Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan 'Noordeloos, Grotewaard 34'
Tekst van het document
De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b. De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; c. De ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.
Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen twee uitgangspunten: • Een kleinschalige ontwikkeling heeft in beginsel minder ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten dan een grootschalige ontwikkeling en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid; • Hoe hoger en specifieker de kwaliteit van een gebied is, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Inpassen In dit licht kan het plan kan worden geschaard in de categorie ‘inpassen’. Dit betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau 28
van een bestaand agrarisch perceel in het lint. Bij het plan veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt rekening gehouden met de relevante richtpunten van de beleidskeuze landschap. Gebiedsidentiteit Het plan betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De gebiedsidentiteit is de aard of karakteristiek van een gebied dat is ontstaan in de loop der jaren. In die tijd zijn gemeenschappelijke kernwaarden in het gebied ontstaan die gekoppeld zijn aan gebruik en de verschijningsvorm. De gebiedsidentiteit van een plek is verbonden met de mensen die er wonen, werken en er zich thuis voelen. De samenhang tussen de onderdelen maakt de identiteit van een gebied. Het plan speelt zich af op het niveau van een kavel. Er vinden geen wijzigingen plaats in de verkeersstructuur, de leefbaarheid van het gebied en/of de waterstructuren. Gebiedseigen De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. Het plan betreft een gebiedseigen ontwikkeling of functie dat naadloos aansluit op de bestaande kenmerken en gebruikswaarden van het gebied. Een gebiedseigen ontwikkeling draagt bij aan behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving en heeft daarmee geen negatieve invloed op de (kenmerken) van de omgeving.
Artikel 6.9a Beschermingscategorie 3 Buitengebied 1. Een bestemmingsplan voor een locatie binnen buitengebied waarvan de plaats geometrisch kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, blijkens een afdoende motivering die tevens ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorps gebied. 2. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. De openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; b. De relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; c. Het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; d. De herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op de ontwikkeling van natuur- en groengebied en grote buitenstedelijke bouwlocaties. In hoofdstuk 4.2.1 is uitgebreid gemotiveerd dat de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast als gevolg van dit plan. De impact van het opnemen van de tuinbestemming op het landschap is heel beperkt. Zeker in het licht dat het huidige agrarisch bouwvlak (onder bepaalde voorwaarden) op grond van het vigerend bestemmingsplan voor 67% mag worden bebouwd.
Deze planologische bouwmogelijkheden zijn voor het overgrote deel weggenomen met het bestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 33a’ (IMROcodering: NL.IMRO.1978.BPgrotewaard33a NDL -VG03).
29
Stedelijke ontwikkelingen (Ladder voor duurzame verstedelijking) In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen (artikel 6.10). Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet uitsluitend in de juridischplanologische afronding van het oorspronkelijke totaalplan voor de locatie Grotewaard 33a/34 te Noordeloos (bouw twee woningen in ruil voor de sanering van een voormalige agrarische bedrijfslocatie) waar reeds een bestemmingsplanprocedure voor is afgerond (bestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 33a’ met IMRO-codering: NL.IMRO.1978.BPgrotewaard33aNDL-VG03). Het restant van het agrarisch bouwvlak wordt gewijzigd naar tuingrond/erf bij de woning Grotewaard 34 te Noordeloos.
