CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 – Toelichting bestemmingsplan Ottoland, Bloklandsekade 5

Raadsvergadering 26 oktober 2021, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Ottoland, Bloklandsekade 5' (Vakantiepark Molenwaard)15.869 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Molenlanden gaat inzetten op de ontwikkeling van dagrecreatieve bestemming naar een aantrekkelijke bestemming voor meerdaags verblijf. Dit 34

betekent concreet ruimte voor meer (verblijfs)recreatieve voorzieningen. De ambitie is om de verblijfsrecreatie (aantal slaapplaatsen) in Molenlanden met 30% te laten groeien naar 2025 ten opzichte van 2020. De gemeente verzilvert hiermee de verwachte groei conform het landelijk gemiddelde. 2. De algehele leefbaarheid voor onze inwoners mag door de toeristische ontwikkeling niet achteruitgaan. De gemeente monitort de balans tussen toerisme en de leefbaarheid. Monitoring leidt tot inzicht in eventuele verbeterpunten aangaande leefbaarheid waaraan gewerkt wordt. 3. De gemeente gaat in haar werkwijze ruimte inbouwen voor ‘samen leren’, het omarmen van innovatieve ideeën en het starten van pilots. Aanleiding en leidraad voor de Toeristische Agenda Molenlanden (TAM) is het landelijk Perspectief 2030 wat opgesteld is door het NBTC en het daaruit voortvloeiende beleid Waardevol Toerisme. Deze landelijke visie gaat over de duurzame ontwikkeling van de bestemming Nederland en de veranderende rol van toerisme. Die duurzame ontwikkeling vraagt om een nieuwe aanpak, met het gezamenlijke belang van bezoekers, bedrijven en bewoners voorop. Zodat toerisme straks bijdraagt aan het welzijn en de welvaart van onze inwoners. Uit recentelijk onderzoek blijkt dat recreatie en toerisme bijdraagt aan ons geluk, vergroot het onze gezondheid en verbindt het groepen mensen.

Het perspectief laat daarnaast een forse toeristische groei zien. Deze groei kan volgens de prognose van het NBTC oplopen van 42 miljoen (binnenlandse en buitenlandse) bezoekers in 2017 naar ruim 59 miljoen in 2030. Toerisme is dus ook een middel om grotere maatschappelijke vraagstukken op te lossen die bijdragen aan het algemeen en gedeeld belang (welzijn en welvaart) van Nederland. Om dit belang te kunnen dienen en te bouwen aan een geliefde, waardevolle en leefbare bestemming is een aantal strategische prioriteiten geformuleerd die centraal staan in de ontwikkeling. De Toeristische Agenda Molenlanden (TAM) met Uitvoeringsagenda biedt hiervoor die richtinggevende visie op gemeentelijk niveau: een stip op de horizon hoe we kunnen samenwerken om kansen van toerisme te verzilveren, maar ook bij te dragen aan maatschappelijke opgaven zoals duurzaamheid en mobiliteit, en het geluk en welzijn van de inwoners. Toerisme moet in balans zijn, het moet niet voor overlast zorgen (bij de inwoners of het landschap), maar juist bijdragen aan de maatschappelijke doelen. Dit vraagt om ontwikkeling op passende schaal. Om die passende schaal te borgen heeft de gemeente toetsingskaders opgesteld en werkt de gemeente met maatwerk.

Bij het opstellen van de TAM is ervoor gekozen de visie en de kaders niet zelf op te stellen, maar dit in samenwerking te doen met vertegenwoordigers van verschillende disciplines vanuit de gemeente Molenlanden én diverse (deel)sectoren van de vrijetijdssector. De deelnemers zijn zorgvuldig gekozen om een integrale en brede vertegenwoordiging te krijgen en deskundige input te leveren voor Waardevol Toerisme. De (externe) deelnemers zijn gekozen vanwege het vermogen om op strategisch niveau mee te praten. Ze vertegenwoordigden ook hun netwerk in het proces. Tijdens het bepalen van ons DNA heeft de gemeente ook een analyse gemaakt over doelgroepen. Dit heeft men gedaan door groot aantal ondernemers te benaderen voor een doelgroepentest. De gemeente heeft het horeca- en verblijfsaccommodatie aanbod vergeleken met verglijkbare plattelandsgemeente en met het landelijk niveau. Hieruit bleek dat de gemeente Molenlanden zowel voor het 35

aanbod van horeca als verblijfsaccommodaties ver onder het landelijk gemiddelde liggen. Om de toenemende vraag naar meerdaags verblijf te faciliteren heeft de gemeente Molenlanden de doelstelling gesteld om zowel de horeca als de verblijfsaccommodatie mee te laten groeien met de landelijke vraag. Dit zodat de gemeente regie blijven houden op de toestroom van toeristen en het ons niet laten overkomen. Toerisme en recreatie is van groot belang voor de mentale en fysieke gezondheid, maar vraagt tegelijkertijd een goede coördinatie van de overheid. De gemeente Molenlanden kiest ervoor om op strategische plekken die weinig of geen overlast geven voor omwonenden, natuur of de leefbaarheid, toeristische ontwikkelingen te motiveren. Vakantiepark Molenwaard is een voorbeeld hoe toerisme kan groeien en toch in balans kan staan met de omgeving.

