CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan ‘Noordeloos, Nieuwendijk 6-I’

Raadsvergadering 18 oktober 2022, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Nieuwendijk 6-l, Noordeloos14.179 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting bestemmingsplan ‘Noordeloos, Nieuwendijk 6-I’

Toelichting bestemmingsplan ‘Noordeloos, Nieuwendijk 6-I’

Identificatie NL.IMRO.1978.BPnieuwendijk6INDL-VG01 Datum 20-10-2021 Planstatus Vastgesteld Versie 1.3

2

Inhoud 1

2

3

4

Inleiding ....................................................................................................................................... 5 1.1

Inleiding ..................................................................................................... 5

1.2

Kader .......................................................................................................... 6

1.3

Maatschappelijk resultaat ........................................................................... 7

1.4

Maatschappelijk draagvlak .......................................................................... 7

1.5

Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid.............................. 8

1.6

Communicatie ............................................................................................ 8

1.7

Realisatie .................................................................................................... 8

1.8

Leeswijzer................................................................................................... 8

Planbeschrijving ....................................................................................................................... 9 2.1

Bestaande situatie ....................................................................................... 9

2.2

Nieuwe situatie ......................................................................................... 12

Verantwoording beleidskader ......................................................................................... 15 3.1

Rijksbeleid ................................................................................................ 15

3.2

Provinciaal beleid ...................................................................................... 17

3.3

Regionaal beleid ....................................................................................... 24

3.4

Gemeentelijk beleid .................................................................................. 26

3.5

Conclusie .................................................................................................. 29

Verantwoording sectorale aspecten ............................................................................. 30 4.1

Milieueffectrapportage .............................................................................. 30

4.2

Watertoets ................................................................................................ 32

4.3

Geluid ....................................................................................................... 38

4.4

Luchtkwaliteit ........................................................................................... 40

4.5

Bedrijven- en milieuhinder ........................................................................ 42

4.6

Externe veiligheid ..................................................................................... 46

4.7

Kabels en leidingen................................................................................... 49

4.8

Ecologie .................................................................................................... 50

4.9

Bodem ...................................................................................................... 52

4.10 Archeologie en cultuurhistorie .................................................................. 54 4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie ........................................................... 58 5

Juridische planbeschrijving .............................................................................................. 60 5.1

Inleiding ................................................................................................... 60

5.2

Systematiek van de regels ......................................................................... 60

5.3

Bestemmingen .......................................................................................... 60

5.4

Aanduidingen ........................................................................................... 61 3

Bijlage 1

Omschrijving Inrichtingsschets

2

Digitale watertoets

3

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Quickscan beschermde planten- en diersoorten Ecologisch vervolgonderzoek Verkennend bodemonderzoek

4

5 6

Auteur Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten Waterschap Rivierenland Voortman Ingenieurs

Referentie Nieuwendijk 6-i

Datum 07-06-2021

20210503-926336 R-JVO/1702

03-05-2021 21-06-2021

Adviesbureau Mertens 2021.3880 B.V.

Mei 2021

Sudeco Consultancy

28-07-2021

Dordrecht Research

Nieuwendijk 6-I te Noordeloos 210271

06-04-2021

4

1

Inleiding

1.1 Inleiding 1.1.1 Aanleiding Het perceel Nieuwendijk 6-I te Noordeloos betreft een woonperceel waarop een sterk verouderde woning is gelegen. Het perceel is tevens voorzien van een lange oprit. De initiatiefnemer heeft onlangs het perceel gekocht, mede vanwege de lange oprit. De initiatiefnemer is namelijk een lokale ondernemer die voor zijn bedrijf (bakkerij ‘t Stoepje) een vracht- en verkoopwagen heeft die hij graag wil parkeren nabij zijn woning. Gezien de zeer slechte bouwkundige staat van de woning is het onrealistisch om de woning te behouden en te verbouwen. De nieuwe eigenaar is voornemens de woning te saneren en een nieuwe woning te realiseren. De woning is nu erg in de hoek van het perceel gebouwd. Dit zorgt ervoor dat er rondom de woning geen ruimte is om een tuin te creëren. Hoewel er aan de voorzijde van de woning een groot deel van het perceel als tuin is aangemerkt, is dit niet de plaats waar men de privacy van een tuin kan ervaren. Om die reden is ervoor gekozen om de nieuwe woning 5 meter verder richting het zuiden (en iets richting het westen) te situeren, zodat er een achtertuin ontstaat. Het voorgenomen plan is echter in strijd met het vigerend bestemmingsplan ‘Dorpskern Noordeloos’, vastgesteld op 24 september 2015 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Giessenlanden. Een deel van de nieuwe woning wordt gerealiseerd op de bestemming ‘Tuin’.