Hiermee is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet van toepassing is. Risico’s van klimaatverandering (klimaatadaptatie) Op grond van artikel 6.27a Risico’s van klimaatverandering van de Omgevingsverordening Zuid-Holland dient in een ruimtelijk plan rekening te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: 1. Wateroverlast door overvloedige neerslag; 2. Overstroming; 3. Hitte; 4. Droogte. alsmede de effecten van de bovengenoemde risico’s op het risico van bodemdaling. In de uitwerking van dit plan wordt rekening gehouden met klimaatadaptatie. Dit is nader uitgewerkt in hoofdstuk 5.10 Klimaatadaptatie. Afwijkingsmogelijkheid voor maatwerk Conform artikel 6.34 kan een bestemmingsplan voorzien in een bestemming waarbij in relatief beperkte mate wordt afgeweken van de regels in deze afdeling, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de doelstelling van de desbetreffende regels. In hoofdstuk 4.2.1 is omschreven dat het plan geen onevenredige afbreuk doet aan het veenweidelandschap. Hiermee is het gerechtvaardigd om gebruik te maken van de provinciale afwijkingsmogelijkheid op grond van artikel 6.34 ‘Afwijkingsmogelijkheid voor maatwerk’ van de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
Met de afwijkingsmogelijkheid voor maatwerk wordt gemotiveerd afgeweken van artikel 6.9 lid 2 en artikel 6.9 lid 5 onder a van de Omgevingsverordening. Hierin staat dat rekening dient te worden gehouden met de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit. Voor wat betreft het richtpunt ‘Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders’ wordt gemotiveerd afgeweken.
30
4.3 Regionaal Beleid 4.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. De opvolgende visie ‘open voor elkaar’ benadrukt het bijzondere cultuurhistorische landschap, de grote sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de juridisch-planologische afronding van een totaalplan (bouw twee woningen in ruil voor de sanering van een voormalige agrarische bedrijfslocatie) waar reeds een bestemmingsplanprocedure voor is afgerond (bestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 33a’ met IMRO-codering: NL.IMRO.1978.BPgrotewaard33aNDL-VG03).
Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de herbestemming van een resterend deel van een agrarisch bouwvlak naar tuingrond/erf bij de woning Grotewaard 34 te Noordeloos. Het plangebied wordt op een passende wijze landschappelijk ingepast. Aan de zuidrand van het plangebied worden bomen aangeplant waarmee de activiteiten en bouwwerken in de tuin bij de woning Grotewaard 34 Noordeloos groen worden ingepakt. Het plan is in overeenstemming met het regionaal beleid.
31
4.4 Gemeentelijk beleid 4.4.1 Toekomstvisie Molenlanden De Toekomstvisie Molenlanden 2030 ‘Eigenheid in verbondenheid’ houdt de gemeente op koers tot 2030 door dialoog, nabijheid en ambitie. Op 6 onderwerpen beschrijft de visie de landelijke en lokale trends en de wensen van de gemeente. Deze trends die de gemeente ziet, gebruikt de gemeente om de wensen mogelijk te maken. Per onderwerp schetst de gemeente het beeld voor het jaar 2030. Deze zes beelden samen bepalen het integrale beeld voor wat de gemeente in 2030 wil zijn: • Inclusieve samenleving: in onze samenleving staat gezondheid voorop en zijn alle inwoners even belangrijk; • Leefomgeving: de omgeving waarin we wonen voelt veilig en is zo ingericht dat we grote gevolgen van klimaat op kunnen vangen. Er staan genoeg woningen in onze gemeente waar vraag naar is; • Economie: Molenlanden is een gemeente waar innovatie een belangrijke plek heeft en ondernemen vanzelfsprekend is; • Recreatie en Toerisme: het toerisme in Molenlanden is in balans; • Klimaat en energie: we werken samen aan een circulair, energieneutraal, klimaatbestendig en schoon Molenlanden met aandacht voor een eerlijke voedselketen waarin afval wordt gezien als grondstof; • Bereikbaarheid: Inwoners van Molenlanden ervaren met verschillende vervoersmiddelen dat onze dorpen, de vestingstad en de regio veilig en goed bereikbaar zijn.
Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de juridisch-planologische afronding van een totaalplan (bouw twee woningen in ruil voor de sanering van een voormalige agrarische bedrijfslocatie) waar reeds een bestemmingsplanprocedure voor is afgerond (bestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 33a’ met IMRO-codering: NL.IMRO.1978.BPgrotewaard33aNDL-VG03). Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de herbestemming van een resterend deel van een agrarisch bouwvlak naar tuingrond/erf bij de woning Grotewaard 34 te Noordeloos. De tuin bij de woning Grotewaard 34 Noordeloos wordt op een passende wijze landschappelijk ingepast. Aan de zuidrand van de tuin worden bomen (elzen of knotwilgen) aangeplant.
