Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan ‘Brandwijk, Gijbelandsedijk 1a’
Tekst van het document
Toelichting ‘Brandwijk, Gijbelandsedijk 1a’
Toelichting ‘Brandwijk, Gijbelandsedijk 1a’
Identificatie NL.IMRO.1978.BPgbelandsedk1aBWK-VG01 Datum 26-07-2023 Planstatus Vastgesteld Versie 2.0
2
Inhoud 1
2
3
4
Inleiding ....................................................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding .................................................................................................. 5
1.2
Plangebied .................................................................................................. 5
1.3
Kader .......................................................................................................... 7
1.4
Maatschappelijk resultaat ......................................................................... 10
1.5
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................. 10
1.6
Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid............................ 11
1.7
Communicatie .......................................................................................... 11
1.8
Realisatie .................................................................................................. 11
1.9
Leeswijzer................................................................................................. 11
Planbeschrijving .................................................................................................................... 12 2.1
Bestaande situatie ..................................................................................... 12
2.2
Nieuwe situatie ......................................................................................... 15
Verantwoording beleidskader ......................................................................................... 22 3.1
Rijksbeleid ................................................................................................ 22
3.2
Provinciaal beleid ...................................................................................... 24
3.3
Gemeentelijk beleid .................................................................................. 33
Verantwoording sectorale aspecten ............................................................................. 35 4.1
Milieueffectrapportage .............................................................................. 35
4.2
Waterparagraaf ......................................................................................... 37
4.3
Geluid ....................................................................................................... 44
4.4
Luchtkwaliteit ........................................................................................... 45
4.5
Bedrijven- en milieuhinder ........................................................................ 47
4.6
Externe veiligheid ..................................................................................... 50
4.7
Kabels en leidingen................................................................................... 53
4.8
Ecologie .................................................................................................... 54
4.9
Bodem ...................................................................................................... 57
4.10 Archeologie en cultuurhistorie .................................................................. 62 4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie ........................................................... 67 5
Juridische planbeschrijving .............................................................................................. 69 5.1
Inleiding ................................................................................................... 69
5.2
Systematiek van de regels ......................................................................... 69
5.3
Bestemmingen .......................................................................................... 69
5.4
Aanduidingen ........................................................................................... 70
3
# Bijlage 1 Landschappelijk inrichtingsplan 2 Quickscan Wet natuurbescherming 3 Verkennend bodemonderzoek 4 Verkennend en aanvullend (asbest)bodemonderzoek 5 Archeologisch onderzoek 6 Selectiebesluit 7 Voortoets stikstofdepositie
Auteur -
Kenmerk -
Datum -
Blom Ecologie
2022-0319
31-03-2022
Linge Milieu
22-2033
17-06-2022
Adcim
20220361-DVO-1
01-11-2022
ADC ArcheoProjecten
ADC Rapport 5812 1151527
24-10-2022
19022
24-02-2023
Gemeente Molenlanden Van den Heuvel Milieuadvies
30-09-2022
4
1
Inleiding
1.1 Aanleiding Op het perceel Gijbelandsedijk 1a te Brandwijk is jarenlang het agrarisch loonbedrijf De Haan gevestigd. Op het oostelijk gedeelte van het perceel zijn de bedrijfswoning en enkele bedrijfsgebouwen gebouwd. Op het westelijk gedeelte is de werktuigenloods gebouwd. Vanwege toenemende klandizie is het loonbedrijf genoodzaakt om uit te breiden. De initiatiefnemer is voornemens om de werktuigenloods direct naast de bestaande loods met 495 m² uit te breiden, zodat de werkvoertuigen binnen gestald kunnen worden (en wordt ongewenste buitenopslag van de machines/voertuigen voorkomen). Hiermee wordt een toekomstbestendige situatie gecreëerd voor het loonbedrijf. Ter compensatie worden enkele voormalige agrarische schuren gesloopt en verharding verwijderd. Daarnaast wordt de bedrijfswoning omgezet in een burgerwoning. Het plan is echter in strijd met het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’. Het plangebied heeft hierin de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ en twee bouwvlakken. De uitbreiding van de loods vindt plaats binnen het bouwvlak waar de uitbreiding van de loods ten behoeve van een agrarisch loonbedrijf niet is toegestaan. Daarnaast is het volgens het bestemmingsplan niet mogelijk om de bedrijfswoning te gebruiken als burgerwoning. De gemeente heeft aangegeven in principe mee te willen werken aan het plan.
Om het plan juridisch-planologisch mogelijk te maken wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen.
1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Brandwijk, langs de Gijbelandsedijk. Het plangebied is kadastraal bekend gemeente Brandwijk, sectie D, nummers 323, 595 en deels 523. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door een wetering. Aan de oostzijde zorgt dezelfde wetering en het perceel Gijbelandsedijk 2 voor de begrenzing en de Gijbelandsedijk voor de zuidelijke begrenzing van het plangebied. Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door het perceel Gijbelandsedijk 1.
5
Afbeelding 1: Begrenzing plangebied
6
1.3 Kader Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ (NL.IMRO.0693.BPBG-VG01), vastgesteld op 25 januari 2010 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Graafstroom. Het plangebied heeft hierin de enkelbestemming: • Agrarisch met waarden. De dubbelbestemmingen: • Waterstaat – Waterkering; • Leiding – Water. En de aanduidingen: • Bouwvlakken; • Figuur ‘hartlijn leiding – water’; • Figuur ‘relatie’; • Functieaanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’; • Functieaanduiding ‘agrarisch loonbedrijf’; • Gebiedsaanduiding ‘milieuzone – stiltegebied’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone aanlegvergunning gevoelige bodem’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone aanlegvergunning overgangsgebied’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone wijzigingsgebied dorpslint’.
