Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan ‘Noordeloos, Nieuwendijk 6-I’
Tekst van het document
36
Waterkering Het plangebied is niet gelegen in een (beschermingszone van een) waterkering.
Afbeelding 16: Uitsnede legger waterkeringen
Wegbeheer Het plangebied wordt thans ontsloten middels een lange in- en uitrit op de Nieuwendijk. Een deel van deze inrit loopt over het perceel Nieuwendijk 6c. Hier geldt een recht van overpad. Middels het onderhavige plan zal deze situatie niet wijzigen. De Nieuwendijk is opgenomen als 15T-zone. Dat wil zeggen dat de Nieuwendijk gesloten is voor verkeer zwaarder dan 15 ton. Indien het voor de werkzaamheden noodzakelijk is om verkeer zwaarder dan 15 ton over deze wegen te laten plaatsvinden, dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenlanden. Conclusie Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
37
4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige objecten en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. De Wgh stelt dat alle wegen een geluidszone hebben, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-wegen. Conform artikel 74 lid 2 van de Wgh hoeft geen akoestisch onderzoek te worden verricht voor 30 km/h wegen. De wettelijke voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige objecten binnen de geluidszone van wegen bedraagt 48 dB, de maximaal te ontheffen geluidsbelasting bedraagt 53 dB in landelijk gebied en 63 dB in stedelijk gebied. Het plangebied ligt binnen de invloedsfeer van enkele wegen. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, waardoor deze bronnen buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Onderzoek Het onderhavige plan betreft de nieuwbouw van een woning.
In het kader van de Wgh is hiermee sprake van het realiseren van een nieuw geluidsgevoelig object en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Door Voortman Ingenieurs is dit onderzoek uitgevoerd. De conclusie van het onderzoek luidt: ‘Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat: • De berekende geluidbelasting ten gevolge van de N214 ten hoogste 52 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelasting is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB maar niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde voor wegverkeer in buitenstedelijk gebied van 53 dB; • De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Nieuwendijk, het Laantje en Grotewaard ten hoogste respectievelijk 26, 31 en 29 dB, incl. aftrek art. 110g Wgh bedraagt en niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer; • De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen ten hoogste 52 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; • De woning ter plaatse van de noord- een oostgevel over een geluidluwe gevel en buitenruimte beschikt en aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan. Een verzoek tot vaststelling voor de hogere waarde dient ingediend te worden bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Molenlanden.
Voor woningen waarvoor een hogere grenswaarde wordt aangevraagd dient voor de bouwaanvraag een aanvullend onderzoek geluidwering gevels uitgevoerd te worden om de karakteristieke geluidwering van de gevel te bepalen en te toetsen aan de wettelijke eisen uit het Bouwbesluit.’ 38
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen. Een verzoek tot vaststelling voor de hogere waarde dient ingediend te worden bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Molenlanden. Voor woningen waarvoor een hogere grenswaarde wordt aangevraagd dient voor de bouwaanvraag een aanvullend onderzoek geluidwering gevels uitgevoerd te worden om de karakteristieke geluidwering van de gevel te bepalen en te toetsen aan de wettelijke eisen uit het Bouwbesluit.
39
4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit Luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. Tabel 2: Grenswaarden Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide Jaargemiddelde 40 µg/m3 (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde 40 µg/m3 concentratie 24-uurgemiddelde Max. 35 keer p.j. concentratie meer dan 50 µg/m3 Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde 25 µg/m3 concentratie Voor roet gelden thans nog geen grenswaarden.
Geldig Vanaf 2015 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015
Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de Monitoring NSL 2021 het volgende overzicht voor het jaar 2020: • Een stikstofconcentratie van 18,2 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 16,3 µg PM10/m3, met minder dan 7 normoverschrijdingsdagen per jaar; • Een fijnstofconcentratie van 9,0 µg PM2,5/m3.
40
Voor het plangebied wordt geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan. Conclusie Het onderhavige plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Tevens wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
41
4.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.
