Bijlage 1: toelichting bestemmingsplan Dorpsstraat-oost
Tekst van het document
Afbeelding 7: Uitsnede bestemmingsplan Timmerfabriek
Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en de omliggende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen.
31
5.4 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek De ontwikkeling van de Klimaatdijk maakt onderdeel uit van het dijkverbeteringsproject Kinderdijk-Schoonhovense Veer (KIS) (zaak Z-15-204856). Op de locatie is in dit kader een steunberm aangebracht met grond die voldoet aan de bodemkwaliteit van de omgeving en de bodemfunctie. Volgens de gemaakte afspraken met het bevoegd gezag is de ophooglaag tussen de 1 en 2 meter dik. Op basis hiervan kan worden gesteld dat tenminste de bovenste meter grond vrij is van sterke verontreinigingen en voldoet aan de kwaliteit voor de woonfunctie. De bodemkwaliteit vormt derhalve geen bezwaar voor de bestemmingsplanwijziging. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bodemkwaliteit geen belemmeringen.
32
5.5 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie (2009) De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt'. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die gericht is om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodemverstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat: • Het plangebied heeft een middelmatige verwachting voor de late middeleeuwen tot nieuwe tijd. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk (Roze). • Het plangebied heeft een hoge verwachting aan of nabij het oppervlak voor prehistorie tot middeleeuwen. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk (Bruin). • Het plangebied heeft een hoge verwachting dieper dan 1,5 meter beneden maaiveld voor prehistorie tot middeleeuwen.
Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 150 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk (Geel).
33
Afbeelding 8: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om ter plaatse van de inmiddels gerealiseerde Klimaatdijk woningen te realiseren. Met de aanleg van de Klimaatdijk is sprake van een forse ophoging van het gebied, waardoor de bodemingreep ten behoeve van de woningbouw niet onder de 30 cm van het oorspronkelijk maaiveld zal komen. Bovendien is met de aanleg van de Klimaatdijk de bodem reeds geroerd. Derhalve kan worden geconcludeerd dat met de woningbouw geen archeologische waarden worden aangetast en daarmee het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie geen belemmeringen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag.
34
5.6 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezem- kades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen. Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen.
Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de wateraan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
Onderzoek Enkele jaren geleden zijn de voormalige gemeente Molenwaard, Waterschap Rivierenland en Jachthaven Liesveld, onder andere in het kader van de dijkversterking van de zuidelijke Lekdijk tussen het Schoonhovense Veer en Kinderdijk, gestart met het pilotproject Klimaatdijk. Het dijklichaam van de Klimaatdijk is inmiddels gerealiseerd. Voor de Klimaatdijk geldt een specifiek ontwerp-horizon voor een periode van 150 jaar (normaal gesproken geldt een ontwerp-horizon
35
voor dijkversterking voor een periode van 50 jaar) op grond waarvan het mogelijk is de Klimaatdijk te bebouwen. Deze dijk is extra sterk en extra veilig. Daarmee is de Klimaatdijk helemaal voorbereid op klimaatveranderingen, de stijging van de rivierstanden en de bodemdaling van het veen(weide)gebied. Hiermee is in relatie tot de Verordening ‘de Keur’ sprake van maatwerk. Oppervlaktewater In de directe omgeving van het plangebied zijn geen A- en/of B-watergangen gelegen. Er worden geen watergangen gedempt en/of gegraven.
Afbeelding 9: Uitsnede Legger Wateren
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Watercompensatie is noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de vuistregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Deze vuistregel geldt bij compensatie in open water. Hierbij geldt een toelaatbare peilstijging van 0,2 meter. Voor de aanleg van de Klimaatdijk was het plangebied deels verhard en waterde het af richting de Lek. In de nieuwe situatie is het plangebied binnendijks komen te liggen en watert het in principe af richting de polder. Het plangebied zal grotendeels verhard worden met woningen en (openbare) verharding. Het plan voorziet hiermee in een toename aan verharding, welke gecompenseerd moet worden.