Afbeelding 2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’
7
Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’ Op 15 september 2015 is door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Molenwaard de derde herziening van bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ vastgesteld. In de derde herziening zijn regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen voor het buitengebied, evenals omissies of nieuw beleid. Voor het plangebied betekent dat: • • •
De dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2, 7 en 8’ zijn opgenomen; De contour van de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ is gewijzigd. De gebiedsaanduiding ‘wro-zone’ is gewijzigd naar ‘wetgevingszone’: o Gebiedsaanduiding ‘wetgevingszone – omgevingsvergunning gevoelige bodem’; o Gebiedsaanduiding ‘wetgevingszone – omgevingsvergunning overgangsgebied’; o Gebiedsaanduiding ‘wetgevingszone – wijzigingsgebied dorpslint’.
Afbeelding 3: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’
8
Bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ Op 20 februari 2018 is een volgende herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Molenwaard. In de herziening zijn regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen, evenals omissies of nieuw beleid. Voor het plangebied betekent dit: • De dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ is verdeeld in de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ (kernzone) en de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk’ (beschermingszone)
Afbeelding 4: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’
Paraplubestemmingsplan ‘Huisvesting Arbeidsmigranten’ Binnen onderliggende bestemmingsplannen waren te weinig sturingsmogelijkheden om huisvesting van arbeidsmigranten binnen de bestemmingen ‘wonen’, ‘woongebied’, ‘centrum’ of ‘gemengd’ te kunnen reguleren. In veel onderliggende bestemmingsplannen was bijvoorbeeld geen begripsdefinitie opgenomen inzake ‘wonen’ en daarmee was het langdurige verblijf van een ongelimiteerd aantal arbeidsmigranten per woning toegestaan. Dit past niet binnen het doel van de gemeente Molenlanden om te voorzien in passende en kwalitatieve goede huisvesting op de juiste plek, waarbij tevens een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden kan worden gewaarborgd. Met het paraplubestemmingsplan is onder andere een nieuwe begripsdefinitie gekomen van ‘het wonen’, waardoor het niet meer mogelijk is om met meer dan één huishouden te verblijven in een woning. Huisvesting van arbeidsmigranten voor de shortstay (logies) en midstay is uitsluitend toegestaan door een vergunning aan te vragen die voldoet aan de eisen uit de Beleidsnotitie Arbeidsmigranten. 9
Paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’ Op 29 november 2014 is de Reparatiewet BZK 2014 in werking getreden. Hierdoor zijn de stedenbouwkundige bepalingen – waaronder de parkeernormbepaling – uit de Bouwverordening komen te vervallen. Als gevolg hiervan hebben deze bepalingen geen aanvullende werking meer op bestemmingsplannen, zodat bij het verlenen van een omgevingsvergunning niet meer op basis van de Bouwverordening aan gemeentelijke parkeernormen kan worden getoetst. Voldoende parkeervoorzieningen is een belangrijke voorwaarde voor bijna elke ruimtelijke ontwikkeling. De gemeente Molenlanden wenst dan ook over de mogelijkheid te beschikken tot het stellen van eisen aan het parkeren. Middels het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’ bezit de gemeente een eenduidige regeling, zodat bij ruimtelijke ontwikkelingen voorwaarden kunnen worden gesteld ten aanzien van het aspect parkeren.
1.4 Maatschappelijk resultaat Met de vaststelling van het bestemmingsplan wordt een nieuwe, geactualiseerde en gedigitaliseerde juridische regeling geboden. Met het bestemmingsplan wordt het juridisch-planologisch mogelijk gemaakt om de bestaande loods uit te breiden met 495 m² en wordt het oostelijk deel omgezet naar een woonperceel. Tevens wordt de aanduiding ‘agrarisch loonbedrijf’ verplaatst van het oostelijk naar het westelijk deel. Tenslotte wordt de huidige A-watergang bestemd met de enkelbestemming ‘Water’.
1.5 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan opgestuurd naar de provincie Zuid-Holland en het waterschap Rivierenland. Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan en bijbehorende stukken hebben vanaf 13 juni 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen (Gemeenteblad 2023, 257041), waarbij eenieder in de gelegenheid werd gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen binnengekomen. Participatie De initiatiefnemer heeft het plan voorgelegd aan de bewoner van Gijbelandsedijk 1 en 2 en Graafdijk West 54. De bewoners hebben aangegeven geen bezwaar te hebben en hebben de initiatiefnemer succes gewenst met de ontwikkeling.
10
1.6 Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemers, welke aangeven dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente is er een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemers getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemers komt. Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.
1.7 Communicatie Er wordt op de wettelijke manier gecommuniceerd over de te voeren procedure (via Het Kontakt en het Gemeenteblad).
1.8 Realisatie Wanneer geen beroep wordt ingediend, is het bestemmingsplan na de beroepstermijn onherroepelijk. De omgevingsvergunningen voor de plannen kunnen dan worden aangevraagd.
1.9 Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van de planontwikkeling zijn beschreven: • • • •
Hoofdstuk 2: Planbeschrijving; Hoofdstuk 3: Verantwoording beleidskader; Hoofdstuk 4: Verantwoording sectorale aspecten; Hoofdstuk 5: Juridische planbeschrijving.