Tabel 3: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) Milieucategorie Rustige woonwijk en Gemengd gebied rustig buitengebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Het onderhavige plan betreft de sloop van een burgerwoning en de realisatie van een nieuwe burgerwoning op een iets andere positie. Hiermee is sprake van het wijzigen van milieugevoelige objecten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele belemmeringen in de bedrijfsvoering van omliggende relevante bedrijven als gevolg van het onderhavige plan. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Ter plaatse van het onderhavige plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Naast woningen zijn andere functies als agrarische en kleinschalige bedrijvigheid aanwezig. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden worden gerechtvaardigd. De richtafstanden voor de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied mogen één afstandstrap worden verlaagd. In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende relevante bedrijven gevestigd.
42
Tabel 4: Omliggende bedrijven # Adres Functie 1 Nieuwendijk ong. 2 3 4 5
Nieuwendijk 10a Nieuwendijk 11 Noordzijde 1a Laantje 3B
6 Laantje 5B/5-II 7 Grotewaard 8a 8 Grotewaard 9 9 Grotewaard 9a
Bedrijfsbestemming Veldsportcomplex Rundveehouderij Religiegebouw Aannemersbedrijf >500 m² Hovenier > 500 m2 Bedrijfsbestemming Winkel Kantoor
Milieucat. Max. 2
Zwaarste richtafstand 10 meter
Werkelijke afstand 17 meter
3.1 3.2 2 3.1
30 meter 50 meter 10 meter 30 meter
18 meter 72 meter 39 meter 115 meter
3.1
30 meter
135 meter
Max. 2
10 meter
192 meter
1 1
0 meter 0 meter
150 meter 177 meter
#2: 18 meter #4: 39 meter #1: 18 meter
#3: 72 meter #7: 192 meter
#9: 177 meter #8: 150 meter #6: 135 meter
#5: 115 meter
Afbeelding 17: Afstanden omliggende bedrijven t.o.v. plangebied
De nieuwe woning voldoet aan de richtafstanden van omliggende bedrijven, behoudens het veldsportcomplex aan de Nieuwendijk 10a. De initiatiefnemer gaat zelf in de nieuwe woning wonen en is op de hoogte dat zijn woning binnen de richtafstand uit het VNG-Handboek voor geluid van het veldsportcomplex wordt gerealiseerd en heeft hier geen bezwaren tegen. Omdat de afstanden als genoemd in het VNG-Handboek richtafstanden betreffen, kan – los van het feit dat de initiatiefnemer geen bezwaren heeft – gemotiveerd afgeweken worden van deze richtafstanden. Voor een veldsportcomplex gelden de volgende richtafstanden in gemengd gebied.
43
Tabel 5: Richtafstanden veldsportcomplex in gemengd gebied (bron: VNGhandreiking Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) Geur Stof Geluid Gevaar 0 meter 0 meter 30 meter 0 meter De nieuwe woning is uitsluitend gelegen binnen de richtafstand voor geluid van het veldsportcomplex. Bij een veldsportcomplex betreffen de maatgevende geluidsaspecten het trappen tegen een bal en het blazen op een scheidsrechterfluitje. Aangenomen wordt dat dergelijke activiteiten zich uitsluitend op een sportveld plaatsvinden. Het plangebied grenst aan de achterzijde aan het trainingsveld van pupillen. Pupillen trappen nog niet hard tegen een bal en er wordt geen gebruik gemaakt van een scheidsrechterfluitje. Derhalve voorziet dit deel niet in een maatgevende geluidproductie. De maatgevende geluidproductie vindt plaats op het hoofdveld van het veldsportcomplex waar onder andere senioren voetbalwedstrijden spelen welke begeleid worden door scheidsrechters. De afstand van de woning tot het veldsportcomplex dient derhalve gemeten te worden vanaf de gronden waar het nieuwe bestemmingsplan de nieuwe woning (het milieugevoelig object) mogelijk maakt tot het hoofdveld (de milieubelastende functie). De nieuwe woning mag conform de regels van het onderhavige bestemmingsplan uitsluitend binnen het bouwvlak plaatsvinden.
