Bijlage 1 – Toelichting bestemmingsplan Noordeloos, Noordzijde 103-104
Tekst van het document
Toelichting bestemmingsplan ‘Noordeloos, Noordzijde 103-104’
Toelichting bestemmingsplan ‘Noordeloos, Noordzijde 103-104’
Identificatie NL.IMRO.1986.BPnoordzijde103NDL-VG01 Datum 22-06-2021 Planstatus Vastgesteld Versie 3.0
2
Inhoud 1
2
3
4
Inleiding ....................................................................................................................................... 5 1.1
Inleiding ..................................................................................................... 5
1.2
Kader .......................................................................................................... 7
1.3
Maatschappelijk resultaat ........................................................................... 8
1.4
Maatschappelijk draagvlak .......................................................................... 8
1.5
Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid.............................. 9
1.6
Communicatie ............................................................................................ 9
1.7
Realisatie .................................................................................................... 9
1.8
Leeswijzer................................................................................................... 9
Planbeschrijving .................................................................................................................... 10 2.1
Bestaande situatie ..................................................................................... 10
2.2
Nieuwe situatie ......................................................................................... 14
Verantwoording beleidskader ......................................................................................... 20 3.1
Rijksbeleid ................................................................................................ 20
3.2
Provinciaal beleid ...................................................................................... 23
3.3
Regionaal beleid ....................................................................................... 29
3.4
Gemeentelijk beleid .................................................................................. 31
3.5
Conclusie .................................................................................................. 33
Verantwoording sectorale aspecten ............................................................................. 34 4.1
Milieueffectrapportage .............................................................................. 34
4.2
Watertoets ................................................................................................ 35
4.3
Geluid ....................................................................................................... 41
4.4
Luchtkwaliteit ........................................................................................... 43
4.5
Bedrijven- en milieuhinder ........................................................................ 45
4.6
Externe veiligheid ..................................................................................... 48
4.7
Kabels en leidingen................................................................................... 51
4.8
Ecologie .................................................................................................... 52
4.9
Bodem ...................................................................................................... 56
4.10 Archeologie en cultuurhistorie .................................................................. 57 4.11 Duurzaamheid .......................................................................................... 60 5
Juridische planbeschrijving .............................................................................................. 61 5.1
Inleiding ................................................................................................... 61
5.2
Systematiek van de regels ......................................................................... 61
5.3
Bestemmingen .......................................................................................... 61
5.4
Aanduidingen ........................................................................................... 62 3
Bijlage 1 2 3 4 5
Omschrijving Landschappelijk inpassingsplan Digitale watertoets Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Ecologische quickscan Verkennend bodemonderzoek en asbest in grond onderzoek
Auteur -
Referentie Noordzijde 103
Datum 10-12-2020
Waterschap Rivierenland Adromi
20201106-924710 S202018
06-11-2020
Blom Ecologie
BE/2020/813/r
13-11-2020
Adromi
B202015/2001
23-12-2020
17-11-2020
4
1
Inleiding
1.1 Inleiding 1.1.1 Aanleiding Op de percelen Noordzijde 103 en 104 te Noordeloos zijn twee cultuurhistorische woonboerderijen gelegen. Achterop het perceel van Noordzijde 103 bevinden zich tevens een bedrijfsloods en een schuur. Hier vonden in het verleden bedrijfsactiviteiten plaats in de vorm van een aannemersbedrijf, maar deze activiteiten zijn enkele jaren geleden verplaatst naar elders. Gezien het karakter en de locatie van de bedrijfslocatie is verkoop aan een ander bedrijf weinig haalbaar gebleken. Thans vinden er daardoor geen volwaardige bedrijfsactiviteiten op deze locatie plaats. Vanwege de hoge onderhoudskosten van de cultuurhistorische woonboerderijen, zijn de eigenaren voornemens om de woonboerderijen te splitsen in meerdere wooneenheden. Hierdoor kunnen de onderhoudskosten verdeeld worden en ontstaat daardoor meer draagvlak voor onderhoud aan en daarmee instandhouding van de cultuurhistorische woonboerderijen. De eigenaar van het perceel Noordzijde 103 is daarbij voornemens om het achtererf te betrekken bij het woonperceel, waarbij de schuur deels wordt gesaneerd en de loods wordt verkleind tot 150 m2. Het voorgenomen plan is strijdig met het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’, vastgesteld op 27 juni 2013 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Giessenlanden.
Het perceel is voorzien van een woonbestemming met de aanduiding ‘maximaal aantal wooneenheden: 7’. Thans zijn binnen deze aanduiding al 7 wooneenheden aanwezig, waardoor het toevoegen van wooneenheden in de woonboerderijen juridisch-planologisch niet mogelijk is. Tevens kan het achterliggende bedrijfsterrein vanwege de bedrijfsbestemming juridisch-planologisch niet gebruikt worden als achtertuin. Middels een principeverzoek is het voorgenomen plan voorgelegd aan de gemeente Molenlanden. In een schriftelijke reactie heeft de gemeente aangegeven in principe medewerking te verlenen aan het initiatief middels een bestemmingsplanprocedure. 1.1.2 Plangebied De ontwikkeling bevindt zich op de percelen Noordzijde 103 en 104 te Noordeloos. Het plangebied betreft de percelen Noordzijde 103 en 104 te Noordeloos. Het perceel Noordzijde 103 is kadastraal bekend NDL00-C-929 en 930 en het perceel Noordzijde 104 is kadastraal bekend NDL00-C-210. Het plangebied wordt aan de zuidzijde begrensd door de openbare weg Noordzijde en aan de oostzijde door de perceelsgrens van Noordzijde 105. De perceelsgrens van Noordzijde 102 zorgt voor de westelijke begrenzing van het plangebied en ten noorden van het plangebied bevinden zich watergangen met aan de andere zijde de achtertuin van het perceel Noordzijde 105 en een agrarische bedrijfslocatie behorende bij het perceel Noordzijde 108.