11
2
Planbeschrijving
2.1 Bestaande situatie Op het perceel Gijbelandsedijk 1a te Brandwijk is het agrarisch loonbedrijf A.J. de Haan gevestigd. Het bedrijf verhuurd diverse machines en werkvoertuigen aan voornamelijk agrariërs in de Alblasserwaard en is daarmee een lokaal gebonden bedrijf. Het bedrijfsperceel bestaat uit een oostelijk en een westelijk deel. De twee delen worden gescheiden door een watergang. Op het oostelijk deel bevindt zich de bedrijfswoning met enkele voormalige agrarische schuren. Het gezamenlijk oppervlak van de voormalige agrarische schuren betreft circa 361 m². Daarnaast is op het perceel een mestplaat (circa 144 m²) aangelegd. Daarnaast is er een bijgebouw bij de woning gebouwd (circa 144 m²). Het perceel zelf is goed onderhouden, maar de voormalige agrarische schuren zijn verouderd. Op het westelijke deel van het bedrijfsperceel vinden de bedrijfswerkzaamheden plaats. Op dit deel is een loods van circa 755 m² aanwezig voor de stalling en reparatie van werkvoertuigen. Rondom de loods is de nodige verharding aangebracht en is op het achterste deel een paardenbak gerealiseerd. Het bedrijf heeft de afgelopen jaren een sterke groei doorgemaakt, waardoor de huidige bedrijfsloods niet meer toereikend is voor de continuïteit van het bedrijf. De huidige ruimte in de loods is niet meer toereikend voor het stallen van de machines en uitvoeren van de werkzaamheden.
De machines worden door het bedrijf zelf in de loods gerepareerd waar geen werkplaats aanwezig is en weinig ruimte is voor de reparatie van machines. Wanneer een machine gerepareerd dient te worden, moeten nu diverse machines verplaatst worden vanwege de beperkte ruimte en het gebrek aan een werkplaats, voordat reparatie kan plaatsvinden. Tevens vindt op het voorterrein de stalling van machines plaats, omdat binnen in de loods niet voldoende ruimte meer aanwezig is om alles inpandig te kunnen stallen. Daardoor worden de machines blootgesteld aan de weersomstandigheden, waardoor de machines eerder onderhoud nodig hebben. Al met al is de huidige situatie inefficiënt voor het bedrijf.
12
Afbeelding 5: Zicht op de bedrijfswoning Gijbelandsedijk 1a
Afbeelding 6: Verouderde schuren op het oostelijk deel van het bedrijfsperceel
13
Afbeelding 7: Zicht op de west- en voorgevel van de loods
Afbeelding 8: Overzicht bestaande bebouwing
14
2.2 Nieuwe situatie 2.2.1 Planbeschrijving Aan de Gijbelandsedijk 1a te Brandwijk is het agrarisch loonbedrijf A.J. de Haan gevestigd. Het bedrijf is gespecialiseerd in de verhuur en onderhoud aan machines die gebruikt worden in de agrarische sector. De klanten van het bedrijf bevinden zich vooral in de omgeving van Brandwijk, Bleskensgraaf en Molenaarsgraaf, maar ook elders in de Alblasserwaard heeft het bedrijf klanten. De klanten van het bedrijf zijn vooral lokale agrariërs. Voor het bedrijf is het noodzakelijk om een compleet aanbod aan machines aan te bieden. Het bedrijf verhuurt immers verschillende machines aan dezelfde klanten/agrariërs. Agrariërs zoeken loonbedrijven die het complete aanbod bieden voor de diverse werkzaamheden waar een agrariër mee te maken krijgt, zoals het bemesten, maaien, oogsten, persen, baggeren, et cetera. Indien een loonbedrijf bepaalde seizoensgebonden machines niet kan leveren, dan zal een agrariër opzoek gaan naar een ander loonbedrijf dat wel het complete aanbod aan diverse machines kan leveren. Het ontbreken van een compleet aanbod aan machines zal dan ook funest zijn voor het bedrijf. Zodoende is het voor het loonbedrijf A.J. de Haan noodzakelijk om de diverse machines te kunnen leveren. Het bedrijfsperceel van het loonbedrijf bestaat uit twee delen: een oostelijk en een westelijk deel.
Op het westelijke deel is de bedrijfswoning met enkele voormalige agrarische schuren en een mestplaat gebouwd. Op het oostelijke deel bevinden zich de bedrijfsactiviteiten van het loonbedrijf. Op dit deel is ook een bedrijfsloods van circa 755 m² gebouwd. In de loods vindt de stalling en onderhoud van de machines plaats. Op dit moment is er te weinig ruimte voor de stalling en onderhoud van alle machines, waardoor er thans ook stalling plaatsvindt buiten de loods. Daarnaast is de ruimte in de loods zeer beperkt en ontbreekt er een werkplaats binnen de loods. Zodra er onderhoud gepleegd moet worden aan een machine, dan moeten eerst andere machines verplaatst worden om zo voldoende ruimte te creëren om het onderhoud te kunnen plegen. Uitbreiding loods Met het plan wordt 495 m² aan bedrijfsloods toegevoegd aan de oostzijde van de huidige loods. De loods wordt 15 meter breed en 33 meter lang. Met de uitbreiding wordt er ruimte gecreëerd voor de stalling van de machines en wordt een werkplaats in de uitbreiding toegevoegd. Zodoende kunnen alle machines inpandig worden gestald en hoeft bij onderhoud aan een machine niet eerst andere machines verplaatst te worden. Omdat de machines inpandig gestald kunnen worden, worden deze minder blootgesteld aan weersomstandigheid en is daardoor minder onderhoud nodig.
