CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan ‘Brandwijk, Gijbelandsedijk 1a’

Raadsvergadering 24 oktober 2023, gemeente MolenlandenBij agendapunt: 5d. Bestemmingsplan Brandwijk, Gijbelandsedijk 1a16.976 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

35

Behoudens de standaard toegestane aan-huis-gebonden beroepen/bedrijven zullen hier geen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Brandwijk, langs de Gijbelandsedijk. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000gebied, het Natuurnetwerk Nederland of een Belangrijk weidevogelgebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op een afstand van 1,5 kilometer (Donkse Laagten), het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland op een afstand van circa 1,5 kilometer en het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied op 500 meter. Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ontwikkeling wordt voorzien in een efficiënte bedrijfsvoering. Het aantal verkeersbewegingen zal daarom niet toenemen. Daarnaast wordt ter compensatie van de uitbreiding van de loods met 495 m² bebouwing en verharding verwijderd. Significante negatieve effecten op het milieu zijn vanwege de kleinschaligheid van het plan niet te verwachten. Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieuaspecten. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd.

Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wm.

36

4.2 Waterparagraaf Beleidskader In het onderhavige plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Gemeentelijk beleid Vanuit onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), is bepaald dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld moet worden. Om aan deze eis te kunnen voldoen hebben de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en het waterschap Rivierenland de handen ineengeslagen en het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom opgesteld. In dit waterplan is aangegeven welke doelen men wenst te bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom. De doelen uit het beleidsplan zijn uitgewerkt in vier aspecten: • Afkoppelen, meer ruimte voor water creëren en diffuse bronnen aanpakken (duurzaam onkruidbeheer, duurzaam bouwen); • Belevingswaarde; • Samenwerking; • Beheer en onderhoud.

Het beleidsplan moet de gemeenten helpen om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 door optimalisering van het huidige systeem. De gemeenten en het waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: 1. beschermen tegen overstromingen; 2. water eerlijk verdelen; 3. voorbereiden op extreem weer; 4. streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; 5. bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; 6. kwaliteitsverbetering zwemwater; 7. toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; 8. toewerken naar circulariteit.

37

Verordening ‘de Keur’ Het waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de Keur is geregeld dat langs A- en Bwatergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied NDW002. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -2,01 meter NAP en een winterpeil van –2,11 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.

Plangebied

Afbeelding 16: Uitsnede kaart peilgebieden

38

Watergangen Voor een A- en een B-watergang gelden in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een beschermingszone van 5 en 1 meter. Werkzaamheden binnen deze beschermingszones zijn vergunnings- en/of meldingsplichting. A-watergang 001180 A-watergang 202566

C-watergang 067323 A-watergang 001187

Afbeelding 17: Uitsnede legger wateren

In de directe omgeving van het plangebied zijn A- en C-watergangen gelegen. De uitbreiding van de loods vindt buiten de beschermingszone plaats. Enkele sloopwerkzaamheden van gebouwen en verharding vindt wel binnen de beschermingszone plaats. Hiervoor dient een melding bij het waterschap te worden gedaan. Verder voorziet dit plan in het positief bestemmen van A-watergangen 001180, 001187, 202566, 202420. Deze watergangen heeft thans een agrarische bestemming. Dit wordt met dit plan gewijzigd naar de bestemming ‘Water’. Gemaal Ten zuiden van het plangebied is een gemaal van het waterschap gelegen. Het gemaal is in het vigerend bestemmingsplan bestemd met de enkelbestemming ‘Bedrijf – Nutsvoorziening’. Omdat het gemaal niet is gelegen binnen de kadastrale eigendommen van de initiatiefnemer en een bestemmingsplanwijziging niet nodig is, is het gemaal buiten het plangebied van dit plan gehouden. Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden

39

toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen hoeveel watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m² indien deze nog niet eerder is gebruikt. Uiteindelijk bepaald de afdeling Vergunningen van het waterschap of gebruik kan worden gemaakt van deze eenmalige particulieren vrijstelling. Tabel 1: Oppervlaktebalans verharding Bestaande situatie Woning Bijgebouw Voormalige agrarische schuren Mestplaat woonperceel Verharding woonperceel Verharding bedrijfsperceel Halfverharding bedrijfsperceel (50% van 1.340 m²) Agrarische bedrijfsloods Paardenbak (zand, 50% van 871 m²)

Oppervlakte 229 m² 144 m² 361 m² 144 m² 769 m² 2.426 m² 670 m² 755 m² 435,5 m²

Totaal bestaande situatie

5.933,5 m²

Nieuwe situatie Woning Bijgebouw Verharding woonperceel Verharding bedrijfsperceel Halfverharding bedrijfsperceel (50% van 303 m²) Agrarische bedrijfsloods Uitbreiding agrarische bedrijfsloods Paardenbak (zand, 50% van 871 m²)

229 m² 144 m² 730 m² 1.667 m² 151,5 m² 755 m² 495 m² 435,5 m²

Totaal nieuwe situatie

4.607 m²

Verschil

Afname 1.326,5 m²

Het plan voorziet in een afname aan verharding van 1.326,5 m². De afname wordt met name gerealiseerd door het verwijderen van de schuur en verharding op het woonperceel. Daarnaast wordt een deel van het verhard oppervlak rondom de loods verwijderd. Het halfverharde pad richting het noorden wordt volledig verwijderd. Dit pad werd niet meer gebruikt, omdat het weiland ten noorden van het plangebied is ontsloten via de Geerweg. Vanwege de verhardingsafname zijn zijn watercompenserende maatregelen niet nodig.