5
Vanwege juridisch-planologische redenen dient het plangebied ten behoeve van het bestemmingsplan vergroot te worden, waardoor de woningen Noordzijde 100A, 101, 101A, 102, 105 en 106 tevens onder het plangebied vallen. Ter plaatse van deze woningen vinden echter geen noemenswaardige juridisch-planologische wijzigingen plaats.
Plangebied bestemmingsplan
Noordzijde 105 en 106
Noordzijde 100A, 101, 101A en 102
Noordzijde 103 en 104
Afbeelding 1: Begrenzing plangebied
1.1.3 Belang De gemeente Molenlanden geeft toestemming aan ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied wanneer er sprake is van een aangetoonde verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en de individuele, bedrijfs-, maatschappelijke, en overige belangen in de directe omgeving niet nadelig worden beïnvloed. Van oudsher hebben de achterhuizen van woonboerderijen de functie van stal, schuur en/of werkplaats ten behoeve van het agrarisch bedrijf. Deze agrarische functie hebben beide boerderijen al geruime tijd geleden verloren. Middels de splitsing van de woonboerderijen kunnen de achterhuizen worden gerenoveerd en getransformeerd ten behoeve van een woning. Vanwege de karakteristieken van de woonboerderijen zijn de kosten voor onderhoud aan het gebouw hoog. Met de toevoeging van één woning in beide woonboerderijen kunnen de onderhoudskosten worden gedeeld waardoor meer draagvlak ontstaat en daarmee een kostendrager wordt gecreëerd. Hierdoor wordt onderhoud aan de woonboerderijen verzekerd en daarmee instandhouding van de woonboerderijen gegarandeerd. Het plan draagt daarmee bij aan het behoud van het cultuurhistorisch waardevol bezit in
6
Noordeloos. Tevens wordt leegstand vanwege de hoge onderhoudskosten en daarmee achterstallig onderhoud, verpaupering en aantasting van de ruimtelijke kwaliteit voorkomen. Verder kunnen volwaardige bedrijfspercelen hinder veroorzaken en zijn daardoor niet passend binnen een woonlint. Het plan voorziet in het wijzigen van de bedrijfsbestemming naar een tuinbestemming zodat het achtererf betrokken kan worden bij de woonboerderij. Tevens wordt de schuur deels gesaneerd en de loods verkleind. Door de bestemmingswijziging wordt eventuele nieuwvestiging van een volwaardig bedrijf op deze locatie juridisch-planologisch uitgesloten. Het verwijderen van het bedrijfsbestemmingsvlak in combinatie met het verwijderen van opstallen, levert een bijdrage aan een structurele verbetering van het woon- en leefklimaat binnen het cultuurhistorische lint in Noordeloos. Het plangebied wordt daarnaast landschappelijk ingepast. Om tot een goede landschappelijke inpassing te komen is door een landschapsarchitect een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Tevens worden vergunningsvrije bouwwerken uitgesloten om ervoor te zorgen dat de ruimtelijke kwaliteit van het Molenlandse landschap, waar deze mogelijk wordt benadeeld door het toevoegen van vergunningsvrije bouwwerken, behouden blijft.
Al met al voorziet het plan in het behoud van de cultuurhistorische woonboerderijen, een structurele verbetering van het woon- en leefklimaat en in een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Individuele, bedrijfs-, maatschappelijke en overige belangen in de directe omgeving worden niet nadelig beïnvloed. Tevens wordt aantasting van de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van leegstand voorkomen. Het plan is hiermee een passende ontwikkeling voor de gemeente Molenlanden.
1.2 Kader Bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’, dat door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Giessenlanden is vastgesteld op 27 juni 2013. Het plangebied heeft hierin de enkelbestemmingen: • Bedrijf; • Tuin; • Wonen. De dubbelbestemmingen: • Waarde – Archeologie – 1; • Waarde – Archeologie – 2; • Waarde – Archeologie – 4; • Waarde – Cultuurhistorie; • Waterstaat – Waterkering. En de aanduidingen: • Bouwvlak; • Functieaanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’; • Functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – aannemersbedrijf’; • Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk’; 7
• •
Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 7’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum bebouwingspercentage terrein: 50%’.
Afbeelding 2: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’
1.3 Maatschappelijk resultaat Met de vaststelling van het bestemmingsplan wordt een nieuwe, geactualiseerde en gedigitaliseerde juridische regeling geboden. Middels het onderhavige bestemmingsplan wordt het juridisch-planologisch mogelijk gemaakt om de twee woonboerderijen te splitsen in twee wooneenheden en wordt nieuwvestiging van een volwaardig bedrijf op het achtererf van het perceel Noordzijde 103 juridischplanologisch uitgesloten door de bestemming te wijzigen naar ‘Tuin’.
1.4 Maatschappelijk draagvlak Participatie In het kader van een goede ruimtelijke ordening en een goede relatie met de directe buren is het plan reeds besproken met de directe omgeving. De buren zijn geïnformeerd en hebben aangegeven positief tegenover het plan te staan. Vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan opgestuurd naar de overlegpartners.
