Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan Giessenburg, tegenover Slingelandseweg 22
Tekst van het document
Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de Keur is geregeld dat langs A- en Bwatergangen een beschermingszone in acht genomen dient te worden. Dit houdt in dat er binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang geen werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland. De genoemde bepaling beoogt te voorkoen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Voor een A- en een B-watergang gelden in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een beschermingszone van 5 en 1 meter. Werkzaamheden binnen deze beschermingszones zijn vergunnings- en/of meldingsplichtig. In de directe omgeving van het plangebied zijn een A-watergang (000844) en een Cwatergang (048453) gelegen. De geplande bouw- en sloopwerkzaamheden vinden plaats binnen de beschermingszone van de A-watergang.
Voor de bouwwerkzaamheden dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland.
34
A-watergang: 000844
C-watergang: 048453
Afbeelding 11: Uitsnede legger wateren
Onderzoek Voor het plan is de digitale watertoets doorlopen (dossiercode 20190129-9-19743). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Het plangebied is gelegen in het peilgebied OVW046. Het peilgebied heeft een zomerpeil -1,69 meter NAP en een winterpeil van -1,79 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil van een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.
35
Plangebied
Afbeelding 12: Uitsnede peilgebiedenkaart
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlakte water worden afgevoerd, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaand verhard oppervlak (bebouwing, bestrating e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik gemaakt worden van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1500 m2. Het plan voorziet in de sloop van een verouderde schuur (90 m2) en het realiseren van een vrijstaande woning (90 m2) met bijbehorende aan-, uit- en bijgebouwen (max. 75 m2) en bijbehorend erf. Het plan betreft een toename aan verharding met een globale inschatting van ca. 100 m2 aan verharding.
De initiatiefnemer maakt voornemens gebruik van de particuliere vrijstelling. De afdeling vergunning van het waterschap zal bekijken of gebruik van de vrijstelling mogelijk is. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het wetenschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op 36
de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via het bestaande rioleringsstelsel.
De nieuwe burgerwoning zal worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Het rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Regionale of primaire waterkering Het plangebied is gelegen in de kern- en beschermingszone van een regionale waterkering. Binnen de kernzone gelden strenge regels voor het uitvoeren van bouw- en/of sloopwerkzaamheden. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe van ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. Ter bescherming van de waterkering heeft het Waterschap Rivierenland een profiel van vrije ruimte (pvvr) vastgesteld. Bebouwing mag uitsluitend worden gerealiseerd boven dit pvvr (heipalen uitgezonderd). Hiermee wordt instabiliteit van de waterkering voorkomen en kunnen toekomstige dijkversterkingen mogelijk worden gemaakt. Nieuwbouw van permanente bouwwerken in de beschermingszone is toegestaan, mits wordt voldaan aan beleidsregel 5.18 behorende bij de Keur, waaronder dat: • De funderingen het profiel van vrije ruimte en het leggerprofiel niet doorsnijdt. Een uitzondering hierop zijn de palen van paalfundaties. • Geen holle ruimtes onder de bouwwerken worden gemaakt of aanwezig zijn, ook niet boven het profiel van vrije ruimte.
• Bouwwerken boven het aanwezige maaiveld gerealiseerd worden.
37
De geplande sloopwerkzaamheden vallen binnen de kern- en beschermingszone van de waterkering en de bouwwerkzaamheden uitsluitend binnen de beschermingszone van de waterkering. Voor de uitvoering van het plan dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland. De beoogde woning wordt verder van de weg gesitueerd dan de bestaande schuur. In het kader van het onderhoud en instandhouding van de waterkering is hiermee sprake van een verbeterde situatie. Voor de nieuwbouw van de woning wordt voldaan aan beleidsregel 5.18 behorende bij de Keur. In het kader van de watervergunning dient middels een doorsnedetekening te worden aangegeven hoe de woning zich verhoudt tot het Pvvr en de beschermings- en kernzone van de waterkering. De woning wordt boven het profiel van vrije ruimte (Pvvr) gerealiseerd. Ter bescherming van de regionale waterkering wordt op de verbeelding ter plaatse van de kernzone de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen en ter plaatse van de beschermingszonde de aanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’.