36
Het hemelwaterstelsel in Streefkerk zal vergroot moeten worden om dit plangebied goed af te kunnen laten wateren, maar er is geen regenwaterriool in de nabijheid waar gemakkelijk op aangesloten kan worden en dit komt uit op kleine slootjes met (te) weinig capaciteit. Daarnaast zal de berging in het oppervlaktewatersysteem vergroot moeten worden in verband met de benodigde watercompensatie zodat wordt voldaan aan het beleid van het waterschap. Het zal lastig zijn om hiervoor (voldoende) ruimte te vinden. Mede vanuit duurzaamheid en maatschappelijk belang is het plan om hemelwater van de nieuwe woningen, dat onder vrij verval over de dijk kan worden afgevoerd, af te laten stromen naar de Lek. Dit past in de gedachte van de Klimaatdijk om het watersysteem/waterketen robuust in te richten en een druppel water de kortst mogelijke route af te laten leggen. In de nader uit te werken woningbouwplannen zal in overleg met gemeente Molenlanden en waterschap Rivierenland worden bekeken welk water richting de Lek kan worden afgevoerd en welk water richting de polder en hoe benodigde compensatie wordt gerealiseerd. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt.
Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. Het exacte woningbouwprogramma dient nog nader te worden uitgewerkt.
Gezien hier sprake is van maatwerk zal dit onderwerp tevens voorafgaand aan de uitvoering van het plan met het waterschap Rivierenland en de gemeente Molenlanden nader worden afgestemd. Hemelwater zal onder vrij verval naar de Lek worden afgevoerd en/of worden aangesloten op het binnendijkse gescheiden rioleringsstelsel. Bij de bouw van de woningen zullen geen uitloogbare materialen worden toegepast, of worden deze voorzien van een coating. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De woningen zullen worden aangesloten op het gescheiden rioleringsstelsel (DWA). Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland.
37
Grondwater Ten aanzien van de drooglegging geldt binnen het plangebied voor het maaiveld een drooglegging van minimaal 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van minimaal 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van minimaal 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. Waterkering Het plan, het realiseren van woningbouw, maakt onderdeel uit van het pilotproject Klimaatdijk. Conform de ‘Keur’ is het in principe niet toegestaan om bebouwing te realiseren binnen de kernzone van de Klimaatdijk. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe van ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. Ter bescherming van de waterkering heeft het Waterschap Rivierenland een profiel van vrije ruimte (Pvvr) vastgesteld. Bebouwing mag uitsluitend worden gerealiseerd boven dit Pvvr (heipalen uitgezonderd). Hiermee wordt instabiliteit van de waterkering voorkomen en kunnen toekomstige dijkversterkingen mogelijk worden gemaakt. Het plan vraagt om maatwerk. Het exacte woningbouwprogramma dient nog nader te worden uitgewerkt. Bij de uitwerking van het plan wordt rekening gehouden met de waterkering. Dit onderwerp wordt tevens voorafgaand aan de uitvoering van het plan met het waterschap Rivierenland nader afgestemd.
Om het in stand houden, het beheer, het onderhoud en de verbetering van de Klimaatdijk juridisch te borgen wordt op de verbeelding over het gehele plangebied de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterkering’ opgenomen. Conclusie Het waterschap Rivierenland dient bij de uitwerking van het plan te worden betrokken. Onder andere de ontwerpen waterberging, riolering en waterkering dienen met het waterschap Rivierenland nader te worden afgestemd. Hiermee worden negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem voorkomen. Na het doorlopen van het watertoets traject voor het bestemmingsplan zal het traject rond aanvraag watervergunning opgestart worden waarin ook vooroverleg met waterschap plaats zal vinden.
