Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan ‘Oud-Alblas, Noordzijde 17a’
Tekst van het document
Kenmerken van het plan Het plan voorziet in de sanering van een volwaardig agrarisch bedrijf en de realisatie van woningen. De bebouwing zal zich daarmee compacter concentreren langs het lint. Behoudens de standaard toegestane aan-huis-gebonden beroepen en bedrijven zullen er geen andere bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Verder worden volwaardige agrarische bedrijfsactiviteiten van twee bedrijven juridisch-planologisch uitgesloten door het verwijderen van twee agrarische bouwvlakken. Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen in het buitengebied en in een cultuurhistorisch woonlint langs de Noordzijde, ten oosten van de kern Oud-Alblas. Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd natuurgebied. Op een afstand van circa 2,6 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Donkse Laagten’. Dit Natura 2000-gebied is niet stikstofgevoelig. Verder is het plangebied gelegen op een afstand van circa 550 meter tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen. De nieuwe woningen worden conform de huidige eisen duurzaam gerealiseerd en zullen daardoor vrijwel niet voorzien in emissies.
Daarnaast wordt met de sanering en uitsluiting van een volwaardig agrarisch bedrijf (zware) agrarische verkeersbewegingen en emissies in het milieu als gevolg van het houden van vee weggenomen. Gezien de kleinschaligheid van het plan zullen geen van de toenames leiden tot significante negatieve effecten op het milieu. Daarnaast
32
kan redelijkerwijs aangenomen worden dat met het verwijderen van een volwaardig agrarisch bedrijf een positief effect ontstaat op het milieu. Conclusie Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling, geen sprake is van productiewerkzaamheden, geen sprake is van een onevenredige toename van aantallen verkeersbewegingen, etc. kan – met in achtneming van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling, redelijkerwijs worden verwacht dat geen sprake is van ernstige milieugevolgen gerelateerd aan de ruimtelijke ontwikkeling en kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. kan worden volstaan met een onderbouwing van diverse milieuaspecten in deze toelichting in onderstaande hoofdstukken.
33
4.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Gemeentelijk beleid Vanuit onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), is bepaald dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld moet worden. Om aan deze eis te kunnen voldoen hebben de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en het waterschap Rivierenland de handen ineengeslagen en het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom opgesteld. In dit waterplan is aangegeven welke doelen men wenst te bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom. De doelen uit het beleidsplan zijn uitgewerkt in vier aspecten: • Afkoppelen, meer ruimte voor water creëren en diffuse bronnen aanpakken (duurzaam onkruidbeheer, duurzaam bouwen); • Belevingswaarde; • Samenwerking; • Beheer en onderhoud.
Het beleidsplan moet de gemeenten helpen om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 door optimalisering van het huidige systeem. De gemeenten en het waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit.
Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur 34
is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de water aanen afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Foutief weergegeven watergangen
C-watergang 069330
Werkelijke watergang
B-watergang 017155
Afbeelding 10: Uitsnede legger wateren plangebied (zie afbeelding 7 topotijdreis, ten behoeve van werkelijke watergang)
Watergangen In en rondom het plangebied zijn enkele watergangen gelegen, zie afbeelding 10. Tussen de Noordzijde 17a en de gronden ten westen is een B-watergang (017155) gelegen, deze en de B-watergangen langs de weg blijven ongewijzigd. Ten noorden van de Noordzijde 17a is de C-watergang 069330 gelegen, welke ten behoeve van het plan mogelijk wordt verlengd richting de Noordzijde (zie afbeelding 11). Op de gronden ten westen van de Noordzijde 17a is in werkelijkheid één enkele Cwatergang gelegen (zie onderlegger afbeelding 10). De legger geeft de Cwatergangen 069406 en 069421 foutief aan, deze zijn in werkelijkheid al minimaal 12 jaar niet (meer) aanwezig (zie ook afbeelding 7). De werkelijke C-watergang ter plaatse wordt na sloop van de schuur voornemens verlengd tot aan de B-watergang. 35
Tevens wordt onderzocht of er een nieuwe dwarsloot gerealiseerd wordt aan de achterzijde van het nieuwe perceel om een natuurlijke afscheiding met het agrarisch land te creëren (zie afbeelding 11). Ten behoeve van het toekomstig dempen en graven van watergangen dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland. Verlengen C-watergang
Verlengen C-watergang
Nieuwe dwarssloot Afbeelding 11: Nieuwe situatie watergangen en verharding/bebouwing
Afbeelding 12: Uitsnede peilgebiedenkaart
36
Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied NDW024 (zie afbeelding 12). Het peilgebied heeft een zomerpeil van -2,25 meter NAP en een winterpeil van –2,35 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is, heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2.
Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2. Tabel 1: Oppervlaktebalans verharding (indicatief) Bestaande situatie Melkveestal Overkapping melkveestal Kapschuur Kleine silo Sleufsilo Houthok Woning nr. 17a Erfverharding nr. 17a Erfverharding agrarisch bedrijf Westelijk gelegen schuur Verharding rondom westelijk gelegen schuur
(circa) Oppervlakte m2 1.147,5 21,0 360,0 19,6 80,0 6,0 290,0 560,0 4.750,0 201,0 210,0
Totaal bestaande situatie
7.645,1
Nieuwe situatie Woning nr. 17a Erfverharding nr. 17a Twee nieuwe oostelijke woningen en erf Nieuwe westelijke woning en erf
290,0 560,0 1.700,0 850,0
Totaal nieuwe situatie
3.400,0
Verschil
Afname van 4.245,1
37
In bovenstaande tabel en op afbeelding 13-14 is de afname aan verharding en de verharding in de nieuwe situatie indicatief en globaal weergegeven. In totaal wordt er bij het agrarisch bedrijf 1.535 m2 bebouwing gesloopt en ten westen de schuur van ca. 201 m2. Hetgeen exclusief alle verharding, silo’s, kuilplaten etc. welke nog verwijderd worden, daarvan zal tussen de 4.500-5.000 m2 worden verwijderd.
Afbeelding 13: Indicatieve weergave afname verharding en projectie nieuwe woningen
Afbeelding 14: Globale weergave verharding nieuwe situatie
Met het gegeven dat er drie nieuwe woningen met bijbehorend erf worden gerealiseerd (zie afbeelding 14) welke ongeveer een gelijke grootte qua erf zullen hebben dan bij nr. 17a het geval kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een afname in verharding ter plaatse. De drie woningen met erf zullen vele malen minder bebouwing en verharding met zich meebrengen dan bovengenoemde 38
vierkante meters welke verdwijnen. Er is daarmee sprake van een verbeterde verhardingssituatie en het plan heeft positieve gevolgen voor de waterhuishouding en klimaatadaptatie. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De nieuwe woningen worden aangesloten op het gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland.
Voor de aansluiting op het riool zal ten tijden van de omgevingsvergunning overleg plaatsvinden met de verantwoordelijke afdeling van de gemeente.
Afbeelding 15: Uitsnede legger waterkeringen plangebied
39
Waterkering Het plangebied is niet gelegen in de kern- en/of beschermingszone van een waterkering, zie afbeelding 15. Ontsluiting De Noordzijde 17a te Oud-Alblas wordt in de huidige situatie ontsloten middels een betonpad naar het bedrijf (en achtergelegen land) en een inrit naar de bedrijfswoning. De schuur ten westen (en achtergelegen land) is bereikbaar middels een aparte inrit. De ontsluiting voor de bedrijfswoning en het betonpad blijft behouden om het achtergelegen land bereikbaar te houden. Hetzelfde geldt voor de bestaande inrit bij de te slopen schuur. De drie nieuwe woningen krijgen allen een aparte inrit om het perceel te bereiken (zie afbeelding 14). Ten behoeve van de nieuwe ontsluitingen dient een watervergunning te worden aangevraagd. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect water geen belemmeringen. Er is sprake van een verbetering van het waterhuishoudkundige systeem. Ten behoeve van het dempen en graven van watergangen, en nieuwe ontsluitingen, dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland.