Zodoende ontstaat er een efficiënte en toekomstbestendige bedrijfssituatie en wordt daarmee een lokale ondernemer geholpen. De uitbreiding is overigens niet bedoeld om meer ruimte te creëren om meer machines aan te schaffen en er daardoor weer een ruimtetekort kan ontstaan. De uitbreiding is uitsluitend bedoeld om meer ruimte te creëren voor het bestaande aantal machines en om een werkplaats voor onderhoud aan de machines te realiseren. Verder staat dit plan geen verdere uitbreiding aan bedrijfsgebouwen toe. 15
Het agrarisch bouwvlak wordt strak om de bestaande loods en de beoogde uitbreiding gelegd. In de regels is opgenomen dat bedrijfsgebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak zijn toegestaan. Verdere uitbreiding van het bedrijf is daarmee juridisch-planologisch uitgesloten. Landschappelijke inrichting bedrijfsperceel De initiatiefnemer hecht veel waarde aan de instandhouding van het karakteristieke landschap, waarin hij zelf woont en werkt. Initiatiefnemer is daarom bereid om het bedrijfsperceel op een verantwoorde wijze landschappelijk in te richting. Allereerst zal een aanzienlijke hoeveelheid verharding worden verwijderd op het bedrijfsperceel. Aan de noord- en oostzijde van de loods wordt een deel van de bestaande verharding verwijderd, hetgeen een oppervlak heeft van circa 1.469 m². Daarmee wordt het groene karakter van het landschap weer teruggebracht. Verder wordt het bedrijfsperceel landschappelijk ingericht door aanzienlijk wat groen aan te brengen, waardoor de huidige ‘harde’ uitstraling weggenomen wordt. Het plan voorziet in het realiseren van nieuwe bufferbeplanting met streekeigen struik- en boomvormers met enkele gestrooide hoogstam fruitbomen op het voorterrein. Ook wordt een streekeigen haag (zoals liguster) rond het bestaand hekwerk en langs de betonwand doorgezet op het voorterrein.
Een nieuwe bomenrij (bijvoorbeeld een elzensingel) wordt aangeplant om het zicht op de loodsen vanaf de openbare weg te verminderen. Het gehele bedrijfsperceel wordt begrensd door nieuwe bufferbeplanting met streekeigen struik- en boomvormers, om zo een zachte overgang naar het achtergelegen slagenlandschap te creëren. Hiermee wordt voorzien in het opruimen van en een op verantwoorde wijze landschappelijk inpassing van het bedrijfsperceel. Woonperceel en kwaliteitsverbetering Naast het landschappelijk inpassen van het bedrijfsperceel, draagt het woonperceel ook bij tot het realiseren van een kwaliteitsverbetering. Het agrarisch bouwvlak wordt hier verwijderd en maakt plaats voor een woonbestemming. Hierdoor wordt het juridisch-planologisch uitgesloten dat hier in de toekomst volwaardige agrarische bedrijfsactiviteiten zullen plaatsvinden, hetgeen zorgt voor een verbetering van het woon- en leefklimaat. De huidige bedrijfswoning wordt daarmee functioneel gewijzigd naar een burgerwoning. Daarnaast zijn op het achtererf enkele verouderde voormalige agrarische gebouwen aanwezig. Deze worden met dit plan gesloopt. Dat geldt tevens voor de mestplaat welke op het achtererf aanwezig is alsook een deel van de bestaande verharding. De voormalige schuren en verharding worden opgeruimd en worden vervolgens groen ingericht. Hiermee wordt circa 543 m² aan bebouwing en verharding opgeruimd.
De schuur ten noordoosten van de woning blijft wel behouden en wordt gebruikt als bijgebouw bij de burgerwoning. Zodoende wordt het woonperceel opgeruimd en groener ingericht.
16
Afbeelding 9: Landschappelijke inrichting
17
Bestaande paardenbak De bestaande paardenbak achter de agrarische bedrijfsloods wordt positief bestemd door een aanduiding op te nemen. Binnen deze aanduiding wordt de bestaande paardenbak toegestaan. De paardenbak mag uitsluitend hobbymatig gebruikt worden, niet voorzien zijn van lichtmasten en bouwwerken (met als uitzondering een afrastering rondom de paardenbak met een maximale hoogte van 1,5 m). A-watergang bestemmen met ‘Water’ Tussen het bedrijfsperceel en het woonperceel is een watergang gelegen. Deze watergang is in de Legger wateren van het waterschap Rivierenland aangemerkt als A-watergang en heeft daarmee een belangrijke functie in de aan- en afvoer van water. Op dit moment heeft de watergang een agrarische bestemming. Om deze belangrijke watergang juridisch-planologisch te beschermen, wordt de bestemming gewijzigd naar ‘Water’. Resume Samenvattend voorziet het plan in de uitbreiding van een loods met 495 m² en de sloop van 543 m² aan voormalige agrarische schuren, verharding en mestplaat op het woongedeelte. Daarnaast wordt er 1.469 m² aan verharding verwijderd op het bedrijfsgedeelte (daarvan wordt 168 m² weer verhard vanwege de uitbreiding van de loods). Het woonperceel wordt bestemd met een woonbestemming, waardoor de bedrijfswoning functioneel wordt gewijzigd in een burgerwoning.
De bestaande paardenbak wordt positief bestemd en de A-watergang wordt bestemd met de bestemming ‘Water’.
Afbeelding 10: Overzicht te verwijderen verharding (links: bestaand, rechts: nieuw)
18
2.2.2 Verkeer Ontsluiting Het plangebied wordt ontsloten via een uitrit op de Gijbelandsedijk. Dat blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. De Gijbelandsedijk is aangemerkt als 15-tons weg. Dat betekent dat een ontheffing nodig is voor verkeer zwaarder dan 15 ton. De bedrijfseigenaar heeft een dergelijke ontheffing van het waterschap. Parkeren Voor de vaststelling van de parkeernorm is gebruik gemaakt van de Nota Parkeernormen Molenlanden 2020. De Nota gaat met betrekking tot het plangebied uit van de stedelijkheidsgraad ‘niet stedelijk’ en de stedelijke zone ‘buitengebied’. Bedrijfsperceel Voor wat betreft de bedrijfsfunctie wordt uitgegaan van de categorie ‘bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief’. De Nota Parkeernormen gaat uit van een parkeernorm van 2,4 per 100 m² bruto vloeroppervlak (bvo). Het bvo is de som van de vloeroppervlakte van alle bouwlagen, gemeten langs de buitenomtrek van een ruimte. In de nieuwe situatie betreft het bvo van de bedrijfsloods 1.250 m². Daarmee ontstaat er een totale parkeerbehoefte van 30 parkeerplaatsen. Alhoewel een dergelijke theoretische parkeerbehoefte niet logisch is voor een agrarisch loonbedrijf (het bvo wordt namelijk bepaald door de stalling van machines en staat niet in verhouding tot de hoeveelheid werknemers en bezoekers), is op het bedrijfsperceel voldoende ruimte voor het parkeren van 30 parkeerplaatsen.