Het bouwvlak is op een grotere afstand dan 30 meter ten opzichte van het hoofdveld gelegen, waardoor wordt voldaan aan de richtafstand voor geluid. Tevens wordt de woning Nieuwendijk 6-I (milieugevoelig object) verder van het veldsportcomplex gerealiseerd, waardoor wordt geconcludeerd dat het plan voorziet in een verbeterde situatie in het kader van bedrijven- en milieuhinder. Derhalve wordt geconcludeerd dat het veldsportcomplex niet (verder) wordt belemmerd door het plan en ter plaatse van de nieuw te bouwen woning sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.
44
64 meter
Woning (milieugevoelig object) mag uitsluitend binnen bouwvlak gerealiseerd worden Afbeelding 18: Afstand bouwvlak tot hoofdveld
Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat voldaan wordt aan de gestelde richtafstanden. Gesteld kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en omliggende milieubelastende functies niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.
45
4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij de invloed van de externe veiligheid wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico’s door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico’s door stationaire (inrichtingsgebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico’s door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de wet milieubeheer. Naast het plaatsgebonden risico wordt ook gekeken naar het groepsrisico. De normen worden weergegeven door middel van risicocontouren. Onderzoek Invloed van stationaire bronnen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken en LPG-tankstations. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij huizen, ziekenhuizen, scholen of winkels.
Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Het besluit is, op enkele onderdelen na, op 27 oktober 2004 in werking getreden. Nieuwe kwetsbare objecten mogen niet worden gerealiseerd in gebieden waar sprake is van een plaatsgebonden risico van meer dan 10-6 per jaar. Voor het PR geldt als norm dat dit kleiner dan 10-6 per jaar moet zijn. De kans per jaar dat één persoon, die op een bepaalde plaats verblijft, komt te overlijden door een ongeval van het vervoer van gevaarlijke stoffen moet kleiner zijn dan 1 op 1 miljoen. Ook het vaststellen van een bestemmingsplan geldt als een nieuwe situatie, waarbij voldaan moet worden aan de eisen uit het Bevi. Concreet betekent dit dat kwetsbare objecten binnen de 10-6 per jaar contour niet zijn toegestaan. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden toegestaan. Wanneer zich binnen de 10-6 per jaar contour kwetsbare objecten kan een bestemmingsplan worden vastgesteld mits er zodanige voorschriften aan het besluit zijn verbonden dan wel er een traject van wijziging van de milieuvergunning is ingezet, zodat binnen 3 jaar na vaststelling van het besluit voldaan wordt aan de grenswaarde (artikel 8 lid 3 Bevi).
Wel dient in de tussentijd voldaan te worden aan de grenswaarde van 10-5 per jaar. Naast Bevi-inrichtingen zijn er ook inrichtingen die niet onder het Bevi vallen, maar waar wel opslag van risicovolle stoffen plaatsvindt. Regulering van de risico- aspecten die samenhangen met de opslag van deze stoffen vindt plaats middels het Activiteitenbesluit dan wel de WM vergunning. Een belangrijke richtlijn voor opslag en gebruik vormen de zogenaamde PGS richtlijnen. De PGS richtlijnen beschrijven de eisen voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu kan worden bereikt. 46
Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvinden en/of inrichtingen waar werkzaamheden met gevaarlijke stoffen plaatsvinden die een bedreiging kunnen vormen voor het onderhavige plan. Invloed transport gevaarlijke stoffen – buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. Er zijn geen relevante buisleidingen in de directe omgeving gelegen. Invloed transport gevaarlijke stoffen – transportroutes Het Besluit externe veiligheid transportroutes, per 1 april 2015 van kracht, stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Wegverkeer Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen het aandachtsgebied van 200 meter van hoofdwegen moet rekening gehouden te worden met het groepsrisico. Dit betekent dat bij ruimtelijke ontwikkelingen langs hoofdwegen gekeken moet worden naar lokale veiligheidsaspecten en de mogelijkheden om het groepsrisico te beperken. Tevens dient men rekening te houden met de effecten van een ongeluk met zeer brandbare vloeistoffen.