40

Afbeelding 18: Verhardingen bestaande situatie (links) en nieuwe situatie (rechts)

Waterkering Het plangebied is gelegen in de kernzone en beschermingszone van een regionale waterkering. De waterkering en de zogeheten beschermingszones aan weerszijden van de kade zijn door de verordening Keur beschermd. Hier zijn echter geen relevante werkzaamheden voorzien. Indien dit in de toekomst wel het geval is, dient afhankelijk van de locatie en soort werkzaamheden een watervergunning aangevraagd te worden of een melding te worden gedaan bij het waterschap. De kernzone is bestemd middels de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ en de beschermingszone met de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’.

41

Afbeelding 19: Uitsnede legger waterkeringen

Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK’s-Houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan.

Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. De initiatiefnemer is geïnformeerd over de functie van een regenton, waarmee regenwater dat valt op een dak van een gebouw, vastgehouden en vervolgens gebruikt kan worden. Daarnaast voorziet het plan in een aanzienlijke afname van verharding, waardoor hemelwater beter in de bodem geïnfiltreerd kan worden.

42

Verder is in de directe omgeving van het plangebied voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te kunnen voeren. De uitbreiding van de loods wordt niet voorzien van sanitaire voorzieningen, waardoor er geen vuil water wordt gegenereerd. De vacuümriolering valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Afhankelijk van welke werkzaamheden plaatsvinden binnen de beschermingszones van watergangen of de regionale waterkering, dient een watervergunning aangevraagd te worden of een melding worden gedaan bij het waterschap. Voor de sloopwerkzaamheden binnen de beschermingszone van watergangen dient in ieder geval een melding te worden gedaan.

43

4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige objecten en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. Onderzoek Het plan betreft de uitbreiding van een bedrijfsloods en het wijzigen van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. In het kader van de Wgh is hiermee geen sprake van het realiseren van nieuwe geluidsgevoelig objecten. Een akoestisch onderzoek is derhalve niet aan de orde. De mate van geluidhinder van het bedrijf naar de omgeving is in §4.5 onderbouwd. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.

44

4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit Luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit Luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. Tabel 2: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Jaargemiddelde Fijnstof (PM10) concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 µg/m3

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3

Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2021 het volgende overzicht voor het jaar 2020 (rekenpunt ID 053927): • Een stikstofconcentratie van 14,7 µg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 16,1 µg/m3 PM10 met niet meer dan 7 normoverschrijdingsdagen; • Een fijnstofconcentratie van 8,8 µg/m3 PM2,5.

45

Geconstateerd wordt dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan de grenswaarden wordt voldaan. Daarnaast kan gesteld worden dat het plan valt binnen het Besluit NIBM. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Tevens wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

46

4.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.

Tabel 3: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) Milieucategorie Rustige woonwijk of rustig Gemengd gebied buitengebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Het plan betreft de uitbreiding van een agrarische bedrijfsloods ten oosten van de bestaande loods. Hiermee is sprake van het uitbreiden van de milieubelastende functie. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden of er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de bestaande woningen. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Omgevingstype Ter plaatse van het plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Naast woningen zijn andere functies als agrarische en kleinschalige bedrijvigheid aanwezig. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid wordt als gemengd gebied beschouwd. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden worden gerechtvaardigd. De richtafstanden voor de omgevingstype ‘gemengd gebied’ mogen één afstandstrap worden verlaagd.

47

Richtafstanden Het bedrijf kan geschaard worden onder de categorie ‘dienstverlening t.b.v. de landbouw: algemeen (o.a. loonbedrijf): b.o. > 500 m²)’. In een gemengd gebied gelden de volgende richtafstanden voor deze categorie.

