Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan “Giessen-Oudekerk, schoollocatie”;.pdf
Tekst van het document
33
Afbeelding 8: Peilgebiedenkaart
Oppervlaktewater Het plangebied grenst aan de oostkant aan een watergang. Deze watergang betreft een C-watergang, welke via een duiker in verbinding staat met een A-watergang. Dit betreft de inlaatduiker vanuit de Giessen, die water uit de Giessen (boezem) inlaat in het peilgebied om deze op peil te houden en voor wat doorstroming te zorgen als dit vanuit waterkwaliteitsoogpunt nodig is. De afwatering van deze sloot gaat richting het zuidwesten. De inlaatduiker, welke in beheer is van het waterschap Rivierenland, is gemaakt van staal met een diameter van 250 mm. Ter compensatie van de toename van de verharding, als gevolg van dit plan, zal de C-watergang 072910 ten zuiden van het plangebied worden verbreed. Voor het verbreden van de watergang dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Rivierenland.
34
Afbeelding 9: Legger Wateren
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige particuliere vrijstelling. In het stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 500 m2. De afdeling Vergunningen van het waterschap Rivierenland zal uiteindelijk bepalen of gebruik kan worden gemaakt van deze vrijstelling.
35
Verhardingsbalans Om de benodigde watercompensatie te bepalen is door Adcim B.V. een verhardingsbalans opgesteld. Tabel 6: Verhardingsbalans
Uitgangspunten: *De beschreven verhardingspercentages voor de tuinen zorgen samen met de bebouwing voor de volgende totale verhardingspercentages. De toelaatbare peilstijging bedraagt 0,20 m. Binnen de gestelde grens wordt het verharde oppervlak bepaald van zowel bestaande. De verhardingspercentages voor de tuinen leiden tot de volgende verhardingspercentages voor de gehele percelen: vrijstaande woningen 70%, twee-onder-een-kapwoningen 80% en rijtjeswoningen 90%. ** Verschil in totaal als gevolg van watercompensatie buiten plangebied (180 m 2)
36
Het plan resulteert in een toename aan verharding van 798 m2. De benodigde watercompensatie bedraagt 35 m3. Uitgaande van een toelaatbare peilstijging van 0,2 meter betekent dit een te realiseren oppervlaktewater van 174 m². Waterschap Rivierenland geeft aan dat watercompensatie kan worden gerealiseerd door het verbreden van watergangen of het realiseren van nieuw oppervlaktewater, mits dit in directe verbinding staat met het polderpeil. Om aan deze compensatieverplichting te voldoen wordt de C-watergang 072910 verbreed. Ter plaatse wordt 180 m2 aan oppervlaktewater gegraven (zie afbeelding 10 en 11). De watercompensatie wordt buiten de beschermingszone van de waterkering gerealiseerd. Voor het verbreden van de watergang dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Rivierenland. Omdat de C-watergang 072910 dient als watercompensatie zal de watergang een B-status krijgen. Met een B-status wordt het onderhoud van de waterberging gegarandeerd vanwege de onderhoudsplicht. De watergang dient te voldoen aan de minimale afmetingen voor B-watergangen zoals in de Keur is aangegeven.
Locatie watercompensatie
Afbeelding 10: Locatie watercompensatie
37
Afbeelding 11: Verbreding C-watergang 072910 (watercompensatie)
Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan.
Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven.
38
Op 3 juni 2021 heeft het waterschap Rivierenland een watervergunning verleend voor o.a. het verleggen van de twee persleidingen, het aanleggen van een vrij verval riolering (gescheiden stelsel) en het verwijderen van twee persleidingen ter plaatse van de Oudkerkseweg te Giessen-Oudekerk nabij dijkpaalnummer GI034 (kenmerk: 2021024719/2021071921). Hemelwaterafvoer Hemelwater in het plangebied stroomt af via het HWA-stelsel en/of op de watergang aan de oostzijde van het plangebied. Afvalwaterafvoer De nieuwe woningen worden aangesloten op het gescheiden rioolstelsel. In het plangebied liggen twee persleidingen. De persleidingen zijn niet in beheer bij het Waterschap Rivierenland. Ten behoeve van het plan worden de persleidingen worden verlegd (zie afbeelding 12).
