziening van de Omgevingsverordening gepubliceerd. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen.
Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie.
22
Ruimtelijke kwaliteit De uitleg van de begrippen inpassen, aanpassen en transformeren hoeven een bestuurlijke uitleg/interpretatie door de gemeenteraad. Daarbij komt de raad beoordelingsruimte toe. Volgens de toelichting bij de verordening wordt het volgende verstaan. Inpassen Dit betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van een kavel. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of een woning in een lint. Bij inpassen veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met topkwaliteit. Aanpassen Dit betreft een ontwikkeling die aansluit bij de huidige identiteit van een gebied, maar op structuurniveau wijzigingen of aanvullingen voorziet. Een voorbeeld is de aanleg of verbreding van een provinciale weg. Bewoners en gebruikers uit de bestaande omgeving merken duidelijk invloed van de nieuwe ontwikkeling.
De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief zo gunstig mogelijk resultaat. Omdat in deze gevallen geen rekening kan worden gehouden met (alle) richtpunten, zijn ontwerpoptimalisatie, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. Transformeren Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat er een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. Er ontstaat een nieuwe toekomst voor het gebied met een nieuwe gebiedsidentiteit. De impact van deze plannen op een gebied is groot. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Gelet op de wezenlijke verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat geen rekening kan worden gehouden met alle richtpunten uit de kwaliteitskaart, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat die nog niet is ondervangen in de richtpunten. In de meest verregaande vorm van transformatie is van de huidige identiteit niets meer zichtbaar.
In alle gevallen is het belangrijk om aansluiting te zoeken bij structuren en patronen aan de rand van de omgeving, bijvoorbeeld een bosrand, waterloop of woonlint. Het ontwerp kan gepaard gaan met inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen in de omgeving. Gelet op de omvang van de ontwikkeling kunnen dergelijke maatregelen – eenvoudiger dan bij aanpassen – onderdeel uitmaken van hetzelfde plan. Bij transformatie-opgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen en een kwalitatief optimaal resultaat.
23
Afbeelding 12: Stroomschema inpassen, aanpassen, transformeren
Het plan kan worden geschaard onder de categorie ‘inpassen’. Het plan past binnen de bestaande gebiedsidentiteit en voorziet niet in wijzigingen op structuurniveau. Het sluit aan op de aard en de schaal van het gebied en houdt rekening met de richtpunten uit de kwaliteitskaart. Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen (artikel 6.10). Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a) De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro); b) Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. In §3.1.3 van deze toelichting is getoetst of het plan valt aan te merken als een ‘stedelijke ontwikkeling’ als bedoeld in artikel 3.1.6 van het Bro. Hieruit volgt dat het plan niet geschaard kan worden als een stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is niet nodig.
24
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Toekomstvisie Molenlanden Op 28 september 2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Molenlanden unaniem de Toekomstvisie Molenlanden 2030 vastgesteld. Op zes onderwerpen beschrijft de visie de landelijke en lokale trends en de wensen van de gemeente. Deze trends die de gemeente ziet, gebruikt de gemeente om de wensen mogelijk te maken. Per onderwerp schetst de gemeente het beeld voor het jaar 2030. Deze zes beelden samen bepalen het integrale beeld voor wat de gemeente in 2030 wil zijn. De zes beelden gaan in op de volgende aspecten: • Inclusieve samenleving: in onze samenleving staat gezondheid voorop en zijn alle inwoners even belangrijk; • Leefomgeving: de omgeving waarin we wonen voelt veilig en is zo ingericht dat we grote gevolgen van klimaat op kunnen vangen; • Economie: Molenlanden is een gemeente waar innovatie een belangrijke plek heeft en ondernemen vanzelfsprekend is; • Recreatie en Toerisme: het toerisme in Molenlanden is in balans; • Klimaat en energie: we werken samen aan een circulair, energieneutraal, klimaatbestendig en schoon Molenlanden met aandacht voor een eerlijke voedselketen waarin afval wordt gezien als grondstof; • Bereikbaarheid: Inwoners van Molenlanden ervaren met verschillende vervoersmiddelen dat onze dorpen, de vestingstad en de regio veilig en goed bereikbaar zijn.