4.5 Conclusie Op basis van hoofdstuk 4 ‘Beleidskaders’ kan worden geconcludeerd dat: • Vanuit jurisprudentie is in het plan geen sprake van een nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ en is toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk; • Het plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders.
32
5. Milieuaspecten 5.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.- plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Voor de bedoelde gevallen (onder de drempelwaarden bij zgn. D-activiteiten) geldt een ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordelingsplicht zoals bedoeld in artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit m.e.r., op basis waarvan al dan niet de verplichting tot het opstellen van een MER ontstaat. Onderzoek Het plan betreft de herbestemming van een resterend deel van een agrarisch bouwvlak naar tuingrond/erf bij de woning Grotewaard 34 te Noordeloos (afronding van het oorspronkelijke totaalplan voor de sanering van een voormalige agrarische bedrijfslocatie). Het ruimtebeslag en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is beperkt en niet substantieel genoeg om aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het besluit m.e.r. De activiteit die het plan mogelijk maakt is niet opgenomen in bijlage C en D van het besluit m.e.r. Derhalve is geen m.e.r.- beoordeling of –besluit nodig. Conclusie Er hoeft geen (vormvrije) m.e.r.(beoordelings)-procedure doorlopen te worden en er hoeft dus ook geen m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden.
In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 7.17 van de Wet milieubeheer.
33
5.2 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. Onderzoek In het kader van de Wgh is met dit plan geen sprake van een wijziging of toevoeging van een geluidsgevoelig object en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek niet vereist dan wel noodzakelijk.
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid (wegverkeerslawaai) geen belemmeringen.
34
5.3 Bedrijven en milieuzonering Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). Onderzoek In het kader bedrijf- en milieuhinder is met dit plan geen sprake van een toevoeging of uitbreiding van een milieubelastende activiteit of kwetsbare functie. Het toetsen van het plan aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is derhalve niet noodzakelijk.
Er is sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en (agrarische) bedrijven worden niet in de bedrijfsvoering beperkt als gevolg van dit plan. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder geen belemmeringen.
35
5.4 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient het volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem ter plaatse van het perceel Grotewaard 34 te Noordeloos in kaart te brengen is door Linge Milieu bv een bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd in de bijlage. De conclusies uit dit bodemonderzoek zijn: De bodem ter plaatse bestaat uit humeuze klei, overgaand in veen op ongeveer 0.5 m-mv. In één boring is de bovengrond zandig. Dit is een boring aan de voorzijde van het terrein, naast de dam. In twee van de negen boringen is wat puin aangetroffen, tot een diepte van 0.5 m-mv. Het bestaat uit onverdacht, baksteenachtig materiaal. Het gehalte is als sporen van gekwalificeerd. Er is visueel nergens asbest waargenomen in of op de bodem.
In de kleiige en zandige boven- en ondergrond van het terrein aan de Grotewaard zijn molybdeen, nikkel en PAK licht verhoogd. De gehaltes liggen onder het criterium 2 x AW. Indicatief zijn de boven- en ondergrond van de locatie AWkwaliteit, schoon. Dat komt overeen met de gegevens van de bodemkwaliteitskaart voor de regio. Van de PFAS-componenten zijn de som PFOA en PFOS meetbaar verhoogd. Voor PFOA wordt de achtergrondwaarde overschreden. Op basis van PFOA is de bovengrond van het terrein wonenkwaliteit. Het grondwater stond eind mei op 0.6 m-mv. In het grondwater is alleen barium licht verhoogd. Dat is landelijk het geval. Asbest is zowel visueel als analytisch niet aantoonbaar in of op de bodem van het te ontwikkelen terrein. De algemene bodemkwaliteit van de locatie aan de Grotewaard is geen belemmering voor de ontwikkeling er van. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft de bodemkwaliteit geen belemmeringen.
