Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan ‘Langerak, achter Lekdijk 156’
Tekst van het document
3.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • Het plan voorziet in de grote vraag naar (kleinschalige) maatschappelijke zorginitiatieven; • Vanuit jurisprudentie in dit geval geen sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' en is toetsing aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' niet van toepassing; • Het onderhavige plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders; • Er is sprake van strijdigheid met het vigerend bestemmingsplan. Met voorliggend bestemmingsplan wordt de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk gemaakt.
32
4
Verantwoording sectorale aspecten
4.1 Milieueffectrapportage Beleidskader In de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffect- beoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de toevoeging van een kleinschalige zorgfunctie en twee woningen binnen bestaande bebouwing. Daarnaast worden circa 107 m² aan bijgebouwen buiten het gebouw toegestaan. Daarmee kan het plan gezien worden als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject (activiteit D11.2 van de Bijlage bij het Besluit m.e.r.). Gezien de kleinschaligheid van het plan, een woon-zorgfunctie en twee woningen binnen een bestaand gebouw en circa 107 m² aan bijgebouwen, wordt onder de drempel van 100 hectare, 2000 woningen en een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² gebleven. Er geldt daardoor geen directe m.e.r.-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling.
De vergewisplicht blijft echter wel gelden. Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Kenmerken van het plan Het plan maakt het juridisch planologisch mogelijk om binnen een bestaand gebouw zorgactiviteiten uit te voeren en twee bedrijfswoningen toe te staan. Tevens worden er 107 m² aan bijgebouwen toegestaan. Behoudens de standaard toegestane aanhuis-gebonden beroepen en bedrijven en het woon-zorginitiatief, zullen er geen andere bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. De huidige antiekhandelfunctie wordt uit het bestemmingsplan verwijderd. Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen in het woonlint langs de Lekdijk, ten oosten van de bebouwde kom van Nieuwpoort. Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 1,68 kilometer is het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied gelegen. Het betreft de ‘Uiterwaarden Lek’.
33
1,68 km 7,03 km
8,54 km
Afbeelding 12: Afstanden tot Natura 2000-gebieden
Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet significant toenemen. De toename van het aantal motorvoertuigbewegingen als gevolg van het plan kan in voldoende mate worden afgewikkeld via de bestaande wegen (zie tevens paragraaf 2.2.2 van deze toelichting). Significante negatieve effecten op het milieu zijn vanwege de kleinschaligheid van het plan niet te verwachten. Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieuaspecten. In de volgende paragrafen worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wet milieubeheer. Het bevoegd gezag dient een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen. Het m.e.r.beoordelingsbesluit dient als bijlage bij de aanvraag omgevingsvergunning te worden gevoegd.
34
4.2 Watertoets In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Beleidskader Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat het waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheer zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van het waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: 1. Beschermen tegen overstromingen. 2. Water eerlijk verdelen. 3. Voorbereiden op extreem weer. 4. Schoon water. 5. Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur. 6. Zwemwater. 7. Toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit. 8. Toewerken naar circulariteit. Verordening ‘de Keur’ Het waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging.
In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een Aof B-watergang mogen niet zonder toestemming van het waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de water aan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
35
Onderzoek Watergangen In de directe omgeving van het plangebied zijn uitsluitend C-watergangen gelegen. De meeste bouwwerkzaamheden vinden plaats binnen het bestaand gebouw. Alleen de bouw van de bijgebouwen vindt buiten plaats. De bijgebouwen worden buiten de beschermingszone van de watergangen gerealiseerd. Tevens vinden geen graafwerkzaamheden plaats aan of in de beschermingszones en worden er geen watergangen gedempt.
Afbeelding 13: Uitsnede vastgestelde legger wateren
Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied OVW053. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,34 meter NAP en een winterpeil van –1,44 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.
