CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 – Toelichting bestemmingsplan Noordeloos, Noordzijde 103-104

Raadsvergadering 15 juli 2021, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Noordeloos, Noordzijde 103-10413.512 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

37

Tabel 1: Oppervlaktebalans verharding Bestaande situatie Woonboerderij Noordzijde 103 (één wooneenheid) Kantoor Noordzijde 103 Garage Noordzijde 103 Berging Noordzijde 103 Loods Noordzijde 103 Erfverharding Noordzijde 103 Woonboerderij Noordzijde 104 (één wooneenheid) Schuur Noordzijde 104 Erfverharding Noordzijde 104

Oppervlakte 303 m² 50 m² 37 m² 33 m² 516 m² 951 m² 166 m² 160 m² 582 m²

Totaal bestaande situatie

2.798

Nieuwe situatie Woonboerderij Noordzijde 103 (twee wooneenheden) Berging Noordzijde 103 Loods Noordzijde 103 Erfverharding Noordzijde 103 Woonboerderij Noordzijde 104 (twee wooneenheden) Schuur Noordzijde 104 Erfverharding Noordzijde 104

303 m² 33 m² 150 m² 1.145 m² 166 m² 160 m² 582 m²

Totaal nieuwe situatie

2.539 m²

Verschil

259 m² afname

In de bestaande situatie is vrijwel het gehele plangebied verhard. Het plan voorziet in de sanering van enkele gebouwen en het realiseren van een groenere inrichting. Het plan voorziet daarmee in een afname aan verharding van circa 259 m². Daarmee zijn watercompenserende maatregelen niet noodzakelijk. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen.

Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen 38

per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. Het hemelwater zal in eerste instantie zoveel als mogelijk worden geïnfiltreerd in de bodem. In de directe omgeving van het plangebied is daarnaast voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De nieuwe woningen worden aangesloten op het gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het waterschap. Waterkering Het plangebied is gelegen aan een regionale waterkering. Er vinden geen relevante werkzaamheden plaats binnen de beschermings- en/of kernzone van de waterkering. Ter bescherming van de waterkering wordt ter plaatse van de kernzone van de waterkering de dubbelbestemming ‘Waterschap – Waterkering’ opgenomen en ter plaatse van de beschermingszone van de waterkering de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’.

Afbeelding 17: Uitsnede legger waterkeringen

Wegbeheer Beide percelen worden thans ontsloten middels een in- en uitrit op de Noordzijde. Middels het onderhavige plan zal deze situatie niet wijzigen. Indien de in- en uitrit wel wordt gewijzigd dient een vergunning aangevraagd te worden bij het waterschap.

39

De Noordzijde is opgenomen als 15T-zone. Dat wil zeggen dat de Noordzijde gesloten is voor verkeer zwaarder dan 15 ton. Indien het voor de werkzaamheden noodzakelijk is om verkeer zwaarder dan 15 ton over deze wegen te laten plaatsvinden, dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenlanden. Conclusie Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

40

4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De Wet geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige objecten en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. De Wgh stelt dat alle wegen een geluidszone hebben, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-wegen. Conform artikel 74 lid 2 van de Wet Geluidhinder hoeft geen akoestisch onderzoek te worden verricht voor 30 km/h wegen. De wettelijke voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige objecten binnen de geluidszone van wegen bedraagt 48 dB, de maximaal te ontheffen geluidsbelasting bedraagt 63 dB. Het plangebied ligt binnen de invloedsfeer van enkele wegen. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, waardoor deze bronnen buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Onderzoek Het onderhavige plan betreft de toevoeging van twee wooneenheden.