40
4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen.
Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plangebied ligt binnen de invloedsfeer van enkele wegen. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, waardoor deze bronnen buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Het plan betreft de toevoeging van drie burgerwoningen. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van het toevoegen van nieuwe geluidsgevoelige objecten en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd door Adromi B.V. Het onderzoek is opgenomen als bijlage bij de toelichting.
De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘Geen hogere waarde noodzakelijk Zoals uit hoofdstuk 4 volgt, wordt er binnen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB gebleven van de Wet geluidhinder. Burgemeester en wethouders hoeven niet om de 41
vaststelling van een hogere waarde te worden gevraagd. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor realisatie van de geprojecteerde woningen. Maatregelen Omdat er binnen de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder wordt gebleven is het niet noodzakelijk om maatregelen te overwegen. Gevelmaatregelen Omdat er binnen de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder wordt gebleven is het niet noodzakelijk om aanvullende gevelmaatregelen te overwegen. De minimaal vereiste geluidswering op grond van het Bouwbesluit 2012 van 20 dB volstaat. Cumulatie en geluidluwe gevel Omdat er binnen de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder wordt gebleven worden alle gevels als geluidsluw aangemerkt. Verdere onderzoek naar geluidsluwe gevels is dan ook niet noodzakelijk. Resumerend De geluidsbelasting vanwege het wegverkeer is zodanig laag dat er binnen de voorkeursgrenswaarden van de Wet geluidhinder gebleven wordt. Burgemeester en wethouders hoeven niet om de vaststelling van een hogere waarde te worden gevraagd. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor realisatie van de woningen.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat het aspect geluid geen belemmeringen.
42
4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 2: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)
Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3
Vanaf 2015
Besluit Niet In Betekenende Mate Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2021) het volgende overzicht voor het jaar 2020: • Een stikstofconcentratie van 19,09 µg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 16,49 µg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie tussen 8,97 µg/m3 PM2,5
43
Voor het plangebied kan worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Conclusie Het plan valt in het besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
44
4.5 Bedrijven en milieuhinder Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.
Tabel 3: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Het plan betreft de toevoeging van drie woningen. Hiermee is sprake van het toevoegen van nieuwe milieugevoelige objecten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is gekeken naar de eventuele belemmeringen in de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven en instellingen als gevolg van het plan en of er ter plaatse van het plangebied een acceptabel woon- en leefklimaat heerst. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Ter plaatse van het plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en (agrarische) bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Daar is in dit geval sprake van. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden worden gerechtvaardigd.
De richtafstanden voor de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied mogen één afstandstrap worden verlaagd.
45
Op onderstaande afbeelding is het plangebied weergegeven ten opzichte van omliggende (bedrijfsmatige) functies. Op Noordzijde 13a is een aannemersbedrijf toegestaan. De richtafstand voor dit bedrijf betreft 10-30 meter (afhankelijk van de omvang van het bedrijf). De dichtstbijzijnde nieuwe woning wordt op minimaal 30 meter van deze bedrijfslocatie gerealiseerd. De Noordzijde 16/17 is tevens een bestemmingsplanprocedure aan het doorlopen om de agrarische bestemming om te zetten naar een woonbestemming (beëindiging agrarisch bedrijf). Ook de Noordzijde 18 betreft geen agrarisch bedrijf meer, maar enkel een woonboerderij/-functie. Op de Noordzijde 19 is in de praktijk ook geen sprake van een agrarisch bedrijf, maar is hetgeen planologisch gezien wel mogelijk. Doordat de dichtstbijzijnde nieuwe woning om minimaal 125 wordt gerealiseerd van dit bedrijf, wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand van 50 meter voor een eventueel agrarisch bedrijf.
