CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan Brandwijk, Brandwijksedijk 22

Raadsvergadering 26 januari 2021, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Brandwijksedijk 22, Brandwijk15.601 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

31

6.4 Gemeentelijk beleid 6.4.1 Structuurvisie Graafstroom Op 29 maart 2011 heeft de voormalige gemeente Graafstroom de ‘Structuurvisie Graafstroom’ vastgesteld. Met de structuurvisie wil de gemeente een strategische stap zetten naar een vitale gemeente waar het goed wonen, werken en leven is voor jong en oud. De gemeente heeft als motto om ook in de toekomst ‘prettig samen te leven in een groene oase van rust en ruimte’. De visie is vooral gericht op het behoud van het bestaande. Het karakteristieke landschap, de cultuurhistorisch waardevolle elementen, het relatief grote voorzieningenaanbod dat zo kenmerkend is voor de gemeente en de dynamiek in de kernen en linten. Wat betreft dorpsontwikkeling wordt ingezet op het behoud van de dynamiek in de kernen en linten. Het afwisselende karakter van kleinschalige bedrijvigheid, agrarisch gebruik en woningbouw zorgt dat het gebied dynamisch blijft. Doordat ondernemingen, woningen en voorzieningen elkaar in een snel tempo afwisselen, ontstaat net als in het buitengebied, een mozaïek aan activiteiten die een meerwaarde betekent voor de ruimtelijke structuur en de beleving van het gebied. Het onderhavige plan betreft een kleinschalige ontwikkeling bestaande uit het toevoegen van één wooneenheid. Middels het onderhavige plan kan de in slechte bouwkundige staat zijnde pastoriewoning gesloopt worden.

Hierdoor kan het perceel Brandwijksedijk 22 te Brandwijk in een representatieve staat teruggebracht worden, passend bij de karakteristieken van de cultuurhistorische lintbebouwing langs de Brandwijksedijk. Tevens wordt met het plan stedenbouwkundig gezien aangesloten bij de ontwikkeling aan de andere zijde van de Brandwijksedijk, waar twee vrijstaande woningen en een twee-onder-een-kapper wordt gerealiseerd. Het plan is hiermee in overeenstemming met de Structuurvisie Graafstroom. 6.4.2 Toekomstvisie Molenwaard De Toekomstvisie Molenwaard geeft aan dat de gemeente plaats biedt aan mensen en bedrijven die hier wonen en werken en die hier willen blijven en mensen en bedrijven die een binding hebben met de gemeente. De gemeente wil zijn bedrijven begeleiden in hun ontwikkeling. Dit vraagt om maatwerk en veelal heel praktische oplossingen. Om de doelen in de visie te realiseren moet worden samengewerkt met bedrijven/ondernemers. Het onderhavige plan betreft de toevoeging van slechts één woning. Het plan zorgt voor een kwalitatieve verbetering van de woningvoorraad van de gemeente Molenlanden. 6.4.3 MeerjarenPerspectief Wonen In 2017 heeft de voormalige gemeente Molenwaard de herijking van het MeerjarenPerspectief Wonen (MPW) vastgesteld. Het MPW stelt de vraag centraal, de woningbehoefte is richtinggevend voor het aantal te bouwen woningen per kern.

Doelgroepen waar het MPW zich op richt zijn mensen die er al wonen en die willen blijven, mensen die een binding hebben met de gemeente, starters, doorstromers en senioren. Uitgangspunt is de regionale woonvisie.