In afbeelding 11 is de parkeeroplossing ter indicatie weergegeven.
19
Afbeelding 11: Indicatie parkeeroplossing
Woonperceel Voor wat betreft de woonfunctie wordt uitgegaan van de categorie ‘koop, vrijstaand’. De Nota Parkeernormen hanteert voor een vrijstaande koopwoning een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen. Dat betekent dat op het woonperceel ruimte moet zijn voor het parkeren van 3 personenauto’s. Hiervoor is ruim voldoende ruimte op het perceel. Verkeersgeneratie De uitbreiding van de loods voorziet in het creëren van extra ruimte voor de stalling van de bestaande machines en in het realiseren van een werkplaats voor het onderhoud aan de machines. De uitbreiding van de loods heeft niet het doel om extra ruimte te realiseren om meer machines aan te kunnen kopen en zodoende te voorzien in extra verkeersbewegingen. De uitbreiding heeft tot doel om een efficiënte en toekomstbestendige bedrijfssituatie te creëren. Het bestemmingsplan is zo opgesteld dat een verdere uitbreiding van het bedrijf niet mogelijk is. Bedrijfsgebouwen kunnen volgens de regels uitsluitend binnen het bouwvlak gerealiseerd worden. Het bouwvlak is strak om de bestaande loods en de beoogde uitbreiding opgenomen. Zodoende is een verdere uitbreiding niet mogelijk. Het plan kan het juridisch-planologisch niet uitsluiten dat de initiatiefnemer toch 20
extra machines aan mag schaffen. Mocht de initiatiefnemer dat toch doen, dan staat de initiatiefnemer wederom voor hetzelfde probleem dat er ruimtetekort ontstaat. Omdat het bedrijf niet verder kan uitbreiden, ligt het niet in de lijn der verwachting dat er extra machines aangeschaft zullen worden. Zodoende voorziet het plan niet in extra verkeersbewegingen.
21
3
Verantwoording beleidskader
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: • ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • duurzaam economisch groeipotentieel; • sterke en gezonde steden en regio's; • toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat er zowel maatregelen op korte termijn als maatregelen op lange termijn nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond. Het plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het plan is op rijksniveau kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro.
22
3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting op een ruimtelijk besluit voor nieuw te realiseren stedelijke ontwikkelingen bepaalde duurzaamheidsaspecten van het voornemen te motiveren. Per 1 juli 2017 is artikel 3.1.6 van de Bro op een aantal punten gewijzigd. In het geval in het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, dient de toelichting een beschrijving te bevatten van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
Volgens het Besluit ruimtelijke ordening wordt onder een ‘stedelijke ontwikkeling’ het volgende verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Een verdere beschrijving van wat onder een stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het besluit niet opgenomen. Inmiddels biedt jurisprudentie een beoordelingskader van welke ontwikkelingen als nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ worden aangemerkt: ‘Een in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Wanneer een bestemmingsplan voorziet in kleinschalige bedrijfsbebouwing, het plandeel met de bedrijfsbestemming beperkt van omvang is en beperkte gebruiksmogelijkheden biedt, voorziet dit plan in zoverre niet in een stedelijke ontwikkeling (ABRvS, 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1442). Wanneer een bestemmingsplan voorziet in een van de andere in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro genoemde stedelijke voorzieningen in de vorm van een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m2, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724)’. Het plan voorziet in de realisatie van een loods met een bruto oppervlak van maximaal 495 m².
Daarmee is er volgens jurisprudentie geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is toetsing aan de Ladder niet nodig.
23
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie ZuidHolland. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie ZuidHolland. Het Omgevingsbeleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zeven richtinggevende ambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van ZuidHolland. 5. Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 6.
Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Stedelijke ontwikkelingen De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. Stedelijke ontwikkelingen die niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied gerealiseerd kunnen worden, kunnen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten. Het plangebied is gelegen in het buitengebied, maar wel binnen de contouren van de ‘bebouwde ruimte’ en betreft een bestaand perceel.
Binnen het gebied ‘bebouwde ruimte’ (systeem van kernen en linten) streeft de provincie Zuid-Holland 24
naar het beter benutten van deze ruimte voor een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied door het stimuleren en faciliteren van verdichting, herstructurering en transformatie. Het plan zorgt in het beter benutten van de bestaande bebouwde percelen door te voorzien in een uitbreiding van 495 m² van een agrarisch bedrijfsgebouw en de sloop van 505 m² aan voormalige verouderde agrarische bedrijfsgebouwen en mestplaten. Hiermee voorziet het plan in een afname aan bebouwing en wordt tevens een lokale ondernemer de ruimte geboden om zijn bedrijf efficiënter in te richten. Ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke kwaliteit speelt op verschillende niveaus: veelal plek gebonden, maar ook op het niveau van de gehele provincie en soms daarbuiten. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit).
De essentie van ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten aan toevoegen die te maken hebben met de samenleving van vandaag. Het plan heef tot doel op de loods op een bestaand agrarisch bedrijfsperceel met 495 m² te vergroten om te voorzien in een efficiënte bedrijfsvoering. De uitbreiding van de loods heeft niet het doel om het bedrijf te vergroten. Door de sloop van 505 m² aan verouderde gebouwen en mestplaten en het verwijderen van een aanzienlijk oppervlak aan verharding, wordt voorzien in een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Deze wordt verder versterkt doordat het plan voorziet in de aanplant van streekeigen beplanting, zoals hoogstam fruitbomen, elzen en knotwilgen. Op deze manier wordt het agrarisch bedrijf op een verantwoorde wijze landschappelijk ingepast en ontstaat er een zachte overgang van het bedrijfsperceel naar het open landschap. Kwaliteitskaart De kwaliteitskaart is voor de provincie Zuid-Holland een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit.