Met het plan wordt een park gerealiseerd voor de inwoners van Groot-Ammers. Hiermee is er een plek in het dorp om te sporten en te recreëren, hetgeen bijdraagt aan een groene, gezonde en prettige leefomgeving. 3.3.2 Coalitieakkoord 2022-2026 Op maandag 9 mei 2022 presenteerden Doe Mee!, SGP en VVD het coalitieakkoord 'Wij zijn Molenlanden: verbonden en veerkrachtig'. In het coalitieakkoord gaat de coalitie in op de volgende tien thema’s: 1. Dienstverlening 2. Wonen 3. (Agrarische) economie 4. Landschap 5. Energietransitie en klimaat 6. Armoedebeleid 7. Gezond Molenlanden 8. Toerisme 9. Bereikbaarheid 10. Cultuur Het plan haakt met name in op het thema Gezond Molenlanden. Gezond Molenlanden Een Molenlandse jeugd die in brede zin gezond is, voldoende beweegt en graag sport. Dat is het ideaalbeeld. Helaas geldt dit niet voor iedereen en wordt er ook een groot beroep gedaan op de jeugdhulpverlening. Het recent ingezette beleid voor de 25
jeugdhulpverlening, met daarbij meer inzet op preventie, zetten we door en we verhogen de ambitie. De komende vier jaar willen we het aantal jongeren dat jeugdhulpverlening nodig heeft terugdringen met 10%. Politieke keuzes voor het aanbod gaan we daarbij niet uit de weg. De financiële open-einde-regeling dient meer te sluiten. Op basis van de evaluatie in 2023 gaan we keuzes maken hoe de grip en greep op de Jeugdhulp versterkt kan worden. Sporten en bewegen zijn levensbehoeften. Het bevordert vitaliteit en beschermt tegen ziektes en overgewicht. Het is onderdeel van een gezonde levensstijl. Molenlanden stimuleert sport en beweging van jong tot oud, in verenigingsverband of individueel. Met het plan wordt het park juridisch-planologisch toegestaan en kan vervolgens opgewaardeerd worden. In het park worden voorzieningen toegevoegd voor jong en oud, zodat het park aantrekkelijk voor elke doelgroep wordt. In het park worden speel- en sportvoorzieningen gerealiseerd, zodat er ook voldoende ruimte is om te sporten en te bewegen. Zodoende stimuleert het plan een gezond Molenlanden.
26
4.
Verantwoording sectorale aspecten
4.1 Milieueffectrapportage Beleidskader In de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r. beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’. Onderzoek Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in toestaan van een park en de opwaardering daarvan. Het ruimtebeslag en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is beperkt en niet substantieel genoeg om aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het besluit m.e.r.
De activiteit die het plan mogelijk maakt is niet opgenomen in bijlage C en D van het besluit m.e.r. Derhalve is geen m.e.r.- beoordeling of – besluit nodig. Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 7.17 van de Wet milieubeheer.
27
4.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheerder, de beheerder van waterkeringen en de beheerder van zuiveringsinstallaties. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen.
De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de water aanen afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Watergangen In en grenzend aan het plangebied zijn diverse B-watergangen gelegen (zie onderstaande afbeelding). Het betreft de B-watergangen 059568, 059578, 059579, 059581, 059588, 059600, 059601, 139322. Het plan voorziet in het behouden van de huidige watergangen. De watergangen worden voorzien van natuurlijke oevers ter bevordering van de biodiversiteit.
Tevens voorziet het plan in het aanleggen van vissteigers en het planten van bomen en struiken nabij watergangen. Indien deze werkzaamheden voldoen aan de Algemene regels van het waterschap, dient voor deze werkzaamheden een melding te worden gedaan. Indien niet kan worden voldaan aan de Algemene regels, dan dient een watervergunning aangevraagd te 28
worden. Verder dient rekening gehouden te worden met het feit dat B-watergangen voorzien moeten zijn van een obstakelvrije onderhoudsstrook van 1 meter.