36
5.5 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt'. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen.
Plangebied
Afbeelding 8: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
37
Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente is te zien dat het plangebied valt op gronden met een: • Hoge verwachting aan of nabij het oppervlak. Bij ingrepen groter of gelijk dan 250 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Hoge verwachting dieper dan 1,5 m beneden maaiveld. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 150 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; Onderzoek In het kader van het bestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 33a’ is door ADC ArcheoProjecten een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. De conclusie uit dit onderzoek is: ADC ArcheoProjecten adviseert om het terrein vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet.’ Conclusie Het plan ondervindt wat betreft archeologie geen belemmeringen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van eventueel grondwerk archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag.
38
5.6 Watertoets In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Beleidskader Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging.
In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de water aan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
Onderzoek Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de juridisch-planologische afronding van een totaalplan (bouw twee woningen) waar reeds een bestemmingsplanprocedure voor is afgerond (bestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 33a’ met IMRO-codering: NL.IMRO.1978.BPgrotewaard33aNDL-VG03). Het bestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 33a’ is reeds beoordeeld en akkoord bevonden door het waterschap Rivierenland. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de herbestemming van een resterend deel van een agrarisch bouwvlak naar tuingrond/ erf bij de woning Grotewaard 34 te Noordeloos. De (eventuele) toekomstige verharding van de tuin is meegenomen in het bestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 33a’. De toelichting van het bestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 33a’ is toegevoegd in de bijlage. 39
Het voorliggende plan voorziet niet in (extra) fysieke ingrepen, waardoor geen compenserende maatregelen dan/wel een melding of watervergunning voor overige zaken noodzakelijk zijn. Watergangen Het plangebied grenst aan de noord- en zuidzijde aan een C-watergang (049113 en 048682). Het plangebied is niet gelegen binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang. Er vinden geen ingrepen plaats aan de C-watergangen. Derhalve is het aanvragen van een watervergunning niet noodzakelijk.
C-watergang 048682
C-watergang 049113 Afbeelding 9: Uitsnede Legger Wateren
Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied OVW017. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,83 m NAP en een winterpeil van -1,93 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter.
40
Plangebied
Afbeelding 10: Uitsnede Peilgebiedenkaart
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m 2. De afdeling Vergunningen van het waterschap Rivierenland zal uiteindelijk bepalen of gebruik kan worden gemaakt van deze vrijstelling.
Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de juridisch-planologische afronding van een totaalplan (bouw twee woningen) waar reeds een bestemmingsplanprocedure voor is afgerond (bestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 33a’ met IMRO-codering: NL.IMRO.1978.BPgrotewaard33aNDL-VG03). De (eventuele) toekomstige verharding van de tuin bij de woning Grotewaard 34 is meegenomen in het bestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 33a’. De toelichting van het bestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 33a’ is toegevoegd in de bijlage. Dit plan voorziet niet in (extra) fysieke ingrepen, waardoor geen compenserende maatregelen noodzakelijk zijn. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiverings- installatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; 41
• • • • •
Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie.
Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. Dit bestemmingsplan voorziet in de herbestemming van een resterend deel van een agrarisch bouwvlak naar tuingrond/erf bij de woning Grotewaard 34 te Noordeloos. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Regionale waterkering Het plangebied is niet gelegen in de kern- en beschermingszone van een regionale waterkering.