36
Plangebied
Afbeelding 14: Uitsnede peilgebiedenkaart
Waterkering Het plangebied is gelegen in de beschermingszone en buitenbeschermingszone van een primaire waterkering. De Lekdijk en de zogeheten beschermingszones aan weerszijden van de dijk zijn door de verordening Keur beschermd. In principe geldt dat er geen bebouwing op de waterkering aanwezig mag zijn. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe van ‘ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering’. Binnen de buitenbeschermingszone geldt dat de volgende zaken niet toegestaan zonder vergunning: afgravingen en seismische onderzoeken, werken met een overdruk van 10 bar en explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen. Onder de noemer afgravingen worden diepe ontgravingen verstaan en daaronder valt ook ondergronds bouwen. Uitgangspunt hierbij is dat de ontgrondingen geen nadelige invloed mogen hebben op de functie van de waterkering, alsmede de waterhuishouding. Er vinden geen werkzaamheden plaats binnen de beschermingszone van de waterkering. Wel worden er bijgebouwen gerealiseerd in de buitenbeschermingszone van de waterkering. Hiervoor dient een melding te worden gedaan bij het waterschap Rivierenland.
Ter bescherming van de waterkering wordt ter plaatse van de beschermingszone van de waterkering de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’ opgenomen en ter plaatse van de buitenbeschermingszone de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 2’ opgenomen. Hiermee is de waterkering juridisch-planologisch beschermd.
37
Afbeelding 15: Uitsnede legger waterkeringen
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren. In het landelijk en stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2 respectievelijk 500 m2. Indien de toename aan verhard oppervlak groter is dan de vrijstelling, mag het vrijgestelde oppervlak in mindering worden gebracht. Het plan voorziet in het verwijderen van een klein gebouwtje en het opruimen van de verharding aan de voorzijde van het plangebied.
Verder worden er 107 m² aan schuren gerealiseerd en een stuk verharding naar de achtergelegen fruitboomgaard toegevoegd. Per saldo voorziet het plan in een afname van 11 m² aan verharding. Watercompenserende maatregelen zijn niet nodig. Mocht desondanks te zijner tijd blijken dat er extra verharding wordt aangelegd en er daardoor een toename in de verharding ontstaat, zijn wel watercompenserende maatregelen noodzakelijk. Eventueel kan te zijner tijd gebruik worden gemaakt van de eenmalige particuliere vrijstelling van 500 m² als deze vrijstelling niet eerder is gebruikt. De afdeling Vergunningen van het waterschap bepaald uiteindelijk of gebruik kan worden gemaakt van de eenmalige particuliere vrijstelling. 38
Tabel 3: Verhardingsbalans Bestaande situatie Groot gebouw Gebouwtje voorzijde plangebied Verharding Subtotaal bestaande situatie
309 m² 32 m² 538 m² 879 m²
Nieuwe situatie Groot gebouw Bijgebouwen Verharding Subtotaal nieuwe situatie
309 m² 107 m² 452 m² 868 m² Verschil
11 m² afname
39
Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan.
Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. Het hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem of wordt afgevoerd naar het omliggende oppervlaktewater. De zorgeenheden en woningen worden via een persleiding aangesloten op het vrij vervalstelsel aan de Slotlaan. Hiervoor zal tevens een professionele pompput aangebracht moeten worden. De kosten voor de aansluiting worden betaald door de initiatiefnemers. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het waterschap. Wegbeheer De locatie is gelegen binnen de bebouwde kom van Langerak. Binnen de bebouwde kom is de gemeente Molenlanden verantwoordelijk voor het beheer van de wegen. Het perceel wordt thans ontsloten middels een enkele oprit aan de Lekdijk. In de nieuwe situatie blijft dit ongewijzigd. Conclusie Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
40
4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige objecten en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. De Wgh stelt dat alle wegen een geluidszone hebben, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-wegen. Conform artikel 74 lid 2 van de Wgh hoeft geen akoestisch onderzoek te worden verricht voor 30 km/h wegen. De wettelijke voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige objecten binnen de geluidszone van wegen bedraagt 48 dB, de maximaal te ontheffen geluidsbelasting bedraagt 58 dB in landelijk gebied en 63 dB in stedelijk gebied. Onderzoek Het plangebied ligt binnen de invloedsfeer van enkele wegen. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, waardoor deze bronnen buiten beschouwing gelaten kunnen worden. Het onderhavige plan betreft de toevoeging van twee woningen en een zorgfunctie.