De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen. De kwaliteitskaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De kwaliteitskaart biedt een middel om vroeg in het planproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. Het verbinden van nieuwe ontwikkelingen aan de bestaande gebiedskenmerken vormt hierbij uitgangspunt. Met betrekking tot de kwaliteitskaart is voor
25
het plangebied de laag van de ondergrond, de laag van cultuur- en natuurlandschappen en de laag van de beleving relevant. Laag van de ondergrond De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen. In de Omgevingsvisie heeft de provincie Zuid-Holland de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen vastgelegd op de kwaliteitskaart.
Afbeelding 12: Uitsnede kwaliteitskaart – laag van de ondergrond
Veencomplex - Veen Een groot deel van Zuid-Holland bestaat uit veengronden met een hoge waterstand. Het veen kent een geringe draagkracht. Daarnaast vinden we hier een groot aantal bestaande en voormalige plassen. De voormalige plassen zijn drooggemalen en staan bekend als droogmakerijen. De ondergrond in deze droogmakerijen varieert van venig tot (oude zee)klei. Binnen het veengebied zijn een aantal plekken waar in de ondergrond nog grote veenpakketten aanwezig zijn. Niet alleen zijn deze veenpakketten van bijzondere waarde, ook zijn deze gebieden zeer gevoelig voor bodemdaling. De provincie heeft hiervoor de volgende richtpunt opgenomen: • Ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor behoud van het veen en zijn met name bij de diepe veenpakketten gericht op het beperken van de bodemdaling.
26
Laag van cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied is gelegen in de gebieden ‘veenweidelandschap’ en ‘linten’.
Afbeelding 13: Uitsnede kwaliteitskaart – laag van de cultuur- en natuurlandschappen
Veen(weide)landschap De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik. Het agrarisch gebruik overheerst. Belangrijke kenmerken van het veenweidegebied zijn het contrast tussen (meer verdichte) hooggelegen boezems, linten en bovenlanden en het uitgestrekte, ingeklonken veen (open gebied). Veenstromen, dijken en kades vormen landschappelijke structuurdragers en begrenzen de (open) poldereenheden. Het gebruik richt zich op behoud van de maat van de poldereenheden, het verkavelingspatroon, de beplanting, de kades en dijken en de zichtbaarheid van water in de vorm van sloten, weteringen en boezems. Een duurzaam gebruik en eigenaarschap van het veen(weide)gebied is van belang. Het maken van nieuwe (agrarische) natuurlandschappen met een (extensieve) recreatieve functie behoort daarbij tot de mogelijkheid. In het oosten van de provincie is het veengebied vermengd met oeverwallen en kommen van het rivierenlandschap. In delen is het voor de oeverwallen kenmerkende fruitteelt aanwezig.
De kommen zijn grootschalig met regelmatige (cope)verkaveling, maar gaan al snel over in het veenweidelandschap. Deze overgangen zijn nauwelijks tot niet zichtbaar en staan dan ook niet op kaart.
27
Voor ontwikkelingen in het veen(weide)landschap hanteert de provincie de volgende richtpunten: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders; • Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar. Linten Linten zijn lineaire, aangesloten bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. De provincie heeft voor linten de volgende richtpunten vastgesteld: • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied.
• Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst. • Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. • Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht. Het plan voorziet slechts in de uitbreiding van een agrarische bedrijfsloods met 495 m². De uitbreiding past binnen het profiel en korrel in het lint langs de Gijbelandsedijk en gaat niet dieper het landschap in als de bestaande bebouwing. De uitbreiding valt daarmee binnen de bestaande bebouwingsstructuur. Vanuit het lint wordt de uitbreiding op een logische plek gerealiseerd. De uitbreiding zorgt er niet voor dat het lint zijn eigen gezicht verliest. Ook worden meer dan 500 m² aan verouderde gebouwen gesloopt en wordt een aanzienlijk oppervlakte aan verharding verwijderd. Tevens wordt het plangebied landschappelijk ingepast, zoals door het aanbrengen van knotwilgenrijen langs de watergangen.
Zodoende accentueren en begeleiden de knotwilgen de rechte watergangen die zorgen voor het zo herkenbare rechte verkavelingspatroon.
28
Laag van de beleving Het plangebied is gelegen in het gebied ‘stiltegebieden’.
Afbeelding 14: Uitsnede kwaliteitskaart - laag van de beleving
Stiltegebieden De stiltegebieden zijn de (relatief) luwe gebieden met beperkte verstedelijking, waar het dagelijks geluid de 40 decibel niet overstijgt. Hier vindt men rust en stilte als contrast met het dynamisch stedelijk gebied. De provincie hanteert hiervoor het volgende richtpunt: • In de stiltegebieden is alleen ruimte voor “gebiedseigen” geluid. Het plan voorziet slechts in de uitbreiding van een agrarisch bedrijfsbebouwing om zo een efficiënte bedrijfsvoering te creëren. Daarmee zullen op het terrein minder verkeersbewegingen plaatsvinden, waardoor het plan bijdraagt in het stiller maken van het stiltegebied. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie.
29
Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9). Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: ▪ zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; c.
Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: ▪ Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen twee uitgangspunten: • Een kleinschalige ontwikkeling heeft in beginsel minder ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten dan een grootschalige ontwikkeling en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid; • Hoe hoger en specifieker de kwaliteit van een gebied is, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. In dit licht kan het plan kan worden geschaard in de categorie ‘inpassen’. Het betreft een ontwikkeling die aansluit bij de bestaande identiteit en structuurniveau.