Verwijderen persleidingen
Verleggen persleidingen
Afbeelding 12: Verleggen persleidingen (indicatief)
39
Regionale waterkering Het plangebied is gelegen binnen de beschermingszone van een regionale waterkering. Binnen de beschermingszone geldt een bouwprincipe ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. De geplande bouw- en sloopwerkzaamheden vallen deels binnen de beschermingszone van de regionale waterkering. Voor bescherming van de regionale waterkering heeft het Waterschap Rivierenland een profiel van vrije ruimte (Pvvr) vastgesteld. Bebouwing mag uitsluitend worden gerealiseerd boven dit Pvvr (heipalen uitgezonderd). Voor de bouw- en sloopwerkzaamheden dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Rivierenland. De nieuwe bebouwing wordt buiten het profiel van vrije ruimte (Pvvr) gerealiseerd. Tevens wordt de watercompensatie gerealiseerd buiten de beschermingszone van de waterkering (zie afbeelding 11). Ter bescherming van de regionale waterkering wordt op basis van de Barro (2012) ter plaatse van de beschermingszone de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone dijk - 1’ opgenomen. Deze gebiedsaanduiding beschermd de waterkering door de bouwmogelijkheden van de onderliggende bestemming te beperken.
Afbeelding 13: Legger Waterkeringen
Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Voor de bouw- en sloopwerkzaamheden en het realiseren van de watercompensatie dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland.
40
5.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen.
Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van een gezoneerd industrieterrein dus kan buiten beschouwing worden gelaten. Onderzoek Door Voortman Ingenieurs is een akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai uitgevoerd. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat: Wegverkeerslawaai • De maatgevende gecumuleerde geluidbelasting (LCUM*) ten gevolge van alle wegen ter plaatse van de woningen en school ten hoogste respectievelijk 50 en 43 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh bedraagt; • 30 km/h wegen hebben van rechtswege geen geluidzone. Omdat er sprake is van niet-gezoneerde wegen vindt er geen formele toetsing aan de Wet geluidhinder plaats.
De hoogst berekende geluidbelasting past binnen het normenstelsel van de Wet geluidhinder en derhalve kan de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde als aanvaardbaar worden aangemerkt.
41
•
Alle woningen en de school beschikken over een geluidluwe gevel en buitenruimte waarmee aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan.
Railverkeerslawaai • Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van railverkeerslawaai ter plaatse van de woningen en school ten hoogste respectievelijk 52 en 51 dB bedraagt. Deze geluidbelastingen zijn niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB voor railverkeer. Gecumuleerde geluidbelasting alle bronsoorten • Omdat de geluidbelasting ten gevolge van railverkeer niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde is cumulatie van weg- en railverkeer niet aan de orde. Voor de woningen en de school hoeven géén hogere waarden te worden vastgesteld, omdat de geluidbelasting wordt veroorzaakt door niet-gezoneerde wegen en de geluidbelasting ten gevolge van railverkeerslawaai niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.
42
5.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijn stof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 7: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)
Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3
Vanaf 2015
Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2020) het volgende overzicht voor het jaar 2020: • Een stikstofconcentratie van 17,08 µg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 17,84 µg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie tussen 11,02 µg/m3 PM2,5. Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10;
43
•
Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
44
5.5 Bedrijven en milieuhinder Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In tabel 8 zijn de afstanden weergeven. Tabel 8: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Onderzoek Het plan voorziet in de realisatie van 11 woningen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient getoetst te worden of dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de nieuwe woningen en/of dat omliggende bedrijven niet in de bedrijfsvoering worden beperkt als gevolg van de woningbouw. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Gemengd gebied In de omgeving van het plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Naast woningen zijn andere functies als agrarische en kleinschalige bedrijvigheid aanwezig. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden worden gerechtvaardigd. De richtafstanden voor de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied mogen één afstandstrap worden verlaagd.