Categorie dienstverlening t.b.v. de landbouw: algemeen (o.a. loonbedrijf): b.o. > 500 m²)

Geur 10 m

Richtafstand Stof Geluid 0m 30 m

Gevaar 0m

Voor een dergelijk bedrijf geldt een zwaarste richtafstand van 30 meter (geluid). De uitbreiding van het bedrijf zal daarom op een afstand van minimaal 30 meter tot milieugevoelige objecten gerealiseerd moeten worden. Bedrijfswoning Gijbelandsedijk 1 Ten westen van het plangebied is een milieugevoelige functie gelegen, namelijk de bedrijfswoning Gijbelandsedijk 1. Het bouwvlak van de bedrijfswoning Gijbelandsedijk 1 is gelegen op een afstand van 17 meter tot het bouwvlak van de agrarische bedrijfsloods. Daarmee wordt niet voldaan aan de richtafstand. Echter wordt in de huidige situatie ook niet voldaan aan de richtafstand. Daarbij is het bouwvlak van het agrarisch loonbedrijf gelegen op een afstand van 10 meter. Met dit plan wordt het bouwvlak dus 7 meter verder van de bedrijfswoning Gijbelandsedijk 1 af geplaatst. Verder vindt de uitbreiding van de loods aan de oostzijde van de loods plaats. De uitbreiding is gelegen op een afstand van 32 meter tot het bouwvlak van de bedrijfswoning, waardoor de uitbreiding zelf wel voldoet aan de richtafstand. Ten opzichte van de huidige situatie ontstaat er voor de woning Gijbelandsedijk 1 dus een betere (juridisch-planologische) situatie.

Wijziging bedrijfswoning naar burgerwoning ten opzichte van andere milieubelastende objecten in de omgeving Een burgerwoning komt dezelfde bescherming toe als een bedrijfswoning ten opzichte van andere bedrijven dan het bedrijf waar de bedrijfswoning deel van uitmaakt. Zodoende verandert er voor bedrijven (behoudens dus voor het eigen agrarisch loonbedrijf) in de omgeving niets door de functiewijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning. Functiewijziging bedrijfswoning naar burgerwoning Gijbelandsedijk 1a Met de functiewijziging naar een burgerwoning wordt de koppeling tussen het bedrijf en de woning weggenomen en dient de burgerwoning beschermd te worden tegen het bedrijf. De positie van de loods is zo gekozen dat de afstand van het bouwvlak van de (uitbreiding van) de loods minimaal 30 meter bedraagt tot het bouwvlak van de burgerwoning. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG Handreiking.

48

Afbeelding 20: Afstand bouwvlak loods agrarisch loonbedrijf tot omliggende woningen

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen.

49

4.6 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid beschrijft de kans dat personen in de omgeving van een activiteit met gevaarlijke stoffen slachtoffer betrokken zijn bij een ongeval met die stoffen. Dit kan zowel een transportroute, buisleiding als een inrichting betreffen. De wetgeving voor externe veiligheid rondom inrichtingen staat beschreven in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de wetgeving externe veiligheid langs transportroutes in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Daarnaast is er nog het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) voor buisleidingen. Het beleid externe veiligheid is gericht op een verantwoorde situering van activiteiten waarbij ongevallen met effecten op de omgeving niet zijn uitgesloten. De mate van blootstelling is uitgedrukt in de kans op dodelijke effecten. Er zijn twee componenten om de grootte van dit gevaar uit te drukken. Ten eerste de grootte van het effect dat samenhangt met de gevaareigenschappen van een stof (giftigheid, brandbaarheid, hoeveelheid, en dergelijke). Ten tweede de kans dat een dergelijk effect optreedt, wat samenhangt met de activiteiten die tot een ongeval kunnen leiden (opslag, overslag, aantal handelingen en dergelijke). Beide componenten worden tot uitdrukking gebracht wanneer gevaren worden uitgedrukt in risico’s.

Door een risico wordt een gevaar gekwantificeerd (in een getal uitgedrukt) en vergelijkbaar gemaakt met normen. De omvang van de gevaren voor de omgeving wordt uitgedrukt met twee risicobegrippen: plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). Voor de mate van aanvaardbaarheid van deze risico’s zijn in het Bevi, Bevt en Bevb normen en richtwaarden vastgesteld. Onderzoek Stationaire bronnen Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen inrichting waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvinden en/of inrichtingen waar werkzaamheden met gevaarlijke stoffen plaatsvinden die een bedreiging kunnen vormen voor het plan.

50

Afbeelding 21: Uitsnede Risicokaart

Invloed transport gevaarlijke stoffen – transportroutes Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Wegverkeer In de directe omgeving van het plangebied vinden geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Spoorverkeer In de directe omgeving van de deelgebieden zijn geen spoorwegen aanwezig. Vaarwegen In de directe omgeving van de deelgebieden zijn geen voor de beroepsvaart relevante vaarwegen aanwezig. 51

Invloed transport gevaarlijke stoffen – buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. Het plangebied is niet gelegen in de directe omgeving van de voor het aspect externe veiligheid relevante buisleidingen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

52

4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek Voor zover bekend zijn er binnen het plangebied verder geen noemenswaardige (hoofdkabels en hoofdleidingen) kabels en leidingen aanwezig, behoudens een waterleiding aan de westzijde van het plangebied. Ter plaatse van de waterleiding vinden er geen graafwerkzaamheden plaats, wel wordt er verharding verwijderd boven de waterleiding. Bij het verwijderen van de verharding zal extra voorzichtig worden gehandeld. Ter bescherming en instandhouding van de waterleiding is de dubbelbestemming ‘Leiding – Water’ en de figuur ‘hartlijn leiding – water’ overgenomen in dit plan. Daardoor zijn de volgende werkzaamheden boven en 5 meter naast het tracé vna de waterleiding vergunningplichtig en moet de beheerder van de leiding te worden geraadpleegd: • het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; • het uitvoeren van graafwerkzaamheden • het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen; • het aanbrengen van diepwortelende beplanting en of bomen; • het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging; • het vellen of rooien van houtgewas.

Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het plan. Voorafgaand aan de werkzaamheden moet een KLIC-melding worden gedaan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt een KLIC-melding gedaan.

53

4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming (Wnb) toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het plan voorziet in het verwijderen van bebouwing en verharding en de uitbreiding van een loods. Hiermee is sprake van werkzaamheden die in het kader van ecologie bedreigend kunnen zijn voor verblijfplaatsen van beschermde plant- en diersoorten. Om de gevolgen hiervan in kaart te brengen is door Blom Ecologie een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. De quickscan is toegevoegd in de bijlage van deze toelichting. De conclusies van het onderzoek luiden: ‘Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt.

Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie De sloop van meerdere bijgebouwen en de uitbreiding van een bestaande loods aan de Gijbelandsedijk 1a te Brandwijk is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren,

54

amfibieën en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes).

Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. • De sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.’ Stikstofdepositie Om de stikstofdepositie als gevolg van het plan inzichtelijk te maken is voor Van den Heuvel Milieuadvies een voortoets stikstofdepositie opgesteld. De conclusie van de voortoets luidt: ‘Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling niet voorziet in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. De invoergegevens en het rekenresultaat zijn opgenomen in de bijlage van dit rapport.

55

Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie.’ Conclusie Het plan is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Te allen tijde dient de algemene zorgplicht in acht genomen te worden en dienen de te treffen maatregelen getroffen te worden. Het plan ondervindt voor wat betreft ecologie en stikstofdepositie geen belemmeringen.

56

4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het nieuwe beoogde woongebruik is door Linge Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd in de bijlage van de toelichting. De conclusie van het onderzoek luidt: ‘De bodem van het onderzochte terrein bestaat uit humeuze, bruine klei, lokaal overgaand in veen tussen 0.5 en 1.0 m-mv. In de meeste boringen is puin waargenomen, tot een diepte van maximaal 1.5 m-mv. Het gehalte is gekwalificeerd als zwak of sporen van, in één boring is dat matig. De fundering van puin of menggranulaat onder de stelconplaten en aan de achterzijde van het terrein is bestaat voor 100% uit bodemvreemd materiaal en is geen onderdeel van de bodem.

Er is visueel nergens asbest-verdacht materiaal zoals plaatjes aangetroffen. Grond De boven- en ondergrond van het terrein aan de Gijbelandsedijk zijn maximaal licht verontreinigd met metalen en PAK. Voor geen van de stoffen uit het NEN 5740pakket wordt een tussenwaarde overschreden. Dat geldt dus ook voor de matig puinhoudende grond van boring 4 ten oosten van de woning en de kleiige grond direct onder de (half)verharding. Indicatief is de grond AW- of wonen-kwaliteit, met uitzondering van de matig puinhoudende ondergrond van boring 4. Door licht verhoogd olie is deze grond industrie-kwaliteit. Asbest Er is visueel nergens asbest waargenomen op het maaiveld of in de bodem. Er zijn zeven mengmonsters van grond en puin van het terrein aan de Gijbelandsedijk op asbest geanalyseerd. In twee daarvan heeft het lab asbest kleiner dan 20 mm aangetoond. Gootlijn Twee is de druppel-gootlijn ten oosten van de grote schuur aan het eind van de oprit. Deze toplaag is tweemaal bemonsterd. Het eerste monster was met 8.1 kg droge stof te licht. In dit monster heeft het lab vier stukjes asbest aangetoond met een grootte tussen 4 en 20 mm. De stukjes bestaan uit hechtgebonden chrysotiel en resulteren in een gewogen asbestgehalte van 55 mg/kg ds. In het monster van de herbemonstering heeft het lab geen asbest gevonden.