In het kader van de Wgh is hiermee sprake van het toevoegen van nieuwe geluidsgevoelig object en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai nodig. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd door Voortman Ingenieurs. De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat: • 30 km/h wegen hebben van rechtswege geen geluidzone en worden in het kader van de ruimtelijke ordening niet getoetst aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder; • Conform het gemeentelijk geluidbeleid wordt de geluidbelasting van 30 km/h wegen wel inzichtelijk gemaakt in het kader van de beoordeling van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft geluid; • De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen bedraagt ten hoogste 38 dB, inclusief aftrek artikel 110g Wgh; • De woningen beschikt alzijdig over geluidluwe gevels en een geluidluwe buitenruimte zodat aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan; • Ten aanzien van wegverkeerslawaai is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Voor de onderzochte woningen hoeft geen hogere waarde te worden vastgesteld. Algemeen geldt dat voor verblijfsruimten met een geluidbelasting tot 53 dB, excl. aftrek art. 110g Wgh zonder aanvullende geluidwerende voorzieningen en bij toepassing van gebruikelijke bouwconstructies/materialen (spouwmuren, standaard
41
dubbel glas, enkele kierdichting, ventilatieroosters etc.) een minimale geluidwering van 20 dB wordt bereikt. Een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevel is derhalve niet noodzakelijk.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.
42
4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit Luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit Luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. Tabel 4: Grenswaarden Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide Jaargemiddelde 40 µg/m3 (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde 40 µg/m3 concentratie 24-uurgemiddelde Max. 35 keer p.j. concentratie meer dan 50 µg/m3 Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde 25 µg/m3 concentratie Voor roet gelden thans nog geen grenswaarden.
Geldig Vanaf 2015 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015
Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de Monitoring NSL 2021 het volgende overzicht voor het jaar 2020 (rekenpunt 162796): • Een stikstofconcentratie van 13,10 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 16,01 µg PM10/m3 (met niet meer dan 7 normoverschrijdingsdagen); • Een fijnstofconcentratie van 8,85 µg PM2,5/m3.
43
Voor het plangebied wordt geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan. Daarnaast wordt gesteld dat het plan valt binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Conclusie Gesteld wordt dat het plan valt binnen het NIBM en de wettelijke normen ten aanzien van luchtkwaliteit niet worden overschreden. Het aspect luchtkwaliteit staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
44
4.5 Bedrijven en milieuhinder Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere ‘kwetsbare’ functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.
Tabel 5: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) Milieucategorie Rustige woonwijk en Gemengd gebied rustig buitengebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Het onderhavige plan betreft de toevoeging van twee woningen en een maatschappelijke zorgfunctie in de vorm van een fasehuis en kamertraining met nazorg. Hiermee is sprake van het toevoegen van zowel milieugevoelig objecten (woning en zorgfunctie) alsmede een milieubelastende activiteit (zorgfunctie). In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele belemmeringen in de bedrijfsvoering van omliggende relevante milieubelastende activiteiten als gevolg van het onderhavige plan en of het woon- en leefklimaat bij omliggende milieugevoelige objecten niet wordt aangetast als gevolg van de toevoeging van de milieubelastende activiteit. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Omgevingstype Ter plaatse van het onderhavige plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.
Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. 45
Daar is in onderhavig geval sprake van gezien direct naast woningen andere functies voorkomen zoals maatschappelijke, horeca- en bedrijfsbestemmingen. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden worden gerechtvaardigd. De richtafstanden voor de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied mogen één afstandstrap worden verlaagd. Toevoegen van milieugevoelige objecten Met het toevoegen van milieugevoelige objecten kunnen omliggende milieubelastende activiteiten in de omgeving belemmerd worden. Derhalve dient getoetst te worden aan de richtafstanden uit de VNG Handreiking. In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende relevante bedrijven gevestigd. Tabel 6: Omliggende bedrijven Adres Functie Lekdijk 142 Lekdijk 151 Lekdijk 151 Lekdijk 152
Transportbedrijf Kerkgebouw Begraafplaats Horeca
Milieucat. 3.1 2 1 2
Zwaarste richtafstand 30 meter 10 meter 0 meter 10 meter
Werkelijke afstand 132 meter 74 meter 17 meter 77 meter
Afbeelding 16: Afstanden omliggende bedrijven t.o.v. nieuwe milieugevoelige objecten
De nieuwe milieugevoelige functies voldoen aan de richtafstanden van omliggende milieubelastende activiteiten. Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe functie. Daarnaast 46
wordt geconcludeerd dat omliggende milieubelastende activiteiten niet worden belemmerd als gevolg van het plan. Toevoegen van milieubelastende activiteit Met het toevoegen van milieubelastende activiteiten in de vorm van een zorgfunctie dient onderzocht te worden of het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende milieugevoelige objecten niet (onevenredig) wordt aangetast. Derhalve dient getoetst te worden aan de richtafstanden uit de VNG Handreiking. De VNG Handreiking heeft geen richtafstanden opgenomen voor een fasehuis/kamertraining. Omdat bij een fasehuis/kamertraining sprake is van de behandeling, zorg en begeleiding in een beschermde woonomgeving, is er qua richtafstanden aangesloten bij de bedrijfscategorie ‘verpleeghuis’. In een verpleeghuis wordt immers ook behandelingen, zorg en begeleiding in een beschermde woonomgeving aangeboden en is daarmee qua milieubelasting vrijwel gelijkwaardig aan een fasehuis/kamertraining. Echter zullen in een verpleegtehuis met name ouderen opgenomen worden, terwijl bij een fasehuis/kamertraining jongeren worden geholpen. Om dit verschil te ‘compenseren’ is tevens aangesloten bij de richtafstanden voor de bedrijfscategorie ‘kinderopvang’. Om de richtafstanden voor een fasehuis/kamertraining te bepalen is dus uitgegaan van de zwaarste richtafstanden van de bedrijfscategorieën ‘verpleeghuis’ en ‘kinderopvang’.
Tabel 7: Richtafstanden fasehuis/kamertraining (milieucat. 2) Richtafstanden in gemengd gebied Geur Stof Geluid 0 meter 0 meter 10 meter
Gevaar 0 meter
Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat de zwaarste richtafstand voor een fasehuis/kamertraining in gemengd gebied 10 meter bedraagt. Binnen 10 meter van de zorgfunctie zijn geen milieugevoelige objecten aanwezig. Geconcludeerd wordt dat het plan niet zorgt voor aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende milieugevoelige objecten. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen. Als gevolg van het plan worden omliggende milieubelastende activiteiten niet belemmerd en wordt het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende milieugevoelige objecten niet aangetast.
47
4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij de invloed van de externe veiligheid wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico’s door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico’s door stationaire (inrichtingsgebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico’s door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico (PR) groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de wet milieubeheer. Naast het plaatsgebonden risico wordt ook gekeken naar het groepsrisico. De normen worden weergegeven door middel van risicocontouren. Onderzoek Invloed van stationaire bronnen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken en LPG-tankstations. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij huizen, ziekenhuizen, scholen of winkels.
Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Het besluit is, op enkele onderdelen na, op 27 oktober 2004 in werking getreden. Nieuwe kwetsbare objecten mogen niet worden gerealiseerd in gebieden waar sprake is van een PR van meer dan 10-6 per jaar. Voor het PR geldt als norm dat dit kleiner dan 10-6 per jaar moet zijn. De kans per jaar dat één persoon, die op een bepaalde plaats verblijft, komt te overlijden door een ongeval van het vervoer van gevaarlijke stoffen moet kleiner zijn dan 1 op 1 miljoen. Ook het vaststellen van een bestemmingsplan geldt als een nieuwe situatie, waarbij voldaan moet worden aan de eisen uit het Bevi. Concreet betekent dit dat kwetsbare objecten binnen de 10-6 per jaar contour niet zijn toegestaan. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden toegestaan. Wanneer zich binnen de 10-6 per jaar contour kwetsbare objecten kan een bestemmingsplan worden vastgesteld mits er zodanige voorschriften aan het besluit zijn verbonden dan wel er een traject van wijziging van de milieuvergunning is ingezet, zodat binnen 3 jaar na vaststelling van het besluit voldaan wordt aan de grenswaarde (artikel 8 lid 3 Bevi).
Wel dient in de tussentijd voldaan te worden aan de grenswaarde van 10-5 per jaar. Naast Bevi-inrichtingen zijn er ook inrichting die niet onder het Bevi vallen, maar waar wel opslag van risicovolle stoffen plaatsvindt. Regulering van de risicoaspecten die samenhangen met de opslag van deze stoffen vindt plaats middels het Activiteitenbesluit dan wel de WM vergunning. Een belangrijke richtlijn voor opslag en gebruik vormen de zogenaamde PGS richtlijnen. De PGS richtlijnen beschrijven de eisen voor de opslag van verpakte gevaarlijke
48
stoffen waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu kan worden bereikt. Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvinden en/of inrichtingen waar werkzaamheden met gevaarlijke stoffen plaatsvinden die een bedreiging kunnen vormen voor het onderhavige plan.
213 meter
Plangebied
Afbeelding 17: Uitsnede Risicokaart
Invloed transport gevaarlijke stoffen – buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. In de omgeving van het plangebied komen geen voor de externe veiligheid relevante buisleidingen voor. Invloed transport gevaarlijke stoffen – transportroutes Het Besluit externe veiligheid transportroutes, per 1 april 2015 van kracht, stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Wegverkeer Per 1 april 2015 is de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ van kracht. Basisnet Weg moet de bereikbaarheid van de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het aangrenzende buitenland garanderen voor wat betreft vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. Met Basisnet Weg is een duurzaam evenwicht gecreëerd tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid. Het Basisnet Weg richt zich uitsluitend op het hoofdwegennet (rijkswegen en
49
verbindende wegen die van belang worden geacht voor het vervoer van gevaarlijke stoffen). In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Vaarwegen Naast het Basisnet Weg en Basisnet Spoor bestaat de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ uit het Basisnet Water. Het Basisnet Water gaat uit van de kaart met alle vaarwegen van CEMT klasse II en hoger. • • • •
Categorie zeevaart (rood): Belangrijke toegangen naar zeehavens; Categorie binnenvaart met frequent vervoer van gevaarlijke stoffen (zwart): Belangrijke binnenvaarwegen; Categorie scheepvaart zonder frequent vervoer van gevaarlijke stoffen (groen): Minder belangrijke vaarwegen.
Het onderhavige plangebied is gelegen in de nabijheid van de rivier De Lek. De Lek wordt in het rapport Basisnet Water aangeduid als zwarte vaarweg. Voor de rode, zwarte en groene vaarwegen zijn gebruiksruimtes voor het vervoer (veiligheidsbuffer) gedefinieerd. Deze gebruiksruimten worden uitgedrukt in een PR 10-6 per jaar contour op de vaarweg en het groepsrisico. In tegenstelling tot het Basisnet Weg en Basisnet Spoor is in het Basisnet Water geen risicoplafond ingevoerd voor het plaatsgebonden en het groepsrisico. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn voor de rode en zwarte vaarwegen beperkingen opgelegd. Zo dient er rekening te worden gehouden met de effecten van een ongeluk met zeer brandbare vloeistoffen. Langs enkele vaarwegen zijn eveneens de zogenaamde Plasbrand Aandacht Gebieden (PAG’s) vastgesteld. Voor belangrijke binnenvaarwegen (zwart) geldt: • Geen nieuwe bestemmingen binnen de waterlijn; • Plasbrand Aandacht Gebied (PAG) 25 meter vanaf de waterlijn en in de uiterwaarden. Bouwen binnen een PAG is mogelijk in afweging met de gemeente; • Verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Berekening nodig indien bevolkingsdichtheid > 1.500 personen/ha dubbelzijdig of 2.250 personen/ha enkelzijdig. Het plan voorziet niet in het realiseren van nieuwe bestemmingen binnen de waterlijn van de Lek.