Vakantiepark Molenwaard draagt bij aan de kwaliteit van de recreatieve routenetwerken fietsen, wandelen en varen, vervult een centrale regionale functie als hub voor dagrecreanten vanwege de informatiepunten van de VVV en Den Hâneker, zorgt voor werkgelegenheid en het in stand houden van voorzieningen, faciliteert onderlinge verbindingen en draagt bij aan het succes van andere sectoren en brengt deze onder de aandacht van publiek, draagt bij aan de promotie van de regio, laat recreanten kennis maken met de natuur en cultuur van onze regio, vervult een grote maatschappelijke rol op het gebied van educatie, zorgt voor een toekomstbestendige stad- en landverbinding en draagt bij aan de waardering van de leefomgeving (trots). Vakantiepark Molenwaard betreft een uniek oer-Hollands recreatief concept. Vakantiepark Molenwaard kan worden gezien als een verlengstuk van het veenweidelandschap van de Alblasserwaard waar water met het agrarische en Hollandse landleven centraal staan. Vakantiepark Molenwaard zal zich niet richten op de verhuur van standaard accommodaties, maar focussen op het aanbieden van unieke concepten en verhalen. Het vakantiepark Molenwaard is gericht op twee doelgroepen: families en de rust-, natuur- en cultuurzoeker. Voor beide potentiële doelgroepen biedt het vakantiepark de juiste faciliteiten en staat de beleving centraal.

Voor de families zal het kennis maken met het Hollandse landleven centraal staan op Vakantiepark Molenwaard. Het vrij toegankelijk bezoeken van Avonturenboerderij Molenwaard is hierbij een cruciaal onderdeel van het verblijf. Ook zal de Avonturenboerderij op het vakantiepark voelbaar zijn middels een kinderboerderij, diverse (educatieve) activiteiten. Voor de doelgroep, rust-, natuur- en cultuurzoeker, zal de verbinding met het gebied centraal staan. Een bezoek aan o.a. Kinderdijk, de kaasboerderijen, de Biesbosch en historische steden als Gorinchem en Dordrecht zal hun bezoek kleur geven. Het aangeboden serviceniveau en arrangementen zullen volledig aan de wensen van deze doelgroep voldoen.

3.5

Conclusie

Het plan past binnen de kaders van het rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleid.

36

4.

Verantwoording sectorale aspecten

4.1

Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.)

Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek De activiteit, de aanleg, wijziging of uitbreiding van permanente kampeer- en caravanterreinen, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D 10 onder d van het besluit m.e.r. Middels deze bestemmingsplanprocedure wordt het mogelijk gemaakt om de gewenste verbreding van het recreatief aanbod op ‘Vakantiepark Molenwaard’ te realiseren. Het plan voorziet niet in een uitbreiding van het recreatieterrein. Het vakantiepark heeft daarnaast minder dan 250.000 bezoekers per jaar. Op basis hiervan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. Kenmerken van het plan Dit bestemmingsplan voorziet in de verbreding van het recreatief aanbod op ‘Vakantiepark Molenwaard’. Er vinden geen productiewerkzaamheden plaats.

Er is geen sprake van productie van afvalstoffen, anders dan regulier groen en restafval. Op basis hiervan is het opstellen van een milieueffectrapportage niet aan de orde. Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 4,8 km ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Donkse Laagten. Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van het plan zal het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen. De toename van het aantal bezoekers kan in voldoende mate worden afgewikkeld via de bestaande wegen (Bloklandsekade, Damseweg en de N214). Gezien de kleinschaligheid van het plan zullen geen van de toenames leiden tot significante negatieve effecten op het milieu. Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieuaspecten. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wet milieubeheer.

37

4.2

Watertoets

Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Gemeentelijk beleid Vanuit onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), is bepaald dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld moet worden. Om aan deze eis te kunnen voldoen hebben de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en het waterschap Rivierenland de handen ineengeslagen en het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom opgesteld. In dit waterplan is aangegeven welke doelen men wenst te bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom. De doelen uit het beleidsplan zijn uitgewerkt in vier aspecten: • Afkoppelen, meer ruimte voor water creëren en diffuse bronnen aanpakken (duurzaam onkruidbeheer, duurzaam bouwen); • Belevingswaarde; • Samenwerking; • Beheer en onderhoud.