Hiervoor is in het Basisnet Weg een zone van 30 meter opgenomen langs provinciale wegen. Dit gebied is aangeduid als Plasbrand Aandacht Gebied (PAG). Binnen deze zone is bouwen mogelijk in afweging met de gemeente op basis van de lokale situatie. Het plangebied is ten noorden van de N214 gelegen op een afstand van ca. 76 meter en hiermee binnen het aandachtsgebied van 200 meter. Voor de N214 geldt geen plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) en het plangebied is gelegen buiten het PAG. Het onderhavige plan betreft de sloop van een woning en de nieuwbouw van een woning. Gezien de kleinschaligheid van het plan en de bevolkingsdichtheid niet toeneemt, zijn er geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de provinciale weg te verwachten. Ten aanzien van zelfredzaamheid bij calamiteiten is het advies om binnen te blijven. Men heeft tevens voldoende mogelijkheden om van de bron af te vluchten. Hulpdiensten hebben tevens voldoende ruimte om de ramp te bestrijden en eventuele gevaarlijke stoffen op te ruimen. Een nadere beschouwing van het groepsrisico is niet noodzakelijk. Spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Vaarwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen. 47
Plangebied
ca. 76 m
Afbeelding 19: Uitsnede Risicokaart
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
48
4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. De droogweerafvoer (DWA) kan op de bestaande huisaansluiting aangesloten worden. De hemelwaterafvoer (HWA) zal rechtstreeks afvoeren op de nabijgelegen watergang. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een KLIC-melding te worden gedaan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
49
4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het plan voorziet in het slopen van een verouderde woning en de bouw van een nieuwe woning. Hiermee is sprake van werkzaamheden die in het kader van ecologie bedreigend kunnen zijn voor verblijfplaatsen van beschermde plant- en diersoorten. Derhalve is door Adviesbureau Mertens B.V. een ecologische quickscan uitgevoerd. De conclusie uit de quickscan luidt: ‘In verband met de mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels in het plangebied is het noodzakelijk om de werkzaamheden te starten buiten het broedseizoen of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken en / of buiten broedseizoen rooien en slopen). Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen.
Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in de Provincie Zuid-Holland. Om de rugstreeppad zich niet te laten vestigen in het plangebied gedurende de aanlegfase, is het van belang om het ontstaan van waterplassen op het land te voorkomen. Verder is er een kans op het voorkomen verblijfplaatsen van vleermuizen en nesten van de huismus en de gierzwaluw, vogelsoorten met vaste rust- en verblijfplaatsen. Effecten kunnen dan ook niet worden uitgesloten op deze diersoorten. Op grond hiervan wordt geadviseerd om een gerichte veldinventarisatie uit te voeren naar het voorkomen van vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen. Pas na afronding van deze inventarisatie kan worden bepaald of verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden en of ontheffing van de Wet natuurbescherming is vereist. De onderzoeksperiode is april t/m september waarbij meerdere onderzoeksronden moeten worden afgelegd in deze periode. De zorgplicht blijft onverkort van kracht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats.
Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Voor- en gedurende de uitvoering dient hierbij rekening gehouden te worden.’