Voor het plan geldt daarnaast dat de afstand tussen de waterlijn en het plangebied circa 213 meter bedraagt. Daarmee valt het plangebied ruim buiten de PAG. Verder blijft de bevolkingsdichtheid in de kern Nieuwpoort/Langerak ruim onder de 1.500 per hectare, waardoor een verantwoordingsplicht van het groepsrisico niet aan de orde is.
50
Spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
51
4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan. Voorafgaand aan eventuele graafwerkzaamheden dient een KLIC-melding te worden gedaan. Rioleringsplan Door firma Jongeneel is een rioleringsplan opgesteld. De zorgeenheden en woningen worden via een persleiding aangesloten op het vrij vervalstelsel aan de Slotlaan. Hiervoor zal tevens een professionele pompput aangebracht moeten worden. De kosten voor de aansluiting worden betaald door de initiatiefnemers.
Afbeelding 18: Schets rioleringsplan firma Jongeneel
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Voorafgaand aan eventuele graafwerkzaamheden dient een KLIC-melding te worden gedaan.
52
4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Middels het bestemmingsplan wordt een wooneenheid toegevoegd in een bestaand gebouw. Het plan voorziet uitsluitend in een inpandige verbouwing waarbij de bestaande muren, constructie en het dak onaangetast blijven. Daarnaast worden enkele bijgebouwen naast het gebouw gerealiseerd. De bijgebouwen worden gerealiseerd waar nu grind is gelegen en een stukje grasland wat goed onderhouden en gemaaid is. Daardoor zullen er geen werkzaamheden plaatsvinden die bedreigend kunnen zijn voor (beschermde) flora en fauna. Een ecologische quickscan is daardoor niet nodig. Het plangebied maakt verder geen onderdeel van een beschermd gebied.
Het plangebied is gelegen op een afstand van 1,68 kilometer tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en 107 meter tot het Natuurnetwerk Nederland. Voor het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Gezien de afstanden en de kleinschaligheid van het plan wordt ten aanzien van het aspect gebiedsbescherming tevens geen belemmeringen bezien. Het plan zal geen significante negatieve invloed hebben op beschermde gebieden.
53
1,68 km 7,03 km
8,54 km
Afbeelding 19: Afstanden tot Natura 2000-gebieden
107 m
855 m Afbeelding 20: Afstand plangebied tot Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Daarnaast voorziet het plan niet in het kappen van houtopstanden. Gesteld wordt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. In het kader van de Algemene zorgplicht dient te allen tijde voorzichtig gehandeld te worden met alle voorkomende flora en fauna. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect ecologie geen belemmeringen. 54
4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Het plan voorziet in het realiseren van twee woningen en de integratie van een zorgfunctie binnen een bestaand gebouw. Om de kwaliteit van de bodem voor het toekomstig gebruik in kaart te brengen is door Linge Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten uit dit onderzoek luiden: ‘De slecht doorlatende deklaag ter plaatse bestaat uit klei en veen. De bovengrond rond de schuur is direct kleiig. Tussen 1.5 en 2.0 m-mv gaat de klei over in veen. In de helft van de boringen is puin waargenomen, tot een diepte van 0.5 m-mv. Het gehalte is gekwalificeerd als licht of sporen van. In één van de boringen in de contour van de voormalige sloot is op een diepte van 1.6 m-mv hout waargenomen.