Plangebied Nr. 19
Nr. 18
Nr. 16/17
Nr. 13a
Afbeelding 16: Plangebied t.o.v. omliggende functies
Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de richtafstanden en dat daarmee sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en omliggende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen.
46
4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR=10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.
Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Onderzoek Risicovolle inrichtingen In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen Bevi-inrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het plan (zie afbeelding17). Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn geen voor de externe veiligheid relevante buisleidingen aanwezig. Transport gevaarlijke stoffen, Wegverkeer In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader.
Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten.
47
Invloed transport gevaarlijke stoffen, Spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Invloed transport gevaarlijke stoffen, Vaarwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen.
Afbeelding 17: Uitsnede risicokaart externe veiligheid
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
48
4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
49
4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het plan voorziet in de sloop van gebouwen en de realisatie van woningen. Hiermee is sprake van werkzaamheden welke nadelige gevolgen kunnen hebben voor beschermde flora en fauna. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door Blom Ecologie een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. De quickscan is opgenomen als bijlage bij de toelichting. De conclusies uit de quickscan luiden: ‘Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar huismus. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli).
Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-calculatie Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk.’ Hetgeen bevestigd door het beoordelingskader/stroomschema van de Omgevingsdienst Zuid-Holland-Zuid. Het beoordelingskader stelt dat bij een minimale afstand van 4,3 km tussen de bouw van drie vrijstaande woningen en stikstofgevoelig Natura2000-gebied, de depositie op 0,00 mol/ha/jaar uitkomt. Bij deze minimale afstand kan stikstofdepositie op stikstofgevoelig natura2000-gebied op voorhand worden uitgesloten. De daadwerkelijke afstand van de locatie is ca. 6,4 km en voldoet daarmee ruimschoots aan de aangegeven minimale afstand. Een AERIUS-calculatie is niet noodzakelijk. ‘Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet 50
natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor huismus (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (huismus: er zijn belangen vanuit volksgezondheid -klimaatsverandering- aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Vervolgstappen Voor de sloop van de bebouwing aan het oostelijke perceel van de Noordzijde 17a dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden.
Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei, conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017). Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
• Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter
51
•
ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. Zie voor meer instructies bijlage 3. Ten aanzien van het graven van een nieuwe sloot op het oostelijke perceel dienen er eerst schotten geplaatst te worden aan de uiteindes om te voorkomen dat er water de nieuwe sloot instroomt voordat deze uitgegraven is. Wanneer de sloot is uitgegraven mogen de schotten verwijderd worden om de sloot te laten vullen met water. Deze maatregel is om verstoring te minimaliseren voor amfibieën en vissen.’
Aanvullend onderzoek huismus Naar aanleiding van de ecologische quickscan is door Blom Ecologie een aanvullend onderzoek naar de huismus uitgevoerd in april 2023. Dit onderzoek is bijgevoegd in de bijlage van deze toelichting. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument huismus. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat in het onderzoeksgebied nesten van huismus aanwezig zijn. Hierbij zijn 5 huismusnesten aangetroffen binnen het plangebied. Deze nesten worden bij de beoogde ingreep weggenomen. Gezien de aanwezigheid van huismussen in de te slopen (grote) stal dient voor de sloop van deze stal een Wnb-ontheffing te worden aangevraagd. Voor maatregelen ter onderbouwing van een huismusontheffing gelden relatief eenvoudige uitgangspunten conform het kennisdocument Huismus (BIJ12). • Per weg te nemen nest twee tijdelijke uitwijkvoorzieningen bieden. Dit kan relatief eenvoudig met het ophangen van huismuskasten in de omgeving. • Per weg te nemen nest twee permanente uitwijkvoorzieningen bieden. Dit wordt normaliter uitgevoerd door ruimtes in de daken van de nieuwe situatie te behouden. Ook kan gootbetimmering worden aangepast met ingebouwde nestkasten. Daarnaast kunnen in de gevel speciale inbouwstenen ingemetseld worden. • Opstarten van het werk buiten broedseizoen (1 maart t/m september).