45
In de omgeving van het plangebied zijn de volgende bedrijven/instellingen gelegen: Tabel 9: Omliggende bedrijven/instellingen Adres Functie Cat. Oudkerkseweg 70
Basisschool
Dr. Gravemeijerstraat 68
Verenigingsgebouw/ jeugdopvang (de Korf)
Richtafstand (gemengd gebied) 2.0 10 meter 2.0 10 meter
Werkelijke afstand (ca.) Min. 10 meter Ca. 15 meter
Ca. 15 meter
Min. 10 meter
Afbeelding 14: Woningbouw t.o.v. omliggende functies
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.
46
5.6 Externe veiligheid Beleidskader stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geendirecte relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.
Onderzoek Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het plan. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen welke in het kader van de externe veiligheid relevant zijn. Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes Op circa 630 meter ten zuidwesten van het plangebied is de Betuwelijn gelegen. De Betuwelijn is een in het kader van het Basisnet aangewezen transportroute voor gevaarlijke stoffen. Langs deze spoorlijn geldt een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter en vanaf het midden van het spoor geldt een veiligheidszone van 30 meter. Artikel 8 van het Bevt schrijft voor dat indien het plan gelegen is binnen een afstand van 200 meter vanaf de transportroute, er een verantwoording van het groepsrisico moet plaatsvinden. Het plangebied ligt ruimschoots buiten deze zone, waardoor een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk is. In de directe omgeving van het plangebied zijn verder geen transportroutes van gevaarlijke stoffen gelegen die een bedreiging kunnen vormen voor het plan.
Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader.
47
Afbeelding 15: Risicokaart externe veiligheid
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.
48
5.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn drie planologisch relevante leidingen gelegen: een hoogspanningslijn en twee persleidingen. Ten zuiden van het plangebied is de hoogspanningslijn ‘Papendrecht – Arkel’ (150 Kv). In verband met draadbreuk, elektrische ontlading en ijzelafzetting wordt een zoneringsafstand van 2 x 17 meter uit het hart van de hoogspanningslijn gehanteerd waarin uitsluitend gebouwen ten dienste van de leidingen zijn toegestaan (dit is in het huidige bestemmingsplan juridisch verankerd middels de dubbelbestemming ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding). Tevens geldt voor de hoogspanningslijn een indicatieve (magneetveldzone) van 2 x 70 meter. Het plangebied is gelegen op ca. 140 meter van het hart van de hoogspanningslijn. Derhalve wordt geconcludeerd dat de hoogspanningslijn geen belemmering vormt voor het plan.
Plangebied
Ca. 140m
Hoogspanningslijn
Afbeelding 16: Hoogspanningslijn
In het plangebied liggen twee persleidingen. Ten behoeve van het plan worden de persleidingen verlegd (zie afbeelding 12). Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
49
5.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Om de invloed van de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek zijn: Soortenbescherming Door Blom Ecologie zijn soortgerichte onderzoeken gedaan naar: vaatplanten, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën, reptielen, vissen, insecten en andere ongewervelden en vogels. Hieruit is geconcludeerd dat er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd dient te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: gebouwbewonende vleermuizen en huismus. Gebouwbewonende vleermuizen De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen.
Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Zo’n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Het gebouw bevat geen open stootvoegen welke naar de luchtspouw leiden. Voor de ventilatie van de luchtspouw zijn daarom op circa 30 cm van de grond ventilatieopeningen gemaakt. Vanwege de afstand tot de grond zijn deze openingen ongeschikt als in- en uitvliegopening voor gebouwbewonende vleermuizen. De kantpannen van het gebouw liggen vast in specie. Echter zijn er op enkele plekken openingen aanwezig. Hierdoor ontstaat toegang tot de luchtspouw of de ruimte onder het dak. Daarnaast zijn er enkele scheuren aangetroffen in de zuidelijke zijgevel ter hoogte van het speelplein. Om de aan- of afwezigheid van vleermuizen vast te stellen dient aanvullend onderzoek plaats te vinden middels 5 veldbezoeken in de periode april-september.
50
Huismus Onder de dakpannen van het schoolgebouw zijn openingen aanwezig welke de huismus toegang verschaft tot de ruimte tussen de dakpannen en het dakbeschot (figuur 5). Het voorkomen van nestlocaties van de huismus kan derhalve niet uitgesloten worden. Om de aan- of afwezigheid van nestlocaties vast te stellen dient aanvullend onderzoek plaats te vinden middels 2 veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei. Aanvullend onderzoek huismus- en vleermuisonderzoek In navolging van de resultaten van de ecologische quickscan is door Blom Ecologie een aanvullend huismus- en vleermuisonderzoek uitgevoerd. Hieruit is geconcludeerd dat voor de uitvoering van de sloop van het schoolgebouw een ontheffing nodig is van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (Wnb art. 3.1, lid 2 & Wnb art. 3.5, lid 2 en 4). Huismus Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat het schoolgebouw in het plangebied een functie vervult als nestlocatie voor 1 huismus. Tevens maakt het plangebied (in beperkte mate) onderdeel uit van het functioneel habitat. Vleermuizen Tijdens het onderzoek zijn in het plangebied 1 zomerverblijfplaats en 1 paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Te treffen maatregelen Verder dienen er enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht en de preventieve bescherming van de rugstreeppad en algemene broedvogels. • •
•
•
•
•
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden
51
•
voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 2,7 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’. Op een afstand van circa 1,2 km ligt het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 670 m ligt het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied. Op een afstand van circa 9,6 km ligt het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’. Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep. Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Afbeelding 17: Plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden
52
Afbeelding 18: Plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Stikstofdepositieonderzoek Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Het stikstofdepositieonderzoek is toegevoegd in de bijlage van het bestemmingsplan. Conclusie Voor de sloop van het schoolgebouw is een ontheffing nodig van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (Wnb art. 3.1, lid 2 & Wnb art. 3.5, lid 2 en 4).
53
5.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik is door Adromi B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: •
•
•
De zandige bovengrond is licht verontreinigd met zink en PCB. De geanalyseerde gehalten PFOA zijn 0,2 en 1,47 μg/kg ds en de geanalyseerde gehalten PFOS zijn 0,38 en 1,41 μg/kg ds; De kleiige ondergrond is licht verontreinigd met kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink en PAK. De geanalyseerde gehalten PFOA zijn 4,72 en 8,69 μg/kg ds en de geanalyseerde gehalten PFOS zijn 0,71 en 0,86 μg/kg ds; Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Het gemeten gehalte PFOA is 6,5 ng/l (0,0065 μg/l) en PFOS is 0,34 ng/l (0,00034 μg/l).
De hypothese onverdacht wordt verworpen vanwege het aantreffen van lichte verontreinigingen in de grond en het grondwater. Aangezien geen asbestverdacht materiaal op of in de grond en/of puinhoudende grond is waargenomen, is het uitvoeren van een asbest-in-grondonderzoek niet noodzakelijk. Voor de bovengrond voldoen de gemeten waarden aan de vastgestelde toepassingswaarden PFAS voor landbodem, bodemfunctieklasse ‘wonen of industrie’. Voor de ondergrond voldoen de gemeten waarden niet aan de vastgestelde toepassingswaarden PFAS voor landbodem, bodemfunctieklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’. De gemeten gehalten overschrijden de toepassingswaarde van PFOA (<3 μg/kg ds). Het grondwater voldoet voor PFAS aan de risicowaarden voor ‘wonen met tuin’ vastgesteld door het RIVM. De resultaten van het bodemonderzoek vormen geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van de locatie. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft de bodemkwaliteit geen belemmeringen.