32

Het MeerjarenPerspectief Wonen beschouwt Molenaarsgraaf/Brandwijk als een kern. Het is in lokaal perspectief opgenomen als voorzieningenkern. Het aantal plannen in de kern is niet voldoende om te kunnen voorzien in de woningbehoefte in de kern. Daarvoor worden plannen gemaakt voor een planmatige uitbreiding van het dorp, maar zover is het voorlopig nog niet. Het bouwen van woningen is dan ook wenselijk. In Molenaarsgraaf/Brandwijk is behoefte aan alle typen woningen. Het onderhavige plan betreft de toevoeging van één woning binnen de kern van Brandwijk en draagt daarmee bij aan het komen tot voldoende woningen. Het onderhavige plan past daarmee binnen het lokale woonbeleid. 6.4.4 Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’, dat door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Graafstroom is vastgesteld op 25 januari 2010. Het perceel Brandwijksedijk 22 te Brandwijk heeft de enkelbestemming: • Wonen. Zonder dubbelbestemmingen. En de aanduidingen: • Bouwvlak; • Functieaanduiding ‘archeologische waarden’; • Gebiedsaanduiding ‘milieuzone – stiltegebied’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone aanlegvergunning gevoelige bodem’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone aanlegvergunning overgangsgebied’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone wijzigingsgebied dorpslint’;

Afbeelding 10: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’

Het voorgenomen plan is strijdig met het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’, vastgesteld op 25 januari 2010 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Graafstroom. Het perceel is voorzien van een woonbestemming met een bouwvlak. Binnen het bouwvlak is maximaal één woning toegestaan, waardoor het realiseren van twee woningen op het perceel juridisch33

planologisch niet is toegestaan. Hierom wordt een bestemmingsplanprocedure gevolgd.

6.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • Er is sprake van strijdigheid met het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’; • Vanuit jurisprudentie in dit geval geen sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' en is toetsing aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' niet van toepassing; • Het onderhavige plan zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; • Het onderhavige plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders.

34

7

Verantwoording sectorale aspecten

7.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Voor de beantwoording van de vraag of er een m.e.r.-(beoordelings)plicht bestaat voor de ruimtelijke ontwikkeling is allereerst het bepaalde in het Besluit m.e.r. van belang. De verplichting tot het opstellen van een m.e.r. is opgenomen in artikel 7.2 Wm. Dit artikel vormt een omzetting van de EG-m.e.r-richtlijnen. Voor de beantwoording van de vraag of voor een concreet plan een m.e.r. dient te worden doorlopen, dient primair te worden beoordeeld of de activiteit valt binnen de onderdelen C en D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Onderdeel C geeft aan wanneer sprake is van een m.e.r.-plicht. Een onderscheid dient te worden gemaakt tussen een plan-m.e.r. (kolom 3 van onderdeel C) en een besluit-m.e.r (kolom 4 van onderdeel C).

Onderdeel D geeft de activiteiten en gevallen aan waarin sprake is van een m.e.r.- beoordelingsplicht (dan moet worden nagegaan of er al dan niet sprake is van significante milieugevolgen en als deze aan de orde zijn dient een m.e.r. plaats te vinden). Voor het onderhavige plan kan gesteld worden dat geen directe m.e.r.-plicht vanuit de Wm en vanuit het besluit m.e.r. geldt op grond van Bijlage C. De activiteiten / bouw welke middels onderhavig bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt valt binnen de in de bijlage D bij het Besluit m.e.r. (D11.2). Het onderhavige plan maakt het mogelijk om één wooneenheid toe te voegen op het perceel Brandwijksedijk 22. De planontwikkeling is hiermee zeer kleinschalig van aard en omvang, waardoor geen drempels/grenswaarden uit het Besluit milieueffectrapportage worden overschreden en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Kenmerken van het plan Het onderhavige plan maakt het juridisch-planologisch mogelijk om één wooneenheid toe te voegen. Onderhavige ontwikkeling is hiermee kleinschalig van aard. Er zullen geen productiewerkzaamheden plaatsvinden. Er is geen sprake van productie van afvalstoffen, anders dan regulier huishoudelijk afval. Behoudens de standaard toegestane aan-huis-gebonden beroepen/bedrijven zullen er geen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden.

35

Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000-gebieden, belangrijk Weidevogelgebied of het Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied is op een afstand gelegen van 2,0 km tot het Natura2000-gebied, 1,3 km tot het Natuurnetwerk Nederland en circa 10 meter tot een belangrijk Weidevogelgebied.