Indien binnen broedseizoen wordt gewerkt mag vooraf de bebouwing natuurvrij gemaakt worden, want er zijn tijdelijke uitwijkmogelijkheden. De ontheffingsprocedure loopt inmiddels, parallel aan onderhavige bestemmingsplanprocedure. De tijdelijke uitwijkvoorzieningen zijn 30 augustus 2023 gerealiseerd. De permanente uitwijkvoorzieningen zullen in de nieuwe situatie worden gerealiseerd. Conclusie Alvorens de sloop van de grote stal dient er een Wnb-ontheffing te worden verleend.
52
4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem in kaart te brengen voor het beoogde gebruik is door Adromi B.V. een tweetal verkennende bodemonderzoek uitgevoerd.
De conclusies uit de onderzoeken luiden: Noordzijde 17A Oud-Alblas ‘Op basis van de resultaten van het verkennend onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: • De grond met zwak puingranulaat, ter plaatse van boring 04 (0,25-1,00 mmv), is sterk verontreinigd met zink, matig verontreinigd met nikkel en licht verontreinigd met cadmium, kobalt, koper, lood, minerale olie, PCB en PAK; • De bovengrond met sporen baksteen, ter plaatse van boringen 08 en 11 (00,50 m-mv), is licht verontreinigd met cadmium, lood en molybdeen; • De bovengrond met zwak aardewerk met brokken baksteen en brokken beton, ter plaatse van boringen 14 en 16 (0-0,50 m-mv), is licht verontreinigd met lood, zink en PAK; • De bovengrond met sterk puingranulaat, ter plaatse van boring 18 (0,20-0,40 m-mv), is matig verontreinigd met nikkel en PAK en licht verontreinigd met kobalt, koper, lood, zink, molybdeen, minerale olie en PCB; • De bovengrond met zwak baksteen, ter plaatse van boringen 22 en 24 (00,50 m-mv), is licht verontreinigd met lood, molybdeen en PAK; • Het grondwater is matig verontreinigd met barium en licht verontreinigd met zink; • In het monster ABMM01 (graafgaten 14 en 16 met stukken beton) is geen asbest aangetoond; • In het monster ABMM02 (graafgaten 04 en 18 met puingranulaat) is asbest aangetoond. Het betreft één hechtgebonden plaat, bestaande uit chrysotiel.
De hypothese verdacht wordt bevestigd vanwege het aantreffen van sterke tot lichte verontreinigingen met metalen, minerale olie, PAK, PCB en asbest in de grond en een matige verontreiniging met barium en een lichte verontreiniging met zink in het grondwater. De resultaten vormen een belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling op de locatie.
53
Ter plaatse van boring 04 is nader onderzoek naar de ernst en omvang benodigd naar de sterke verontreiniging met zink en de matige verontreiniging met nikkel in de grond. Tevens is ter plaatse van boring 18 een nader onderzoek naar de ernst en omvang benodigd naar de matige verontreinigingen met nikkel en PAK in de grond. Ook is ter plaatse van deze graafgaten 04 en 18 asbest aangetoond in de vorm van plaatmateriaal met hechtgebonden chrysotiel. Ter plaatse van boringen 04 en 18 zal ook een nader asbest-in-grond moeten worden uitgevoerd. De matige verontreiniging met barium in het grondwater is vermoedelijk afkomstig van een van nature verhoogde achtergrondconcentratie. Vooralsnog is een nader onderzoek voor het grondwater niet benodigd.