Afbeelding 13: Uitsnede legger waterkeringen
Wegbeheer Het perceel tegenover Slingelandseweg 22 te Giessenburg is direct gelegen aan de Slingelandseweg. Er is één ontsluiting op de openbare weg aanwezig t.b.v. de bestaande schuur. In de nieuwe situatie zal er om de boogde vrijstaande woning te bereiken een nieuwe in- en uitrit worden gerealiseerd op dezelfde plek. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Voor het onderhavige plan dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland.
38
5.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen.
Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Het plangebied tegenover Slingelandseweg 22 te Giessenburg is gelegen binnen de invloedsfeer van een 60 km/h-weg. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedssfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein en kunnen dus buiten beschouwing worden gelaten. Onderzoek Het plan betreft de realisatie van een woning. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van het toevoegen van een geluidsgevoelig object. Door Voortman Ingenieurs is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai (d.d. 11-11-2020). Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat: •
•
‘De voorgevel (zuidgevel) van de woning wordt op voorhand als dove gevel uitgevoerd. Dove gevels worden niet getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder; De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Slingelandseweg ten hoogste 51 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelasting is hoger 39
•
• •
dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB maar niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde voor wegverkeer in buitenstedelijk gebied van 53 dB, incl. aftrek art. 110g Wgh; De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Muisbroekseweg ten hoogste 30 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelasting is niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 voor wegverkeer; De berekende gecumuleerde geluidbelasting (LCUM*) ten gevolge van alle wegen ten hoogste 51 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; De woning ter plaatse van de zij- en achtergevels over geluidluwe gevels en een geluidluwe buitenruimte beschikt, zodat aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan.
Een verzoek tot vaststelling voor de in tabel 4.1 weergegeven hogere waarden dient ingediend te worden bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Molenlanden.’ Conclusie Ten behoeve van de woning dient een verzoek tot vaststelling van hogere waarden te worden gedaan.
40
5.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijn stof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 1: Grenswaarden Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)
Grenswaarde 40 µg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3
Jaargemiddelde 25 µg/m3 concentratie Voor roet gelden thans nog geen grenswaarden
Vanaf 2015
Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2019 voor het jaar 2020 het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie van 16,29 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 18,06 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 11,00 µg PM2,5/m3. Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgesteld in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met 41
niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM (gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit <3%), waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
42
5.5 Bedrijven en milieuhinder Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.
Tabel 2: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNGhandreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Het plan voorziet in de nieuwbouw van een milieugevoelig object (vrijstaande woning). In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele beperking van de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven/ instellingen als gevolg van het onderhavige plan. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-handboek bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Het plangebied is gelegen buiten de richtafstanden van de bedrijven in de directe omgeving. Hiermee kan gesteld worden dat er sprake is van een acceptabel woonen leefklimaat en de bedrijven in de omgeving middels het plan niet (verder) worden beperkt in de bedrijfsvoering.
43
Tabel 3: Afstanden relevante bedrijven Adres Functie Slingelandseweg 5b Muisbroekseweg 10 Muisbroekseweg 16
Agrarisch loonbedrijf Agrarisch bedrijf (incl. ijsboerderij) Taxibedrijf
Milieucat.
Werkelijke afstand
3.1 3.2
Zwaarste richtafstand VNG 50 meter 100 meter
2
30 meter
172 meter
90 meter 115 meter
Slingelandseweg 5b
Muisbroekseweg 10
Muisbroekseweg 16
Afbeelding 14: Uitsnede vigerende bestemmingsplan
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen. Gesteld kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat geen bedrijven (verder) in de bedrijfsvoering worden beperkt.
44
5.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR 10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten bevinden (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.
Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaart van de provincie Zuid-Holland bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het onderhavige plan. Invloed transport gevaarlijke stoffen, Buisleidingen In en om het plangebied zijn geen van dergelijke buisleidingen aanwezig.
