CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan ‘Giessenburg, Binnendamseweg 64c

Raadsvergadering 22 februari 2022, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Binnendamseweg 64c, Giessenburg13.886 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Onderzoek Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Omgevingstype ‘gemengd gebied’ Voor de toetsing kan is uitgegaan van het omgevingstype gemengd gebied. Het plangebied is gelegen in een omgeving waar reeds sprake is van functiemenging van wonen, agrarische en overige bedrijven. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden worden gerechtvaardigd. De richtafstanden kunnen met één afstandsstap worden verlaagd. Geurverordening Gemeente Molenlanden 2020 De raad van de gemeente Molenlanden heeft d.d. 19 mei 2020 de ‘Geurverordening Gemeente Molenlanden 2020’ vastgesteld. In artikel 4 lid 2 van de Verordening is vastgelegd dat, in afwijking van de Wet geurhinder en veehouderij, de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object (omliggende woningen), buiten de bebouwde kom, mag worden verlaagd naar 25 meter.

26

Op basis van onderstaande tabel kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden. Op basis hiervan kan worden gesteld dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven niet wordt beperkt als gevolg van dit plan. Tabel 3: Omliggende bedrijven Adres Functie

Milieucategorie

Richtafstand (gemengd gebied/

Afstand tot plangebied

Binnendamseweg 50 Foeragehandel

3.2

50 meter

189 meter

Binnendamseweg 74 Transportbedrijf (zonder schoonmaaktanks < 1000 m2)

3.1

30 meter

132 meter

Binnendamseweg 64 Opslaggebouw

2.0

10 meter

63 meter

Nieuwe woning (plangebied)

Transportbedrijf

Foeragehandel

Opslaggebouw Afbeelding 9: Omliggende bedrijven

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bedrijf- en milieuhinder geen belemmeringen.

27

4.4 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient het volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem voor het toekomstige woongebruik in kaart te brengen is door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodemonderzoek (incl. asbest) uitgevoerd. De conclusies uit het bodemonderzoek luiden: •

De bovengrond rondom de woning en ter plaatse van de verdachte en bebouwde terreindelen is in 3 mengmonsters onderzocht en hieruit blijkt dat de bodem algemeen licht verontreinigd is met enkele metalen (zoals cadmium, lood, zink, koper, kwik) PAK en plaatselijk minerale olie (minimaal verhoogd). Deze lichte verontreinigingen hebben geen consequenties. De bovengrond rondom de bebouwing is extra op asbest onderzocht door een daarvoor ingeschakeld erkend onderzoeksbureau (Ingenieursbureau Brabant) en hierbij is geen enkel asbesthoudend deeltje aangetroffen;

•

De bovengrond op het als onverdacht beschouwde graslandgedeelte bevat alleen een minimaal verhoogd gehalte aan molybdeen. Deze grond is dus nagenoeg schoon;

•

Het grondwater uit peilbuis 10 (weiland) is licht verontreinigd met zink en matig met barium. Deze matige verhoging behoeft geen nader onderzoek omdat barium standaard voorkomt in het grondwater zonder aanwijsbare oorzaak;

•

De ondergrond in de westelijke slootdemping heeft hetzelfde uiterlijk als de bovengrond rondom de woning en de bovengrond in de slootdemping is ook vergelijkbaar met de omliggende tuingrond. Om deze reden is hier de ondergrond van 50-100 cm onderzocht. Hieruit blijkt dat de dempingsgrond slechts licht verontreinigd is met diverse metalen en PAK. Deze dempingsgrond bevat tevens geen asbest;

•

De geroerde puinhoudende bovengrond in de oostelijke slootdemping is eveneens licht verontreinigd met diverse metalen en PAK en ook deze grond bevat zintuiglijk en analytisch geen asbest;

•

De geroerde bovengrond ter plaatse van de slootdemping ten westen van de loods is bij de boringen 20 en 21 sterk verontreinigd met zink. In de ondergrond (50-100 cm-mv) en ten zuiden van boring 21 is geen sterk verhoogd zinkgehalte aangetroffen.