Er is visueel nergens asbest-verdacht materiaal zoals plaatjes aangetroffen. Grond In de boven- en ondergrond rond de schuur aan de Lekdijk worden geen tussenwaarden overschreden. Dat geldt ook voor de licht puinhoudende bovengrond rond de schuur en de voormalige slootbodem. Van de bestrijdingsmiddelen is er niet één boven de achtergrondwaarde verhoogd in de oorspronkelijke bovengrond. Asbest Asbest is visueel nergens waargenomen op het terrein aan de Lekdijk. Er zijn twee monsters grond en puin op asbest geanalyseerd. Analytisch is door het lab daarin geen asbest kleiner dan 20 mm aangetoond. De monsters bevatten volgens het analysecertificaat ook geen asbest kleiner dan 0.5 mm. Dat is het zogenaamde respirabele, meest risicovolle asbest. Grondwater Barium is als enige licht verhoogd in het grondwater. Dit metaal is landelijk verhoogd. Conclusie, aanbevelingen De licht verhoogde gehaltes in grond en grondwater hebben geen consequenties voor de ontwikkeling van de locatie en zijn geen risico voor de volksgezondheid. Omdat er geen tussenwaarden worden overschreden is er geen aanleiding voor verder onderzoek.’
55
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen.
56
4.10 Archeologie en cultuurhistorie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. De Erfgoedwet maakt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe ‘de verstoorder betaalt’ Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument. Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden.
Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Archeologie Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat: • Het plangebied heeft een hoge verwachting aan of nabij het oppervlak voor prehistorie tot middeleeuwen (bruin). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Het plangebied heeft een lage verwachting (geel). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 10.000 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
57
Afbeelding 21: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
Het plan voorziet met name in inpandige werkzaamheden waarbij niet in de grond wordt geroerd. Buiten het gebouw worden circa 107 m² aan schuren gerealiseerd. Daarmee voorziet het plan niet in bodemingrepen groter dan 250 m² en is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet nodig. Ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden in de bodem zijn de archeologische dubbelbestemmingen uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied Liesveld’ overgenomen in dit plan. Cultuurhistorie Het plangebied is gelegen aan het cultuurhistorisch lint langs de Lekdijk. Middels het plan krijgt het bestaande gebouw op het perceel Lekdijk 156 een nieuwe invulling in de vorm van een woon-zorginitiatief. Daarmee ontstaat er een nieuwe toekomstbestendige situatie voor het gebouw. Hierdoor wordt voorkomen dat het bijgebouw leeg komt te staan, verouderd en verpauperd. Door de nieuwe invulling wordt aantasting van de ruimtelijke kwaliteit voorkomen en draagt het plan bij aan het behoud van de karakteristieken van het cultuurhistorisch lint. Met betrekking tot de te realiseren schuren wordt aangesloten bij het landelijke karakter van de omgeving, bijvoorbeeld door het toepassen van een (zadel)kap en/of gepotdekselde gevels. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen.
Ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden in de bodem zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie – 4 en 8’ overgenomen uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied Liesveld’. 58
4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. Met het plan wordt een bestaand gebouw zonder functie gewijzigd naar een zorgfunctie met twee woningen. Hiermee is sprake van een duurzaam ruimtegebruik. Daarnaast worden de nieuwe wooneenheden niet aangesloten op het gasnetwerk, waardoor er geen emissies plaatsvinden door stookinstallaties. Er wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om meer duurzame toepassingen in het plan te integreren. Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. Wateroverlast door overvloedige neerslag Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien op te kunnen vangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt.
Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem. Het plan betreft een kleinschalige ontwikkeling. Er vinden geen ingrepen aan de watergangen plaats. Een groot deel van het plangebied blijft groen waarmee hemelwater in de bodem kan infiltreren. Hiermee is voldoende waterberging aanwezig om zware regenbuiten te kunnen opvangen. Het belang van groene tuinen wordt onder de aandacht gebracht. Overstroming Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. Het plangebied is gelegen in het binnendijkse gebied. Hitte Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van plannen rekening gehouden met de accumulatie van warmte. Het plan voorziet uitsluitend in de functiewijziging van een bestaand gebouw en de realisatie van enkele bijgebouwtjes. Er wordt geen extra verharding toegevoegd waardoor er meer hittestress zou kunnen ontstaan. Het aspect hittestress is bij de initiatiefnemers onder de aandacht gebracht. Mogelijk dat in het gebouw een installatie wordt geïnstalleerd die naast verwarmen ook kan koelen.
59
Droogte Omdat het steeds droger wordt, zal de bodem sneller verdroogt raken. In de huidige situatie wordt hemelwater opgevangen door de dakgoot en wordt het via het maaiveld afgevoerd. De initiatiefnemers denken erover na om een regenton aan te schaffen, zodat het regenwater vastgehouden. Indien houtstructuren of planten door droogte een gebrek aan water hebben, kan het opgevangen hemelwater vervolgens gebruikt worden om de bodem te hydrateren. De beplanting kan daardoor blijven voorzien in het afbreken van CO2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier.
60
5
Juridische planbeschrijving
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Langerak, achter Lekdijk 156’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Langerak, achter Lekdijk 156’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Langerak, achter Lekdijk 156’ is aangesloten bij de bestemmingsplannen ‘parapluherziening Buitengebied Liesveld’, ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’ en ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’ De regels bestaan uit 4 hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
5.3 Bestemmingen Tuin Rondom het bestaande gebouw wordt een tuinbestemming gelegd. De gronden zijn met name bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouw. Binnen deze bestemming wordt een aanduiding toegevoegd specifiek voor de bijgebouwen. Verder worden er binnen de tuinbestemming geen andere gebouwen toegestaan. Voor de fruitboomgaard wordt tevens een aanvullende aanduiding toegevoegd. Maatschappelijk De woonbestemming op het gebouw wordt gewijzigd naar de bestemming ‘Maatschappelijk’. Aanvullend hierop wordt de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – fasehuis/kamertraining’ opgenomen. Middels deze aanduiding wordt tevens een fasehuis/kamertraining toegestaan, met dien verstande dat maximaal 6 zorgeenheden zijn toegestaan. Met de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden:
61
2’ wordt aangegeven dat binnen het gebouw maximaal 2 bedrijfswoningen zijn toegestaan. Waarde – Archeologie – 4 en 8 De dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie – 4 en 8' zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in de bodem.
5.4 Aanduidingen Bouwvlak Het bouwvlak wordt om het bestaande gebouw gelegd. In de regels is vastgelegd dat hoofdgebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak zijn toegestaan. Bouwaanduiding ‘bijgebouwen’ Ter plaatse van de beoogde schuren wordt de aanduiding ‘bijgebouwen’ toegevoegd. Binnen deze aanduiding zijn gebouwen toegestaan met een maximale goot- en bouwhoogte van 3 en 5 meter. Bouwaanduiding ‘specifieke vorm van tuin – fruitboomgaard’ Voor de bestaande fruitboomgaard wordt deze aanduiding toegevoegd om aan te geven dat hier tevens een fruitboomgaard is toegestaan. Functieaanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk – fasehuis/kamertraining’ Binnen de maatschappelijke bestemming zijn algemene maatschappelijke functies toegestaan. Om ook het fasehuis/kamertraining te benoemen is deze aanduiding toegevoegd. Zodoende zijn naast de algemene maatschappelijke functies tevens een fasehuis en/of kamertraining toegestaan. Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’ Ter bescherming van de beschermingszone van de primaire waterkering is deze aanduiding toegevoegd. Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 2’ Ter bescherming van de buitenbeschermingszone van de primaire waterkering is deze aanduiding toegevoegd. Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 2’ Binnen deze maatvoeringsaanduiding zijn maximaal 2 bedrijfswoningen toegestaan.
62