45
Plangebied
Afbeelding 15: Uitsnede Risicokaart
Invloed transport gevaarlijke stoffen via transportroutes In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen en voor de beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen. In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.
46
5.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
47
5.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plan- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het plan betreft de sloop van een verouderde schuur en het realiseren van een woning. Hiermee is sprake van werkzaamheden die in het kader van ecologie bedreigend kunnen zijn voor verblijfsplaatsen van beschermde plant- en diersoorten. Om de invloed van de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologisch onderzoek uitgevoerd (d.d. 14-01-2019). De resultaten uit dit onderzoek luiden: Soortenbescherming ‘In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De te slopen bebouwing heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten.
De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. Het saneren van de schuur, ten behoeve van een nieuwbouwwoning, aan de Slingelandseweg ong. te Giessenburg is uitvoerbaar zoals is bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro), mits rekening wordt gehouden met maatregelen ten aanzien van de grote modderkruiper en de rugstreeppad. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan 48
•
•
puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. Ten behoeve van de grote modderkruiper dient de nieuwe watergang door middel van afdammen gerealiseerd te worden. Hierbij wordt de verbinding met de bestaande watergang pas gemaakt, wanneer de te realiseren watergang afgegraven is. Dit om mogelijk migratie van de grote modderkruiper tijdens de werkzaamheden te voorkomen. De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.’
Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 6,0 km ligt het Natura 2000-gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid. Overige natura 2000gebieden in de omgeving zijn op grotere afstand gelegen. Het plangebied ligt op een afstand van circa 340 m ten noordoosten van het een ecologische verbinding van het Natuurnetwerk Nederland. De beoogde ontwikkeling betreft de sloop van de huidige bebouwing (opslagschuur) en de realisatie van een nieuwbouwwoning, wat leidt tot een zeer beperkte verkeerstoename. De werkzaamheden zullen waarschijnlijk leiden tot een tijdelijke en beperkte toename in stikstofdepositie (projecteffect). In de toekomst zal in geval van nieuwbouw sprake zijn van een relatief lage(re) uitstoot (hogere isolatiewaarden en een hoogrenderende stookinstallatie aan de nieuwste bouweisen moeten voldoen). Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
49
Afbeelding 16: Afstand plangebied t.o.v. Natura2000-gebieden
Afbeelding 17: Afstand plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft ecologie geen belemmeringen, mits de gestelde voorzorgsmaatregelen worden getroffen.
50
5.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem voor het toekomstige gebruik ‘wonen’ in kaart te brengen is door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740+A1) uitgevoerd (d.d. juni 2019). De conclusies uit dit onderzoek luidt: ‘Uit de boorbeschrijvingen blijkt dat de bodem bestaat uit een toplaag van geroerde matig humeuze matig zandige klei. Daaronder wordt sterk zandige geroerde klei aangetroffen. Bij boring 1 gaat deze laag op 1.1 m-mv over in blauwgrijze klei en vanaf 1.6 m-mv wordt veen aangetroffen. Bij boring 2 bestaat de bodem tot 1.6 mmv uit geroerde sterk zandige humeuze klei, ofwel hier wordt de blauwgrijze klei niet aangetroffen.
Duidelijk is aangetoond dat hier geen sprake is van een origineel profiel, ofwel de voorinformatie dat de voormalige moerassige grond hier is opgehoogd met grond van elders lijkt juist te zijn. Vanwege de puinbijmengingen is onderzoek verricht naar asbest in de bodem. In de bovengrond is een PFOA-gehalte bepaald van 0.9 ug/kgds en in de ondergrond is dit 2.6 ug/kgds. Omdat het bovengrondgehalte hier lager is dan het ondergrondgehalte (onlogisch bij depositie vanuit de lucht) kan wederom geconcludeerd worden dat de bodem op dit perceel niet origineel is, ofwel dat er demping heeft plaatsgevonden. Op basis van de door de OZHZ opgestelde handreiking kan gesteld worden dat deze PFOA-gehalten geen risico opleveren; De duidelijk meer geroerde ondergrond bleek in een mengmonster van 3 deelmonsters sterk verontreinigd met koper, matig met zink, lood en PAK en licht met enkele overige metalen. Om deze reden zijn de 3 deelmonsters apart onderzocht op koper, lood, zink en PAK. Hieruit kwam uiteindelijk naar voren dat alleen de ondergrond van 1-1.6 m-mv ter plaatse van boring 2 sterk verontreinigd is met koper, lood, zink en PAK. De ondergrond van 0.5-1 m-mv ter plaatse van de boringen 1 en 2 is licht verontreinigd met deze stoffen.