28

•

De omvang van deze sterke verontreiniging bedraagt circa 50 m3. Hiermee is er sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging omdat dit de 25 m3 overschrijdt. Opgemerkt wordt dat de zandige dempingsgrond qua kleur en samenstelling duidelijk afwijkt van de omliggende grond. Ook de dempingsgrond in deze gedempte sloot ten westen van de loods bevat analytisch geen asbest.

•

Uit het door Ingenieursbureau Brabant uitgevoerd asbestonderzoek ter plaatse van de westelijke gootlijn van de loods blijkt dat de toplaag van 0-10 cm-mv hier geen asbest bevat, waarmee voorzicht geconcludeerd zou kunnen worden dat het dak mogelijk geen asbest bevat.

•

In de zuidoosthoek van de werktuigenloods is als gevolg van vermoedelijk morsingen bij de olie-opslag hier een olieverontreiniging ontstaan (door de jaren heen) die qua volume geen ernstig geval betreft omdat het sterk verontreinigde volume geschat/berekend is op 15 m3. De verontreiniging is hier in de diepte al snel afgeperkt in de originele kleibodem onder de verontreinigde ophoogzandlaag. Het grondwater uit peilbuis 22 is licht verontreinigd met olie (en met zink en barium).

Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit in die zin een belemmering voor de nieuwbouw van een woning dat in ieder geval twee terreindelen gesaneerd dienen te worden, namelijk de zinkverontreiniging in de slootdempingsgrond (50 m3) sterk verontreinigd) en de olieverontreiniging (ca 15 m3 sterk verontreinigd) in de zuidoosthoek van de loods. Conclusie Op grond van het bodemonderzoek dienen twee terreindelen gesaneerd te worden, namelijk de zinkverontreiniging in de slootdempingsgrond (50 m3) en de olieverontreiniging (ca 15 m3) in de zuidoosthoek van de loods. De benodigde bodemsanering wordt uitgevoerd als alvorens de geplande bouw van de woning op de locatie Binnendamseweg 64c zal plaatsvinden. Gelet op het voornemen de bodem te saneren, bestaat er geen belemmering ten aanzien van het vaststellen van het bestemmingsplan.

29

4.5 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt'. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.

Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevings- vergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat: • Het plangebied heeft een zeer hoge verwachtingswaarde voor late middeleeuwen tot nieuwe tijd. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 30 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk (paars). • Het plangebied heeft een middelmatige verwachting voor late middeleeuwen tot nieuwe tijd. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk (roze); • Het plangebied heeft een hoge verwachting aan of nabij het oppervlak.

Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk (bruin). • Het plangebied heeft een hoge verwachting tussen 1,5 meter en 5 meter. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 150 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk (roodbruin). • Het plangebied heeft een middelmatige verwachting. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 500 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk (groen); • Het plangebied heeft een lage verwachting. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 10.000 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk (geel).

30

Afbeelding 10: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Voor het plan is een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. De conclusie van dit onderzoek luidt: ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft archeologie geen belemmeringen. Ter bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden worden op het grasland ten noorden van de woningen de dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie – 4, 5, 7 en 8' overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan.

31

4.6 Watertoets In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Beleidskader Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezem- kades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen. Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater. Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur.

Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de wateraan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

32

Onderzoek Voor het plangebied is de digitale watertoets doorlopen (Dossiercode: 20210520-926533). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Watergangen In de directe omgeving van het plangebied zijn uitsluitend C-watergangen gelegen. Er worden geen ingrepen gedaan in de watergangen. Het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Rivierenlanden is niet noodzakelijk.

Afbeelding 11: Uitsnede Legger wateren

Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied NDW 003. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,85 m NAP en een winterpeil van -1,95 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.

33

Plangebied

Afbeelding 12: Uitsnede Peilgebiedenkaart

Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m 2. De afdeling Vergunningen van het waterschap Rivierenland zal uiteindelijk bepalen of gebruik kan worden gemaakt van deze vrijstelling.

