Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan Groot-Ammers, Wilgenweg 3
Tekst van het document
Onderzoek Voor het plan is de digitale watertoets doorlopen (Dossiercode 20191204-9-21963). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Peilgebied Het plangebied heeft eigen watersysteem met een verhoogd peil (- 1,52 NAP). De randen van het plangebied zijn gelegen binnen het peilgebied OVW064. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,64 meter NAP en een winterpeil van -1,74 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. Watergangen Binnen het plangebied zijn diverse C-watergangen gelegen. Ten zuiden van het plangebied is een A-watergang gelegen (de wetering). Langs de Wilgenweg is een Bwatergang gelegen. Voor werkzaamheden binnen de beschermingszone van A- of B- watergangen en/of aanpassingen aan de watergangen in zijn algemeenheid dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Rivierenland. Ten behoeve van de uitvoering van dit plan zijn/worden een aantal C-watergangen gedempt. Ter compensatie daarvan is/wordt extra oppervlaktewater gegraven. Tevens zijn/worden voor de inrichting van het park extra duikers, bruggen, aanlegsteigers, pompvoorziening(en) en oeverbeschoeiingen geplaatst.
Voor deze werkzaamheden zijn reeds watervergunning(en) verleend door het waterschap Rivierenland (2019048400/2019057090).
36
B-watergang: 131656
A-watergang: 014310 Afbeelding 9: Legger wateren
Watersysteem Het plangebied heeft een eigen watersysteem. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlakte water worden afgevoerd, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaand verhard oppervlak (bebouwing, bestrating e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik gemaakt worden van een eenmalige vrijstelling voor wanneer deze nog niet eerder is benut. 37
Het multifunctioneel hoofdgebouw wordt ter plaatse van de huidige parkeerplaats (puinverharding) gerealiseerd. De bestaande situatie ter plaatse van de Avonturenboerderij Molenwaard is reeds middels watervergunningen vergund en de benodigde watercompensatie daarvoor is gerealiseerd. Binnen het plangebied is een overschot aan oppervlaktewater (een buffer) gerealiseerd (zie afbeelding 10). De toekomstige uitbreiding van het parkeerterrein (thans vanwege o.a. de coronacrisis en daaraan gerelateerde maatregelen/beperking aantal bezoekers niet nodig) en eventuele overige toekomstige verhardingen binnen het themapark dienen te worden gecompenseerd. Voor deze werkzaamheden dient voorafgaand aan de werkzaamheden een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Rivierenland.
Afbeelding 10: Situatietekening watercompensatie (uitvergroot in de bijlage)
Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. Het hoofdgebouw en overige bouwwerken worden aangesloten op het gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. Ter plaatse van de Wilgenweg ligt een rioolwatertransportleiding. Deze leiding heeft een beschermingszone van 1,5 meter. De leiding (incl. beschermingszone) is ruimschoots buiten het plangebied gelegen. De werkzaamheden vinden op geruime afstand van deze leiding plaats.
In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland.
38
Waterkeringen Het plangebied is niet gelegen binnen kern- en/of beschermingszones van een primaire en/of regionale waterkering. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem.
39
5.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen.
Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, dus kan buiten beschouwing worden gelaten. Onderzoek Dit bestemmingsplan voorziet in de uitbreiding van een recreatief themapark. In het kader van de Wgh is hiermee geen sprake van uitbreiding van geluidsgevoelige bestemming, waardoor het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai niet noodzakelijk is. De geluidsuitstraling van het themapark naar omliggende geluidsgevoelige functies in de omgeving is onderzocht. De resultaten hiervan zijn nader uitgewerkt in hoofdstuk 5.5. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft geluid geen belemmeringen.
40
5.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 1: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)
Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 µg/m3 Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011
25 µg/m3
Vanaf 2015
Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de Monitoring NSL (2018) het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie tussen 20,2 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 18,5 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 11,3 µg PM2,5/m3. Voor het plangebied kan worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit, de grenswaarden niet worden overschreden. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgesteld in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met 41
niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het Besluit NIBM (gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit <3%), waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht.