Aangezien de sterk verontreinigde laag duidelijk geroerd was en diverse bijmengingen bevat is hier duidelijk sprake geweest van een demping met in dit geval sterk verontreinigde grond. Rondom boring 2 heeft vervolgens een nadere afperking plaatsgevonden in een aanvullend onderzoek in de periode apriljuni 2019. Uit dit aanvullend onderzoek kwam naar voren dat in de boringen 101,. 102 en 104 de bodemlaag van circa 0.51 m-mv sterk verontreinigd is met PAK (geldt voor alle sterk verontreinigde monsters) en daarnaast plaatselijk met lood en zink. Ter plaatse van alleen boring 2 51
blijkt dat de bodemlaag van 1.5-2 mmv ook nog sterk verontreinigd is. Bij de andere boringen is juist in de laag van circa 1-1.5 m-mv zintuiglijk onverdachte kleigrond aangetroffen die analytisch inderdaad ook slechts licht verontreinigd is met een van de metalen of PAK. De sterke verontreiniging heeft een lengte van 16 meter, een breedte van 5 a 6 m en in 3 van de 4 boringen is de sterk verontreinigde bodemlaag slechts 0.5 m dik en bevindt zich tussen 0.5 en 1 m-mv. Alleen in boring 2 is de verontreiniging afwijkend, omdat hier de verontreinigde laag circa 1 m dik is en zich bevindt tussen 1 en ruim2 m-mv. Uitgaande van deze gegevens is het volume sterk verontreinigde grond circa 50 m3, ofwel hier is sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging (immers > 25 m3). De verontreiniging bevindt zich onder een toplaag van 0.5 m dikte die nagenoeg schoon is. In die zin is er in de huidige situatie geen sprake van enig gezondheidsrisico; Aanbevelingen. Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit vooralsnog een belemmering voor de voorgenomen bouw van een woning in die zin dat in ieder geval sanering van de verontreiniging dient plaats te vinden. De sanering dient aangevraagd te worden middels een BUS-melding (BUS immobiel). In deze melding dient aangegeven te worden welke saneringsvariant wordt gekozen.
Voorbeelden van enkele varianten zijn: Isolatievariant: de verontreiniging wordt niet ontgraven maar afgedekt met een duurzame verhardingslaag dan wel in combinatie met de betonvloer van de te bouwen woning. Ontgraving tot het niveau klasse Wonen: In dit geval wordt alle grond ontgraven die boven het niveau van klasse wonen ligt. Behalve de genoemde 50 m3 sterk verontreinigde grond komt dit hier neer op ontgraven van naar schatting 150 m3 extra grond.’ Conclusie Gelet op de resultaten van de uitgevoerde bodemonderzoek is er een BUS-melding dan wel een saneringsplan nodig. Hetgeen wordt als voorwaarde opgenomen in de omgevingsvergunning.
52
5.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorisch en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden, waaronder de voormalige gemeente Giessenlanden, hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe ‘de verstoorder betaalt’. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de voormalige gemeente Giessenlanden is te zien dat het plangebied geheel gelegen is op gronden met een middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd. Hierbij is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 30 cm.