8
Zienswijzen Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken hebben vanaf 22 april 2021 zes weken ter inzage gelegen (Gemeenteblad 125319), waarbij eenieder in de gelegenheid werd gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
1.5 Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente is een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.
1.6 Communicatie Er wordt op de wettelijke manier gecommuniceerd over de te voeren procedure (via internet, het Kontakt en de Staatscourant).
1.7 Realisatie Wanneer na vaststelling van het bestemmingsplan geen beroep wordt ingediend, is het bestemmingsplan na de beroepstermijn onherroepelijk. De omgevingsvergunning voor het plan kan dan worden aangevraagd.
1.8 Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van de planontwikkeling zijn beschreven: • • • •
Hoofdstuk 2: Planbeschrijving; Hoofdstuk 3: Verantwoording beleidskader; Hoofdstuk 4: Verantwoording sectorale aspecten; Hoofdstuk 5: Juridische planbeschrijving.
9
2
Planbeschrijving
2.1 Bestaande situatie 2.1.1 Ontstaansgeschiedenis en stedenbouwkundige structuur De kern van Noordeloos is gelegen langs een natuurlijk veenriviertje, genaamd de Noordeloos. Vanuit de klei houdende stroomrug langs dit riviertje is het oorspronkelijke dorpje ontstaan. Deze hoger gelegen stroomruggen waren namelijk droger en beter van ondergrond om op te bouwen. Vanuit het dorp heeft men het achterliggende polderlandschap ontgonnen, iets wat goed te zien is in de huidige ligging van de slagen in het landschap. Het centrum van Noordeloos kenmerkt zich door een dichte, soms stedelijke bebouwingsdichtheid. Rond de kerk is van oudsher een concentratie aan bebouwing ontstaan. Anno 2020/2021 is de kern door latere uitbreiding, daterend uit de 20e eeuw, zowel aan de noord- als de zuidzijde omsloten. Ondanks de latere uitbreidingen wordt het dorpsbeeld grotendeels bepaald door met name monumentale boerderijen. Het dorp Noordeloos is daarmee een karakteristiek voorbeeld van een nederzettingsvorm die rechtstreeks is ontstaan uit de wijze van ontginnen in de Middeleeuwen in een groot deel van het HollandUtrechtse veengebied. De ruimtelijke structuur van de kern Noordeloos is in hoofdlijnen nagenoeg onveranderd gebleven. Het plangebied is gelegen ten noordoosten van de kern van Noordeloos en is gelegen aan de cultuurhistorische lintbebouwing aan de Noordzijde.
De stedenbouwkundige structuur in de directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich door grotere bouwensembles met open ruimtes ertussen. De historische lintbebouwing kenmerkt zich door een verscheidenheid aan functies (woningen en bedrijvigheid door elkaar) en de afwisseling van (grotere) cultuurhistorisch waardevolle (woon)boerderijen, vervangende vrijstaande nieuwbouwwoningen en (kleinere) geschakelde (arbeiders)huizen. De bebouwing langs de Noordzijde, zowel de traditionele bebouwing als de latere nieuwbouw, heeft overwegend een traditionele landelijke uitstraling. De gebruikte bouwmaterialen zijn bij zowel de traditionele bebouwing als de latere nieuwbouw overwegend traditioneel. De gebruikte kleuren zijn ingetogen en in harmonie met het omliggende landschap.
10
Afbeelding 3: Impressie straatbeeld Noordzijde
2.1.2 Huidige status/gebruik Op beide percelen is een karakteristieke boerderij gelegen. De woonboerderijen hebben geen monumentale status, maar hebben wel een cultuurhistorisch waardevol karakter. Op het achtererf van het perceel Noordzijde 103 zijn een loods en een schuur gebouwd welke werden gebruikt ten behoeve van een aannemersbedrijf. De loods heeft een maximale goothoogte van 4,5 m en een nokhoogte van 6 m. In de schuur aan het achterhuis zijn een garage, kantoor en een berging geïntegreerd. Het aannemersbedrijf is enkele jaren geleden verplaatst naar elders. Het achtererf wordt derhalve niet meer gebruikt ten behoeve van een volwaardig bedrijf. Op het perceel Noordzijde 104 is op het achtererf een schuur gebouwd met een goot- en nokhoogte van 3,3 en 7 meter. Beide percelen zijn tenslotte goed onderhouden.
Afbeelding 4: Woonboerderij Noordzijde 103
11
Afbeelding 5: Schuur en bedrijfsloods op het achtererf Noordzijde 103
Afbeelding 6: Woonboerderij Noordzijde 104
12
Afbeelding 7: Zicht op bijgebouwen op het achtererf Noordzijde 104
13
2.2 Nieuwe situatie 2.2.1 Plan Binnen het plangebied zijn twee voormalig agrarische boerderijen gelegen. Van oudsher hebben de achterhuizen van woonboerderijen de functie van stal, schuur en/of werkplaats ten behoeve van het agrarisch bedrijf. Deze functie hebben beide boerderijen al geruime tijd geleden verloren. Het plan voorziet in het splitsen van de twee karakteristieke woonboerderijen in elk twee wooneenheden door de achterhuizen te renoveren en te transformeren in woningen. Door het splitsen van de boerderijen kunnen de kosten voor het onderhoud aan de cultuurhistorische boerderij gedeeld worden, waardoor onderhoud aan de bebouwing verzekerd wordt en daardoor de cultuurhistorische waardevolle panden behouden blijven. Daarmee wordt tevens leegstand als gevolg van de hoge onderhoudskosten voorkomen. De bedrijfslocatie ten noorden van de boerderij Noordzijde 103 wordt betrokken bij de woonboerderij. De bedrijfsbestemming wordt daarbij gewijzigd naar een tuinbestemming, zodat op deze locatie in de toekomst geen volwaardig bedrijf zich meer kan vestigen en het terrein gebruikt kan worden als achtertuin. Daarbij wordt de voormalige bedrijfsloods verkleind naar 150 m2, waarbij de huidige maximale goothoogte van 4,5 m en de nokhoogte van 6 m aangehouden worden. De loods wordt gebruikt als bijgebouw bij de woonboerderij.