Er wordt een bedrijfsgebouw uitgebreid op een bestaand agrarisch bedrijfsperceel. Het agrarisch bedrijf is gevestigd aan een lint waar meerdere agrarische bedrijven zijn gevestigd. Stiltegebied In §3.4.3 zijn in de Omgevingsverordening regels opgenomen voor stiltegebieden. Eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten in een stiltegebied de rust op significante wijze kan worden verstoord, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten, behoudens voor zover dat ingevolge deze verordening uitdrukkelijk is toegestaan, dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die verstoring te voorkomen of te 30
beperken. Zodoende zijn bijvoorbeeld toertochten voor motorrijtuigen, waterscooters en snelle motorboten verboden, alsook motorrijtuig buiten de openbare weg of voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen. Het verbod geldt echter niet voor het gebruik van motorrijtuigen die verband houden met de uitoefening van onder andere landbouw. De uitbreiding van het agrarische bedrijfsgebouw heeft tot doel om een efficiëntere bedrijfsvoering te creëren. Er zullen dus geen extra voertuigbewegingen en daarmee extra geluidproductie plaatsvinden. Daarnaast kan gesteld worden dat de stalling en onderhoud van alle werktuigen inpandig plaatsvinden en daardoor de geluidproductie wordt verminderd. Daarnaast houdt het bedrijf verband met de landbouw. Buitengebied Volgens artikel 6.9a kan een bestemmingsplan voor een locatie in het buitengebied alleen voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig worden aangetast. Het plangebied is gelegen in de lintbebouwing langs de Gijbelandsedijk, ingeklemd tussen de kernen Molenaarsgraaf en Bleskensgraaf met daarachter gelegen het open polderlandschap. De lintbebouwing concentreert zich aan de Gijbelandsedijk en wordt veelal begrensd door de achtergelegen wetering. De lintbebouwing is gevormd door een langgerekte strook van min of meer samengegroeide gemengde bebouwing.
De bebouwing kenmerkt zich door een afwisseling van (grotere) boerderijen en (kleinere) arbeiders/knechtenhuisjes. Hier en daar is de oude bebouwing vervangen door nieuwbouw en hebben de bestaande boerderijen hun agrarische functie verloren en zijn volledig in gebruik als woonfunctie. De verkavelingsrichting van het landschap is haaks op de Graafstroom gericht. Ondanks dat de bebouwing zich heeft geconcentreerd aan de Gijbelandsedijk, is hier en daar voorbij de wetering gebouwd. Voorbij de wetering wordt het gebied gekenmerkt door het archetypisch polderlandschap. Het landschap kenmerkt zich door openheid, hier kan men nog ver van zich afkijken. Het heeft een sterk agrarische identiteit en het landschap wordt met name gevormd door de rechte verkaveling met daaraan parallel de watergangen en haaks daarop de weteringen. Het landschap is ontstaan door het eeuwenlang afsterven van beplanting, waardoor er een dikke veenlaag ontstond. Bij de ontginning van het gebied werd er een systeem ontwikkeld om het water af te laten voeren. Het systeem bestond (en bestaat) uit een stelsel van sloten, weteringen en veenriviertjes, waarbij het overtollige water uiteindelijk op de rivier werd geloosd. Door inklinking van de veenbodem en de hoger wordende waterstanden in de rivier werkte het systeem van natuurlijke afwatering niet meer.
De mens zag zich genoodzaakt om het systeem te verbeteren door kades, dijken, boezemwateren, molens, sluizen en gemalen op te richten. Langzamerhand is zo het landschap ontstaan zoals we die nu kennen: lange rechte kavels met parallel daaraan de watergangen en haaks op de verkaveling de weteringen, waarbij het open veenlandschap wordt begrensd door dijken en kades.
31
Afbeelding 15: Kenmerken plangebied en landschap in de omgeving
De uitbreiding vindt plaats binnen de ‘bebouwde zone’ voor de wetering. Daarmee tast het plan de openheid van de polder niet aan, er wordt niet voorbij (het verlengde van) de wetering gebouwd. Verder wordt met het plan een aanzienlijk oppervlak aan verharding verwijderd, ook voorbij het verlengde van de wetering. Daarmee wordt het groene karakter van het landschap weer teruggebracht. Daarnaast wordt met de aanplant van streekeigen beplanting het groene karakter van het landschap versterkt en wordt gezorgd voor een zachtere overgang van landschap naar bebouwde omgeving. Stedelijke ontwikkelingen In artikel 6.10 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a) De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b) Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Het plan betreft vanuit jurisprudentie geen stedelijke ontwikkeling.
De ladder voor duurzame verstedelijking is daarmee niet van toepassing.
32
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Toekomstvisie Molenlanden 2030 Op 28 september 2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Molenlanden unaniem de Toekomstvisie Molenlanden 2030 vastgesteld. Op zes onderwerpen beschrijft de visie de landelijke en lokale trends en de wensen van de gemeente. Deze trends die de gemeente ziet, gebruikt de gemeente om de wensen mogelijk te maken. Per onderwerp schetst de gemeente het beeld voor het jaar 2030. Deze zes beelden samen bepalen het integrale beeld voor wat de gemeente in 2030 wil zijn. De zes beelden gaan in op de volgende aspecten: 1. Inclusieve samenleving 2. Leefomgeving 3. Economie 4. Recreatie & Toerisme 5. Klimaat & Energie 6. Bereikbaarheid In de Toekomstvisie 2030 is opgenomen dat de gemeente een voldoende (kwalitatief) aanbod van bedrijventerreinen wenst. Er is ruimte voor vestiging of de uitbreiding van bedrijven om zo werkgelegenheid in het gebied te behouden en te stimuleren. Met de uitbreiding van het agrarische bedrijfsgebouw ontstaat voor het lokale bedrijf aan de Gijbelandsedijk een efficiëntere en daarmee een toekomstbestendige situatie. Daardoor kan het bedrijf zijn activiteiten continueren en werk blijven bieden aan werknemers.