38
5.7 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek 5.7.1. Soortenbescherming Het plangebied betreft thans een braakliggend terrein (een dijklichaam. Voor de realisatie van het dijklichaam van de Klimaatdijk is alle toenmalige bebouwing gesloopt. Vanwege het regelmatige onderhoud van het dijklichaam, om verwildering te voorkomen, is het niet mogelijk voor beschermde fauna om zich binnen het plangebied te ontwikkelen. Daarbij zullen geen werkzaamheden worden uitgevoerd (waaronder het kappen van bomen en/of het verwijderen van groen) welke in het kader van Flora en Fauna nadelige gevolgen kunnen hebben voor de verblijfplaatsen van beschermde diersoorten. Binnen het plangebied is geen sprake van verrommeling (waaronder verwilderd groen en/of oude bebouwing).
Op basis hiervan wordt het uitvoeren van een ecologische quickscan niet noodzakelijk geacht. 5.7.2 Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park of Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 1,9 km ligt het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied ‘Donkse Laagten’. Het plangebied is gelegen in de dorpskern Streefkerk. In het kader van de klimaatbestendige dijkversterking heeft het Waterschap Rivierenland ter plaatse de Klimaatdijk gerealiseerd. Voor externe effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot omliggende Natura2000 gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. 5.7.3 Stikstofdepositie Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Het stikstofdepositieonderzoek is toegevoegd in de bijlage (bijlage 3).
39
248 m 95 m
Afbeelding 10: Ligging plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland
1,9 km
Afbeelding 11: Ligging plangebied t.o.v. Natura2000-gebieden
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft ecologie geen belemmeringen. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming.
40
5.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 5: Grenswaarden Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m³
Geldig Vanaf 2015
40 µg/m³
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 40 µg/m³
De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) hanteren advieswaarden voor fijnstof (PM10) van 20 microgram per kuub, en 10 microgram per kuub voor PM2,5 wat lager ligt dan de wettelijke grenswaarden. Pas als aan deze waarden wordt voldaan kan vanuit een goede motivering worden gesproken over acceptabele concentraties en goed wooneen leefklimaat. Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2019) het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie van 19,2 ug NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 19,2 ug PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 11,9 ug PM2,5/m3; Voor het jaar 2030 geeft de NSL-monitoringstool het volgende overzicht met betrekking tot fijnstof: • Een fijnstofconcentratie van 14,9 ug PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 8,4 ug PM2,5/m3. Op basis van bovenstaande kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan alle grenswaarden wordt voldaan. Gesteld kan worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
41
Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM (gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit <3%), waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht.
Uit het oogpunt van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.
42
5.9 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR=10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.
Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Onderzoek Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen, buisleidingen of transportroutes van gevaarlijke stoffen, behoudens de rivier de Lek.
Afbeelding 12: Uitsnede risicokaart
43
Transport over water Het plangebied is gelegen in de nabijheid van rivier de Lek. De Lek wordt in het rapport Basisnet Water aangeduid als zwarte vaarweg. Over de Lek vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Deze vaarweg maakt deel uit van het Basisnet en is hierin omschreven als deel van de corridor Amsterdam – Rijn. Voor belangrijke binnenvaarwegen (zwart) geldt: • Geen nieuwe bestemmingen binnen de waterlijn; • Plasbrand Aandacht Gebied (PAG) 50 meter vanaf de waterlijn en in de uiterwaarden. Bouwen binnen een PAG is mogelijk in afweging met de gemeente; • Verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Berekening nodig indien bevolkingsdichtheid > 1.500 personen/ha dubbelzijdig of 2.250 personen/ha enkelzijdig. Over deze vaarweg is sprake van transport van gevaarlijke stoffen uit de klassen LF1, LF2 en GF3. De maximale effectafstand (1% overlijdenskans) bedraagt voor deze categorieën ten hoogste 90 meter. Het plangebied ligt buiten deze maximale effectafstand van 90 meter. Voor het plangebied geldt dat de afstand tussen de waterlijn en het plangebied meer dan 50 meter bedraagt. Daarnaast blijft de bevolkingsdichtheid in de kern Streefkerk ruim onder de 1.500 personen per hectare, waardoor een verantwoordingsplicht van het groepsrisico niet aan de orde is.