In het kader van de Wgh is hiermee sprake van het toevoegen van nieuwe geluidsgevoelige objecten en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd door Adromi. De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘Noordzijde (maximumsnelheid 60 km/uur) De geluidbelasting (incl. aftrek Wgh) vanwege deze weg op de beoogde nieuwbouwwoningen bedraagt ten hoogste 42 dB. Het vaststellen van een hogere waarde vanwege deze weg is derhalve niet noodzakelijk. Botersloot (maximumsnelheid 60 km/uur) De geluidbelasting (incl. aftrek Wgh) vanwege deze weg op de beoogde nieuwbouwwoningen bedraagt ten hoogste 45 dB. Het vaststellen van een hogere waarde vanwege deze weg is derhalve niet noodzakelijk. Gecumuleerde geluidbelasting vanwege alle beschouwde wegen op de planlocatie De gecumuleerde geluidbelasting LCUM vanwege alle beschouwde wegen op de beoogde nieuwbouwwoningen bedraagt ten hoogste 52 dB (exclusief aftrek Wgh). Inclusief aftrek Wgh bedraagt de gecumuleerde geluidbelasting LCUM* ten hoogste 47 dB. Resumerend De geluidsbelasting vanwege het wegverkeer op de omliggende wegen is zodanig laag dat er binnen de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder gebleven

41

wordt. Burgemeester en wethouders hoeven niet om de vaststelling van een hogere waarde te worden gevraagd. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor realisatie van de twee aanvullende woningen. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.

42

4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit Luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit Luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. Tabel 2: Grenswaarden Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide Jaargemiddelde 40 µg/m3 (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde 40 µg/m3 concentratie 24-uurgemiddelde Max. 35 keer p.j. concentratie meer dan 50 µg/m3 Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde 25 µg/m3 concentratie Voor roet gelden thans nog geen grenswaarden.

Geldig Vanaf 2015 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015

Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2019 het volgende overzicht voor het jaar 2020: • Een stikstofconcentratie van 15,4 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 18,2 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 11,1 µg PM2,5/m3.

43

Voor het plangebied wordt geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan. Conclusie Het onderhavige plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Tevens wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

44

4.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.

Tabel 3: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) Milieucategorie Rustige woonwijk en Gemengd gebied rustig buitengebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Het onderhavige plan betreft de toevoeging van twee wooneenheden binnen bestaande bebouwing. Hiermee is sprake van het toevoegen van milieugevoelige objecten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele belemmeringen in de bedrijfsvoering van omliggende relevante bedrijven als gevolg van het onderhavige plan. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Ter plaatse van het onderhavige plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Naast woningen zijn andere functies als agrarische en kleinschalige bedrijvigheid aanwezig. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden worden gerechtvaardigd. De richtafstanden voor de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied mogen één afstandstrap worden verlaagd. In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende relevante bedrijven gevestigd.

45

Tabel 4: Omliggende bedrijven Adres Functie Noordzijde 97 Noordzijde 97-I Noordzijde 108 Botersloot ong. Botersloot 58 Botersloot 59

Hovenier Melkveehouderij Melkveehouderij Hovenier Varkenshouderij Autobedrijf/garage

Milieucat. 3.1 3.2 3.2 3.1 4.1 3.2

Zwaarste richtafstand 30 meter 50 meter 50 meter 30 meter 100 meter 50 meter

Botersloot 108: 93 meter

Noordzijde 97-I: 159 meter

Werkelijke afstand 210 meter 159 meter 93 meter 193 meter 92 meter 109 meter

Botersloot 59: 109 meter

Botersloot 58: 92 meter

Noordzijde 97: 210 meter

Noordzijde ong.: 193 meter Afbeelding 18: Afstanden omliggende bedrijven t.o.v. plangebied

De nieuwe woningen voldoen aan de richtafstanden van omliggende bedrijven, behoudens de varkenshouderij aan de Botersloot 58. Omdat de afstanden als genoemd in het VNG-Handboek richtafstanden betreffen, kan gemotiveerd afgeweken worden van deze richtafstanden. Redelijkerwijs kan worden gesteld dat de richtafstand voor geur van varkenshouderijen gebaseerd is op de stallen waar de varkens worden gehouden. De daadwerkelijke afstand van 87 meter tot de nieuwe woningen is gemeten vanaf het bouwvlak binnen de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Cultuurhistorische waarden’ op het perceel Botersloot 58. Het voorste deel van het perceel van de varkenshouderij (welke voorzien is van het agrarische bouwvlak) wordt echter feitelijk gebruikt als inrit en ten behoeve van de bedrijfswoning. Gezien de bedrijfsvoering van de varkenshouderij onmogelijk wordt gemaakt als hier een varkensstal wordt gerealiseerd (mede gezien de oprit dan niet meer gebruikt kan worden), kan geconcludeerd worden dat een eventueel voornemen om een varkensstal te realiseren op het voorste gedeelte van het agrarisch bedrijfsperceel is uitgesloten. Hierdoor kan worden gesteld dat op dit deel van het voorerf geen 46