Het beleidsplan moet de gemeenten helpen om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 door optimalisering van het huidige systeem. De gemeenten en het waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem. Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen.

Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen.

38

Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de wateraan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Watervergunning Voor de realisatie van fase 1 van het Vakantiepark Molenwaard is reeds een watervergunning verleend door het waterschap Rivierenland (d.d. 19-02-2021; kenmerk: 2020165799/2021009983). De watervergunning is toegevoegd in de bijlage. Het plan is om ter verbreding van het recreatief aanbod een indoor-speelschuur en recreatiewoningen (in de noordwesthoek) te realiseren. Dit betreft fase 2 van de realisatie van het Vakantiepark Molenwaard.

Fase 2

Afbeelding 12: Impressie fase 2

39

Watergangen (oppervlaktewater) Aan de noord-, west- en oostzijde van het plangebied is een C-watergang gelegen. De Put heeft tevens een C-status. Ten zuiden van het plangebied is een B-watergang gelegen. De watergangen aan de randen van het Vakantiepark Molenwaard krijgen een B-status op basis van de verleende watervergunning voor fase 1, evenals de watergang richting de Hoogtweg die wordt verbreed om zo een goede waterafvoer te kunnen garanderen van het vakantiepark en het omliggende gebied. Om aan de watercompensatieplicht voor de realisatie van fase 2 van Vakantiepark Molenwaard te voldoen wordt de C-watergang 066850 ten noordwesten van het plangebied verbreed (zie afbeelding 15). Voor de realisatie van de watercompensatie dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Rivierenland. C-watergang

C-watergang C-watergang

C-watergang

B-watergang

Afbeelding 13: Legger Wateren

Zwemwaterkwaliteit De Put wordt een combinatie van een zwemplek en een visvijver, maar is ook toegankelijk voor bootjes. Op de plas is voldoende ruimte om deze functies te combineren, waarbij er voldoende ruimte blijft om de natuurlijke processen hun gang te laten gaan. De Put is benoemd als officiële zwemplek. Aan de noord- en zuidzijde van de Put wordt een zwemzone gerealiseerd. In deze zones kunnen op grond van dit bestemmingsplan geen drijvende bouwwerken, zoals drijvende vakantiewoningen, worden gerealiseerd. De zwemzones vallen buiten de functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - drijvende bouwwerken’. Er is reeds een drijvende vakantiewoning gerealiseerd. Voor de drijvende vakantiewoning is een watervergunning verleend (d.d. 23-03-2021; kenmerk: 2021022632/ 2021038873). De watervergunning is toegevoegd in de bijlage. Voor de drijvende vakantiewoning zijn geen uitlogende materialen toegepast. Voor de realisatie van drijvende bouwwerken dient een watervergunning te worden aangevraagd. Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden 40

toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren. In het landelijk en stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2 respectievelijk 500 m2. Indien de toename aan verhard oppervlak groter is dan de vrijstelling, mag het vrijgestelde oppervlak in mindering worden gebracht. Fase 1 In het kader van de watervergunning is voor de realisatie van fase 1 van het Vakantiepark Molenwaard een watercompensatieberekening uitgevoerd. De watercompensatieberekening is toegevoegd in de bijlage. In totaal is 337 m2 aan oppervlaktewater gedempt en is 1309 m2 gegraven.

Hiermee is een overschot van 159 m² aan watercompensatie gegraven, waarmee al is ingespeeld op de toename aan verharding voor fase 2 van de realisatie van het Vakantiepark Molenwaard.

Afbeelding 14: Watercompensatietekening (uitvergroot in bijlage)

41

Fase 2 Voor de realisatie van fase 2 van het Vakantiepark Molenwaard dient nog een watervergunning te worden aangevraagd. Fase 2 betreft de invulling van de noordwesthoek van het Vakantiepark Molenwaard, ten noordwesten van de rondweg, die onderdeel uitmaakte van fase 1 (zie afbeelding 12). Voor fase 2 is opnieuw een verhardingsbalans opgesteld. Tabel 5: Verhardingsbalans fase 2* Onderdeel Oppervlak (m2) Bestaande situatie Groen/water Totaal Nieuwe situatie Bebouwing Verharding (wegen, paden, parkeerplaatsen) Groen/water Totaal

Percentage (%)

Meetellend verhard oppervlak (m2)