In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) zijn de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over binnenwater opgenomen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In de Nota van toelichting bij het Bevt is aangegeven dat in sommige gevallen de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico achterwege kan blijven. Deze uitzonderingen zijn uitgewerkt in de Handleiding Risicoanalyse Transport (Hart). Plaatsgebonden risico De Lek is een rivier van bevaarbaarheidsklasse (CEMT) 6. In paragraaf 1.4.2.1 van de Handleiding Risicoanalyse Transport (Hart) is wat betreft de toetsing van het plaatsgebonden risico de volgende vuistregel opgenomen: ‘Een vaarweg bevaarbaarheidsklasse 6 heeft geen 10-6-contour.’ Het plaatsgebonden risico is daarmee geen belemmering voor het plan. Groepsrisico Artikel 8 schrijft voor dat indien het plan gelegen is binnen een afstand van 200 meter vanaf de vaarweg, er een verantwoording van het groepsrisico moet plaatsvinden. Deze kan achterwege blijven indien wordt aangetoond dat het groepsrisico met niet meer dan 10% toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Het groepsrisico wordt bepaald door drie variabelen: • De afstand van het plangebied tot de vaarweg; • De aanwezigheidsdichtheid in het bebouwingsgebied; • De aard en de aantallen van de vervoerde stoffen.
44
In paragraaf 1.4.2.2 van de Handleiding Risicoanalyse Transport (Hart) is wat betreft de toetsing van het groepsrisico de volgende vuistregel opgenomen: ‘Langs een vaarweg bevaarbaarheidsklasse 6 wordt 10% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico alleen mogelijk overschreden wanneer binnen 200 meter van de oever aanwezigheidsdichtheden voorkomen groter dan 500 /ha en LT2+GT3>1000 per jaar’. Binnen 200 meter van de oever van de Lek ligt de aanwezigheidsdichtheid onder de 500 personen per hectare. Het Basisnet stelt dat over de Lek jaarlijks geen LT2 en GT3 worden vervoerd. Derhalve is een berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk. Het groepsrisico is zowel in de bestaande situatie als in de nieuwe situatie minder dan 10% van de oriëntatiewaarde.
Bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid Artikel 7 van het Bevt schrijft voor dat in de toelichting bij een bestemmingsplan, voor zover het gebied waarop dat plan betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval moet worden ingegaan op: • De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op dat binnenwater, en • Voor zover dat plan betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op dat binnenwater een ramp voordoet. Het plangebied is gelegen buiten het Plasbrand Aandacht Gebied (PAG) van 50 meter. In geval van een ramp op de Lek hebben de bewoners van de woningen de mogelijkheid om via de hoofdentree van hun woning en omliggende wegen te vluchten. Gezien de grote afstand tot de waterlijn heeft men voldoende tijd om te vluchten. In geval van een gifwolk is men veilig in de woning als men de ramen en deuren sluit en de ventilatie uitzet. Tenslotte hebben de hulpdiensten voldoende ruimte om de ramp te bestrijden en de gevaarlijke stoffen op te ruimen. Advies Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) De veiligheidsregio heeft aangegeven in te stemmen met paragraaf 7.9 ‘Externe veiligheid.
De veiligheidsregio adviseert de woningen te voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen. De veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid zal betrokken worden bij de nadere uitwerking van het plan teneinde de zelfredzaamheid van de gebruikers en de beheersbaarheid door de hulpverleners te optimaliseren.
45
5.10 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
46
5.11 Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De aanvrager is zich bewust van deze gemeentelijke ambitie. De nieuwe woningen worden in het kader van het duurzaamheidsbeleid gasloos gebouwd en conform de huidige bouweisen geïsoleerd. Voorafgaand aan de uitwerking van het plan wordt onderzoek gedaan naar de toepassing van duurzame energiebronnen.
47