Indien bij herinrichtingswerkzaamheden grond vrijkomt welke niet ter plaatse kan worden hergebruikt, gelden hiervoor restricties ten aanzien van het hergebruik.’ Noordzijde naast 17a Oud-Alblas ‘Op basis van de resultaten van het verkennend onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: • De bovengrond met sporen baksteen, ter plaatse van boring 09, is licht verontreinigd met lood, molybdeen, zink, PAK en PCB; • De sterk metselpuinhoudende bovengrond, ter plaatse van boring 10 en 12, is licht verontreinigd met cadmium, lood, zink en PAK; • Het grondwater is matig verontreinigd met kobalt en nikkel en licht verontreinigd met barium, zink, xylenen en naftaleen; • In het monster ABMM01 (graafgaten 10 en 12) is asbest aangetoond. Het betreft een vijftal hechtgebonden platen, bestaande uit chrysotiel. De hypothese verdacht wordt bevestigd vanwege het aantreffen van lichte verontreinigingen met metalen, PAK en PCB in de grond en matige verontreinigingen met kobalt en nikkel en lichte verontreinigingen met enkele andere metalen en aromaten in het grondwater. De matige verontreinigingen met kobalt en nikkel in het grondwater, ter plaatse van boring 01 (centrum onderzoekslocatie), zijn vermoedelijk van nature voorkomende verhoogde concentraties. De ondergrond is hier nog niet geanalyseerd op deze parameters en dit is daardoor nog niet geverifieerd.
Eventueel kan ook de peilbuis worden herbemonsterd. Aanbevolen wordt om in overleg met het bevoegd gezag te bespreken of aanvullend onderzoek benodigd is voor grondwater. Ter plaatse van graafgaten 10 en 12 is asbest aangetoond in de vorm van plaatmateriaal met hechtgebonden chrysotiel. Ook hiervoor wordt aanbevolen om in overleg met het bevoegd gezag te bespreken of aanvullend onderzoek benodigd is. Bij het overleg moeten de (definitieve) nieuwbouwplannen worden meegenomen. Indien bij herinrichtingswerkzaamheden grond vrijkomt welke niet ter plaatse kan worden hergebruikt, gelden hiervoor restricties ten aanzien van het hergebruik.’ Conclusie Het bestemmingsplan ondervindt voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen. Wel dient er voorafgaand aan de werkzaamheden aanvullend 54
onderzoek te worden verricht naar de ernst en omvang van de verontreiniging, hetgeen als voorwaarde wordt opgenomen in de omgevingsvergunning.
55
4.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt'. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een middelmatige archeologische verwachting. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 500 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk (zie afbeelding 18). Voor het plan is door ADC ArcheoProjecten een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een bureau- en booronderzoek uitgevoerd.
De conclusie uit dit onderzoek luidt: ’ADC ArcheoProjecten adviseert, op voorwaarde dat geen vlakdekkende ontgravingen dieper dan 200 cm -mv plaatsvinden en een archeologievriendelijk palenplan wordt toegepast (de gemeente Molenlanden hanteert een vrijstelling voor paalfunderingen indien de totale oppervlakte van de palen niet meer dan 1% van het grondplan van het bouwwerk bedraagt), het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling.
56
Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht deze zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Deze melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente Molenlanden, de heer R.A.R.M. van Oosterbos (e-mail: r.vanoosterbos@jouwgemeente.nl), en haar adviseur, de heer E.E.A. van der Kuijl (e-mail: info@hamaland-advies.nl). Bij vlakdekkende ontgravingen dieper dan 200 cm -mv - hierbij valt te denken aan het graven van sloten of de aanleg van ondergrondse kelders – of een grote dichtheid aan dan wel verstoring door heipalen adviseert ADC ArcheoProjecten een aanvullend verkennend booronderzoek uit te voeren. Dit heeft als doel de aanwezigheid van rivierduinen in de te verstoren delen van het plangebied te bepalen. Indien sprake is van rivierduinen, wordt een doorstart naar een karterend booronderzoek geadviseerd. Dit heeft als doel de aanwezigheid van vindplaatsen aan te tonen of uit te sluiten. De werkzaamheden dienen voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een Plan van Aanpak (PvA).’