Binnen deze bestemming zijn woningen niet toegestaan. Middels een principeverzoek is het voorgenomen plan voorgelegd aan de gemeente Molenlanden. In de collegevergadering van 13 april 2021 heeft het college besloten in principe medewerking te verlenen aan het initiatief middels een bestemmingsplanprocedure. 1.1.2 Plangebied Het plangebied betreft het gehele perceel Nieuwendijk 6-I te Noordeloos, kadastraal bekend gemeente Noordeloos, sectie C, nummer 948 en een deel van het perceel Nieuwendijk 6c, kadastraal bekend gemeente Noordeloos, sectie C, nummer 947. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door het sportcomplex van S.V. Noordeloos. Aan de oostzijde wordt het plangebied gegrensd door een stuk open weiland welke vervolgens direct wordt opgevolgd door de Christelijk Gereformeerde Kerk Noordeloos. In het zuiden door de percelen Nieuwendijk 5 en 6 en de openbare weg Nieuwendijk. Het plangebied wordt tenslotte aan de westzijde begrensd door een bedrijfsperceel.

5

Afbeelding 1: Begrenzing plangebied

1.1.3 Belang De gemeente Molenlanden geeft toestemming aan ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied wanneer er sprake is van een aangetoonde verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Het plan voorziet in de sloop van een verouderde woning die vanwege de slechte bouwkundige staat niet meer behouden kan worden. Met het plan wordt het mogelijk gemaakt om de woning te slopen en een nieuwe burgerwoning, welke zal voldoen aan de meest recente bouw- en duurzaamheidseisen, te realiseren. Daarmee wordt verdere veroudering van de woning en daarmee verpaupering en aantasting van de ruimtelijke kwaliteit voorkomen.

1.2 Kader Bestemmingsplan ‘Dorpskern Noordeloos’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Dorpskern Noordeloos’, dat door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Giessenlanden is vastgesteld op 24 september 2015. Het plangebied heeft hierin de enkelbestemmingen: • Bedrijf; • Tuin; • Wonen. De dubbelbestemming: • Waarde – Archeologie – 4.

6

En de aanduidingen: • Bouwvlak; • Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 1’; • Maatvoeringsaanduiding ‘maximum goothoogte: 6 m’

Afbeelding 2: Uitsnede bestemmingsplan ‘Dorpskern Noordeloos’

1.3 Maatschappelijk resultaat Met de vaststelling van het bestemmingsplan wordt een nieuwe, geactualiseerde en gedigitaliseerde juridische regeling geboden. Middels het onderhavige bestemmingsplan wordt het juridisch-planologisch mogelijk gemaakt om de huidige woning te slopen en 5 meter verder richting het zuiden een nieuwe woning te realiseren.

1.4 Maatschappelijk draagvlak Participatie In het kader van een goede ruimtelijke ordening en een goede relatie met de directe buren is het plan reeds besproken met de directe omgeving (Nieuwendijk 5, 6, 6c en 8). De buren zijn geïnformeerd en hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het plan. Vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar

7

overlegpartners. In het kader van het vooroverleg wordt het plan opgestuurd naar de provincie Zuid-Holland en het waterschap Rivierenland. Zienswijzen Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken zijn gedurende zes weken ter inzage gelegen, waarbij eenieder in de gelegenheid is gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Desgevraagd kon ook een mondelinge zienswijze gegeven worden. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

1.5 Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente is een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer getekend waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

1.6 Communicatie Er wordt op de wettelijke manier gecommuniceerd over de te voeren procedure (via het Kontakt en het digitale Gemeenteblad).

1.7 Realisatie Wanneer na vaststelling van het bestemmingsplan geen beroep wordt ingediend, is het bestemmingsplan na de beroepstermijn onherroepelijk. De omgevingsvergunning voor het plan kan dan worden aangevraagd.

1.8 Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van de planontwikkeling zijn beschreven: • • • •

Hoofdstuk 2: Planbeschrijving; Hoofdstuk 3: Verantwoording beleidskader; Hoofdstuk 4: Verantwoording sectorale aspecten; Hoofdstuk 5: Juridische planbeschrijving.

8

2

Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie 2.1.1 Ontstaansgeschiedenis en stedenbouwkundige structuur De kern van Noordeloos is gelegen langs een natuurlijk veenriviertje, genaamd de Noordeloos. Vanuit de klei houdende stroomrug langs dit riviertje is het oorspronkelijke dorpje ontstaan. Deze hoger gelegen stroomruggen waren namelijk droger en beter van ondergrond om op te bouwen. Vanuit het dorp heeft men het achterliggende polderlandschap ontgonnen, iets wat goed te zien is in de huidige ligging van de slagen in het landschap. Het centrum van Noordeloos kenmerkt zich door een dichte, soms stedelijke bebouwingsdichtheid. Rond de kerk is van oudsher een concentratie aan bebouwing ontstaan. Anno 2020/2021 is de kern door latere uitbreiding, daterend uit de 20e eeuw, zowel aan de noord- als de zuidzijde omsloten. Ondanks de latere uitbreidingen wordt het dorpsbeeld grotendeels bepaald door met name monumentale boerderijen. Het dorp Noordeloos is daarmee een karakteristiek voorbeeld van een nederzettingsvorm die rechtstreeks is ontstaan uit de wijze van ontginnen in de Middeleeuwen in een groot deel van het Holland Utrechtse veengebied. De ruimtelijke structuur van de kern Noordeloos is in hoofdlijnen nagenoeg onveranderd gebleven. De locatie Nieuwendijk 6-I is gelegen aan de rand van het dorp Noordeloos, enigszins verscholen achter het bebouwingslint aan de Nieuwendijk.