42
5.5 Bedrijven en milieuhinder Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In onderstaande tabel zijn de richtafstanden weergeven.
Tabel 2: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Het plan is in eerste instantie getoetst aan de richtafstanden van het VNG-handboek bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is voor een themapark/streekcentrum geen specifieke categorie opgenomen. De Avonturenboerderij Molenwaard kan het beste worden geschaard in de categorie recreatiecentra, vaste kermis e.d.’ (milieucategorie 4.2). Opgemerkt dient te worden dat er beslist geen sprake is van een kermis. Conform het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) geldt voor de categorie ‘recreatiecentra, vaste kermis e.d.’ (milieucategorie 4.2) een grootste richtafstand van 300 meter voor geluid ten opzichte van omliggende woningen of andere 'kwetsbare' functies. In deze categorie wordt geen onderscheid gemaakt in grootte van de recreatieterreinen.
43
De uitbreiding van de Avonturenboerderij vindt plaats in westelijke en oostelijke richting. De dichtstbijzijnde woningen ten westen en oosten van het plangebied zijn de woningen Wilgenweg 1/1a en Wilgenweg 3a. De woningen zijn gelegen op ca. 300 meter (Wilgenweg 3a) en ca. 360 meter (Wilgenweg 1/1a) van het plangebied. De dichtstbijzijnde woning ten zuiden van het plangebied betreft de woning Graafland 51a. De afstand van de Avonturenboerderij (de bestemming ‘Recreatie’) tot het bouwvlak van de woning Graafland 51a bedraagt ca. 330 meter. Het achterste gedeelte van het plangebied is afgesloten voor bezoekers (groen en waterberging). Deze gronden zijn bestemd als ‘Groen’. Behoudens het houden van (boerderij)dieren zijn op deze gronden geen recreatieve activiteiten toegestaan. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde richtafstand en kan geconcludeerd worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat de Avonturenboerderij niet in de bedrijfsvoering wordt beperkt. Op de onderstaande afbeelding zijn de afstanden tot de dichtstbijzijnde woningen (kwetsbare functies) weergegeven.
Wilgenweg 3a
Wilgenweg 1/1a
Ca. 300 m
Ca. 360 m Bestemming ‘Groen’ (geen recreatieve activiteiten, afgesloten voor bezoekers
Ca. 330 m Graafland 51a Afbeelding 11: Plangebied t.o.v. omliggende woningen/kwetsbare functies
44
Akoestisch onderzoek geluidsuitstraling Avonturenboerderij Molenwaard In het kader van een goede ruimtelijke ordening en zorgvuldige afweging, en er zeker van te zijn dat er geen sprake is van onevenredige geluidsbelasting op omliggende woningen (als gevolg van dit plan), is door Voortman Ingenieurs een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsuitstraling van de Avonturenboerderij. Voor het akoestisch onderzoek is uitgegaan van de representatieve bedrijfssituatie (RBS) overeenkomstig de “Handleiding industrielawaai en vergunningverlening” (1998) en betrekking te hebben op een voor de geluidsuitstraling kenmerkende bedrijfsvoering bij volledige capaciteit van de inrichting. Voor de representatieve bedrijfssituatie is uitgegaan van een worst-case situatie in het hoogseizoen waarin alle omschreven activiteiten in een etmaal optreden.
Bepalend voor de geluiduitstraling naar de omgeving van de Avonturenboerderij zijn de volgende relevante activiteiten: • Muziekgeluid in het theatertje (locatie A: Fien en Teun Theatershow); • Versterkt stem- en muziekgeluid tijdens het openings- en sluitshow; • Speakerinstallaties buiten op boerenkarshows; • Speakerinstallatie ten bate van achtergrondmuziek en het doen van aankondigen voor shows; • Muziekgeluid in het nog te realiseren theater (direct ten zuiden van locatie A); • Verkeersbewegingen door bezoekers en leveranciers van de inrichting. Uit het akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat de activiteiten van de Avonturenboerderij en de voorgenomen realisatie van het theater in het kader van een goede ruimtelijke ordening vanuit akoestisch oogpunt inpasbaar zijn. Het akoestisch onderzoeksrapport is toegevoegd in de bijlage van het bestemmingsplan. Het akoestisch onderzoek is akkoord bevonden door de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ). Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen. Gesteld kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de omliggende woningen en dat de Avonturenboerderij niet in de bedrijfsvoering wordt beperkt.