18.000 m2 18.000 m2

0

0 m2

3.000 m2 3.500 m2

100 100

3.000 m2 3.500 m2

11.500 m2 18.000 m2

0

0 m2 6.500 m2

Compensatie als gevolg van toename verharding Toename verharding Compensatieregel Toegestane peilstijging Te creëren m³ water Te creëren oppervlaktewaterlichaam Watercompensatieberekening Te compenseren t.g.v. toename verhardingen Overschot fase 1 Te realiseren oppervlaktewater

6.500 m2 436 m³/ha 0,2 m 283,4 m³ 1417 m2

1.417 m2 - 159 m2 1.258 m2

* De opgenomen verhardingsbalans en watercompensatie laten zien dat er in het plan rekening is gehouden met de wateropgave. Fase 2 van het Vakantiepark Molenwaard zal nog nader worden uitgewerkt. Voor het definitieve plan dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland. Als onderdeel van de aanvraag van de watervergunning dient een geactualiseerde verhardingsbalans en een situatietekening van de te realiseren watercompensatie te worden aangeleverd. Het Waterschap Rivierenland geeft aan dat watercompensatie kan worden gerealiseerd door het verbreden van watergangen of het realiseren van nieuw oppervlaktewater, mits dit in directe verbinding staat met het polderpeil. Om aan de watercompensatieplicht voor fase 2 te voldoen wordt de C-watergang 066850 ten noordwesten verbreed (zie afbeelding 15). De C-watergang, met

42

een lengte van circa 470 meter, wordt over gehele lengte met ca. 3 meter verbreed. De watergang is in zijn geheel verbonden aan het watersysteem. Omdat de watergang dient als watercompensatie zal de watergang een B-status krijgen. De watergang dient daarmee te voldoen aan de minimale afmetingen voor Bwatergangen zoals in de Keur is aangegeven. In overleg met het waterschap Rivierenland is geconcludeerd dat een hydrologische berekening in het kader van het functioneren van de watergang achterwege kan worden gelaten.

Verbreding C-watergang 066850

Afbeelding 15: Watercompensatie fase 2

Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende 43

bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. Hemelwaterafvoer Het Vakantiepark Molenwaard, zowel fase 1 als 2, wordt afgewaterd op greppels, die vervolgens middels putten en leidingen overstorten naar omliggende watergangen. Afvalwaterafvoer In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Tussen de gemeente Molenlanden en Vakantiepark Molenwaard is de afspraak gemaakt om in de praktijk te gaan meten aan de riolering bij ingebruikname van fase 1 van het vakantiepark. Vervolgens wordt een hemelwater- en rioleringsplan gemaakt voor fase 2 van het vakantiepark welke eveneens onderdeel uit maakt van de stukken voor de benodigde watervergunning van het waterschap. Uitgangspunt is dat er voor 24 uur waterberging in het systeem beschikbaar is.

Tabel 6: Overzicht aantal personen in Vakantiepark Molenwaard (fase 1 + 2) Aantal Aantal Totaal eenheden personen Fase 1 Kinderdijk Cottage (6 pers) 26 6 216 Kinderdijk Cottage (4 pers) 5 4 20 Biesbosch Chalet (6 pers) 8 6 48 Biesbosch Chalet (4 pers) 8 4 32 Fien en Teun boerderij 30 6 180 Luxe Avonturentent (6 pers) 12 6 72 Luxe Avonturentent (4 pers) 20 4 80 Polderlodge (4 pers) 14 4 56 Polderlodge (2 pers) 6 2 12 MIVA-appartement 2 4 8 Groepsaccommodatie 1 10 10 (drijvende vakantiewoning) Subtotaal 132 734 Fase 2 Vrijstaande recreatiewoningen Vrijstaande recreatiewoningen 4 x 4 geschakelde recreatiewoningen 4 x 2 geschakelde recreatiewoningen 1x 8 geschakelde recreatiewoningen Subtotaal Totaal

180

10 6 16

6 8 6

60 48 96

8

6

48

8

8

64

48

-

316 1050 personen 44

Waterkering Het plangebied is niet gelegen nabij een primaire of regionale waterkering. Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het waterschap Rivierenland verantwoordelijk voor het beheer van de wegen in de Alblasserwaard. Het plangebied wordt in de huidige situatie ontsloten middels de Bloklandsekade. De Bloklandsekade dient tevens als ontsluiting voor de sportverenigingen. Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. Het Vakantiepark Molenwaard wordt via de Bloklandsekade bevoorraad. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Voor de realisatie van fase 2 van het Vakantiepark Molenwaard en drijvende bouwwerken dient een watervergunning te worden aangevraagd.

45

4.3

Geluid

Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen.

Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plangebied ligt binnen de invloedsfeer van enkele wegen, waaronder de N214. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein en kunnen dus buiten beschouwing worden gelaten. Middels deze bestemmingsplanprocedure wordt het mogelijk gemaakt om de gewenste verbreding van het recreatief aanbod op ‘Vakantiepark Molenwaard’ te realiseren. In het kader van de Wgh is hiermee geen sprake van het realiseren van geluidsgevoelige objecten, waardoor het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai niet noodzakelijk is. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.