bedrijfsactiviteiten plaatsvinden die zorgen voor de hoge richtafstand voor geur zoals opgenomen in het VNG-Handboek. Derhalve kan worden gerechtvaardigd dat wordt gemeten vanaf de dichtstbijzijnde agrarische varkensstal op het perceel. In dit geval is de afstand van de nieuwe woningen tot de dichtstbijzijnde varkensstal 121 meter, waarmee wordt voldaan aan de richtafstand van 100 meter en daarmee gesteld kan worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Tevens wordt gesteld dat de toevoeging van woningen in de woonboerderijen niet beperkend werken voor de bedrijfsvoering van de varkenshouderij. Daarnaast geldt dat op kleinere afstanden vanaf de varkenshouderij al milieugevoelige objecten in de vorm van burgerwoningen zijn gelegen welke al beperkend werken ten opzichte van de varkenshouderij.

121 meter

Dichtstbijzijnde varkensstal t.o.v. plangebied

Dichtstbijzijnde woning binnen plangebied t.o.v. varkenshouderij Afbeelding 19: Afstand dichtstbijzijnde woning binnen plangebied t.o.v. dichtstbijzijnde varkensstal

Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat voldaan wordt aan de gestelde richtafstanden. Gesteld kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en omliggende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.

47

4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij de invloed van de externe veiligheid wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico’s door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico’s door stationaire (inrichtingsgebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico’s door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de wet milieubeheer. Naast het plaatsgebonden risico wordt ook gekeken naar het groepsrisico. De normen worden weergegeven door middel van risicocontouren. Onderzoek Invloed van stationaire bronnen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken en LPG-tankstations. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij huizen, ziekenhuizen, scholen of winkels.

Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Het besluit is, op enkele onderdelen na, op 27 oktober 2004 in werking getreden. Nieuwe kwetsbare objecten mogen niet worden gerealiseerd in gebieden waar sprake is van een plaatsgebonden risico van meer dan 10-6 per jaar. Voor het PR geldt als norm dat dit kleiner dan 10-6 per jaar moet zijn. De kans per jaar dat één persoon, die op een bepaalde plaats verblijft, komt te overlijden door een ongeval van het vervoer van gevaarlijke stoffen moet kleiner zijn dan 1 op 1 miljoen. Ook het vaststellen van een bestemmingsplan geldt als een nieuwe situatie, waarbij voldaan moet worden aan de eisen uit het Bevi. Concreet betekent dit dat kwetsbare objecten binnen de 10-6 per jaar contour niet zijn toegestaan. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden toegestaan. Wanneer zich binnen de 10-6 per jaar contour kwetsbare objecten kan een bestemmingsplan worden vastgesteld mits er zodanige voorschriften aan het besluit zijn verbonden dan wel er een traject van wijziging van de milieuvergunning is ingezet, zodat binnen 3 jaar na vaststelling van het besluit voldaan wordt aan de grenswaarde (artikel 8 lid 3 Bevi).

Wel dient in de tussentijd voldaan te worden aan de grenswaarde van 10-5 per jaar. Naast Bevi-inrichtingen zijn er ook inrichting die niet onder het Bevi vallen, maar waar wel opslag van risicovolle stoffen plaatsvindt. Regulering van de risico- aspecten die samenhangen met de opslag van deze stoffen vindt plaats middels het Activiteitenbesluit dan wel de WM vergunning. Een belangrijke richtlijn voor opslag en gebruik vormen de zogenaamde PGS richtlijnen. De PGS richtlijnen beschrijven de eisen voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu kan worden bereikt. 48

Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvinden en/of inrichtingen waar werkzaamheden met gevaarlijke stoffen plaatsvinden die een bedreiging kunnen vormen voor het onderhavige plan.