De stedenbouwkundige structuur in de directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich door grotere bouwensembles met open ruimtes ertussen. De historische lintbebouwing kenmerkt zich door een verscheidenheid aan functies (woningen en bedrijvigheid door elkaar) en de afwisseling van (grotere) cultuurhistorisch waardevolle (woon)boerderijen, vervangende vrijstaande nieuwbouwwoningen en (kleinere) geschakelde (arbeiders)huizen. De bebouwing langs de Nieuwendijk, zowel de traditionele bebouwing als de latere nieuwbouw, heeft overwegend een traditionele landelijke uitstraling. De gebruikte bouwmaterialen zijn bij zowel de traditionele bebouwing als de latere nieuwbouw overwegend traditioneel. De gebruikte kleuren zijn ingetogen en in harmonie met het omliggende landschap.

9

Bestaande woning Afbeelding 3: Aanzicht bestaande woning achter lintbebouwing

2.1.2 Huidige status/gebruik De gebouwde woning op het perceel Nieuwendijk 6-I te Noordeloos is zeer verouderd. De aanwezige woning is verouderd en bevindt zich in een slechte bouwkundige staat. Ten zuiden van de woning bevindt zich de tuin. Omdat de woning helemaal achterop het perceel is gerealiseerd, is er vrijwel geen sprake van een achtertuin. Het perceel is verder voorzien van een lange oprit welke ontsluit op de Nieuwendijk. Het naastgelegen gebouw Nieuwendijk 6c maakt tevens gebruik van deze oprit.

Afbeelding 4: Schetsontwerp bestaande situatie

10

Afbeelding 5: Zicht op de verouderde woning

Afbeelding 6: Lange oprit naar de Nieuwendijk

11

2.2 Nieuwe situatie 2.2.1 Plan Het perceel Nieuwendijk 6-I te Noordeloos betreft een woonperceel waarop een sterk verouderde woning is gelegen. Het perceel is tevens voorzien van een lange oprit. De initiatiefnemer heeft onlangs het perceel gekocht, mede vanwege de lange oprit. De initiatiefnemer is namelijk een lokale ondernemer die voor zijn bedrijf (bakkerij ‘t Stoepje) een vracht- en verkoopwagen heeft die hij graag wil parkeren nabij zijn woning. Gezien de zeer slechte bouwkundige staat van de woning is het onrealistisch om de woning te behouden en te verbouwen. Het plan voorziet daarom in de sloop van de woning en het realiseren van een nieuwe woning met bijgebouw. Om te komen tot een ‘luchtere’ opzet van het perceel en om een achtertuin te creëren, wordt de nieuwe woning 5 meter verder naar het zuiden gerealiseerd. Het plan voorziet daarnaast in het wijzigen van een bedrijfsbestemming naar een tuinbestemming. Ter plaatse wordt het mogelijk gemaakt dat de vracht- en verkoopwagen van de initiatiefnemer geparkeerd kan worden.

Afbeelding 7: Schetsontwerp nieuwe situatie

Het gebouw Nieuwendijk 6c maakt geen onderdeel uit van het perceel Nieuwendijk 6-I, maar is wel opgenomen in het bestemmingsplan. De reden hiervoor is dat het bouwvlak op de gronden van Nieuwendijk 6c verwijderd moest worden. Omdat destijds voor het gebouw Nieuwendijk 6c een vergunning is verleend, komt dit gebouw te vallen onder het overgangsrecht. Voor de percelen Nieuwendijk 6c en Nieuwendijk 6-I zijn separate woonbestemmingen opgenomen. Zodoende betreffen het twee afzonderlijke woonpercelen.

12

Zodoende is het bestaande gebouw Nieuwendijk 6c juridisch-planologisch toegestaan en is op het woonperceel Nieuwendijk 6-I een nieuwe woning met bijgebouwen toegestaan. Met betrekking tot de regels is aangesloten bij de vigerende bestemmingsplannen ‘Dorpskern Noordeloos’, ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’ en ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’. 2.2.2 Ontsluiting en parkeren Ontsluiting Het perceel wordt thans ontsloten middels een lange oprit op de Nieuwendijk. De woning Nieuwendijk 6-I en het gebouw 6c maken gebruik van deze oprit. In de nieuwe situatie blijft dit ongewijzigd. Gebouw Nieuwendijk 6c