45
5.6 Externe veiligheid Beleidskader Besluit externe veiligheid inrichtingen Bij de invloed van de externe veiligheid wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico’s door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico’s door stationaire (inrichting gebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico’s door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen is de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de Wet milieubeheer. Naast het plaatsgebonden risico wordt ook gekeken naar het groepsrisico. De normen worden weergegeven door middel van risicocontouren. Besluit externe veiligheid buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen.
Besluit externe veiligheid transportroutes Voor transportroutes zijn de regels vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. De belangrijkste wegen en spoorwegen, waaronder de A15 en de Betuwelijn, en vaarwegen vallen onder het Basisnet. Hiervoor gelden voorgeschreven veiligheidszones en vervoersintensiteiten, waarbij is uitgegaan van autonome groei. Voor overige wegen worden de werkelijke/ verwachten vervoersintensiteiten gehanteerd. Nieuwbouw van (beperkt) kwetsbare objecten is niet toegestaan binnen de afstanden van het plaatsgebonden risico. Als nieuwbouw binnen het invloedsgebied van een transportroute komt, is een verantwoording van het groepsrisico nodig. Onderzoek Door DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V. is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd.
De conclusies uit dit onderzoek luiden: In de omgeving van de Avonturenboerderij zijn volgens de risicokaart drie risicobronnen aanwezig: • Het transport van gevaarlijke stoffen over de Lek (circa 900 meter afstand); • Het bedrijf Koelcentrum Zederik B.V. (circa 600 meter afstand); • Het bedrijf AKZO Nobel Decorative Coatings B.V. (circa 1.000 meter afstand). 46
Transport over de Lek
Koelcentrum Zederik B.V.
AKZO Nobel Decorative Coatings B.V.
Avonturenboerderij
Afbeelding 12: Risicokaart externe veiligheid
47
Scheepvaartverkeer over de Lek Over de Lek vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Deze vaarweg maakt deel uit van het Basisnet en is hierin omschreven als deel van de corridor Amsterdam – Rijn. Over deze vaarweg is sprake van transport van gevaarlijke stoffen uit de klassen LF1, LF2 en GF3. De maximale effectafstand (1% overlijdenskans) bedraagt voor deze categorieën ten hoogste 90 meter. Het plangebied ligt ruim buiten deze afstand. Daarmee is het transport van gevaarlijke stoffen over de Lek niet relevant voor de Avonturenboerderij. Koelcentrum Zederik B.V. Het bedrijf beschikt over twee ammoniakkoelinstallatie van 1736 kg en 2170 kg. (opstellingsuitvoering type 1). Een dergelijke installatie heeft conform Regeling externe veiligheid inrichtingen geen 10-6/jaar contour. Daarnaast geeft de Regeling aan dat de grens van het invloedsgebied niet relevant is. Het groepsrisico hoeft niet te worden verantwoord. Dit bedrijf is daarmee niet relevant voor de ontwikkeling van de Avonturenboerderij. Akzo Nobel Decorative Coatings B.V. De PGS15 opslag op het terrein van Akzo Nobel Decorative Coatings ligt op circa 1.000 meter van het plangebied. De externe veiligheidsrisico's van dit bedrijf zijn bepaald in augustus 2015 in het kader van de aanvraag van de op 2 februari 2016 verleende omgevingsvergunning.