34

Oppervlaktebalans verharding (ca.) m2 Bestaande situatie Bestaande woning

90

Ligboxenstal

1040

Stenen schuur

84

Werktuigenloods Houtopslag Werktuigenloods 1

250 25 120

Werktuigenloods 2 Terreinverharding

135 3100

Totaal

4844

Nieuwe situatie Bestaande woning (incl. aan-, uit- en bijgebouwen) Stenen schuur

(ca.) m2 156 84

Nieuwe woning (1000 m incl. aan- en uitbouwen) Nieuwe schuur Pad Erfverharding rondom vrijstaande woningen

200

Totaal

1624

3

Afname verharding

184 800 200

- 3220

Het totale plan resulteert in een aanzienlijke afname aan verharding (3220 m2 afname). Op basis hiervan zijn watercompenserende maatregelen niet vereist dan wel noodzakelijk. Het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Rivierenlanden is niet noodzakelijk. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiverings- installatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen.

Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. In de directe omgeving van beide locaties is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via het bestaande gescheiden rioleringsstelsel (DWA). De nieuwe woning wordt aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Het rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden, echter het is aan initiatiefnemer om een nieuwe aansluiting op de locatie mogelijk te maken in overleg met de rioolbeheerder. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. 35

Regionale waterkeringen Het plangebied is deels gelegen binnen de kern- en beschermingszone van een regionale waterkering. De Binnendamseweg en de zogeheten beschermingszones aan weerszijden van de dijk zijn door de verordening Keur beschermd. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe van ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. De sloopwerkzaamheden en de bouw van de nieuwe woning vindt plaats buiten de beschermingszone van de regionale waterkering. Het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Rivierenlanden is niet noodzakelijk. Ter bescherming van de regionale waterkering wordt op basis van de Barro (2012) ter plaatse van de kern- en beschermingszone de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering en de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - dijk - 1’ opgenomen. Deze dubbelbestemming en gebiedsaanduiding beschermd de waterkering door de bouwmogelijkheden van de onderliggende bestemming te beperken.

Afbeelding 13: Uitsnede Legger waterkeringen

Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het Waterschap Rivierenland verantwoordelijk voor het beheer van de wegen in de Alblasserwaard, waaronder de Binnendamseweg. Het perceel Binnendamseweg 64c te Giessenburg heeft een enkele in- en uitrit op de Binnendamseweg. Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem.

36

4.7 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek 4.7.1 Soortenbescherming Om de invloed van de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is op beide locaties door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. De conclusie uit dit onderzoek luidt: Het plangebied heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Wel dienen er maatregelen getroffen te worden omtrent de rugstreeppad (zie te treffen maatregelen). De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming.

Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv.

aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter

37

•

ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

4.7.2 Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijke weidevogelgebieden. Op een afstand van circa 1,7 km ligt het Natura 2000-gebied ‘De Biesbosch’. Op een afstand van circa 800 m ligt het Natuurnetwerk Nederland en op een afstand van circa 1 km ligt het Belangrijk weidevogelgebied. Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig in het plangebied die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep. Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijk weidevogelgebied geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

Afbeelding 14: Plangebied in relatie Natuurnetwerk Nederland

38

Afbeelding 15: Plangebied in relatie tot Natura2000-gebieden

4.7.3 Stikstofdepositie Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. Op 1 juli 2021 is de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering in werking getreden. Onderdeel van deze wet is de vrijstelling voor bouw-, sloop en eenmalige aanlegactiviteiten. Dit wordt de ‘bouw- vrijstelling’ genoemd. Eventuele stikstofdepositie vanwege de realisatie-/ bouwfase is dan ook vrijgesteld van vergunningplicht. Dat geldt ook voor dit project. Gezien er sprake is van een grote afstand (ca. 1,7 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, er sprake is van het wegnemen van een agrarische bedrijfsfunctie voor een woonfunctie, wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Conclusie Het plan ondervindt, mits de gestelde (voorzorgs)maatregelen worden getroffen, voor wat betreft ecologie geen belemmeringen.