50
Naar aanleiding van de ecologische quickscan is een aanvullend ecologisch onderzoek naar vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen uitgevoerd. Omdat Adviesbureau Mertens B.V. qua planning al vol zat en derhalve het aanvullend onderzoek niet in hetzelfde jaar kon uitvoeren, is het aanvullend onderzoek door een ander gecertificeerd ecologisch adviesbureau uitgevoerd. Door Sucedo Consultancy is een ecologisch vervolgonderzoek naar vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen uitgevoerd. De conclusie uit dit vervolgonderzoek luidt: ‘Er is tijdens de quick scan aangegeven dat er potentieel beschermde gebouwbewonende diersoorten in en rondom het gebouw op de Nieuwendijk 6-I te Noordeloos aanwezig kunnen zijn. Op basis hiervan is er een veldinventarisatie gehouden met als doelsoorten de huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Deze inventarisaties zijn uitgevoerd aan de hand van de in Nederland geldende Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet Natuurbescherming (2017) en het Vleermuisprotocol (2021) Voor de aanwezigheid van de huismus kan op basis van de gevonden resultaten aangegeven worden dat dit soort niet aanwezig is en in conflict komt met de Wet natuurbescherming. Dit geld ook voor de gierzwaluw die ook hier niet aanwezig is om in conflict te komen met de Wet natuurbescherming. Uit resultaten is te zien dat er gewone dwergvleermuizen zijn waargenomen.
Echter gaat het hier om een doorvliegroute met minimaal foerageergedrag in een zeer korte periode. Verder is er geen bewijs gevonden dat deze gewone dwergvleermuizen gebruik maken van of rondom het bestaande gebouw. Op basis van deze resultaten kan er aangegeven worden dat de sloop en het plan voor de nieuwbouw woning niet in conflict zijn met de Wet natuurbescherming. Verder is er tijdens de inventarisatie gekeken naar andere beschermde dier- of plantsoorten, maar deze zijn op of rondom het plangebied niet aangetroffen. Kort samengevat betekent dat er op het plangebied geen conflict is met dier- en plantsoorten die beschermd zijn door de Wet natuurbescherming. Ondanks dat er niks geconstateerd is, heeft men te allen tijde te maken met de zorgplicht. Dit betekent dat wanneer er bij de werkzaamheden beschermde soorten worden aangetroffen, hier altijd rekening gehouden moet worden. Dit kan in sommige gevallen het proces vertragen of tijdelijk stil leggen. Bij een complexe situatie is het inschakelen van een expert altijd gewenst.’ Naar aanleiding van de ecologische onderzoeken wordt geconcludeerd dat de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Het aspect ecologie vormt geen belemmering. Conclusie Naar aanleiding van de ecologische onderzoeken wordt geconcludeerd dat de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
Wel dient ten allen tijde rekening te worden gehouden met de zorgplicht. Het aspect ecologie vormt geen belemmering.
51
4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het beoogde woongebruik is door Dordrecht Research een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De conclusies van het onderzoek luiden: ‘Op grond van de beschikbare gegevens (historische gegevens, zintuiglijke waarnemingen gedaan tijdens het veldwerk en de analyseresultaten) wordt het volgende geconcludeerd: • Globaal ten oosten van het toegangspad bevindt zich een gedempte sloot. De bovenste 70 cm. van het dempingsmateriaal betreft matig grof zand met sterk baksteen en puin. Het materiaal is plaatselijk sterk verontreinigd met PAK en koper.
Er dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging omdat de sloot een lengte van ca. 35 meter heeft en een breedte van 2 meter. Hierdoor is niet uitgesloten dat de hoeveelheid verontreinigde grond meer dan 25 m3 bedraagt waardoor er sprake is van overschrijding van het hoeveelheidscriterium uit de Wet Bodembescherming. Nader onderzoek is daarom noodzakelijk. De betreffende bodemlaag is niet asbesthoudend. • In de ondergrond ter plaatse van het pad zijn lichte verontreinigingen vastgesteld met zware metalen en PAK. De verontreiniging is dermate gering dat er geen nader onderzoek noodzakelijk is. • Het pad is opgebouwd uit puin en grind en is niet asbesthoudend. • Ter plaatse van overige terrein is in de toplaag een verhoogd gehalte aan PFOA vastgesteld waardoor de grond niet als hergebruiksmateriaal buiten de locatie kan worden toegepast. Er zijn geen overige verontreinigingen in de grond vastgesteld. • Het grondwater is licht verontreinigd met barium, molybdeen en naftaleen. De mate van de verontreinigingen zijn dermate gering dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. Gelet op de resultaten van het onderzoek zijn er ten aanzien van de bodemkwaliteit van het bouwterrein geen belemmeringen voor realisatie van de voorgenomen bouwplannen.