46

4.4

Luchtkwaliteit

Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 7: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)

Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 µg/m3

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3

Vanaf 2015

Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2020) het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie van 20,57 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 18,29 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 11,18 µg PM2,5/m3. Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10;

47

•

Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.

Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM (gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit <3%), waardoor kan worden gesteld dat het plan geen invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

48

4.5

Bedrijven- en milieuhinder

Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven) en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruikgemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.

Tabel 8: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNGhandreiking Bedrijven en Milieuzonering Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Middels deze bestemmingsplanprocedure wordt het mogelijk gemaakt om de gewenste verbreding van het recreatief aanbod op ‘Vakantiepark Molenwaard’ te realiseren. Het plan voorziet niet in een uitbreiding van het vakantiepark. In het kader van bedrijf- en milieuhinder is daarmee sprake van een gelijkblijvende situatie. Bovendien zijn in de directe omgeving van het plangebied zijn geen milieugevoelige functies zoals woningen gelegen. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen.

49

4.6

Externe veiligheid

Beleidskader Besluit externe veiligheid inrichtingen Bij de invloed van de externe veiligheid wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico’s door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico’s door stationaire (inrichting gebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico’s door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen is de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de Wet milieubeheer. Naast het plaatsgebonden risico wordt ook gekeken naar het groepsrisico. De normen worden weergegeven door middel van risicocontouren. Besluit externe veiligheid buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen.

Besluit externe veiligheid transportroutes Voor transportroutes zijn de regels vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. De belangrijkste wegen en spoorwegen, waaronder de A15 en de Betuwelijn, en vaarwegen vallen onder het Basisnet. Hiervoor gelden voorgeschreven veiligheidszones en vervoersintensiteiten, waarbij is uitgegaan van autonome groei. Voor overige wegen worden de werkelijke/ verwachten vervoersintensiteiten gehanteerd. Nieuwbouw van (beperkt) kwetsbare objecten is niet toegestaan binnen de afstanden van het plaatsgebonden risico. Als nieuwbouw binnen het invloedsgebied van een transportroute komt, is een verantwoording van het groepsrisico nodig. Onderzoek Inrichtingen Volgens de risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en/of inrichtingen waar werkzaamheden met gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het plan.

50

Buisleidingen Ten zuiden van het plangebied is een aardgasleiding (NEN 3650-leiding) van Gasunie Transport Services gelegen. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 190 meter. De recreatiewoningen zijn op grotere afstand gelegen. Gezien de lage bevolkingsdichtheid en de grote afstand tot de buisleiding zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s te verwachten. Een nadere beschouwing van het groepsrisico is niet noodzakelijk. Wegverkeer Het plangebied is gelegen nabij de provinciale weg N214. Van de N214 is bekend dat daarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvind. Voor de N214 geldt geen plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6). Gezien de lage bevolkingsdichtheid en de recreatiewoningen op grote afstand van de N214 worden gerealiseerd zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de N214 te verwachten. Een nadere beschouwing van het groepsrisico is niet noodzakelijk. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de overige wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen eveneens buiten het toetsingskader. Spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Vaarwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen.

N214

Aardgasleiding Afbeelding 16: Risicokaart externe veiligheid

51

Advies Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) heeft aangegeven akkoord te zijn met de motivering van het aspect externe veiligheid. De VRZHZ vraagt wel aandacht voor het risico van de hogedruk aardgastransportleiding (1067 mm, 66,2 bar). Het plangebied ligt op de grens van de 100 % letaliteitszone en bijna geheel binnen de 1 % letaliteitszone. De recreatiewoningen liggen buiten de House Burning Distance. De VRZHZ adviseert de volgende beschermende maatregelen toe te passen: Bescherming buitenverblijven en –activiteiten

(Omgevings)maatregelen voor vluchten en schuilen

Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid wil graag betrokken blijven bij de uitvoering van de plannen om gezamenlijk de zelfredzaamheid van de gebruikers en de beheersbaarheid door de hulpverleners te kunnen optimaliseren. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

52

4.7

Kabels en leidingen

Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn, behoudens de in hoofdstuk 4.6 Externe veiligheid genoemde gasleiding, geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

53

4.8

Ecologie

Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek 4.8.1 Soortenbescherming Fase 1 van ‘Vakantiepark Molenwaard’ is inmiddels gerealiseerd. Op het terrein zijn diverse leidingentracés aangelegd, vissershutten, Biesboschchalets, Fien en Teun boerderijtjes, luxe avonturententen, trekkershutten/ Polderlodges geplaatst en zijn een beheerderswoning met bijbehorende schuur, twee hooimijten en een voorzieningengebouw gerealiseerd. De nieuwe recreatieve objecten worden gerealiseerd op bestaande recreatieve standplaatsen. De standplaatsen zijn jarenlang regelmatig gemaaid en onderhouden. Op grond van bovenstaande is het niet mogelijk voor beschermde flora en fauna om zich op deze locatie te ontwikkelen. Derhalve wordt het uitvoeren van een ecologische quickscan niet noodzakelijk geacht.