Nieuwendijk 6-I

Lange oprit naar Nieuwendijk

Afbeelding 8: Bestaande ontsluiting op de Nieuwendijk

Parkeren Voor de vaststelling van de parkeernorm is gebruik gemaakt van de Nota Parkeernormen Molenlanden 2020. De Nota gaat met betrekking tot het onderhavige plangebied uit van de stedelijkheidsgraad ‘niet stedelijk’ en de stedelijke zone ‘buitengebied’. Voor wat betreft de categorie wordt uitgegaan van het woontype ‘woning, koop, vrijstaand’. De Nota Parkeernormen Molenlanden 2020 gaat voor dergelijke woningen uit van een parkeerbehoefte van 2,4 parkeerplaatsen per woning. Op het perceel is ruim voldoende ruimte voor het parkeren van minimaal 3 personenauto’s. De initiatiefnemer heeft daarnaast als ondernemer een vracht- en verkoopwagen. Deze vracht- en verkoopwagen parkeert hij tevens op eigen terrein waar thans een bedrijfsbestemming is gelegen. Deze bedrijfsbestemming wordt gewijzigd naar een 13

tuinbestemming met een parkeeraanduiding voor de verkoopwagen. Er wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen Molenlanden 2020. De parkeerregeling uit het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’ is overgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. 2.2.3 Landschappelijk inrichtingsplan Om te voorzien in een goede landschappelijke inrichting wordt het plangebied landschappelijk ingericht. Door Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten is voor dit plan een inrichtingsplan opgesteld. Dit inrichtingsplan is vergroot toegevoegd in de bijlage van de toelichting.

Afbeelding 9: Landschappelijke inrichting

De landschappelijk inrichting voorziet in het aanbrengen van een nieuwe streekeigen beukhaag, parallel aan de bestaande beukhaag langs de ontsluitingsweg. Tevens wordt een nieuwe knotwilgenrij langs de ontsluitingsweg aangebracht, ter versterking van de landschappelijke hoofdstructuur en inpassing van de te parkeren bedrijfswagen met aanhanger. Daarmee wordt het parkeren voor een groot deel aan het zicht onttrokken vanaf de openbare weg. Aan de oostzijde van de nieuwe woningen bevindt zich een knotwilgenrij. Deze knotwilgenrij accentueert de lengtesloot en is kenmerkend voor het landschap in de Alblasserwaard. Deze knotwilgenrij blijft behouden. Het landschappelijk inpassingsplan wordt als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. Daarmee wordt verzekerd dat het inpassingsplan ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd en het plan daarmee voorziet in een goede landschappelijke inrichting.

14

3

Verantwoording beleidskader

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: • ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • duurzaam economisch groeipotentieel; • sterke en gezonde steden en regio's; • toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat er zowel maatregelen op korte termijn als maatregelen op lange termijn nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond. Het onderhavige plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het onderhavige plan is op rijksniveau kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro.

15

3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting op een ruimtelijk besluit voor nieuw te realiseren stedelijke ontwikkelingen bepaalde duurzaamheidsaspecten van het voornemen te motiveren. Per 1 juli 2017 is artikel 3.1.6 van de Bro op een aantal punten gewijzigd. In het geval in het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, dient de toelichting een beschrijving te bevatten van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmings- plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’.

Een in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Inmiddels biedt jurisprudentie een beoordelingskader van welke ontwikkelingen als nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ worden aangemerkt: ‘De bouw van één woning is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder (ABRvS 14 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:156). Ook een plan dat voorziet in de planologische inpassing van drie woningen is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3929). De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is tevens niet van toepassing op een ontwikkeling waarbij zes woningen mogelijk worden gemaakt (ABRVS 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013: 2471). Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS: 2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3).’ Toetsing aan ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ Het plan voorziet in de sloop van een woning en de bouw van een nieuwe woning. Per saldo worden er geen wooneenheden toegevoegd.

Er is geen sprake van een nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ waardoor toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk is.

16

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland. Het Omgevingsbeleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. Op 10 oktober 2020 is een herziening van de Omgevingsvisie ZuidHolland Koers 2020 gepubliceerd (ontwerp-Omgevingsvisie Zuid-Holland - Koers 2020). De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zeven richtinggevende ambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van ZuidHolland. 5.

Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Stedelijke ontwikkeling De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD).

Stedelijke ontwikkelingen die niet binnen BSD gerealiseerd kunnen worden en kleinschalige stedelijke ontwikkelingen, kunnen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op BSD of in bebouwingslinten. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen buiten BSD dient de Ladder voor duurzame 17

verstedelijking te worden doorlopen en dient het plan te voldoen aan het provinciaal beleid voor ruimtelijke kwaliteit. Stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 hectare buiten BSD dienen eerst door Provinciale Staten worden afgewogen en worden op de kaart ‘woningbouwlocaties, bedrijventerreinen en andere stedelijke ontwikkelingen’ (ook wel genoemd: ‘3 ha kaart’) gezet. Het onderhavige plan is niet gelegen binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, maar betreft wel een bestaand woonperceel waarop al een burgerwoning is gerealiseerd. Het plan voorziet in de sloop en nieuwbouw van een woning op hetzelfde perceel. Gezien het plan voorziet in de sloop van een verouderde en in een slechte bouwkundige staat bevindende woning en de bouw van een nieuwe woning die aan de meest recente bouw- en duurzaamheidseisen moet voldoen, is er sprake van het beter benutten en een betere invulling van een bestaand woonperceel. Ruimtelijke kwaliteit Gezien het sterke contrast tussen een dynamische stedelijke omgeving en open deltalandschappen in Zuid-Holland, is zorg voor de ruimtelijke kwaliteit in het bijzonder van belang. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde.