De uitbreiding voorziet overigens niet in de uitbreiding van het bedrijf zelf, maar slechts in de uitbreiding van de inpandige ruimte om de stalling en onderhoud van de werktuigen binnen te kunnen laten plaatsvinden. Daarnaast wil de gemeente vasthouden aan lokale ondernemers die in de ecosystemen van de dorpen en vestingstad passen. Het gaat daarbij met name om ondernemingen met vooral een agrarisch profiel. Ook de kracht van diversiteit in onze regio wordt hiermee onderstreept. Met het plan wordt een toekomstbestendige agrarische bedrijfssituatie gecreëerd, hetgeen passend is binnen het profiel van Molenlanden. Het betreft een lokaal gebonden bedrijf waarbij de overgrote meerderheid van de klanten (agrariërs) uit de Alblasserwaard komen. Ook de werknemers van het bedrijf komen veelal uit Molenlanden, waardoor het wenselijk is om het bedrijf te behouden. Verder wordt een aanzienlijke hoeveelheid verharding verwijderd, waardoor het groene karakter van het landschap wordt teruggebracht. Dit wordt versterkt door streekeigen beplanting toe te voegen, om zo de overgang van het bedrijfsperceel naar het landschap te verzachten en de landschappelijke kwaliteit te versterken. 3.4.2 Parapluherziening Parkeren Op 29 november 2014 is de Reparatiewet BZK 2014 in werking getreden.
Hierdoor zijn de stedenbouwkundige bepalingen – waaronder de parkeernormbepaling – uit de Bouwverordening komen te vervallen. Als gevolg hiervan hebben deze bepalingen geen aanvullende werking meer op bestemmingsplannen, zodat bij het verlenen van
33
een omgevingsvergunning niet meer op basis van de Bouwverordening aan gemeentelijke parkeernormen kan worden getoetst. Voldoende parkeervoorzieningen is een belangrijke voorwaarde voor bijna elke ruimtelijke ontwikkeling. De gemeente Molenlanden wenst dan ook over de mogelijkheid te beschikken tot het stellen van eisen aan het parkeren. Middels het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’ bezit de gemeente een eenduidige regeling, zodat bij ruimtelijke ontwikkelingen voorwaarden kunnen worden gesteld ten aanzien van het aspect parkeren. De parkeerregeling in het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’ is overgenomen in dit bestemmingsplan. 3.4.3 Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten In oude bestemmingsplannen waren te weinig sturingsmogelijkheden om huisvesting van arbeidsmigranten binnen de bestemmingen ‘wonen’, ‘woongebied’, ‘centrum’ of ‘gemengd’ te kunnen reguleren. In veel oude bestemmingsplannen waren bijvoorbeeld geen begripsdefinitie opgenomen inzake ‘wonen’ en daarmee was het langdurige verblijf van een ongelimiteerd aantal arbeidsmigranten per woning toegestaan. Dit past niet binnen het doel van de gemeente Molenlanden om te voorzien in passende en kwalitatieve goede huisvesting op de juiste plek, waarbij tevens een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden kan worden gewaarborgd.
Met het paraplubestemmingsplan is onder andere een nieuwe begripsdefinitie gekomen van ‘het wonen’, waardoor het niet meer mogelijk is om met meer dan één huishouden te verblijven in een woning. Huisvesting van arbeidsmigranten voor de shortstay (logies) en midstay is uitsluitend toegestaan door een vergunning aan te vragen die voldoet aan de eisen uit de Beleidsnotitie Arbeidsmigranten. De regeling en begrippen die zijn opgenomen in het paraplubestemmingsplan ‘Huisvesting Arbeidsmigranten’ zijn overgenomen in dit bestemmingsplan.
34
4
Verantwoording sectorale aspecten
4.1 Milieueffectrapportage Beleidskader In de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Aan de hand van voornoemd plan voor de uitbreiding van een bestaande agrarische bedrijfsloods aan de Gijbelandsedijk 1a zal de vraag beantwoord worden of een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. De uitbreiding van het bedrijfsvloeroppervlakte wordt genoemd in onderdeel D11.2 in de bijlage bij het Besluit m.e.r. Gezien de kleinschaligheid is er geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. Bij deze ontwikkeling, onder de grenswaarden van 200.000 m2 waarvoor een direct m.e.r-plicht geldt, geldt wel de vergewisplicht. Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden.
Kenmerken van het plan Het plan maakt het mogelijk om aan de oostzijde van de bestaande loods een uitbreiding van 495 m² te realiseren. Daarnaast worden er enkele schuren en mestplaat gesloopt (per saldo circa 543 m²) en een aanzienlijke oppervlak aan verharding opgeruimd (circa 1.469 m²). Daarnaast maakt het plan verdere uitbreiding van het bedrijfsvloeroppervlak niet mogelijk en wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Met de uitbreiding van de loods ontstaat er een efficiënte bedrijfssituatie. De uitbreiding heeft niet het doel om de bedrijfsactiviteiten toe te laten nemen, de uitbreiding is slechts bedoelt om meer stallingsruimte te creëren voor de huidige werktuigen en een werkplaats te bouwen voor het onderhoud aan de werktuigen. Binnen de regels van dit bestemmingsplan zijn bedrijfsgebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan. Het bouwvlak is strak om de bestaande loods en de beoogde uitbreiding van 495 m² gelegd, verdere uitbreiding is daardoor niet mogelijk. Omdat het plan uitsluitend voorziet in het realiseren van een efficiëntere bedrijfsvoering, zullen het aantal verkeersbewegingen ook niet toenemen. De bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning. Op dit perceel is er geen sprake van productie van afvalstoffen, anders dan regulier huishoudelijk afval.