Meest betrouwbare benadering van het werkelijke asbestgehalte in de gootlijn is het gemiddelde van de twee emmers. Dat is [55 + 0.4] / 2 = 28 mg/kg ds. 57

De gaten 11, 12 en 13 zijn met een kraan in de verharding gegraven. Van het puin zijn drie mengmonsters samengesteld. In het mengmonster van het puin onder de stelconplaten heeft het lab één stukje asbest gevonden met een grootte tussen 8 en 20 mm. Het bestaat uit hechtgebonden chrysotiel, cementplaat. Het resulteert in een gewogen asbestgehalte van 17 mg/kg ds. Asbest mm, >20 mm Visueel is nergens asbestverdacht (plaat)materiaal gevonden in of op de grond op de locatie. Voor asbest in grond en puin is een hergebruiksnorm of interventiewaarde van toepassing van 100 mg/kg ds. Voor deze situatie zou ook de tussenwaarde van 50 mg/kg ds relevant zijn. Het gemiddelde asbest-gehalte in Gootlijn Twee en in het puin in de gaten 11 en 12 ligt daar onder. Omdat er verder nergens visueel asbest is aangetoond wordt aangenomen dat de grond van het terrein aan de Gijbelandsedijk niet boven de tussen- of interventiewaarde is verontreinigd met asbest. Het asbest vormt geen ernstig geval van verontreiniging. Grond en puin met gehaltes aan asbest kleiner dan 100 mg/kg ds wordt geacht geen risico te vormen voor de volksgezondheid. Voorwaarde daarvoor is dat er geen respirabel asbest is aangetroffen. Dat is volgens de analysecertificaten ook niet het geval. Grondwater In het grondwater is barium als enige licht verhoogd.

Conclusie, aanbevelingen De kwaliteit van grond en grondwater van de locatie is geen belemmering voor een bestemmingswijziging van het terrein. Omdat er geen tussenwaarden worden overschreden in grond of grondwater is er geen aanleiding voor verder onderzoek. Het asbest-onderzoek naar onder andere de dikke half-verharding van puin is indicatief. Voor nieuwbouw of herontwikkeling van de locatie zou indicatief onderzoek waarschijnlijk onvoldoende zijn. Voor de voorgenomen bestemmingswijziging en de sloop van de schuur aan de westkant van het terrein is echter geen grondverzet nodig. Daarom wordt indicatief onderzoek voor deze situatie voldoende geacht. Er zijn meer dan genoeg monsters van grond en puin op asbest geanalyseerd om een eventuele geval van asbest-bodemverontreiniging aan te tonen. Naar aanleiding van een reactie van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid heeft er nader bodemonderzoek plaatsgevonden op het woongedeelte van het plangebied. Tevens is ook het bedrijfsgedeelte van het plangebied onderzocht. Het onderzoek is verricht door Adcim. Het verkennend en aanvullend (asbest)bodemonderzoek is toegevoegd als bijlage bij de toelichting.

De conclusie van het onderzoek luidt: ‘Op basis van het hierboven beschreven bodemonderzoek kan voor de onderzoekslocatie het volgende worden geconcludeerd: Deellocatie A perceel D959 [red.: bedrijfsgedeelte plangebied] Bij het onderzoek zijn de volgende waarnemingen geconstateerd: • De bovengrond bestaat uit met name klei op een ondergrond van veen. 58

•

• •

•

•

•

Onder de verhardingen is een funderingslaag aanwezig van meng/betongranulaat. Deze funderingslaag is voorafgaand aan de bouw aangebracht en zeer sterk verdicht. Ter plaatse van het voormalige pad is een funderingslaag van meng/betongranulaat aanwezig. Ter plaatse van de huidige en voormalige bovengrondse tank zijn geen zintuigelijke waarnemingen gedaan aan de uitkomende grond die een aanwijzing zouden kunnen vormen voor bodemverontreiniging. In de paardenbak is een toplaag van zand vermengd met viltsnippers aanwezig. Tussen bodem en de toplaag is een geotextiel als scheidingsdoek toegepast. Ter plaatse van de voormalige watergangen is plaatselijk in de ondergrond nog de voormalige baggersliblaag aangetroffen (boring 08 en 16). De voormalige sloten zijn gedempt sterk kleiig zand en bevat bijmenging aan plastics en panty’s. In de bovengrond rondom de elementenverharding is een zwakke bijmenging aan restanten funderingsmateriaal waargenomen. Het betreft restanten van het omstreeks 2009 aangebrachte meng/betongranulaat en van bestratingsmateriaal.

Uit de analyseresultaten blijkt het volgende: • De bovengrond is tot licht verontreinigd met onder andere koper, kwik, zink, minerale olie en PAK. • Het zand onder de klinkers van de loods en nabij de tanks is licht verontreinigd met minerale olie. • De aanwezige toplaag in de paardenbak van zand met viltsnippers is niet verontreinigd. • Het dempingsmateriaal in de gedempte watergangen bestaat uit kleiig zand met een sterke bijmenging van plastic en panty’s en is matig verontreinigd met zink en bevat lichte verontreinigen met verschillende zware metalen, minerale olie, PCB en PAK. • Het baggerslib welke nog aanwezig is in de gedempte watergangen is matig verontreinigd met koper, nikkel en sterk verontreinigd met zink. Tevens komen lichte verontreinigen voor van enkele zware metalen en minerale olie. • Vanwege de matige en sterke verontreiniging met zink, koper en nikkel zijn de afzonderlijke deelmonsters onderzocht op zink, koper en nikkel. • Na afzonderlijke analyse van de deelmonsters blijkt dat twee deelmonsters niet nader onderzocht konden worden vanwege de grote hoeveelheid aan plastics en glas. In 3 van de 4 separaat onderzochte deelmonsters is een matige tot sterke zinkverontreiniging aangetroffen.