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De essentie van het ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten worden toegevoegd aan het gebied en de samenleving. Het plan zorgt ervoor dat de huidige verouderde woning vervangen wordt door een nieuwe burgerwoning. Hierdoor wordt een toekomstbestendige situatie gecreëerd om het perceel te blijven gebruiken voor het wonen. Daarbij wordt eventuele leegstand vanwege de slechte bouwkundige staat van de woning en daarmee verpaupering en aantasting van de ruimtelijke kwaliteit voorkomen. De nieuwe woning zal qua stijl en architectuur beter aansluiten bij de karakteristieken van het lint, waarmee sprake zal zijn van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Kwaliteitskaart De kwaliteitskaart is voor de provincie Zuid-Holland een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit.

De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen. De kwaliteitskaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De kwaliteitskaart biedt een middel om vroeg in het planproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. Het verbinden van nieuwe ontwikkelingen aan de bestaande gebiedskenmerken vormt hierbij uitgangspunt. Met betrekking tot de kwaliteitskaart is de laag van de ondergrond, de laag van cultuur- en natuurlandschappen en de laag van de stedelijke occupatie relevant. 18

Laag van de ondergrond Het onderhavige plangebied is gelegen in het gebied ‘rivierklei en veen’. Rivierklei en veen De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap. Voor ontwikkelingen in het gebied ‘rivierklei en veen’ heeft de provincie het volgende richtpunt vastgesteld: • Ontwikkelingen in het rivierengebied houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar.

Rivierklei en veen

Afbeelding 10: Uitsnede kwaliteitskaart – laag van de ondergrond

Het plan voorziet niet in ontwikkelingen die niet voldoen aan deze richtpunten. Laag van cultuur- en natuurlandschappen Het onderhavige plangebied is gelegen in het gebied ‘veen(weide)landschap’. Veen(weide)landschap De ruimtelijke structuur in het veen(weide)gebied wordt sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Haaks hierop staan de verkavelingspatronen. Kenmerkend voor het veenweidelandschap is de openheid van het gebied met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels omringd door sloten. Voor ontwikkelingen in het veenweidelandschap heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; 19

• • • •

Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders; Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar.

Veen(weide)landschap

Afbeelding 11: Uitsnede kwaliteitskaart – laag van cultuur- en natuurlandschappen

Het plan tast de diversiteit van verkavelingspatronen of kenmerkende landschapselementen niet aan. Het plan voorziet in het slopen van een woning en de bouw van de woning die qua uitstraling en opzet passend is in de omgeving. De nieuwe woning wordt geplaatst op een bestaand woonperceel. Laag van de stedelijke occupatie Het onderhavige plangebied is gelegen in het gebied ‘stads- en dorpsranden’. Stads- en dorpsranden De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij onderscheiden we drie typen ‘overgangskwaliteiten’. Het front, het contact en de overlap. Op de kaart vinden we de hoogwaardige en bijzondere fronten terug. Daar waar recreatiegebieden

20

voorkomen langs stads- of dorpsrand is veelal sprake van overlap. Uitgangspunt bij ontwikkelingen aan dorpsranden is de contactkwaliteit: 1. De kwaliteit van het front (contrast) Een scherpe rand tussen bebouwing en land, waarbij de bebouwing en landschap ‘met het gezicht naar elkaar’ zijn gekeerd. 2. Contactkwaliteit Bebouwd gebied en landschap zijn verbonden door zichtbare en begaanbare doorlopende structuren, zoals wegen, paden, dijken, lanen, linten of waterlopen. De structuur die stad en land verbindt, kan een herkenbare landschappelijke onderlegger hebben als een strandwal of rivier. 3. De kwaliteit in de overlap (‘contract’) Tussen bebouwd gebied en landschap is een geleidelijke overgang. Stedelijke en landelijke programma’s vloeien in elkaar over. Het zijn gebieden met een hybride uitstraling en betekenis: recreatiegebieden, sportvelden, volkstuincomplexen, golfbanen, enzovoorts. Voor ontwikkelingen in het ‘stads- en dorpsranden’ heeft de provincie het volgende richtpunt vastgesteld: • Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap).

Afbeelding 12: Uitsnede kwaliteitskaart – laag van de stedelijke occupatie

Het plangebied is gelegen aan de rand van Noordeloos, maar vanwege de aanwezigheid van het achtergelegen sportveld is het perceel reeds ingesloten en heeft het geen contact met het achtergelegen landschap. Hierdoor heeft het perceel geen betekenis om bij te dragen aan het realiseren van een rand met een passende omgevingskwaliteit. Het onderhavige plan sluit aan bij de kwaliteitskaart van de Omgevingsvisie ZuidHolland en aan de richtpunten voor ontwikkelingen in de gebieden ‘rivierklei en

21

veen’, ‘veen(weide)landschap’ en ‘stads- en dorpsranden. Voor het plan is een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld (paragraaf 2.2.3). 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9).

Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a) De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b) Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: ▪ zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; c) Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: ▪ Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen.