4.8.2 Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 4,8 km ligt het Natura 2000-gebied Donkse Laagten. Het plan voorziet niet in een uitbreiding van het recreatieterrein. Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Aan de zuidrand van het plangebied is een ecologische verbindingszone gelegen. De overgang van het vakantiepark naar de ecologische verbinding van de zuidrand van het plangebied bestaat feitelijk uit bestaande infrastructuur. De (toegangs)weg Bloklandsekade is een weg die reeds aanwezig was en het parkeerterrein was in de bestaande recreatiebestemming van het vigerende bestemmingsplan ook reeds toegestaan. Er zal, in afstemming met de provincie en de gemeente, onderzoek worden gedaan om de feitelijke inrichting nabij het NNN-gebied te verbeteren/ versterken.

54

Afbeelding 17: Plangebied in relatie tot Natura-2000 gebieden

4.8.3 Stikstofdepositie Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (voor de aanleg- en gebruiksfase voor de gehele inrichting). Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie op de Natura 2000gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is geen sprake van vergunningsplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Het stikstofdepositieonderzoek is toegevoegd in de bijlage. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft ecologie geen belemmeringen. Er is geen sprake van vergunningsplicht op grond van de Wet natuurbescherming.

55

4.9

Bodem

Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem in kaart te brengen zijn door Bakker Milieuadviezen twee bodemonderzoeken uitgevoerd. Beide rapportages zijn toegevoegd in de bijlage. Bodemonderzoek (rapport augustus 2020) De conclusies uit verkennend bodemonderzoek voor de locaties van het voorzieningengebouw, beheerderswoning en hooimijten zijn: Deellocatie 1 (ten westen van plas) oppervlak te bouwen restaurant en woning. • De bovengrond op dit terreindeel is in 3 mengmonsters onderzocht. 2 van de 3 mengmonsters zijn geheel schoon voor alle parameters uit het NEN-5740pakket. Het derde mengmonster bevat een verwaarloosbaar verhoogd nikkelgehalte; • De bovengrond is extra onderzocht op PFAS.

Met name het gehalte aan PFOA (19 ug) is tamelijk hoog te noemen. Met dit gehalte mag in ieder geval geen grond naar elders worden afgevoerd. Vermoedelijk is het gehalte niet bezwaarlijk voor de beoogde bestemming (recreatief), echter de OZHZ dient hier een oordeel over te vellen; • De venige ondergrond bevat licht verhoogde gehalten aan nikkel en molybdeen. Dit zijn geen relevante verhogingen; • Op de zuidelijke grenslijn (tevens een kadastrale lijn) van het onderzochte oppervlak van deellocatie 1 is ooit een sloot gedempt met volgens de eigenaar normale terreineigen grond. Dat de sloot met normale grond gedempt is, is inderdaad bevestigd met een aantal proefboringen; • In het grondwater is barium in een gehalte boven de tussenwaarde aangetroffen en zink boven de streefwaarde. Voor barium wordt bijna standaard de streefwaarde overschreden en soms, zoals hier, wordt ook de tussenwaarde overschreden zonder enig oorzakelijk verband. Vanwege het ontbreken van een oorzakelijk verband wordt een herbemonstering niet nodig geacht.

56

Deellocatie 2 (ten oosten van plas), oppervlak te bouwen vakantiewoning. • De bovengrond op dit terreindeel bevat een licht verhoogd gehalte aan PCB. De oorzaak hiervan is niet bekend. Deze lichte overschrijding vormt geen belemmering; • De kleiige ondergrond is geheel schoon voor alle parameters uit het standaardpakket; • In het grondwater is barium in een gehalte boven de streefwaarde aangetroffen. Dit is geen relevante verhoging. Aanbevelingen Op grond van de verkregen resultaten kan gesteld worden dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de herontwikkeling van de onderzochte terreindelen voor recreatieve doeleinden en voor de bestemming wonen. Bodemonderzoek (rapport november 2020) De conclusies uit verkennend bodemonderzoek voor het resterende deel van het Vakantiepark Molenwaard zijn: •