De garage en het kantoor welke achter de woonboerderij Noordzijde 103 aan zijn gebouwd worden gesloopt nadat de werkzaamheden in de woonboerderij zijn voltooid. De berging blijft behouden. De bedrijfslocatie ten noorden van de boerderij Noordzijde 104 wordt ook gewijzigd naar een tuinbestemming, zodat ook dit terrein gebruikt kan worden bij de burgerwoningen in de woonboerderij en volwaardige bedrijfsmatige activiteiten hier worden uitgesloten. De bestaande bijgebouwen van circa 160 m² blijven behouden en worden betrokken bij de woonboerderij Noordzijde 104.
14
Afbeelding 8: Overzichtstekening te saneren bebouwing
Het onderhavige plan voorziet verder niet in mogelijkheden tot het bouwen van overige bebouwing. Om te komen tot een optimale ruimtelijke kwaliteitsverbetering worden beide percelen landschappelijk ingepast en worden vergunningsvrije bouwwerken op beide percelen uitgesloten door de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’ toe te voegen op gronden waar geen bebouwing plaatsvindt (zie tevens §2.2.3 van deze toelichting). Ter plaatse van het plangebied is thans de maatvoeringsaanduiding ‘maximaal aantal wooneenheden: 7’ gelegen. Om 1 woning aan beide boerderijen te kunnen toevoegen dient deze maatvoeringsaanduiding gewijzigd te worden. De woningen Noordzijde 100A, 101, 101A, 102, 105 en 106 zijn meegenomen in het onderhavige bestemmingsplan om deze wijziging juridisch-planologisch door te voeren. Ter plaatse van de percelen Noordzijde 103 en 104 is op beide boerderijgebouwen de maatvoeringsaanduiding ‘maximaal aantal wooneenheden: 2’ opgenomen. Op de woningen Noordzijde 100A, 101, 101A en 102 is de aanduiding ‘maximaal aantal wooneenheden: 4’ gelegd en op de woningen Noordzijde 105 en 106 de maatvoeringsaanduiding ‘maximaal aantal wooneenheden: 2’ gelegd.
15
2
4
2
2
Afbeelding 9: Overzicht maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ Gezien de ligging van het plangebied in het beschermd dorpsgezicht van Noordeloos is het plan voorgelegd aan de Erfgoedcommissie. De Erfgoedcommissie heeft positief geadviseerd op het plan.
16
2.2.2 Ontsluiting en parkeren Ontsluiting Het perceel Noordzijde 103 wordt thans ontsloten middels een enkele ontsluiting op de Noordzijde, direct ten westen van de woonboerderij. Het naastgelegen perceel Noordzijde 104 wordt ook ontsloten door een enkele ontsluiting op de Noordzijde, ten westen van de woonboerderij. In de nieuwe situatie blijft dit ongewijzigd.
Ontsluiting woonboerderij Noordzijde 103
Ontsluiting woonboerderij Noordzijde 104
Noordzijde
Afbeelding 10: Huidige en toekomstige ontsluiting
Parkeren Voor de vaststelling van de parkeernorm is gebruik gemaakt van de Nota Parkeernormen Molenlanden 2020. De Nota gaat met betrekking tot het onderhavige plangebied uit van de stedelijkheidsgraad ‘niet stedelijk’ en de stedelijke zone ‘buitengebied’. Voor wat betreft de categorie wordt uitgegaan van het woontype ‘woning, koop, twee-onder-een-kap’. De Nota Parkeernormen Molenlanden 2020 gaat voor dergelijke woningen uit van een parkeerbehoefte van 2,2 parkeerplaatsen per woning. Per saldo dient het onderhavige plan te voorzien in afgerond 9 parkeerplaatsen (4 × 2,2 = 8,8). Omdat het bestemmingsplan niet voorziet in extra bouwmogelijkheden kan de ruimte worden benut voor het parkeren van auto’s. Omdat op beide percelen ruim voldoende ruimte aanwezig is voor het parkeren van minimaal 5 auto’s per perceel, kan worden gesteld dat de berekende parkeerbehoefte in zijn geheel opgelost kan worden op het eigen terrein. Het plan voldoet daarmee aan de gestelde parkeernormen uit de Nota Parkeernormen Molenlanden 2020.
17
2.2.3 Landschappelijk inpassingsplan Om tot een optimale ruimtelijke kwaliteitsverbetering te komen wordt het perceel Noordzijde 103 op een verantwoorde wijze landschappelijk ingepast. Voor de landschappelijke inpassing in een landschappelijk inpassingspan opgesteld.