De hierbij voor de externe veiligheid relevante activiteiten betreffen: • Het magazijn gereed product van gebouw 40; • De PGS-kluis van gebouw 40; • De tankopslagen en verlading van brandbare gevaarlijke stoffen. De Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid heeft begin 2017 risicoberekeningen uitgevoerd voor Akzo Nobel. De resultaten van deze berekeningen heeft zij verwoord in het rapport “Externe veiligheidsrisico’s Akzo Nobel Decorative Coatings BV” van 4 januari 2017. De gegevens uit dit rapport zijn gebruikt voor de beschouwing van de risico’s vanwege Akzo Nobel. Plaatsgebonden risico De 10-6 PR-contour van de inrichting ligt ten hoogste enkele tientallen meters buiten de inrichtingsgrens. Deze ligt derhalve niet over het plangebied en daarmee wordt voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Groepsrisico In het bovengenoemd rapport is eveneens het groepsrisico opgenomen. Het groepsrisico vanwege Akzo Nobel ligt ruim onder de oriëntatiewaarde. De Omgevingsdienst kwalificeert dit als een ‘verwaarloosbaar groepsrisico’. Daarbij staat in het rapport van de Omgevingsdienst dat het invloedsgebied van Akzo Nobel Decorative Coatings 2.770 meter bedraagt. Alhoewel het plangebied binnen dit rekenkundige invloedsgebied ligt, ligt het plangebied buiten het invloedsgebied waarvoor een verantwoording van het groepsrisico nodig is.
48
De PGS15-opslagen van het bedrijf betreffen ruimten van 200 – 300 m2 en 1500 – 2500 m2, beide met beschermingsniveau 1. Voor dergelijke opslaginrichtingen geldt volgens de Regeling externe veiligheid inrichtingen een maximaal te hanteren invloedsgebied van 350 meter. De locatie valt buiten dit invloedgebied. Daarom hoeft het externe risico als gevolg van deze inrichting niet te worden beschouwd met betrekking tot het voorgenomen plan.
Afbeelding 13: Plaatsgebonden risico Akzo Nobel Decorative Coatings B.V.
Afbeelding 14: Groepsrisico Akzo Nobel Decorative Coatings B.V.
Conclusie Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
49
5.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals, rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Ter plaatse van de Wilgenweg ligt een rioolwatertransportleiding. Deze leiding heeft een beschermingszone van 1,5 meter. De leiding (incl. beschermingszone) is ruimschoots buiten het plangebied gelegen. De werkzaamheden vinden op geruime afstand van deze leiding plaats. Derhalve wordt geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
50
5.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plan- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Soortenbescherming Om de invloed van het plan op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek zijn: In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. Het plangebied heeft een essentiële functie als broedgebied van ooievaars. Deze wordt door de beoogde ontwikkelingen niet aangetast. Het plangebied is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van ooievaars, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels.
Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, andere soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit). Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in 51
de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). •
De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van de ooievaar (indicatief maart t/m oktober). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
Ooievaars Op de locatie van de Avonturenboerderij was jarenlang het Ooievaarsdorp gevestigd. Het Ooievaarsdorp bestaat formeel niet meer, maar nog steeds zijn er dagelijks vrijwilligers en werknemers van de Avonturenboerderij bezig met de verzorging van de ooievaars, de nesten en de identiteit van het park. Door de komst van de Avonturenboerderij zijn er weer de financiële middelen gekomen om de nesten te herstellen, bij te plaatsen en in de winter de achterblijvers te voeren. Deze investering en dagelijkse verzorging werpt zijn vruchten af, het laatste jaar werden er maar liefst 11 jongen groot (het jaar ervoor 9). Dat zijn aantallen die de laatste jaren niet meer voorkwamen en komen onder meer door de goede verzorging van de nesten en het bijplaatsen van nesten. Met de komst van de Avonturenboerderij zijn er 4 nesten bijgeplaatst en is het plan om het achterste deel van het park verder in te richten voor de ooievaars. De laatste 100 meter van het park is namelijk zo in gericht dat er geen bezoekers kunnen komen. Wat belangrijk is zijn goed onderhouden nesten en voldoende voer. Beide aspecten zijn aanwezig op de Avonturenboerderij en in de omgeving. De Avonturenboerderij heeft een medewerker die verantwoordelijk voor de ooievaars en hun nesten. Diegene wordt ondersteund door meerdere vrijwilligers die uit het verleden al bij het Ooievaarsdorp betrokken zijn.