Afbeelding 13: Uitsnede Legger wateren
Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied OVW065. Het gebied heeft een zomerpeil van -1,52 m NAP en een winterpeil van -1,57 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwater- overlast te voorkomen.
Afbeelding 14: Peilgebiedenkaart
29
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het stedelijke gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 500 m2. De huidige verharding is inzichtelijk gemaakt op basis van luchtfoto’s en straatbeelden. Daarbij is ervan uitgegaan dat de paden niet verhard zijn. Tevens zijn de bruggen over de watergangen niet meegenomen. Voor de nieuwe situatie is een schetsmatig ontwerp gemaakt.
Dit ontwerp is als uitgangspunt genomen voor het bepalen van de toekomstige verharding. Daarbij wordt uitgegaan dat de paden worden voorzien van halfverharding (telt voor 50% mee) en de velden (speelvelden en jeu de boulesbaan) vallen onder de categorie gedraineerde sportvelden (tellen voor 20% mee).
Afbeelding 15: Uitgangspunten verharding bestaand (boven) en nieuw (onder)
30
Tabel 1: Verhardingsbalans Bestaande situatie Verharding
Oppervlak
Verhardingspercentage
0 m²
100 %
Totale verharding bestaande situatie: Nieuwe situatie Halfverharding (paden) Drainage (sportvelden) Bebouwing (bijenhotel en vissteiger)
1.437 m² 458 m² 58 m²
50% 20% 100%
Verhard oppervlak 0 m² 0 m² 719 m² 92 m² 58 m²
Totale verharding nieuwe situatie:
869 m²
Toename verharding:
+869 m²
Indien het plan op deze manier wordt aangevraagd, ontstaat er een verhardingstoename van 869 m². In dat geval zal (869 × 0,0436 =) 37,89 m3 aan water gerealiseerd moeten worden. Uitgaande van een peil van 0,2 meter, betekent dit een oppervlakte van 189,45 m2 aan watercompensatie. Deze compensatie zou op het park kunnen plaatsvinden, aansluitend op de bestaande watergangen in het park of bij de vissteiger. Voor het realiseren van watercompensatie is een watervergunning benodigd. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van de eenmalige particuliere vrijstelling van 500 m2 als deze vrijstelling niet eerder is gebruikt. De afdeling Vergunningen van het waterschap besluit uiteindelijk of gebruik kan worden gemaakt van deze eenmalige particuliere vrijstelling. De uiteindelijke en feitelijke toename in de verharding kan pas worden vastgesteld bij de aanvraag van de omgevings-vergunning en watervergunning. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.
Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Daarnaast blijven de huidige bomen en struiken behouden en wordt het groen verder aangevuld aan de hand van nieuwe bosschages, grassen, kruiden en bloemen.
31
Waterkering Verder ten noorden van het plangebied is een primaire waterkering gelegen langs de rivier de Lek. Een deel van de buitenbeschermingszone van deze waterkering is in het noorden van het perceel gelegen. Er vinden geen werkzaamheden plaats binnen de kern- en beschermingszones van de waterkering.
Afbeelding 16: Uitsnede Legger waterkeringen
Wegbeheer Het park wordt in de bestaande situatie ontsloten via een wandel-/fietsbruggetje aan de Julianastraat. Deze blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
32
4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. Onderzoek Het plan betreft de opwaardering van een park. Een park wordt niet aangemerkt als geluidsgevoelige functie in het kader van de Wet geluidhinder (Wgh). Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft geluid geen belemmeringen
33
4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 2: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)
Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3
Vanaf 2015
Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring het volgende overzicht voor het monitoringsjaar 2021 (receptor 73552739_157105): • Een stikstofconcentratie 14,0 µg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie 16,9 µg/m3 PM10; met niet meer dan 7 overschrijdingsdagen per jaar; • Een fijnstofconcentratie 9,8 µg/m3 PM2,5. 34
Op basis van bovenstaande kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan alle grenswaarden wordt voldaan. Gesteld kan worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan binnen het besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat
35
4.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.