Het betreft een matige zinkverontreiniging ter plaatse van boring 08 en 09 op een diepte van 0,400,90m-mv en een sterke zinkverontreiniging ter plaatse van boring 08 op een diepte van 1,20-1,50m-mv. • Het grondwater is gelegen op ca. 0.20-0.80 m-mv en is onder andere licht verontreinigd met barium, molybdeen en zink. De hypothese ‘verdacht’ is bevestigd gezien de aangetroffen lichte tot sterke verontreinigingen. De matige tot sterke zinkverontreiniging is van die mate dat de resultaten van het onderzoek aanleiding vormen voor nader bodemonderzoek. Voor 59

de voorgenomen werkzaamheden vormt de bodemkwaliteit op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek vooralsnog een belemmering wat betreft de gedempte watergangen. Deellocatie B Perceel D323 [red.: woongedeelte plangebied] Bij het onderzoek zijn de volgende waarnemingen geconstateerd: • Ter plaatse van de voormalige watergangen zijn meerdere boringen geplaatst om de positie van de voormalige watergang vast te stellen. In de boorprofielen en op tekening is slechts 1 boorprofiel (boring S01, S02 en S030 weergegeven omdat er geen aanwijzingen zijn dat de voormalige watergang gedempt is met bodemvreemde materialen. Ook is geen slib of zijn slibverdachte lagen aangetroffen behoudens een zwakke oliegeur bij boring S01 op een diepte van 1,00-1,50m-mv. • De aangetroffen bijmenging in de grond is bij het eerder uitgevoerde onderzoek door Linge milieu onderzocht op asbest. • Er is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Uit de analyseresultaten blijkt het volgende: • De verdachte slootdemping is licht verontreinigd met Molybdeen, minerale olie en PAK. Bij indicatieve toetsing aan besluit bodemkwaliteit is deze grond niet toepasbaar>industrie. • De toplaag (0-15cm) in de drupzone van het dak zonder dakgoot is licht verontreinigd met asbest en bevat analytisch 22 mg/kg/ds asbest. In de grond onder de toplaag (15-50cm) is zowel visueel als analytisch geen asbest waargenomen.

De hypothese ‘verdacht’ is bevestigd gezien de aangetroffen lichte verontreinigingen in de slootdemping. De verhogingen zijn van die mate dat de resultaten van het onderzoek geen aanleiding vormen voor nader onderzoek. Voor de voorgenomen werkzaamheden vormt de bodemkwaliteit op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek geen belemmering. Aanbevelingen Aanbevolen wordt een nader bodemonderzoek uit te voeren ter plaatse van de voormalige watergangen van perceel D595 en de daarbij aangetroffen matige tot sterk zinkverontreiniging en de bodemvreemde materialen om uit te sluiten of het een geval van ernstige bodemverontreiniging betreft >25m3 en om de verontreiniging horizontaal en verticaal af te perken.’ Voor wat betreft het woongedeelte zijn er geen belemmeringen ten aanzien van het aspect bodem. Ten aanzien van het bedrijfsgedeelte wordt een aanvullend onderzoek verricht om de mate en omvang van verontreiniging in beeld te brengen. Hiervoor heeft Adcim reeds opdracht voor gekregen. Indien er geen sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging dan ondervindt het plan geen belemmeringen ten aanzien van het aspect bodem. Indien wel sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging, dan zal de initiatiefnemer de verontreinigingen saneren. De bestemmingsplanprocedure kan op dit moment wel doorgang vinden.

60

Conclusie De bestemmingswijziging van Agrarisch naar Wonen ondervindt voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen. Op het bedrijfsperceel (westzijde van het plangebied) wordt een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd om de mate en omvang van de verontreiniging in beeld te brengen.

61

4.10 Archeologie en cultuurhistorie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. De Erfgoedwet maakt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument. Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden.

Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Molenlanden is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een: • Middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd (roze) Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Middelmatige verwachting voor prehistorie tot middeleeuwen (groen). Bij ingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 30 is archeologisch onderzoek noodzakelijk. • Lage verwachting voor alle perioden (geel). Bij ingrepen groter dan 10.000 m2 en dieper dan 30 is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