Echter dient buiten het bouwvlak ter plaatse van de gedempte sloot ten oosten van het toegangspad nader onderzoek uitgevoerd te worden ten aanzien van de vastgestelde verontreinigingen met koper en PAK. 52
Er dient rekening mee gehouden worden dat afvoer van grond tot buiten de locatie problemen met zich mee kan brengen doordat de grond als niet toepasbaar dient te worden beschouwd gelet op het verhoogde gehalte aan PFOA.’ Conclusie Ter plaatse van het nieuwe woonperceel ondervindt het plan voor wat betreft de bodemkwaliteit geen belemmeringen. Direct ten oosten van de oprit bevindt zich een gedempte sloot met sterke verontreiniging van PAK en koper. Omdat hier geen (graaf)werkzaamheden plaatsvinden wordt aanvullend onderzoek niet nodig geacht. Tenslotte dient vrijkomende grond op het eigen perceel toegepast te worden vanwege de verhoogde gehalte PFOA.
53
4.10 Archeologie en cultuurhistorie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. De Erfgoedwet maakt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument. Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden.
Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Archeologie Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Molenlanden is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een hoge verwachting aan of nabij het oppervlak (roodbruin). Bij ingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 30 is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
54
Afbeelding 20: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
Het plan voorziet in het slopen van het bestaande gebouw. Het betreft een volledig houten woning, licht van gewicht. De woning is voorzien van een houten vloer die op gemetselde poeren met een voetplaat is gerealiseerd. De houten begane grondvloer ligt circa 30 tot 40 cm boven maaiveld. Bij het slopen van dit gebouw wordt dus niet in de bodem geroerd, behoudens ter plaatse van de gemetselde poeren. Het verwijderen van de poeren heeft archeologisch echter geen negatief effect, omdat de bodem ter plaatse van de poeren reeds geroerd is.
55
Afbeelding 21: Houten vloer van de woning op gemetselde poeren met voetplaat
Verder wordt met het plan een nieuwe woning met bijgebouw gerealiseerd. De woning dient volgens de regels van dit plan binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden. Het bouwvlak heeft een oppervlak van 158 m². Daarnaast kunnen er nog 75 m² aan bijgebouwen toegestaan. Per saldo zal de bodem dus met maximaal 233 m² geroerd kunnen worden. Daarmee voorziet het plan in bodemingrepen kleiner dan 250 m2. De verplichting tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek geldt hierdoor niet voor deze ontwikkeling. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is hiermee niet noodzakelijk en derhalve achterwege gelaten. Cultuurhistorie Het plangebied is buiten het beschermd stads- en dorpsgezicht van het dorp Noordeloos gelegen.
56
Plangebied
Afbeelding 22: Uitsnede kaart Beschermde Stads- en Dorpsgezichten
Het plangebied maakt wel onderdeel uit van de cultuurhistorische lintbebouwing langs de Nieuwendijk. Waar normaliter de hoofdgebouwen in de eerste bebouwingslijn worden gerealiseerd, is de bestaande woning binnen het plangebied achter de eerste bebouwingslijn gebouwd. Het plan voorziet in de sloop en nieuwbouw van de woning. De nieuwe woning zal qua kleur, materiaalgebruik, architectuur, opzet en uitstraling beter aansluiten bij de uitstraling van de overige gebouwen langs het lint en de karakteristieken van de omgeving. Daarmee voorziet het plan in een verbetering van de cultuurhistorische kenmerken van de omgeving. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk eventuele archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 4’ overgenomen uit het vigerend bestemmingsplan.