39

4.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijn stof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 4: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide Jaargemiddelde 40 μg/m3 (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde 40 μg/m concentratie 24Max. 35 keer uurgemiddelde p.j. meer dan 50 concentratie μg/m3 Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde 25 μg/m3 concentratie

Geldig Vanaf 2015 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015

Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2020) het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie tussen 18,60 μg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 18,07 μg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 11,10 μg PM2,5/m3; Voor beide locaties kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit niet in betekende mate vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit Niet in Betekenende Mate (NIBM) en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de Grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.

40

Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

41

4.9 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geendirecte relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).

Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Onderzoek Risicovolle bedrijven Volgens de risicokaart van de provincie Zuid-Holland bevindt zich ten zuiden van het plangebied een inrichting waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.

Plangebied

Betuwelijn

Aardgasleiding

Zwembad

Afbeelding 16: Uitsnede Risicokaart 42

Op circa 425 meter ten zuiden van het plangebied is een zwembad gelegen (Rapportbeschrijving 15033 – Zwembad de Duikelaar). Ter plaatse wordt chloorbleekloog opgeslagen. Voor de opslag van chloorbleekloog geldt geen plaatsgebonden risico 10-6 contour en geen invloed op het groepsrisico. Door de toevoeging van slechts 1 woning in het plangebied neemt de woningdichtheid en daarmee de persoonsdichtheid in het gebied zeer beperkt toe. Gezien de beperkte verdichtingstoename, de relatief grote afstand tussen het plangebied en het zwembad (met daartussen de Giessen) en het feit dat er geen plaatsgebonden risicocontour is gedefinieerd is nader onderzoek niet noodzakelijk. De aanwezigheid van deze opslag heeft geen ruimtelijke consequenties. Bovendien zijn op kortere afstand eveneens burgerwoningen gelegen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er in de directe omgeving van het plangebied geen Beviinrichtingen of inrichtingen zijn waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor dit plan. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen. In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats.

Ten noorden van de nieuw te bouwen woning is de Betuwelijn gelegen (spoortrajectnummer 202E1.1). Voor dit spoortraject geldt een plaatsgebonden risico 10-6 per jaar contour van 30 meter. Verder geldt een groepsrisico 10-7 per jaar van 280 meter. Het plangebied ligt op circa 375 meter van de spoorlijn en ligt daarmee buiten het invloedsgebied. Op basis hiervan is de verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk. Buisleidingen Ten zuiden van het plangebied is een aardgasleiding (NEN 3650-leiding) van de Nederlandse Gasunie gelegen. De leiding W-528-01 heeft een uitwendige diameter van 324 mm en een maximale werkdruk van 40 bar. Voor deze aardgasleidingen geldt, dat de 10-6 plaatsgebonden risicocontour op de gasleiding is gelegen. Het plaatsgebonden risico is daarom geen belemmering voor het plan.

Verantwoording groepsrisico Artikel 8 van het Bevt schrijft voor dat indien een plangebied in zijn geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 meter van een transportroute, in de toelichting bij dat plan onderscheidenlijk in de ruimtelijke onderbouwing van die vergunning tevens ingegaan dient te worden op: • De dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan of besluit wordt vastgesteld, rekening houdend met de in dat gebied reeds aanwezige personen en de personen die in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan of de geldende bestemmingsplannen of een omgevingsvergunning redelijkerwijs te verwachten zijn, en; • De als gevolg van het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan of die vergunning betrekking heeft; • Het groepsrisico op het tijdstip waarop het plan of de vergunning wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat plan of besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de oriëntatiewaarde;

43

•

•

De maatregelen ter beperking van het groepsrisico die bij de voorbereiding van het plan of de vergunning zijn overwogen en de in dat plan of die vergunning opgenomen maatregelen, waaronder de stedenbouwkundige opzet en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte, en; De mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan.