Plangebied
Afbeelding 11: Uitsnede Legger Waterkeringen
Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. 42
5.7 Flora en fauna Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Soortenbescherming Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de juridisch-planologische afronding van een totaalplan (bouw twee woningen) waar reeds een bestemmingsplanprocedure voor is afgerond (bestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 33a’ met IMRO-codering: NL.IMRO.1978.BPgrotewaard33aNDL-VG03). De toelichting van het bestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 33a’ is toegevoegd in de bijlage. Dit plan voorziet niet in fysieke ingrepen, waardoor het uitvoeren van een ecologische quickscan niet noodzakelijk is. Bovendien is in het kader van het bestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 33a’ door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd, waaruit blijkt dat het plangebied geen essentiële betekenis heeft voor beschermde soorten.
Te treffen maatregelen • Tijdens werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig het plangebied te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De werkzaamheden uitvoeren buiten het broedseizoen (afhankelijk van klimatologische omstandigheden, indicatief medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van een deskundige. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park of Natuurnetwerk Nederland.
Binnen een straal van circa 10 km rondom het plangebied bevinden zich zes Natura2000 gebieden, betreffende het vogel- en habitatrichtlijngebied ‘Zouweboezem’ op circa 5.5 km ten noordoosten, het habitatrichtlijngebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid ’op circa 5.5 km ten zuidoosten, het habitatrichtlijngebied ‘Uiterwaarden Lek’ op circa 5.7 km ten noorden, het vogel- en habitatricht-
43
lijngebied ‘Biesbosch’ op circa 9.2 km ten zuidwesten, het habitatrichtlijngebied ‘Loevestein’ op circa 9.5 km ten zuidoosten en het vogelrichtlijngebied ‘Donkse laagten’ op circa 10.0 km ten westen van het plangebied. Ondanks dat het plangebied buiten een beschermd gebied is gelegen, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Afbeelding 12: Plangebied in relatie tot Natura2000-gebieden
Afbeelding 13: Plangebied in relatie tot Natuurnetwerk Nederland (NNN)
44
Stikstofdepositie Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. Dit plan betreft een juridisch-planologische afronding van een oorspronkelijk totaalplan (bouw twee woningen in ruil voor de sanering van een voormalig agrarisch bedrijf). Dit bestemmingsplan voorziet in de herbestemming van een resterend deel van een agrarisch bouwvlak naar tuingrond/erf bij de woning Grotewaard 34 te Noordeloos. Gezien er geen sprake is van fysieke werkzaamheden en de grote afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (5.5 km), wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Derhalve kan een stikstofdepositieonderzoek (Aerius-berekening) achterwege blijven. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft ecologie geen belemmeringen.
45
5.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening zijn met name stikstofdioxide en fijn stof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 2: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide Jaargemiddelde 40 μg/m3 (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde 40 μg/m concentratie 24-uurgemiddelde Max. 35 keer concentratie p.j. meer dan 50 μg/m3 2,5 Fijnstof (PM ) Jaargemiddelde 25 μg/m3 concentratie
Geldig Vanaf 2015 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015
Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2022) het volgende overzicht (wegverkeer: 27375169_16008160): • Een stikstofdioxideconcentratie van 17,59 μg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 16,46 μg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 9,41 μg PM2,5/m3; Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit niet in betekende mate vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit Niet in Betekenende Mate (NIBM) en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de Grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
46
Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM (gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit <3%), waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht.
47
5.9 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geendirecte relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).
Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Onderzoek Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen Beviinrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en/of (spoor)wegen/wateren waarover bekend is dat daarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor dit plan.
Plangebied
Afbeelding 14: Uitsnede Risicokaart externe veiligheid
48
Kabels en leidingen In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.
49
5.10 Klimaatadaptatie Beleidskader In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is artikel 6.27a Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. alsmede de effecten van de bovengenoemde risico’s op het risico van bodemdaling. Voor zover risico’s zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico’s. Onderbouwing Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien te kunnen opvangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem. Het plan betreft juridisch-planologische afronding van een oorspronkelijk totaalplan (bouw twee woningen in ruil voor de sanering van een voormalige agrarische bedrijfslocatie).