62

Afbeelding 22: Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart

Het plan voorziet in graafwerkzaamheden groter dan 100 m², waardoor archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Door ADC ArcheoProjecten is voor het plan een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage bij de toelichting. De conclusies luiden: ‘De in paragraaf 3.1.1 gestelde onderzoeksvragen kunnen op basis van de bereikte resultaten als volgt worden beantwoord: • Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? Het plangebied is gelegen in een rivierkom. De diepe ondergrond wordt hoofdzakelijk gevormd door komafzettingen (Formatie van Echteld) bestaande uit bijna ongerijpte, zwak siltige klei. In één boring is een sterk gelaagd kleipakket aangeboord, dat mogelijk aan een fossiele crevasse te relateren is. Deze klei is evenals de komklei bijna ongerijpt (slap). De komafzettingen gaan naar boven toe geleidelijk over in een 105 tot 115 cm dik pakket sterk kleiig bosveen, waarvan het bovenste deel veraard is. Het 63

geheel wordt afgedekt door een 70 tot 110 cm dik ophogingspakket bestaande uit sterk kleiig veen met zand- en kleibrokken en huisvuil of zwak tot sterk puinhoudende klei. •

Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? De oorspronkelijke bodem is afgedekt met een (sub)recente ophoging. Onder dit pakket is het bodemprofiel intact.

•

Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? In geen van de boringen zijn archeologisch relevante lagen aanwezig. Het aangetroffen ophogingspakket wordt op grond van de samenstelling als (sub)recent beschouwd en hangt samen met de aanleg en sloop van de bebouwing en de huidige inrichting van het plangebied.

•

Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? niet van toepassing

•

Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? In één boring zijn in de bovengrond twee fragmenten aardewerk uit de 17e18e eeuw aangetroffen. Dit materiaal is hoogstwaarschijnlijk van elders afkomstig en vormt geen aanwijzing voor een ter plaatse aanwezige vindplaats. Zo ja: o Op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? niet van toepassing o Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? Niet van toepassing o Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? Niet van toepassing

•

In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? De middelhoge archeologische verwachting voor de periode Late Middeleeuwen tot en met Nieuwe tijd op de vigerende archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart dient naar een lage verwachting te worden bijgesteld. De lage verwachting voor de overige perioden dient te worden gehandhaafd.

•

In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? Er is geen sprake van een bedreiging van (mogelijk aanwezige) waarden.

64

•

Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Het plangebied wordt als voldoende onderzocht beschouwd.

ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht deze zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Deze melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente Molenlanden’. Naar aanleiding van het archeologisch rapport heeft de gemeente een selectiebesluit genomen. Het selectiebesluit is toegevoegd als bijlage bij de toelichting. Het selectiebesluit luidt: ‘Op basis van voornoemde stuk(ken) wordt het volgende selectiebesluit genomen: - Het selectieadvies van ADC ArcheoProjecten wordt onderschreven om het centrale deel van het plangebied vanaf de noordkant van de bestaande schuur tot aan boring 3 vrij te geven voor de geplande nieuwebouw (geen vervolgonderzoek). - Voor het noordelijke deel van het plangebied tot aan de noordrand van de bestaande schuur geldt dat de huidige planologische beschermingen worden gehandhaafd. Op dit deel van het plangebied zijn geen boringen gezet waardoor dit deel niet beoordeeld kan worden.

- Voor het zuidelijke deel van het plangebied geldt dat vanaf boring 3 (tot aan de Gijbelandsedijk) geen bodemingrepen zijn toegestaan die dieper gaan dan 70 cm beneden huidig maaiveld. Hierbij is rekening gehouden met een buffer van 30 cm t.o.v. de top van de relevante lagen. Voorafgaand aan geplande bodemingrepen die dieper zullen reiken dan 70 cm beneden maaiveld zal eerst nader archeologisch onderzoek uitgevoerd moeten worden.’ Cultuurhistorie In een bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden in het plangebied. Het plangebied is gelegen aan een polderlint. Polderlinten zijn ontstaan langs een ontginningsbasis: veenriviertjes, wegen of weteringen. Van oorsprong betreft het, op enige afstand van elkaar gelegen, boerderijen op de kop van de strookvormige kavels. Polderlinten zijn vooral aanwezig in veenweidegebieden. Het plan tast het polderlint niet aan en heeft geen invloed op de structuur van de dijk. Monumenten Binnen het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen. Het centrale deel van het plangebied is voor wat betreft archeologie vrijgegeven. Daardoor is de functie van de archeologische dubbelbestemmingen op dit deel van het plangebied komen te vervallen.

De archeologische dubbelbestemming is derhalve niet opgenomen op dit deel van het plangebied. Op 65

het noordelijk deel van het plangebied dat archeologisch niet onderzocht is, zijn de dubbelbestemmingen uit het vigerend bestemmingsplan wel overgenomen, zodat eventuele aanwezige archeologische waarden ter plaatse juridisch-planologisch beschermd zijn. Conform het selectiebesluit is op het zuidelijk deel van het plangebied een archeologische dubbelbestemming opgenomen, waarbij eventueel aanwezige archeologische waarden dieper dan 70 cm onder het maaiveld juridischplanologisch zijn beschermd. Aan het zuidoostelijk gedeelte van het plangebied (het woongedeelte) is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ behouden. Daarmee wordt de bestaande archeologische bescherming gehandhaafd. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk eventuele archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag.