•

•

•

•

De algemeen sterk humeuze onverdachte kleiige bovengrond op het 6 hectare grote onderzoeksterrein is in 9 mengmonsters onderzocht. In een aantal mengmonsters is sprake van een of enkele verhogingen aan nikkel, kobalt of molybdeen. Deze geringe verhogingen hebben geen consequenties. Opvallend is dat juist op het terreindeel ten oosten van de plas, waar de bebouwing recent gesloopt is, de grond geheel schoon is voor alle NEN-5740-parameters in 2 mengmonsters; De licht geroerde zandige bovengrond ten oosten van de plas rondom het tijdelijke depot van het slooppuin (boringen 50, 51 en 52), is licht verontreinigd met kobalt, zink, nikkel en PCB. Deze lichte verhogingen hebben geen consequenties. De bovengrond is in enkelvoud extra onderzocht op PFAS. Het gehalte aan PFOA bedraagt 5.5 ug en voor PFOS is dit 3.4 ug. Deze gehalten stemmen redelijk overeen met de verwachtingskaart van de OZHZ. De ondergrond is in 7 mengmonsters onderzocht. Enkele kleiige mengmonsters zijn schoon en enkel venige/moerige mengmonsters bevatten zoals gebruikelijk licht verhoogde gehalten aan nikkel, kobalt en molybdeen. Dit zijn geen relevante verhogingen; Op het terrein liggen in de lengterichting (van noord naar zuid) 5 gedempte sloten. Middels een kraan zijn proefsleuven gegraven om te bekijken waarmee de voormalige sloten zijn gedempt.

Bij 4 van de 5 dempingen is normale terreineigen kleiige grond waargenomen. Echter bij de tweede sloot vanaf de westzijde gezien is wel sprake van demping met grond met afval, zoals tapijt, hout, polyester, tegelpuin. Bij deze demping zijn 2 proefsleuven gegraven (nrs 72 en 76) en bij beide was er sprake van bodemvreemd materiaal. NB: Asbest is hier zintuiglijk niet aangetroffen. De betreffende dempingslaag bevat alleen een licht verhoogd gehalte aan cadmium. Er is dus volgens de Wet Bodembescherming geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging.

57

•

In het grondwater uit de 7 peilbuizen is telkens barium verhoogd aangetroffen. Bij 3 van de 7 peilbuizen is een bariumgehalte boven de tussenwaarde aangetroffen. Voor barium wordt bijna standaard de streefwaarde overschreden en soms, zoals in dit geval, wordt ook de tussenwaarde overschreden zonder enig oorzakelijk verband. Vanwege het ontbreken van een oorzakelijk verband wordt een herbemonstering niet nodig geacht.

Aanbevelingen Op grond van de verkregen analyseresultaten kan algemeen gesteld worden dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor recreatieve doeleinden. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft de bodemkwaliteit geen belemmeringen.

58

4.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.

Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat: •

•

Het plangebied heeft een hoge verwachting aan of nabij het oppervlak voor prehistorie tot middeleeuwen. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk (donker bruin); Het plangebied heeft een hoge verwachting dieper dan 5 meter beneden maaiveld voor prehistorie tot middeleeuwen. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m² en dieper dan 500 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk (licht bruin).

59

Afbeelding 18: Archeologische verwachtingskaart

60

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door ADC ArcheoProjecten een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het archeologisch onderzoek is toegevoegd in de bijlage. De resultaten van het archeologisch onderzoek zijn vertaald in onderstaande archeologische advieskaart.

Afbeelding 19: Archeologische advieskaart

ADC Archeoprojecten adviseert om de delen van het plangebied waar het voorzieningengebouw, de beheerderswoning (met schuur) en de hooimijten worden gerealiseerd vrijgegeven. De gemeente Molenlanden heeft dit rapport reeds beoordeeld en akkoord bevonden. Verder is ten behoeve van de aanleg van ondergrondse infrastructuur in de noordwesthoek archeologische begeleiding uitgevoerd. In het onderzoeksgebied zijn geen archeologische sporen teruggevonden.

61

Voor de rest van het plangebied is de archeologische advieskaart juridischplanologisch vertaald in dubbelbestemmingen in dit bestemmingsplan: • • • •

Diepte oeverzettingen 0-50 cm → Waarde – Archeologie 1; Diepte oeverzettingen 50-70 cm → Waarde – Archeologie 2; Diepte oeverzettingen 70-100 cm → Waarde – Archeologie 3; Diepte oeverzettingen > 100 cm → Waarde – Archeologie 4.

Indien graafwerkzaamheden binnen de intacte oeverafzettingen plaatsvinden, dient vervolgonderzoek in de vorm van een archeologische begeleiding plaats te vinden. Hiervoor dient, voorafgaand aan de bodemingrepen, een Programma van Eisen opgesteld te worden, dat getoetst wordt door de gemeente Molenlanden. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft de archeologie geen belemmeringen. De archeologische waarden in de bodem zijn beschermd middels het opnemen van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1, 2, 3 en 4.