53
Plangebied
Afbeelding 18: Uitsnede Archeologische verwachtingskaart
Voor het plan is door ADC ArcheoProjecten een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: •
Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? De ondergrond van het plangebied bestaat uit een mineraalarm, onveraard veenpakket met een top op ca. 100 tot 145 cm –mv. De basis van het veenpakket bestaat uit rietveen en de top uit bosveen. Het veenpakket wordt afgedekt door een 10 tot 55 cm dikke, sterk siltige kleilaag. Deze kleilaag wordt geïnterpreteerd als oeverafzettingen van de Giessen. De oeverafzettingen van de Giessen worden afgedekt door een 75 tot 100 cm dik heterogeen kleipakket, dat vanwege de inclusies van steenkolengruis geïnterpreteerd wordt als een recent geroerd pakket. In het zuidwesten van het plangebied is tot een diepte van 200 cm –mv een pakket sterk siltige, matig zandige, zwak humeuze klei aangetroffen met baksteenfragmenten. Waarschijnlijk is een pakket omgewerkte oeverafzettingen van de Giessen.
•
Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? In een groot deel van het plangebied is een 75 tot 100 cm dik, (sub)recent geroerd en ten dele opgebracht pakket aangetroffen. Waarschijnlijk is hierin de oorspronkelijke top van de oeverafzettingen van de Giessen opgenomen. In het zuidwesten van het plangebied is de natuurlijke bodemopbouw tot ca. 200 cm –mv verstoord geraakt. Waarschijnlijk is de betreffende boring naast een bermsloot van de Slingelandseweg gezet en is daarom hier de bovengrond relatief diep omgewerkt.
54
•
Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? In het pakket oeverafzettingen van de Giessen zijn geen bewoningslagen gevonden. Waarschijnlijk is dit pakket in het zuidwesten van het plangebied tot een relatief grote diepte verstoord geraakt en is in de overige delen van het plangebied de top van dit pakket is verstoord geraakt. In dit pakket worden daarom geen archeologische waarden verwacht.
•
Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? Niet van toepassing.
•
Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? Tijdens het booronderzoek zijn, behalve baksteenfragmenten, geen indicatoren aangetroffen die wijzen op archeologische resten in de bodem. De relatief grote verspreiding van baksteenfragmenten kan verklaard worden door de ligging van het plangebied in het buurtschap Pinkenveer, dat gedurende de Nieuwe tijd is ontwikkeld. In het plangebied zijn geen (fragmenten van) gebruiksvoorwerpen uit de Nieuwe tijd gevonden. Het onderzoek was echter een verkennend booronderzoek en had niet als direct doel om het plangebied te controleren op de aan- of afwezigheid van archeologische waarden.
▪
▪
▪
Zo ja: Op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? Niet van toepassing. Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? Niet van toepassing. Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? Niet van toepassing.
•
In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? Het plangebied is relatief diep verstoord geraakt en tijdens het booronderzoek zijn geen potentieel archeologische niveaus aangetroffen in de oeverafzettingen van de Giessen. Daarom worden in dit deel van het plangebied geen archeologische waarden verwacht. De middelmatige archeologische verwachtingswaarde kan daarom bijgesteld worden naar een lage archeologische verwachtingswaarde.
•
In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? In het plangebied worden geen intacte archeologische waarden verwacht en daarom worden door de uitvoering van de plannen geen archeologische waarden bedreigd.
55
•
Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Omdat een groot deel van het plangebied relatief diep verstoord is geraakt en in het plangebied geen potentieel archeologische niveaus zijn gevonden is het plangebied voldoende onderzocht.
Aanbeveling ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is echter nooit volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Molenlanden), zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie geen belemmeringen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag. Ter bescherming van de archeologische waarden wordt de dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie – 2’ uit het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’ overgenomen in het nieuwe bestemmingsplan.
56
5.11 Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De aanvrager is zich bewust van deze gemeentelijke ambitie. De nieuwe woning wordt in het kader van het duurzaamheidsbeleid gasloos gebouwd en op een goede wijze geïsoleerd (conform de huidige bouweisen). De woning wordt op een passende en verantwoorde wijze groen ingepast. Ter compensatie van de toename aan verharding wordt er oppervlaktewater gegraven om afwateringsproblemen e.d. te voorkomen. Tenslotte doet de initiatiefnemer onderzoek naar mogelijkheden voor duurzame energiebronnen.
57