Deze vrijwilligers zorgen jaarlijks voor het ringen van de ooievaars die geboren worden op de Avonturenboerderij, zodat ze over de hele wereld te volgen zijn en kunnen bijdragen aan goed zicht op de populatie. De juiste aandacht voor de ooievaars is dus gewaarborgd en maakt onderdeel uit van de Avonturenboerderij. De parkeerplaats is voorzien direct naast de hoge bomen op het park en komt juist niet op het laatste deel waar de openheid van de weilanden er juist nog is en blijft. Van hieruit vliegen de ooievaars veelal aan. De foerageermogelijkheden worden niet aangetast als gevolg van dit plan. Het bewaren en bewaken van de identiteit en geschiedenis van het Ooievaarsdorp belangrijk is voor de Avonturenboerderij. Een geschiedenis waar de Avonturenboerderij trots op is en die juist door de nieuwe ontwikkeling weer de financiële middelen heeft om gewaarborgd te blijven als onderdeel van de Avonturenboerderij en de Alblasserwaard.
52
Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 4,5 kilometer ligt het Natura 2000-gebied Uiterwaarden van de Lek. Het plangebied ligt op een afstand van circa 800 meter ten windrichting van het Natuurnetwerk Nederland, op 300 meter van een belangrijk weidevogelgebied en 8,8 kilometer van een strategische reservering natuur. Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Afbeelding 15: Plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden
Afbeelding 16: Plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
53
Afbeelding 17: Plangebied t.o.v. Belangrijk weidevogelgebied
Stikstofdepositieonderzoek Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is middels de AERIUS Calculator een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. Uit de berekening blijkt dat zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van de ontwikkeling niet voorzien in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie. De rapportage van het stikstofdepositieonderzoek is toegevoegd in de bijlage. Conclusie Het plan ondervindt, mits de in het ecologisch rapport gestelde maatregelen worden getroffen, wat betreft ecologie geen belemmeringen.
54
5.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem voor het toekomstige gebruik in kaart te brengen is een verkennend bodemonderzoek (inclusief PFOA-onderzoek) uitgevoerd. De conclusies uit dit bodemonderzoek zijn: •
• •
•
•
In de zintuiglijk schone bovengrond onder het gecertifceerde gebroken puin op het zuidelijke terreindeel is alleen nikkel in lichte mate boven de AW 2000 aangetroffen; Het opgebrachte ophoogzand onder de bestrating op het voorterrein is geheel schoon voor alle parameters uit het standaardpakket; De venige ondergrond bevat licht verhoogde gehalten aan kobalt en nikkel. Uit eigen archief is inmiddels gebleken dat specifiek deze metalen vaak in lutumarme venige bodems verhoogd worden aangetroffen. Deze verhogingen hebben geen consequenties; In de bovengrond is een PFOA-gehalte bepaald van 10 ug/kgds en in de ondergrond is dit 4.1 ug/kgds. Deze gehalten passen binnen de range van 2.5 tot 10 ug/kgds in zone 2, zoals vastgesteld door de OZHZ; In het grondwater is barium matig verhoogd aangetroffen. Barium komt bijna standaard in gehalten boven de streefwaarde voor en soms (zoals in dit geval) wordt ook de tussenwaarde overschreden zonder aanwijsbaar oorzakelijk verband. Vanwege het ontbreken van een oorzakelijk verband is er dan ook geen reden voor een herbemonstering. Het verhoogde bariumgehalte veroorzaakt geen enkel risico.
Op grond van het uitgevoerde bodemonderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen uitbreidingsplannen. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft de bodemkwaliteit geen belemmeringen.