66

4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. Daarnaast heeft de gemeente Molenlanden de ambitie om een stap verder te gaan dan de basis wettelijke verplichtingen voor wat betreft energie, namelijk: 1. Nieuw te bouwen woningen worden nul-op-de-meter gebouwd; 2. Nieuw te bouwen utilitaire functies worden energieneutraal gebouwd; 3. Alle benodigde energie wordt binnen het plangebied op duurzame wijze opgewekt. Wateroverlast door overvloedige neerslag Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien op te kunnen vangen. Het plan betreft een ontwikkeling waarbij het verhard oppervlak sterk afneemt, waardoor het hemelwater beter kan infiltreren in de bodem. Daarnaast kan overtollig hemelwater gemakkelijk afgevoerd worden op de omliggende watergangen.

Hiermee is voldoende waterberging aanwezig om zware regenbuiten te kunnen opvangen. Overstroming Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. Het plangebied is gelegen in het binnendijks gebied. Hitte Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van plannen rekening gehouden met de accumulatie van warmte. Het plan voorziet in het verwijderen van verharding, waardoor hittestress wordt tegengegaan. Hetzelfde geldt voor het aanbrengen van beplanting. Daarnaast zijn rondom het plangebied watergangen gelegen, hetgeen verkoelend werkt. Droogte Omdat het steeds droger wordt, zal de bodem sneller verdroogt raken. De initiatiefnemer is geïnformeerd over de functie van een regenton, waarmee regenwater dat valt op een dak van een gebouw, vastgehouden kan worden. Indien het aanwezige groen door droogte een gebrek aan water heeft, kan het opgevangen hemelwater vervolgens gebruikt worden om de bodem ter plaatse van het groen te hydrateren. De beplanting kan daardoor blijven voorzien in het afbreken van CO2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier.

67

Opwekken zonne-energie/energieneutraal bedrijf Op de bestaande loods zijn enkele jaren geleden zonnepanelen aangebracht, waardoor het bedrijf thans al voorziet in de eigen energiebehoefte. Het bedrijf heeft dus de slag naar energieneutraal ondernemen al gemaakt. De verwachting is dat met de uitbrieding van de loods het bedrijf nog steeds in zijn eigen energiebehoefte kan voorzien met behulp van de huidige zonnepanelen. Mocht dit onverhoopt niet zo zijn, dan is de bedrijfseigenaar voornemens om extra zonnepanelen aan te leggen. Daarmee wordt voldaan aan de ambitie van de gemeente om een stap verder te dan de basis wettelijke verplichting voor wat betreft energie.

68

5

Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Brandwijk, Gijbelandsedijk 1a’ bestaat uit drie delen: de verbeelding, de regels en de toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Brandwijk, Gijbelandsedijk 1a’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting

5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Brandwijk, Gijbelandsedijk 1a’ is aansluiting gezocht bij de vigerende bestemmingsplannen ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’, ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’ en ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’. De regels van het bestemmingsplan ‘Brandwijk, Gijbelandsedijk 1a’ bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

5.3 Bestemmingen Agrarisch met waarden De agrarische bestemming ter plaatse van het westelijke deel waar de bedrijfsactiviteiten plaatsvinden blijft gehandhaafd. Wel wordt het bouwvlak strak om de bestaande en nieuwe loods gelegd, waardoor een verdere uitbreiding is uitgesloten in dit bestemmingsplan. Water De A-watergang van het waterschap wordt bestemd met de bestemming ‘Water’. Wonen Ten behoeve van de omzetting van de bedrijfswoning naar een burgerwoning, wordt de agrarische bestemming op het woonperceel gewijzigd naar een woonbestemming.

69

Leiding – Water Voor de aanleg en instandhouding van een waterleiding is de dubbelbestemming ‘Leiding – Water’ opgenomen. Waarde – Archeologie 2, 7, 8 en 11 Uit het archeologisch onderzoek en het selectiebesluit komt naar voren dat het centrale deel van het plangebied archeologisch is vrijgegeven. Derhalve is de functie van de archeologische dubbelbestemming komen te vervallen en is hier geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Omdat het noordelijk deel van het plangebied niet is onderzocht (omdat het plan op deze delen niet voorziet in graafwerkzaamheden), wordt de archeologische dubbelbestemming (7 en 8) op het deel dat niet is onderzocht, gehandhaafd. Zodoende zijn eventuele aanwezige archeologische waarden op dit deel van het plangebied nog steeds beschermd. Conform het selectiebesluit is op het zuidelijk deel van het plangebied een archeologische dubbelbestemming opgenomen (11), waarbij eventueel aanwezige archeologische waarden dieper dan 70 cm onder het maaiveld juridisch-planologisch zijn beschermd. Aan het zuidoostelijk gedeelte van het plangebied (het woongedeelte) is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ behouden. Daarmee wordt de bestaande archeologische bescherming gehandhaafd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=8d81ef23-a554-40e6-9874-547210ce4910