Het onderhavige plan kan worden geschaard binnen de categorie ‘inpassen’. Thans is er al sprake van een woonperceel en dat zal in de nieuwe situatie onveranderd blijven. De verouderde woning wordt gesloopt. De nieuwe woning wordt 5 meter verder naar het zuiden (en iets richting het westen) gerealiseerd, zodat er een achtertuin ontstaat. Het perceel wordt landschappelijk ingericht. De ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit en voorziet niet in wijzigingen op structuurniveau.

22

Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen (artikel 6.10). Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a) De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b) Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Het onderhavige plan betreft een kleinschalige ontwikkeling buiten bestaand stadsen dorpsgebied (BSD), maar binnen een bestaand woonperceel. Het onderhavig plan betreft vanuit jurisprudentie geen stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame ontwikkeling’ is daarmee niet vereist dan wel noodzakelijk (zie tevens paragraaf 3.1.3).

23

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In navolging van de regionale structuurvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden, heeft de regio in 2012 de visie 2030 opgesteld. Deze visie is een actualisering van het beleid uit de regionale structuurvisie en bepaalt de beleidskeuzes met het oog op 2030. Binnen de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. In het kader van de regionale centrale visie, de vorming van een vitale regio, zijn niet in gebruik zijnde gebouwen (waaronder woningen) niet wenselijk. De bestaande verouderde woning is in zeer slechte staat. Om te voorkomen dat de woning onbewoonbaar wordt, wordt deze gesloopt en herbouwd op een iets andere positie binnen het woonperceel. Het plan voorziet daarmee niet in het toevoegen van woningen.

De nieuwe woning dient te voldoen aan de meest recente bouw- en duurzaamheidseisen, waardoor het plan tevens voorziet in het verduurzamen van het woonperceel. Tenslotte zal de nieuwe woning qua kleur, materiaalgebruik en vorm beter aansluiten bij het karakter van de landelijke omgeving. Daarmee draagt het plan bij aan het behoud en versterking van het rustige en authentieke karakter van de regio. Het plan is daarmee in overeenstemming met het regionaal beleid. 3.3.2 Regionale woonvisie In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een actualisatie van de regionale woonvisie 2020 (2013) vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn. De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied een dynamische stedelijke zone. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau. Om die goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld. Er wordt onderscheid gemaakt in: • Stedelijk gebied; • Voorzieningendorpen; • Woondorpen. Noordeloos is aangeduid als woondorp.

Deze dorpen hebben verspreide huizen en kleine kernen met weinig of geen voorzieningen. Deze dorpen zijn voor voorzieningen (grotendeels) afhankelijk van omliggende dorpen of steden. Noordeloos heeft een hechte gemeenschap die gebruik maakt van een sterk lokaal sociaal netwerk. In het dorp is er sprake van een woningbehoefte op kleine schaal. 24

Het plan voorziet niet in het toevoegen van woningen. De nieuwe woning hoeft derhalve niet gemeld te worden in het regionaal overleg of meegenomen in de herijking van de woningbouwmonitor Alblasserwaard-Vijfheerenlanden 2020-2030.

25

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Woonvisie Molenlanden 2020-2024 Op 27 oktober 2020 heeft de gemeenteraad van de gemeente Molenlanden unaniem de nieuwe woonvisie vastgesteld. De woonvisie beschrijft vooral de opgaven die de gemeente ziet op het vlak van de woningmarkt, voortkomend uit de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte die de mensen hebben. De grootste opgave ligt in het voorzien in kleinere en betaalbare koopwoningen, maar de woonvisie maakt ook nog steeds woningbouwinitiatieven mogelijk als daar behoefte aan is; kwantitatief en kwalitatief. De woonvisie is opgedeeld in de volgende opgaven: • Meer woningen met de juiste kwaliteit; • Betaalbaar wonen; • Bestaande voorraad op peil; • Wonen met zorg; • Specifieke woningbehoeften; • Leefbare en vitale dorpen. Daarnaast geldt voor Noordeloos het volgende: de kern is aantrekkelijk bij vestigers van buiten de gemeente. In beperkte mate kan hierop worden ingezet door ruime gezinswoningen toe te voegen. Maar er is vooral behoefte aan levensloopgeschikte woningen voor senioren uit de eigen kern. In de basis dient het daarbij te gaan om een grondgebonden woningtype. De nadruk ligt daarbij op een kleine, betaalbare woning die ook aantrekkelijk is voor starters / jonge doorstromers. De totale behoefte voor de periode 2020 t/m 2029 ligt op +65 woningen.