62

4.11 Duurzaamheid Vakantiepark Molenwaard is een onderneming dat duurzaamheid hoog in het vaandel heeft staan. Duurzaamheid is een belangrijk thema in het park. Er wordt van alles gedaan om de jonge generatie het bewustzijn bij te brengen van een duurzame wereld. Het verhaal over zuinig omgaan met je omgeving en het scheiden van afval zijn verwerkt in de recreatieve activiteiten op het park. Fase 2 van het vakantiepark biedt met de bouw van recreatiewoningen ruimte voor het toepassen van zonne-energie. Het voorzieningengebouw is voorzien van een warmtepomp. Op het parkeerterrein worden elektrische laadpalen geplaatst. De recreatiewoningen worden gebouwd conform de huidige duurzaamheidseisen. Er is sprake van een duurzame mobiliteit (per fiets/te voet dan wel gebundeld vervoer naar omliggende bedrijven/recreatieve activiteiten). Vakantiepark Molenwaard is daarmee een van de meest duurzame ondernemingen van de Alblasserwaard. Vakantiepark doet onderzoek met de voetbalvereniging naar de mogelijkheden voor duurzame energiebronnen.

63

5.

Juridische planbeschrijving

5.1

Inleiding

Het bestemmingsplan ‘Ottoland, Bloklandsekade 5 (Vakantiepark Molenwaard)’ maakt het enerzijds juridisch-planologisch mogelijk om de noodzakelijke verbreding van het recreatief aanbod op Vakantiepark Molenwaard te realiseren (fase 2). Fase 2 van het Vakantiepark Molenwaard zal nog nader worden uitgewerkt. Dit bestemmingsplan schept de kaders voor de uitwerking van fase 2. Anderzijds voorziet dit bestemmingsplan in het juridisch verankeren van de reeds verleende vergunningen en het vastleggen van recreatieve voorzieningen op het vakantiepark, waaronder een (water)fiets- en kanoverhuur, educatieve en sociaal-culturele voorzieningen, (praktijk)ruimten voor groepsactiviteiten en hobbymatige agrarische activiteiten. Het bestemmingsplan ‘Ottoland, Bloklandsekade 5 (Vakantiepark Molenwaard)’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld met een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels.

In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Ottoland, Bloklandsekade 5 (Vakantiepark Molenwaard)’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

5.2

Systematiek van de regels

Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Ottoland, Bloklandsekade 5 (Vakantiepark Molenwaard)’ is aangesloten bij de vigerende bestemmingsplannen ‘Buitengebied Graafstroom’, ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’ en ‘Parapluherziening Buitengebied Graafstroom’. De regels bestaan uit 4 hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

64

5.3

Bestemmingen

Recreatie Het gehele plangebied behoudt de bestemming ‘Recreatie’. Op het terrein is de functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – vakantiepark’ opgenomen. Op het bestemmingsvlak is de maatvoeringaanduiding 'maximum bebouwingspercentage: 30%' gelegd. Hiermee is juridisch vastgelegd dat 30% van het bestemmingsvlak mag worden bebouwd. Maximaal de helft van de totale toegestane bebouwing mag een maximale bouw- en goothoogte van 9 meter respectievelijk 6 meter hebben. Hiermee wordt het mogelijk gemaakt om, passend in het oerHollands recreatief concept van Vakantiepark Molenwaard, recreatie-eenheden in de vorm van een hooimijt c.q. hooiberg te realiseren. Voor de overige gebouwen geldt een maximale bouw- en goothoogte van 5 meter respectievelijk 3 meter. Op een deel van de Put is functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie drijvende bouwwerken’ gelegd. Het bestemmingsplan voorziet hiermee in de mogelijkheid tot het realiseren van maximaal 10 drijvende objecten op de Put. Hierbij moet gedacht worden aan een combinatie van drijvende vakantiewoningen, drijvende steigers, drijvende terrassen en/of soortgelijke objecten. Toekomstige drijvende vakantiewoningen zullen naast de bestaande drijvende vakantiewoning worden geplaatst. Waarde – Archeologie 1, 2, 3 en 4 De archeologische advieskaart is vertaald in de dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie 1, 2, 3 en 4'.

De dubbelbestemmingen zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in de bodem.

5.4 • • • •

Aanduidingen

Functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - drijvende bouwwerken; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - vakantiepark; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 2’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum bebouwingspercentage (%): 30’.

65

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=0b880341-8aa2-4839-adeb-7d7dedb91ea3