Afbeelding 11: Landschappelijk inpassingsplan
De landschappelijke inpassing voorziet in het handhaven van bestaande bomen en groenstroken op het perceel Noordzijde 103. Op het achtererf word het perceel aangevuld met een boomgaardje en een terras. Door de sanering van de grote loods, berging en kantoor krijgt het perceel een open karakter. Door de invulling van het boomgaardje met het bijbehorend groen krijgt het perceel tevens een groenere uitstraling. Het landschappelijk inrichtingsplan is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. Hierdoor wordt gegarandeerd dat het perceel ook daadwerkelijk landschappelijk wordt ingepast en blijft. Deze verplichting geldt uitsluitend voor de percelen Noordzijde 103 en 104. 18
Belangenafweging dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’ Het is de ambitie van Molenlanden om het karakteristieke, open en cultuurhistorische landschap te koesteren. Een van de afwegingen bij dit bestemmingsplan is dat een verbetering van de landschappelijke kwaliteit door de vaststelling daarvan wordt gerealiseerd. Deze ruimtelijke kwaliteitsverbetering is vormgegeven in een verplichtend ruimtelijk inpassingsplan. Het behoud van de openheid van het landschap staat centraal in de keuze om de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’ op het plangebied van toepassing te laten zijn. Deze benadering zorgt ervoor dat de ruimtelijke kwaliteit van het Molenlandse landschap, waar deze mogelijk wordt benadeeld door het toevoegen van vergunningsvrije bouwwerken behouden blijft, maar tegelijkertijd ruimte wordt geboden voor nieuwe ruimtelijke initiatieven.
19
3
Verantwoording beleidskader
Het bestemmingsplan omvat de percelen Noordzijde 100A, 101, 101A, 102, 103, 104, 105 en 106 te Noordeloos. Omdat het voorliggend bestemmingsplan uitsluitend voorziet in wijzigingen op de percelen Noordzijde 103 en 104, zijn de overige percelen in dit hoofdstuk verder buiten beschouwing gelaten.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Het Rijk streeft naar een Nederland dat concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig is. Dit wil zij doen met een krachtige aanpak, die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is nodig om deze nieuwe aanpak vorm te geven. Daarnaast geven nieuwe politieke accenten, veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen aanleiding voor herziening van het rijksbeleid. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering laat het Rijk los.
Het Rijk geeft aan dat landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten identiteit geven aan een gebied en culturele voorzieningen en cultureel erfgoed bovendien van groeiend belang zijn voor de concurrentiekracht van Nederland. In de nieuwe structuurvisie is aangegeven dat het Rijk verantwoordelijk blijft voor het cultureel en natuurlijk UNESCO Werelderfgoed (inclusief de voorlopige lijst), kenmerkende stadsen dorpsgezichten, rijksmonumenten en het maritieme erfgoed. Het beleid ten aanzien van landschap is echter niet langer een Rijksverantwoordelijkheid en laat het Rijk over aan de provincies. Het plangebied is gelegen binnen een door het Rijk aangewezen beschermd dorpsgezicht. Het onderhavige plan voorziet in het toevoegen van een wooneenheid in beide karakteristieke woonboerderijen. Hierdoor draagt het plan bij aan instandhouding van de boerderijen en daarmee aan het behoud van de cultuurhistorisch waardevolle karakteristieken in het beschermd dorpsgezicht. Ter bescherming van de cultuurhistorische waarden/het dorpsgezicht van Noordeloos wordt de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ overgenomen in het
20
onderhavig bestemmingsplan. Verder is het plan op rijksniveau kleinschalig van aard en worden er geen rijksbelangen geschaad. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het onderhavige plan is op rijksniveau kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro.
3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting op een ruimtelijk besluit voor nieuw te realiseren stedelijke ontwikkelingen bepaalde duurzaamheidsaspecten van het voornemen te motiveren. Per 1 juli 2017 is artikel 3.1.6 van de Bro op een aantal punten gewijzigd. In het geval in het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, dient de toelichting een beschrijving te bevatten van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmings- plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’.
Een in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Inmiddels biedt jurisprudentie een beoordelingskader van welke ontwikkelingen als nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ worden aangemerkt: ‘De bouw van één woning is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder (ABRvS 14 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:156). Ook een plan dat voorziet in de planologische inpassing van drie woningen is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3929). De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is tevens niet van toepassing op een 21
ontwikkeling waarbij zes woningen mogelijk worden gemaakt (ABRVS 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013: 2471). Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS: 2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3).’ Toetsing aan ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ In het onderhavige plan worden per saldo twee wooneenheden toegevoegd. Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ en is toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk.
22
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De provincie ZuidHolland heeft in de Omgevingsvisie zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: • Naar een klimaatbestendige delta; • Naar een nieuwe economie: the next level; • Naar een levendige meerkernige metropool; • Energievernieuwing; • Best bereikbare provincie; • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Het centrale doel van het provinciale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen.
Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied De provincie Zuid-Holland zet in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Onder “bebouwde ruimte” wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiek-industrieel systeem. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkelingen die niet binnen BSD gerealiseerd kunnen worden en kleinschalige stedelijke ontwikkelingen, kunnen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op BSD of in bebouwingslinten. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen buiten BSD dient de Ladder voor duurzame verstedelijking te worden doorlopen en dient het plan te voldoen aan het provinciaal beleid voor ruimtelijke kwaliteit.
Stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 hectare buiten BSD dienen eerst door Provinciale Staten worden afgewogen en worden op de kaart ‘woningbouwlocaties, bedrijventerreinen en andere stedelijke ontwikkelingen’ (ook wel genoemd: ‘3 ha kaart’) gezet. Het onderhavige plan is niet gelegen binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, maar wel binnen het cultuurhistorische bebouwingslint langs de Noordzijde. Middels het plan worden de achterhuizen van de twee boerderijen gerenoveerd en 23
getransformeerd in woningen. Het plan voorziet hiermee in een intensiever en compacter ruimtegebruik en het beter benutten van de woonboerderijen. Er vindt geen uitbreiding dan wel nieuwbouw van bebouwing plaats. Hiermee sluit het onderhavige plan aan bij het provinciaal beleid om de verstedelijkingsopgave primair binnen de bestaande bebouwingsstructuur te realiseren. Verbeteren ruimtelijke kwaliteit Gezien het sterke contrast tussen een dynamische stedelijke omgeving en open deltalandschappen in Zuid-Holland, is zorg voor de ruimtelijke kwaliteit in het bijzonder van belang. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De essentie van het ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten toevoegen aan het gebied en de samenleving. Het plangebied is gelegen binnen het cultuurhistorisch lint langs de Noordzijde.
Het plan voorziet in het splitsen van de karakteristieke woonboerderijen, waarmee instandhouding wordt verzekerd en daardoor een toekomstbestendige situatie wordt gecreëerd. Het plan draagt daarmee bij aan het behoud van de cultuurhistorische en identiteitsbepalende waarden in het plangebied en binnen het cultuurhistorisch woonlint langs de Noordzijde in Noordeloos. Om het plan van een optimale ruimtelijke kwaliteitsverbetering te voorzien is door een landschapsarchitect een landschappelijk inpassingsplan opgesteld om de percelen op een verantwoorde wijze landschappelijk in te passen. Het plan voorziet in een ruimtelijke kwaliteitswinst. Tevens wordt leegstand als gevolg van de hoge onderhoudskosten aan de karakteristieke boerderijen en daarmee achterstallig onderhoud, verpaupering en aantasting van de ruimtelijke kwaliteit voorkomen. Kwaliteitskaart Met betrekking tot de kwaliteitskaart is de laag van de ondergrond en de laag van cultuur- en natuurlandschappen relevant. Laag van de ondergrond Het onderhavige plangebied is gelegen in de gebieden ‘bijzonder reliëf en aardkundige waarden’ en ‘rivierklei en veen’. Bijzonder reliëf en aardkundige waarden Zuid-Holland is, uitgezonderd de duinen en de dijken, relatief plat. Binnen dit platte land is nog een aantal bijzondere, natuurlijke hoogteverschillen te vinden, zoals komgronden en oeverwalgebieden.
Deze zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap. Voor ontwikkelingen in dit gebied heeft Zuid-Holland twee richtpunten vastgesteld: • Ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand. 24
•
Waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen
Rivierklei en veen De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap. Voor ontwikkelingen in het gebied ‘rivierklei en veen’ heeft de provincie de volgende richtpunt vastgesteld: • Ontwikkelingen in het rivierengebied houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar.
Rivierklei en veen
Bijzonder reliëf en aardkundige waarden
Afbeelding 12: Uitsnede kwaliteitskaart – laag van de ondergrond
Het plan voorziet niet in ontwikkelingen die niet voldoen aan deze richtpunten. Laag van cultuur- en natuurlandschappen Het onderhavige plangebied is gelegen in de gebieden ‘veen(weide)landschap’ en ‘linten’. Veen(weide)landschap De ruimtelijke structuur in het veen(weide)gebied wordt sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Haaks hierop staan de verkavelingspatronen. Kenmerkend voor het veenweidelandschap is de openheid van het gebied met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels omringd door sloten. Voor ontwikkelingen in het veenweidelandschap heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; 25
• • •
Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders; Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar.
Linten Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. Voor ontwikkelingen in de linten heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied; • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst; • Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend; • Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht.
Veen(weide)landschap
Linten
Afbeelding 13: Uitsnede kwaliteitskaart – laag van cultuur- en natuurlandschappen
Het plan draagt bij aan het behoud van de cultuurhistorische karakteristieken van het lint. Tevens worden beide percelen op een verantwoorde wijze ingepast. Het plan is in overeenstemming met de richtpunten uit de laag van cultuur- en natuurlandschappen.
26
Het onderhavige plan sluit aan bij de kwaliteitskaart van de Omgevingsvisie ZuidHolland en aan de richtpunten voor ontwikkelingen in de gebieden ‘bijzonder reliëf en aardkundige waarden’, ‘rivierklei en veen’, ‘veen(weide)landschap’ en ‘linten’. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9).
Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a) De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b) Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: ▪ zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; c) Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: ▪ Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen.
Het onderhavige plan kan worden geschaard binnen de categorie ‘inpassen’. De ontwikkeling is gebiedseigen en passend bij de schaal en aard van het gebied. Het onderhavige plan sluit aan bij de kwaliteitskaart van de Omgevingsvisie ZuidHolland. Het plan draagt bij aan het behoud van de cultuurhistorische waarden en karakteristieken van het lint langs de Noordzijde.
27
Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen (artikel 6.10). Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a) De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b) Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Het onderhavige plan betreft een kleinschalige ontwikkeling buiten bestaand stadsen dorpsgebied (BSD), maar binnen een woonlint. Het onderhavig plan betreft vanuit jurisprudentie geen stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame ontwikkeling’ is daarmee niet vereist dan wel noodzakelijk (zie tevens paragraaf 3.1.3).