De nieuw te bouwen woning is gelegen op circa 237 meter van de buisleiding. De woning ligt daarmee buiten de zone van 200 meter. Een verantwoording van het groepsrisico is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.

44

4.10 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De nieuwe woning wordt gebouwd conform de BENG-norm. Deze eis wordt gehaald met zo veel mogelijk permanente oplossingen, zoals isolatie en kierdichting, en gebruiksvriendelijke installaties. De toegepaste materialen zijn duurzaam en voor hergebruik geschikt. De energievraag wordt ingevuld met warmtepompsystemen al dan niet in combinatie met zonne-energie. Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien te kunnen opvangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem.

Dit plan voorziet in totaliteit in een forse afname aan verharding, waardoor hemelwater beter kan infiltreren in de bodem. In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere watergangen gelegen. Er worden geen ingrepen gedaan in de watergangen. Beide woonpercelen worden groen ingericht met voldoende mogelijkheden voor hemelwateropvang. Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. De nieuwe woning en schuur op een aanleghoogte gerealiseerd waarmee wordt voorgesorteerd op het voorkomen van schade door hoge waterstanden. Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van het plan rekening gehouden met de accumulatie van warmte. De installaties in de woningen worden geschikt gemaakt om naast verwarmen ook te kunnen koelen. Het plangebied wordt groen ingericht middels streekeigen beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden. Gezien het droger wordt is het van belang om de beplanting hierop af te stemmen. De beplanting moet blijven voorzien in het afbreken van CO2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier. De te kiezen beplantingen moeten ook erosie van het terrein terugdringen. Dit komt naast de klimaatadaptatie de groene uitstraling van het gebied ten goede. Het plangebied wordt groen ingericht middels streekeigen beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden en erosie terugdringen.

45

5. Juridische planopzet 5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Giessenburg, Binnendamseweg 64c’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Giessenburg, Binnendamseweg 64c’ is conform de landelijke ROstandaard (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Giessenburg, Binnendamseweg 64c’ is aansluiting gezocht bij de bestemmingsplannen ‘Giessenburg, Binnendamseweg 64b/c’ (vastgesteld op 11 juli 2019) en ‘Buitengebied Giessenlanden’ (vastgesteld op 11 maart 2015). De regels bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

5.3 Bestemmingen Agrarisch Het grasland ten noorden van de woningen behoudt de agrarische bestemming. Ter plaatse wordt het agrarisch bouwvlak weggenomen. Tuin Ter plaatse van het voorerf van de woningen wordt de agrarische bestemming gewijzigd naar ‘Tuin’. Ter plaatse van de gronden met de bestemming ‘Tuin’ zijn de bouwmogelijkheden beperkt. Wonen Ter plaatse van de (nieuwe) woonkavels wordt de agrarische bestemming gewijzigd naar ‘Wonen’ met ieder een afzonderlijk bouwvlak. Op het bouwvlak van de nieuw te bouwen woning is de maatvoeringsaanduiding ‘maximum volume (m3): 1000’ gelegd. Op het woonbestemmingsvlak zijn de bouwaanduidingen ‘specifieke bouwaanduiding – 1 en 2’ gelegd. Ter plaatse van de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' bedraagt de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen maximaal 150 m2. Ter plaatse van de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding 2' bedraagt de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen maximaal 184 m2. Waarde – Archeologie – 4, 5, 7 en 8' De dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie – 4, 5, 7 en 8’ zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

46

Waterstaat – Waterkering Ter bescherming van de regionale waterkering wordt ter plaatse van de kernzone van de waterkering de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen. Ter plaatse van de beschermingszone wordt gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’ gelegd. Deze gronden zijn primair bestemd voor dijken, kaden, dijksloten ten behoeve van de waterkering. 5.4 Aanduidingen • Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’; • Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1; • Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 2; • Maatvoeringsaanduiding ‘maximum volume (m3): 1000’; • Bouwvlak.

47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=b8b31280-10c9-43be-bb91-31d215a14a89