54
5.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied voornamelijk is gelegen op gronden met: •
•
Zeer hoge verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 30 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; Hoge verwachting aan of nabij het oppervlak. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
55
Afbeelding 19: Archeologische verwachtingskaart
Door ADC Archeoprojecten is een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van booronderzoek uitgevoerd. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is nooit volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Selectiebesluit Het rapport is beoordeeld en akkoord bevonden door de gemeente Molenlanden. Het advies van ADC ArcheoProjecten wordt onderschreven om het plangebied vrij te geven zonder vervolgonderzoek. De archeologische verwachting voor het plangebied kan worden bijgesteld naar laag; de verwachtte oeverafzettingen van de Giessen zijn niet aangetroffen, en ook de verwachtte ophogingspakketten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd ontbreken. De kans dat met de voorgenomen bodemingrepen behoudenswaardige archeologische vindplaatsen verloren gaan is nihil. Mochten er tijdens de graafwerkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt hier een meldplicht conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Deze melding dient zo spoedig mogelijk te worden gedaan bij de gemeente Molenlanden.
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft archeologie geen belemmeringen.
56
5.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. Het plan betreft de herontwikkeling van een bestaande schoollocatie. Het schoolgebouw (oorspronkelijke naaischool uit 1953) voldoet niet meer aan de huidige duurzaamheidseisen. Het schoolgebouw wordt vervangen door een nieuw schoolgebouw. Op de nieuwe school is de eis ‘Frisse Scholen klasse B’ en energieprestatie BENG van toepassing. Het nieuwe schoolgebouw zal een laag energiegebruik hebben. In het gebouw is sprake van een gezond binnenmilieu wat betreft de luchtkwaliteit, temperatuur, comfort, licht en geluid. De woningen worden gasloos opgeleverd en geïsoleerd conform de huidige eisen van het Bouwbesluit. Er wordt onderzoek gedaan naar het toepassen van duurzame energiebronnen (zonnepanelen). Het plan betreft een duurzame ontwikkeling. Tot slot, de initiatieven van het dorp (o.a. de dorpsboerderij) hebben een groen en duurzaam karakter. Het plan is in lijn met de duurzaamheidsambities van de gemeente Molenlanden. Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd.
Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien te kunnen opvangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem. Voor het plan wordt voldoende watercompensatie gegraven. Hiermee is voldoende waterberging aanwezig om zware regenbuiten te kunnen opvangen. Een groot deel van het plangebied blijft groen waarmee hemelwater in de bodem kan infiltreren. Het belang van groene tuinen wordt onder de aandacht gebracht. Verder worden de parkeerplaatsen uitgevoerd in halfverharding. Hierdoor ontstaat er meer ruimte voor het infiltreren van hemelwater. Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. De nieuwe bebouwing wordt buiten het profiel van vrije ruimte (Pvvr) van de waterkering gerealiseerd. De woningen worden op een aanleghoogte gerealiseerd waarmee wordt voorgesorteerd op het voorkomen van schade door hoge waterstanden.
57
Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van het plan rekening gehouden met de accumulatie van warmte. De installaties in de woningen worden geschikt gemaakt om naast verwarmen ook te kunnen koelen. Het plangebied wordt groen ingericht middels streekeigen beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden. Gezien het droger wordt is het van belang om de beplanting hierop af te stemmen. De beplanting moet blijven voorzien in het afbreken van CO2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier. De te kiezen beplantingen moeten ook erosie van het terrein terugdringen. Het plangebied wordt voor een aanzienlijk deel groen ingericht middels streekeigen beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden en erosie terugdringen.
58