Het onderhavig plan betreft een particulier initiatief om de huidige in slechte bouwkundige staat zijnde woning te slopen en een nieuwe woning op hetzelfde perceel te bouwen. Daarmee wordt voorzien in de woonbehoefte van de eigenaar (eigen gebruik) en ontstaat er een kwalitatieve verbetering van de (lokale) woningvoorraad. 3.4.2 Toekomstvisie Molenlanden Op 28 september 2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Molenlanden unaniem de Toekomstvisie Molenlanden 2030 vastgesteld. Op zes onderwerpen beschrijft de visie de landelijke en lokale trends en de wensen van de gemeente. Deze trends die de gemeente ziet, gebruikt de gemeente om de wensen mogelijk te maken. Per onderwerp schetst de gemeente het beeld voor het jaar 2030. Deze zes beelden samen bepalen het integrale beeld voor wat de gemeente in 2030 wil zijn. De zes beelden gaan in op de volgende aspecten: 1. Inclusieve samenleving 2. Leefomgeving 3. Economie 4. Recreatie & Toerisme 5. Klimaat & Energie 6. Bereikbaarheid Met de sloop van een verouderde woning en de realisatie van een woning die qua stijl en architectuur beter aansluit bij de omgeving wordt de identiteit van het dorp Noordeloos versterkt. Tevens wordt verdere veroudering, leegstand en daarmee 26

aantasting van de ruimtelijke kwaliteit langs de Nieuwendijk voorkomen. Omdat de nieuwe woning dient te voldoen aan de meest recente bouw- en duurzaamheidseisen, voorziet het plan tevens in het toepassen van duurzame maatregelen. Het plan draagt bij aan een positieve bijdrage aan het milieu. 3.4.3 Bestemmingsplan Dorpskern Noordeloos Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Dorpskern Noordeloos’, dat door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Giessenlanden is vastgesteld op 24 september 2015. Het plangebied heeft hierin de enkelbestemmingen: • Bedrijf; • Tuin; • Wonen. De dubbelbestemming: • Waarde – Archeologie – 4. En de aanduidingen: • Bouwvlak; • Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 1’; • Maatvoeringsaanduiding ‘maximum goothoogte: 6 m’

Afbeelding 13: Uitsnede bestemmingsplan ‘Dorpskern Noordeloos’

Het voorgenomen plan is strijdig met het vigerend bestemmingsplan. De nieuwe woning wordt 5 meter verder naar het zuiden gerealiseerd en ook iets richting het westen. Op een deel van de nieuwe woning is een tuinbestemming gelegen en niet voorzien van een bouwvlak. De bouw van de nieuwe woning is daarmee in strijd met

27

het vigerend bestemmingsplan. Derhalve wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen. 3.4.4 Parapluherziening Parkeren Molenlanden Op 29 november 2014 is de Reparatiewet BZK 2014 in werking getreden. Hierdoor zijn de stedenbouwkundige bepalingen – waaronder de parkeernormbepaling – uit de Bouwverordening komen te vervallen. Als gevolg hiervan hebben deze bepalingen geen aanvullende werking meer op bestemmingsplannen, zodat bij het verlenen van een omgevingsvergunning niet meer op basis van de Bouwverordening aan gemeentelijke parkeernormen kan worden getoetst. Voldoende parkeervoorzieningen is een belangrijke voorwaarde voor bijna elke ruimtelijke ontwikkeling. De gemeente Molenlanden wenst dan ook over de mogelijkheid te beschikken tot het stellen van eisen aan het parkeren. Middels het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’ bezit de gemeente een eenduidige regeling, zodat bij ruimtelijke ontwikkelingen voorwaarden kunnen worden gesteld ten aanzien van het aspect parkeren. Deze regeling en bijbehorende begrippen worden overgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. 3.4.5 Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten Binnen onderliggende bestemmingsplannen waren te weinig sturingsmogelijkheden om huisvesting van arbeidsmigranten binnen de bestemmingen ‘wonen’, ‘woongebied’, ‘centrum’ of ‘gemengd’ te kunnen reguleren.

In veel onderliggende bestemmingsplannen was bijvoorbeeld geen begripsdefinitie opgenomen inzake ‘wonen’ en daarmee was het langdurige verblijf van een ongelimiteerd aantal arbeidsmigranten per woning toegestaan. Dit past niet binnen het doel van de gemeente Molenlanden om te voorzien in passende en kwalitatieve goede huisvesting op de juiste plek, waarbij tevens een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden kan worden gewaarborgd. Met het paraplubestemmingsplan is onder andere een nieuwe begripsdefinitie gekomen van ‘het wonen’, waardoor het niet meer mogelijk is om met meer dan één huishouden te verblijven in een woning. Huisvesting van arbeidsmigranten voor de shortstay (logies) en midstay is uitsluitend toegestaan door een vergunning aan te vragen die voldoet aan de eisen uit de Beleidsnotitie Arbeidsmigranten. Deze regeling en de bijbehorende begrippen worden overgenomen in de regels van dit bestemmingsplan.

28

3.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • Het plan voorziet in de sloop van een verouderde woning en de realisatie van een nieuwe woning die qua opzet, architectuur, stijl, etc. aansluit op de omgeving. Tevens wordt aantasting van de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van veroudering en verpaupering voorkomen; • Vanuit jurisprudentie in dit geval geen sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' en is toetsing aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' niet van toepassing; • Het onderhavige plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders.

29

4

Verantwoording sectorale aspecten

4.1 Milieueffectrapportage Beleidskader In de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de herbouw van een woning op een iets andere positie binnen het woonperceel. De activiteit, het realiseren van woningen, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D11.2 van het Besluit m.e.r. Het plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling bestaande uit de juridisch-planologische toevoeging van 1 wooneenheid. Gezien de kleinschaligheid is er geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. Bij dit aantal woningen, onder de grenswaarde van 2.000 woningen waarvoor een direct m.e.r-plicht geldt, geldt wel de vergewisplicht.

Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Kenmerken van het plan Het plan maakt het juridisch planologisch mogelijk om het bestaande verouderde gebouw te slopen en een nieuwe woning te realiseren. Behoudens de standaard toegestane aan-huis-gebonden beroepen en bedrijven zullen er geen andere bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen langs de Nieuwendijk, ten westen van de kern van Noordeloos. Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 4,9 kilometer is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied gelegen. Het betreft de ‘Zouweboezem’. Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Met de realisering van een nieuwe woning zal het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen. Significante negatieve effecten op het milieu zijn vanwege de kleinschaligheid van het plan niet te verwachten.

30

Conclusie Gezien de functiewijziging en de omvang daarvan beperkt is en gezien de kenmerken van de omgeving, kan worden gesteld dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in de bijlage van het Besluit m.e.r., onderdeel D11.2. Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd.

31

4.2 Watertoets Beleidskader In het onderhavige plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat het waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheer zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van het waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: 1. Beschermen tegen overstromingen. 2. Water eerlijk verdelen. 3. Voorbereiden op extreem weer. 4. Schoon water. 5. Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur. 6. Zwemwater. 7. Toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit. 8. Toewerken naar circulariteit. Verordening ‘de Keur’ Het waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging.

In de Keur is geregeld dat langs A- en Bwatergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen brengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Voor het onderhavige plan is de digitale watertoets doorlopen (dossiercode 20210503-9-26336). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Watergangen Voor een A- en een B-watergang gelden in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een beschermingszone van 5 en 1 meter. Werkzaamheden binnen deze beschermingszones zijn vergunnings- en/of meldingsplichting.

32

C-watergang 046350

C-watergang 120455

C-watergang 046368

Afbeelding 14: Uitsnede legger wateren

In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere watergangen gelegen. De werkzaamheden vinden buiten de (beschermingszones van de) watergangen plaats. Met betrekking tot de watergangen hoeft geen watervergunning aangevraagd te worden bij het Waterschap Rivierenland. Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied OVW014. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,74 meter NAP en een winterpeil van –1,84 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.

33

Plangebied

Afbeelding 15: Uitsnede peilgebiedenkaart

Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren. In het landelijk en stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2 respectievelijk 500 m2. Indien de toename aan verhard oppervlak groter is dan de vrijstelling, mag het vrijgestelde oppervlak in mindering worden gebracht.

34

Tabel 1: Oppervlaktebalans verharding Bestaande situatie Woning Uitbouw en luifel Oprit / verharding (grind, 50%)

Oppervlakte 147 m² 42 m² 218 m²

Totaal bestaande situatie Nieuwe situatie Woning Oprit / verharding (grind, 50%)

407 m²

216 m² 413 m² Totaal nieuwe situatie

629 m²

Verschil

222 m² toename

Het plan voorziet in een toename aan verharding van 222 m². In het geval dat de initiatiefnemer gebruikmaakt van de eenmalige particuliere vrijstelling is watercompensatie niet noodzakelijk. Om gebruik te kunnen maken van de vrijstelling dient contact opgenomen worden met de afdeling Vergunningen van het waterschap. Indien geen gebruik wordt of kan worden gemaakt, dient conform de stelregel van het waterschap 9,7 m³ (222 × 0,0436) aan water gerealiseerd te worden. Uitgaande van een peil van 0,2 m betekent dit een wateroppervlak van 49 m². De watercompensatie moet binnen hetzelfde peilgebied plaatsvinden. In eerste instantie moet de berging bij het lozingspuntplangebied worden gerealiseerd. 35

Als de aanvrager aantoont dat dit niet mogelijk is, kan de berging elders in het peilgebied worden gerealiseerd. Als de aanvrager aantoont dat compensatie in hetzelfde peilgebied niet mogelijk of onwenselijk is, kan het waterschap op grond van waterhuishoudkundige argumenten toelaten dat compensatie in een benedenstrooms gelegen peilgebied plaatsvindt. Voor het graven van water dient een watervergunning aangevraagd te worden bij het waterschap. Daarnaast kan de initiatiefnemer gebruikmaken van de eenmalige particuliere vrijstelling als hij dat nog niet eerder heeft gedaan. In dat geval is watercompensatie niet nodig. De afdeling Vergunningen van het waterschap zal beslissen of gebruik kan worden gemaakt van deze vrijstelling. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.

Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. Het hemelwater zal in eerste instantie zoveel als mogelijk worden geïnfiltreerd in de bodem.

In de directe omgeving van het plangebied is daarnaast voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. De droogweerafvoer (DWA) kan op de bestaande huisaansluiting aangesloten worden. De hemelwaterafvoer (HWA) zal rechtstreeks afvoeren op de nabijgelegen watergang. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De nieuwe woning wordt aangesloten op het gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het waterschap.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=de9cce22-a52b-47f4-b3e8-13d6e6e69626