Afbeelding 18: Uitsnede archeologische verwachtingskaart
Gezien de nieuwe woningen (doorgaans) niet dieper zullen reiken dan 200 cm diepte, ondervindt het plan voor wat betreft archeologie geen belemmeringen. Om de gronden dieper dan 200 cm te beschermen wordt de aanwezige dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 7’ gewijzigd. De mogelijke verstoringsdiepte waarbij het niet noodzakelijk is archeologisch onderzoek te laten verrichten is gewijzigd naar 200 cm diepte, conform het resultaat van het archeologisch onderzoek. De niet onderzochten gronden dieper dan 200 cm worden daarmee beschermd indien in de toekomst de bodem eventueel dieper wordt verstoord dan deze 200 cm. 57
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie geen belemmeringen.
58
4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. Middels het plan wordt verouderde voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt en worden duurzame woningen kleinschalige teruggebouwd. De woningen zullen voldoen aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. De woningen worden gebouwd conform de meest actuele normen uit het Bouwbesluit. Deze normen schrijven een zeer hoge kwaliteit voor met betrekking tot energiezuinige bouwwerken en duurzame materialen. De woningen wordt zonder gasaansluiting gerealiseerd. De energievraag wordt ingevuld met warmtepompsystemen al dan niet in combinatie met zonneenergie. Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid Holland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte.
Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien te kunnen opvangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem. Het plan voorziet in een forse afname aan verharding, waardoor hemelwater beter kan infiltreren in de bodem. Op de locatie en in de directe omgeving is daarnaast voldoende oppervlaktewater aanwezig. Hiermee is voldoende waterberging aanwezig om zware regenbuien op te kunnen vangen. Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. De woningen worden op een aanleghoogte (conform droogleggingseisen) gerealiseerd waarmee wordt voorgesorteerd op het voorkomen van schade door eventueel hoge waterstanden. Gezien het warmer en droger wordt, wordt bij de uitwerking van de woningen rekening gehouden met de accumulatie van warmte. De installaties in de woningen worden geschikt gemaakt om naast verwarmen ook te kunnen koelen. Het plangebied wordt groen ingericht met streekeigen beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden en erosie terugdringen. Eerder genoemd aspect, dat de verharding aanzienlijk afneemt, is tevens positief ten opzichte van deze aspecten.
59
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Oud-Alblas, Noordzijde 17a’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Oud-Alblas, Noordzijde 17a’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Oud-Alblas, Noordzijde 17a’ is aangesloten bij de vigerende bestemmingsplannen ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ (2018), ‘Parapluherziening Parkeren’ (2020) en ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’ (2021). De regels bestaan uit 4 hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
5.3 Bestemmingen Agrarisch met waarden De enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ blijft grotendeels behouden aan de achterzijde van het plangebied, waar enkel de bouwvlakken wordt verwijderd. De gronden kunnen daarmee enkel nog worden gebruikt als agrarisch land zonder bouwmogelijkheden, hetgeen wordt dan ook teruggebracht naar schraal grasland indien de gronden dat nog niet betreffen. Wonen Langs het lint wordt ten behoeve van de woningen de enkelbestemming gewijzigd naar ‘Wonen’. Waar in totaal drie nieuwe woningen gebouwd kunnen worden naast de bestaande te behouden woning en in lijn met het bestaande cultuurhistorische lint. Waarde – Archeologie 5 - 7 De archeologische dubbelbestemming 5 wordt ongewijzigd overgenomen uit het moederplan ter bescherming van de mogelijk archeologische waarden ter plaatse. De archeologische dubbelbestemming 7 wordt tevens overgenomen uit het moederplan ter bescherming van de mogelijk archeologische waarden ter plaatse, 60
maar hierbij wordt de vrijstellingsdiepte vanaf welke diepte archeologisch onderzoek noodzakelijk is gewijzigd conform het uitgevoerde verkennende archeologische onderzoek.
5.4 Aanduidingen • •
Bouwvlak; Maatvoering: maximum volume 600 m3.
61