Plangebied

ca. 455 m

Afbeelding 20: Uitsnede Risicokaart

Invloed transport gevaarlijke stoffen – buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. Op een afstand van circa 455 meter is aardgasleiding A-555-08 van Gasunie gelegen. De buisleiding heeft een diameter van 324 mm met een maximale werkdruk van 66,2 bar. De leiding heeft geen PR 10-6/jaar contour, waardoor wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Wat betreft de leiding is het zeer aannemelijk dat het groepsrisico ter hoogte van het plangebied met weinig populatie lager is en blijft dan een factor 1000 lager dan de oriëntatiewaarde. Invloed transport gevaarlijke stoffen – transportroutes Het Besluit externe veiligheid transportroutes, per 1 april 2015 van kracht, stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan.

49

Wegverkeer In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Vaarwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

50

4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

51

4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het plan voorziet in het splitsen van de twee woonboerderijen en de sanering van de een deel van de loods en schuur. Hiermee is sprake van werkzaamheden die in het kader van ecologie bedreigend kunnen zijn voor verblijfplaatsen van beschermde plant- en diersoorten. Om de gevolgen hiervan in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. De conclusies van het onderzoek luiden: ‘Soortenbescherming De planlocatie heeft mogelijk een essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming.

Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Aerius-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk.

52

Afbeelding 21: Afstand plangebied t.o.v. Natura 200-gebieden

Afbeelding 22: Afstand plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland

53

Afbeelding 23: Afstand plangebied t.o.v. Belangrijk weidevogelgebied

Afbeelding 24: Afstand plangebied t.o.v. Strategische reservering natuur

54

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie De ontwikkeling, het saneren van de loods en aanbouw en het renoveren van de boerenwoning, aan de Noordzijde 103 en 104 te Noordeloos is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes).

Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect ecologie geen belemmeringen.

55

4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het nieuwe beoogde woongebruik is door Adromi een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) en asbestbodemonderzoek (NEN 5707) uitgevoerd ter plaatse van de bedrijfsbestemming welke wordt gewijzigd naar een tuinbestemming.

De conclusie van het onderzoek luidt: ‘Op basis van de resultaten van het verkennend onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: • De puinhoudende zandige bovengrond is matig verontreinigd met PCB en nikkel en licht verontreinigd met cadmium, koper, kwik, lood, molybdeen, zink, PAK en minerale olie; • De overige zandige bovengrond is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters; • Het grondwater is licht verontreinigd met barium; • Op het maaiveld en in de bodem is geen asbestverdacht materiaal waargenomen; • In de analysemonsters ABMM01, ABMM02 en ABMM03 van de bovengrond is geen asbest aangetoond. De hypothese verdacht wordt bevestigd vanwege het aantreffen van matige tot lichte verontreinigingen met zware metalen, PAK, PCB en minerale olie in de puinhoudende grond. De matige tot lichte verontreinigingen zware metalen, PAK, PCB en minerale olie zijn te relateren aan de bodemvreemde bijmengingen met puin en zeer plaatselijk aangetoond (boring 01). De resultaten van het bodemonderzoek vormen geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging van bedrijf naar wonen met tuin. Indien bij herinrichtingswerkzaamheden grond vrijkomt welke niet ter plaatse kan worden hergebruikt, gelden hiervoor restricties ten aanzien van het hergebruik.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen.

56

4.10 Archeologie en cultuurhistorie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. De Erfgoedwet maakt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument. Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden.

Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Molenlanden is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een: • Zeer hoge verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd (paars). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 30 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd (roze) Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Hoge verwachting aan of nabij het oppervlak (roodbruin). Bij ingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 30 is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

57

Afbeelding 25: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Het plan voorziet uitsluitend in bodemwerkzaamheden tijdens het saneren van de loods. Ter plaatse is de bodem al geroerd vanwege de realisatie van de loods destijds, waardoor gesteld kan worden dat de beoogde werkzaamheden niet zorgen voor aantasting van archeologische waarden in de bodem. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is hiermee niet noodzakelijk en derhalve achterwege gelaten. Cultuurhistorie/beschermd dorpsgezicht Het plangebied ligt binnen het beschermd dorpsgezicht van Noordeloos. Beschermd dorpsgezicht is een kwalificatie van een gebouw of een groep gebouwen die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang. In het beschermde dorpsgezicht van Noordeloos staan enkele historische boerderijen uit de 17e en 18e eeuw. Wanneer deze gebouwen aangemerkt zijn als 'beschermd dorpsgezicht' mogen deze niet worden afgebroken of worden gewijzigd zonder een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders. Ook gebouwen die niet worden aangemerkt als monument – zoals de twee woonboerderijen binnen het plangebied – kunnen hieronder vallen. Vaak bepalen een aantal gebouwen samen, of de ruimtelijke structuur en de onderlinge samenhang van de gebouwen, het historisch karakter van een dorp.