28
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In navolging van de regionale structuurvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden, heeft de regio in 2012 de visie 2030 opgesteld. Deze visie is een actualisering van het beleid uit de regionale structuurvisie en bepaalt de beleidskeuzes met het oog op 2030. Binnen de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. Met de toevoeging van wooneenheden in de karakteristieke woonboerderijen draagt het plan bij aan de instandhouding van deze woonboerderijen en daarmee aan het behoud van het authentieke karakter en het bijzondere cultuurhistorisch landschap van de regio.
Tevens draagt het plan bij aan het versterken van het open landschap door het saneren en terugbrengen van het oppervlakte aan bijgebouwen en het uitsluiten van vergunningsvrije bouwwerken door het toevoegen van de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’. 3.3.2 Regionale woonvisie In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een actualisatie van de Regionale woonvisie 2020 (2013) vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn. De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied een dynamische stedelijke zone. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau. Om die goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld. Er wordt onderscheid gemaakt in: • Stedelijk gebied; • Voorzieningendorpen; • Woondorpen. Noordeloos is aangeduid als woondorp. Deze dorpen hebben verspreide huizen en kleine kernen met weinig of geen voorzieningen. Deze dorpen zijn voor voorzieningen (grotendeels) afhankelijk van omliggende dorpen of steden.
Noordeloos heeft een hechte gemeenschap die gebruik maakt van een sterk lokaal sociaal netwerk. In het dorp is er sprake van een woningbehoefte op kleine schaal. Het onderhavige plan sluit hierop aan en betreft per saldo een toevoeging van twee wooneenheden. Het plan hoeft regionaal niet gemeld te worden omdat het percentage uitbreiding in Noordeloos valt onder de agendamaat 0,7% en het plan 29
daarmee verondersteld wordt te zijn voor de eigen behoefte in de kern. De toegevoegde woningen worden wel gemeld in het regionaal overleg en worden meegenomen in de herijking van de woningbouwmonitor AlblasserwaardVijfheerenlanden 2020-2030.
30
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Woonvisie Molenlanden 2020-2024 Op 27 oktober 2020 heeft de gemeenteraad van de gemeente Molenlanden unaniem de nieuwe woonvisie vastgesteld. De woonvisie beschrijft vooral de opgaven die de gemeente ziet op het vlak van de woningmarkt, voortkomend uit de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte die de mensen hebben. De grootste opgave ligt in het voorzien in kleinere en betaalbare koopwoningen, maar de woonvisie maakt ook nog steeds woningbouwinitiatieven mogelijk als daar behoefte aan is; kwantitatief en kwalitatief. De woonvisie is opgedeeld in de volgende opgaven: • Meer woningen met de juiste kwaliteit; • Betaalbaar wonen; • Bestaande voorraad op peil; • Wonen met zorg; • Specifieke woningbehoeften; • Leefbare en vitale dorpen. Daarnaast geldt voor Noordeloos het volgende: de kern is aantrekkelijk bij vestigers van buiten de gemeente. In beperkte mate kan hierop worden ingezet door ruime gezinswoningen toe te voegen. Maar er is vooral behoefte aan levensloopgeschikte woningen voor senioren uit de eigen kern. In de basis dient het daarbij te gaan om een grondgebonden woningtype. De nadruk ligt daarbij op een kleine, betaalbare woning die ook aantrekkelijk is voor starters / jonge doorstromers. De totale behoefte voor de periode 2020 t/m 2029 ligt op +65 woningen.
Het onderhavig plan betreft een particulier initiatief om beide boerderijen te splitsen in twee wooneenheden, waardoor het plan voorziet in het toevoegen van twee wooneenheden. Het plan draagt daarmee bij aan de kwantitatieve opgave en ontstaat er meer doorstroming in de (lokale) woningmarkt. Door deze doorstroming in de markt kunnen kleinere woningen voor starters of senioren vrijkomen. Het plan is in overeenstemming met de Woonvisie Molenlanden 2020-2024. 3.4.2 Omgevingsvisie Giessenlanden Op 14 december 2017 heeft de voormalige gemeente Giessenlanden de Omgevingsvisie Giessenlanden vastgesteld. De Omgevingsvisie Giessenlanden heeft de formele status van een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1 Wet ruimtelijke ordening. Deze omgevingsvisie beschrijft de visie hoe de gemeente in samenwerking met de inwoners willen zorgen voor het gemeentelijk grondgebied. De visie geeft aan: 1. Waar bestaande kwaliteiten liggen en waar ruimte ligt voor nieuwe ontwikkelingen (behoud bestaande omgevingswaarden en –kwaliteiten en versterken identiteit); 2. Op welke wijze het gemeentebestuur als partner, bij wil en bij kan dragen aan plannen en wensen van inwoners en ondernemers, passend bij de visie. In totaal zijn er acht omgevingskwaliteiten geformuleerd: 1. Wij koesteren, versterken en stimuleren de identiteit van onze dorpen en hun ommeland. Dit door o.a.