57
4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De initiatiefnemer is bewust van deze gemeentelijke ambitie en doet onderzoek naar de mogelijkheden voor duurzame energiebronnen. De nieuwe woning wordt geïsoleerd conform het vigerend bouwbesluit en zal voldoen aan de meest recente duurzaamheidseisen. Daarnaast wordt door de sloop van de in slechte staat zijnde woning en de bouw van een nieuwe woning een toekomstbestendige, en daarmee ook een duurzamere, situatie gecreëerd. Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. Wateroverlast door overvloedige neerslag Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien op te kunnen vangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt.
Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem. Het plan betreft een kleinschalige ontwikkeling. Er vinden geen ingrepen aan de watergangen plaats. Een groot deel van het plangebied blijft groen waarmee hemelwater in de bodem kan infiltreren. Hiermee is voldoende waterberging aanwezig om zware regenbuiten te kunnen opvangen. Daarnaast kan het hemelwater gemakkelijk afgevoerd worden naar de aangrenzende watergang. Het belang van groene tuinen wordt bij de initiatiefnemer onder de aandacht gebracht. Overstroming Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. Het plangebied is binnendijks gelegen, waardoor de locatie door nationale en regionale waterkeringen is beschermd. Hitte Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van de woning rekening gehouden met de accumulatie van warmte. Het plan voorziet uitsluitend in het realiseren van een woning. Het aspect hittestress is bij de initiatiefnemer onder de aandacht gebracht. Mogelijk dat in de nieuwe woning een installatie wordt geïnstalleerd die naast verwarmen ook kan koelen. Daarnaast is er een bouwkundige maatregel getroffen om een hoge binnentemperatuur in de woning tegen te gaan (als gevolg van langdurige hitte) door een dakoverstek (à 3 m lang) te creëren. 58
Droogte Omdat het steeds droger wordt, zal de bodem sneller verdroogt raken. Het aspect droogte is bij de initiatiefnemer onder de aandacht gebracht. De initiatiefnemer overweegt om een regenton toe te passen, zodat hemelwater opgevangen en vastgehouden kan worden. Indien houtstructuren of planten door droogte een gebrek aan water hebben, kan het opgevangen hemelwater gebruikt worden om de bodem te hydrateren. De beplanting kan zodoende blijven voorzien in het afbreken van CO2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier.
59
5
Juridische planbeschrijving
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Noordeloos, Nieuwendijk 6-I’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Noordeloos, Nieuwendijk 6-I’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Noordeloos, Nieuwendijk 6-I’ is aangesloten bij de bestemmingsplannen ‘Dorpskern Noordeloos’, ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’ en ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’. De regels bestaan uit 4 hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangsen slotregels aan de orde komen.
5.3 Bestemmingen Tuin De tuinbestemming op het voorerf blijft behouden. Tevens wordt een deel van het achtererf gewijzigd van Wonen naar Tuin. Ten westen van de woning wordt de bestemming Bedrijf gewijzigd naar Tuin, zodat er in het kader van bedrijven en milieuzonering een betere situatie ontstaat. De vracht- en verkoopwagen wordt hier tevens geparkeerd (ter plaatse van de voormalige bedrijfsbestemming). Om dit juridisch-planologisch te borgen is de aanduiding ‘specifieke vorm van tuin – parkeren’ opgenomen. In de regels is opgenomen dat ter plaatse van deze aanduiding maximaal 1 vrachtwagen geparkeerd mag worden. Wonen Ten behoeve van de nieuwe woning en bijbehorend woonerf wordt de huidige woonbestemming 5 meter richting het zuiden uitgebreid. Het bestaande bouwvlak wordt daarbij tevens verschoven. Daarnaast wordt een separaat woonbestemmingsvlak opgenomen op het perceel Nieuwendijk 6c. Zodoende is er sprake van twee separate woonpercelen (6c en 6-I) 60
Waarde – Archeologie 4 De dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 4' is mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in de bodem.
5.4 Aanduidingen • • •
Bouwvlak; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van tuin – parkeren’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 1’.
61