Dit bestemmingsplan voorziet in de herbestemming van een resterend deel van een agrarisch bouwvlak naar tuingrond/ erf bij de woning Grotewaard 34 te Noordeloos. Er vinden geen ingrepen aan de watergangen plaats. De tuin bij de woning Grotewaard 34 Noordeloos wordt groen ingericht, waarmee er voldoende mogelijkheden zijn om hemelwater in de bodem te laten infiltreren. Er is voldoende waterberging aanwezig om zware regenbuien te kunnen opvangen. Gezien het warmer en droger wordt is het van belang om de beplanting hierop af te stemmen. De beplanting moet blijven voorzien in het afbreken van CO2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier. De te kiezen beplantingen moeten ook erosie van het terrein terugdringen. De tuin bij de woning Grotewaard 34 wordt groen ingericht middels streekeigen beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden en erosie terugdringen. Conclusie In het plan wordt rekening gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering.
50
6. Juridische planopzet 6.1 Inleiding
Het bestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 34’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 34’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
6.2 Systematiek van de regels
Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 34’ is aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 33a’ (IMRO-codering: NL.IMRO.1978. BPgrotewaard33aNDL-VG03). De regels bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
6.3 Bestemmingen Agrarisch De gronden rondom de tuin van de woning Grotewaard 34 Noordeloos worden bestemd als ‘Agrarisch’. Ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - hobbymatig agrarisch gebruik’ zijn hobbymatige agrarische activiteiten toegestaan. Tuin De tuin van de woning Grotewaard 34 Noordeloos wordt voor het overgrote deel bestemd als ‘Tuin’. Op deze gronden zijn de bouwmogelijkheden beperkt. Wonen Het westelijk deel van het plangebied wordt voor een klein deel bestemd als ‘Wonen’ met bouwvlak. Hiermee ontstaat een logische rechthoekig bestemmingsvlak en bouwvlak van de woning Grotewaard 34 Noordeloos.
6.4 Aanduidingen • •
Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - hobbymatig agrarisch gebruik’. Bouwvlak;
51
7. Economische uitvoerbaarheid 7.1 Exploitatie
Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan, voor verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente is er een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemers getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.
8. Maatschappelijke uitvoerbaarheid Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
8.1 Vooroverleg
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het bestemmingsplan voorgelegd aan de Provincie Zuid-Holland en Waterschap Rivierenland. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de juridisch-planologische afronding van een totaalplan (bouw twee woningen in ruil voor de sanering van een voormalige agrarische bedrijfslocatie) waar reeds een bestemmingsplanprocedure voor is afgerond (bestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 33a’ met imrocode: NL.IMRO.1978.BPgrotewaard33aNDL-VG03). Het bestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 33a’ is reeds beoordeeld en akkoord bevonden door de provincie ZuidHolland en het waterschap Rivierenland.
8.2 Zienswijzen
Het college van de gemeente Molenlanden hebben op 31 oktober 2023 bekend gemaakt (Gemeenteblad 2023, 461115) dat het ontwerpbestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 34’ (imro-codering: NL.IMRO.1978.BPGrotewaard34NDLON01) vanaf 2 november 2023 voor zes weken ter inzage heeft gelegen. Er zijn vier schriftelijke zienswijzen ingediend. In een ‘Nota van Zienswijzen’ zijn de ingediende zienswijzen inhoudelijk behandeld en van een antwoord voorzien. De Nota van Zienswijzen is toegevoegd in de bijlage. De zienswijzen hebben niet geleid wijzigingen in het bestemmingsplan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is hoofdstuk 4.2 Provinciaal beleid van de toelichting van het bestemmingsplan, als gevolg van gewijzigde provinciaal beleid, geactualiseerd. Tot slot, is artikel 3.2 onder a van de regels van het bestemmingsplan aangevuld, zodat op de gronden met bestemming ‘Agrarisch’ (zonder de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - hobbymatig agrarisch gebruik'), tevens geen overkappingen zijn toegestaan (een overkapping is “Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een dak”).
52