Het beschermd dorpsgezicht is als zodanig aangewezen ingevolge de toepassing van artikel 35 van de Monumentenwet 1988 (thans vervangen door de Erfgoedwet), en daarmee een rijksmonument. Het plan voorziet in het toevoegen van wooneenheden in karakteristieke en beeldbepalende woonboerderijen binnen het beschermd dorpsgezicht van Noordeloos. Daarmee draagt het plan bij aan de instandhouding van de

58

woonboerderijen en daarmee het behoud van het cultuurhistorisch karakter van het beschermd dorpsgezicht. Ten behoeve van de instandhouding van de cultuurhistorische waarde is de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ overgenomen uit het moederplan ‘Buitengebied Giessenlanden’.

Plangebied

Afbeelding 26: Uitsnede kaart Beschermde Stads- en Dorpsgezichten

Gezien de ligging van het plangebied in het beschermd dorpsgezicht van Noordeloos is het plan voorgelegd aan de Erfgoedcommissie. De Erfgoedcommissie heeft positief geadviseerd op het plan. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie geen belemmeringen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk eventuele archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag. In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie – 1, 2 en 4’ overgenomen uit het moederplan. Het plan draagt tevens bij aan de instandhouding van de woonboerderijen en daarmee het behoud van het cultuurhistorisch karakter van het beschermd dorpsgezicht. Ten behoeve van de instandhouding van de cultuurhistorische waarde is de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ overgenomen uit het moederplan ‘Buitengebied Giessenlanden’. De Erfgoedcommissie heeft positief geadviseerd op het plan.

59

4.11 Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De initiatiefnemer is bewust van deze gemeentelijke ambitie en doet onderzoek naar de mogelijkheden voor duurzame energiebronnen. Het nieuwe bouwvolume wordt geïsoleerd conform het vigerend bouwbesluit. Daarnaast voorziet het plan in een afname aan verharding/bebouwing waardoor er meer ruimte ontstaat voor groen.

60

5

Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Noordeloos, Noordzijde 103-104’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Noordeloos, Noordzijde 103-104’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Noordeloos, Noordzijde 103-104’ is aangesloten bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’. De regels bestaan uit 4 hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

5.3 Bestemmingen Tuin De tuinbestemming op het voorerf en achtererf blijven behouden. De huidige bedrijfsbestemming wordt gewijzigd in tuin, zodat dit terrein gebruikt kan worden bij de burgerwoningen. Wonen De woonbestemming ter plaatse van de percelen Noordzijde 100A, 101, 101A, 102, 105 en 106 blijven onveranderd. Wonen – 1 De huidige woonbestemming op de percelen Noordzijde 103 en 104 wordt gewijzigd naar de bestemming ‘Wonen – 1’. Hiermee wordt voorkomen dat de voorwaardelijke landschappelijke verplichting tevens gaat gelden voor de percelen Noordzijde 100A, 101, 101A, 102, 105 en 106. Waarde – Archeologie – 1, 2 en 4 De dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie – 1, 2 en 4' zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in de bodem. 61

Waarde – Cultuurhistorie Ter bescherming van en het behoud van de cultuurhistorische waarden ter plaatse is de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ overgenomen. Waarde – Landschap Ten behoeve van het behoud van de landschappelijke openheid op het perceel wordt de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’ toegevoegd. Binnen deze dubbelbestemming zijn vergunningsvrije bouwwerken niet toegestaan. Waterstaat – Waterkering Ter bescherming van de waterkering is de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ overgenomen.

5.4 Aanduidingen • • • • • • •

Bouwvlak; Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’; Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 2’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – berging’; Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum goothoogte (m)’.

62

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=63e25e58-ab61-4775-b4a0-0dddcf817c24