te bewaken dat het karakter van ieder dorp behouden blijft. 31
2. De ondergrond, cultuurhistorie en ontstaansgeschiedenis van een dorp en zijn ommeland dragen in belangrijke mate bij aan de huidige kwaliteit, karakteristiek en identiteit van dat dorp. Deze aspecten zijn een belangrijk vertrekpunt bij toekomstige ontwikkelingen. 3. Zorgvuldig ruimtegebruik is uitgangspunt. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan bij de huidige en toekomstige vraag; 4. De kwaliteiten van de onderlinge samenhang tussen de dorpen, het landschap en het water worden beschermd, benut en versterkt. 5. De fysieke leefomgeving van de dorpen dient niet alleen functioneel te zijn, maar ook kwaliteit te bieden in beleving, veilig te zijn en bij te dragen aan de gezondheid van haar inwoners. 6. Wij stimuleren duurzame maatregelen welke een positieve bijdrage leveren aan het milieu. 7. Wij bieden ruimte aan innovatie, zolang deze geen afbreuk doet aan de overige omgevingskwaliteiten. 8. Wij behouden het evenwicht tussen een doeltreffende waterhuishouding en het karakteristieke slagenlandschap. Het landschap dankt haar karakteristiek mede aan het water en staat daar tegelijkertijd door onder druk. Het onderhavige plan betreft de splitsing van twee cultuurhistorische woonboerderij waardoor de woonboerderijen kunnen worden bewoond door twee huishoudens. Daardoor kunnen de relatief hoge kosten voor het onderhoud worden gedeeld.
Hiermee wordt een duurzame en meer toekomstbestendige situatie voor de woonboerderijen gecreëerd. De karakteristieken van het woonlint langs de Noordzijde en de identiteit van het dorp Noordeloos blijven behouden. Tevens kan worden gesteld dat het ruimtegebruik optimaal wordt benut door wooneenheden toe te voegen binnen bestaande bebouwing. 3.4.3 Bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’, dat door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Giessenlanden is vastgesteld op 27 juni 2013. Het plangebied heeft hierin de enkelbestemmingen: • Bedrijf; • Tuin; • Wonen. De dubbelbestemmingen: • Waarde – Archeologie – 1; • Waarde – Archeologie – 2; • Waarde – Archeologie – 4; • Waarde – Cultuurhistorie; • Waterstaat – Waterkering. En de aanduidingen: • Bouwvlak; • Functieaanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’; • Functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – aannemersbedrijf’; • Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk’; • Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 7’; • Maatvoeringsaanduiding ‘maximum bebouwingspercentage terrein: 50%’. 32
Afbeelding 14: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’
Het voorgenomen plan is strijdig met het vigerend bestemmingsplan. Het perceel is voorzien van een woonbestemming met de aanduiding ‘maximaal aantal wooneenheden: 7’. Thans zijn binnen deze aanduiding al 7 wooneenheden aanwezig, waardoor het toevoegen van wooneenheden in de woonboerderijen juridisch-planologisch niet mogelijk is. Tevens kan het achterliggende bedrijfsterrein vanwege de bedrijfsbestemming juridisch-planologisch niet gebruikt worden als achtertuin.
3.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • Het onderhavige plan zorgt voor behoud van de karakteristieke woonboerderijen en in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; • Vanuit jurisprudentie in dit geval geen sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' en is toetsing aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' niet van toepassing; • Het onderhavige plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders; • Er is sprake van strijdigheid met het vigerend bestemmingsplan.
33
4
Verantwoording sectorale aspecten
Het bestemmingsplan omvat de percelen Noordzijde 100A, 101, 101A, 102, 103, 104, 105 en 106 te Noordeloos. Omdat het voorliggend bestemmingsplan uitsluitend voorziet in wijzigingen op de percelen Noordzijde 103 en 104, zijn de overige percelen in dit hoofdstuk verder buiten beschouwing gelaten.
4.1 Milieueffectrapportage Beleidskader In de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffect- beoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de toevoeging van twee wooneenheden binnen bestaande bebouwing. Tevens wordt het oppervlak aan bijgebouwen binnen het plangebied teruggebracht. Het ruimtebeslag en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is beperkt. Uit jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879) volgt dat er in dergelijke situaties geen sprake is van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ als bedoeld in categorie D11.2 van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Gelet hierop kan ook ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling worden aangenomen dat categorie D11.2 niet van toepassing is.
Dit betekent dat er geen (vormvrije) m.e.r.-beoordeling verplicht is. Conclusie Een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is niet verplicht en kan derhalve achterwege gelaten worden.
34
4.2 Watertoets Beleidskader In het onderhavige plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen. Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen.
Verordening ‘de Keur’ Het waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de Keur is geregeld dat langs A- en Bwatergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Voor een A- en een B-watergang gelden in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een beschermingszone van 5 en 1 meter. Werkzaamheden binnen deze beschermingszones zijn vergunnings- en/of meldingsplichting.
35
C-watergang 046191
C-watergang 038651
A-watergang 000556 Afbeelding 15: Uitsnede legger wateren
In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere watergangen gelegen. De werkzaamheden vinden buiten de (beschermingszones van de) watergangen plaats. Met betrekking tot de watergangen hoeft geen watervergunning aangevraagd te worden bij het Waterschap Rivierenland. Onderzoek Voor het onderhavige plan is de digitale watertoets doorlopen (dossiercode 20201106-9-24710). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied OVW014. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,74 meter NAP en een winterpeil van –1,84 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.
36
Plangebied
Afbeelding 16: Uitsnede peilgebiedenkaart
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren. In het landelijk en stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2 respectievelijk 500 m2. Indien de toename aan verhard oppervlak groter is dan de vrijstelling, mag het vrijgestelde oppervlak in mindering worden gebracht.