55
5.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorisch en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden, waaronder de voormalige gemeente Molenwaard, hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe ‘de verstoorder betaalt’. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat de ‘Avonturenboerderij Molenwaard’ is gelegen op: • Gronden met hoge verwachting voor archeologische resten uit de prehistorie en middeleeuwen tussen 1,5 en 5 meter beneden maaiveld. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 150 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk (Bruin); • Gronden met lage verwachting voor archeologische resten uit alle perioden. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 10.000 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk (geel).
56
Avonturenboerderij Molenwaard
Afbeelding 18: Uitsnede verwachtings- en beleidsadvieskaart
Onderzoek Ten behoeve van dit plan is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is echter nooit volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect archeologie de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk eventuele archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag.
57
5.11 Bijzondere molenbiotoop Beleidskader Eén van de attracties van de ‘Avonturenboerderij Molenwaard’ is de korenmolen, ‘De Jonge Sophia’. De molen en het omliggende gebied betreft een bijzondere molenbiotoop. De categorie ‘molens met een bijzondere molenbiotoop’ betreffen enkele incomplete molens, opnieuw opgebouwde molens en/of verplaatste molens. Een bijzondere molenbiotoop biedt meer ontwikkelingsruimte. Een ontwikkeling binnen een bijzondere molenbiotoop is mogelijk mits de molen en de molenbiotoop op een goede manier ruimtelijk worden ingepast. In dit geval betekent dat concreet dat de korenmolen ‘De Jonge Sophia’ herkenbaar en zichtbaar dient te blijven in het landschap (vanaf de Wilgenweg). De molen heeft een Rijksmonumentale status. Waarschijnlijk is de korenmolen in 1773 gebouwd in Ottoland en heeft deze in de 20ste eeuw een motor gekregen. Sindsdien liet het onderhoud van vooral het buitenwerk te wensen over en is de molen onttakeld (vermoedelijk 1926). In 1998 dreigde de korenmolen te worden gesloopt door opheffing van het bedrijf dat deze in bezit had. Deze is toen echter verplaatst naar de huidige locatie op het toenmalige ‘ooievaarsdorp’ waar deze door de jaren heen is opgeknapt. Door de herkomst van de korenmolen en de vele verschillende onderdelen van de molen (zelfs buiten de landsgrenzen afkomstig) maakt het een bijzonder geheel.
De Jonge Sophia heeft daarom ook een monumentale status verkregen. De molen wordt thans onderhouden door de medewerkers van de Avonturenboerderij Molenwaard’. Elke dag is er een molenaar aanwezig die de kinderen verteld over de molen. De molen kan daarmee worden gezien als een ‘bijzondere molen’. Voor dergelijke molens is het van belang dat het zicht op de molen, de positie in het landschap, behouden blijft.
Afbeelding 19: De korenmolen ‘De Jonge Sophia’
58
Onderzoek In dit plan is rekening gehouden met de korenmolen ‘De Jonge Sophia’. Binnen de op de verbeelding van het bestemmingsplan aangegeven vrijwaringszone ‘bijzondere molenbiotoop’ mogen geen nieuwe bouwwerken worden gerealiseerd die het zicht op de molen beperken. Conclusie Het plan heeft geen negatieve invloed op het zicht van de korenmolen ‘De Jonge Sophia’.
59
5.12 Duurzaamheid Avonturenboerderij Molenwaard is een onderneming dat duurzaamheid hoog in het vaandel heeft staan. Duurzaamheid is een belangrijk thema in het park. Er wordt van alles gedaan om de jonge generatie het bewustzijn bij te brengen van een duurzame wereld. Het verhaal over zuinig omgaan met je omgeving, het scheiden van afval, de verschillende vormen van duurzame energie zijn verwerkt in attracties op het park. Het park heeft een eigen opwekking van energie door zonnepanelen. Tevens krijgt het park in het voorjaar 2021 laadpalen. De Avonturenboerderij is al lang bezig om energievoorziening op het park verder te ontwikkelen. De Avonturenboerderij is daarmee een van de meest duurzame ondernemingen zijn van de Alblasserwaard.
60