1,3 km

10 m

2,0 km

Afbeelding 11: Afstand plangebied t.o.v. natuurgebieden

Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen. Gezien de kleinschaligheid van het plan zullen geen van de toenames leiden tot significante negatieve effecten op het milieu. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaatsgevonden van diverse milieuaspecten. In de volgende hoofdstukken zijn de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Hieruit blijkt dat er door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen sprake is van nadelige milieueffecten. Conclusie Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling, het plangebied geen deel uitmaakt van beschermde gebieden of locaties en geen sprake is van (een significante toename van) het aantal verkeersbewegingen, etc. kan – met inachtneming van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, redelijkerwijs worden verwacht dat er geen sprake is van ernstige milieugevolgen gerelateerd aan de ruimtelijke ontwikkeling en kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. kan worden volstaan met een onderbouwing van de diverse milieuaspecten in de volgende hoofdstukken. De initiatiefnemer dient het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningsaanvraag te voegen.

36

7.2 Watertoets Beleidskader In het onderhavige plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Gemeentelijk beleid Vanuit onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), is bepaald dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld moet worden. Om aan deze eis te kunnen voldoen hebben de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en het waterschap Rivierenland de handen ineengeslagen en het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom opgesteld. In dit waterplan is aangegeven welke doelen men wenst te bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom. De doelen uit het beleidsplan zijn uitgewerkt in vier aspecten: • Afkoppelen, meer ruimte voor water creëren en diffuse bronnen aanpakken (duurzaam onkruidbeheer, duurzaam bouwen); • Belevingswaarde; • Samenwerking; • Beheer en onderhoud.

Het beleidsplan moet de gemeenten helpen om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 door optimalisering van het huidige systeem. De gemeenten en het waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem. Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen.

Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen.

37

Verordening ‘de Keur’ Het waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de Keur is geregeld dat langs A- en Bwatergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Voor een A- en een B-watergang gelden in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een beschermingszone van 5 en 1 meter. Werkzaamheden binnen deze beschermingszones zijn vergunnings- en/of meldingsplichting.

Afbeelding 12: Uitsnede legger wateren

In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere watergangen gelegen. De bouw- en sloopwerkzaamheden vinden buiten de beschermingszones van de watergangen plaats. Een melding of het aanvragen van een watervergunning voor de sloop- en bouwwerkzaamheden is hiermee niet noodzakelijk. Onderzoek Voor het onderhavige plan is de digitale watertoets doorlopen (dossiercode 20190916-9-21406). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied NDW010. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -2,07 meter NAP en een winterpeil van –2,17 38

meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.

Plangebied

Afbeelding 13: Uitsnede peilgebiedenkaart

Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren. In het landelijk en stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2 respectievelijk 500 m2.

39

Tabel 1: Oppervlaktebalans verharding Bestaande situatie Burgerwoning Bijgebouw Grind (halfverharding = 50%)

Oppervlakte 142 m2 30 m² 188 m²

Totaal bestaande situatie

360 m2

Nieuwe situatie Woning 1 + 75 m² bijgebouwen Woning 2 + 75 m² bijgebouwen Erfverharding (250 m² per perceel)

171 m² 171 m² 500 m²

Totaal nieuwe situatie

842 m2 Verschil

482 m² toename

Het onderhavige plan resulteert in een toename aan verharding van 482 m2. Op basis hiervan zijn watercompenserende maatregelen noodzakelijk. De initiatiefnemer zal echter gebruik maken van de eenmalige particuliere vrijstelling, waardoor watercompensatie niet gerealiseerd hoeft te worden. De afdeling Vergunningen van het waterschap zal nagaan of de vrijstelling niet eerder is gebruikt door de initiatiefnemer. Indien de initiatiefnemer de vrijstelling eerder heeft gebruikt, dient een watercompensatie van 21,12 m³ (482 × 0,0436) plaatsvinden. Rekening houdend met een peilstijging van 0,2 meter geldt een watercompensatieoppervlak van 105,56 m². De compensatie dient binnen het peilgebied van het plangebied gerealiseerd te worden (of dient een nadere locatie te worden bepaald in overleg met het waterschap). Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het wetenschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.

Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon

40

hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland nog wel mogelijk blijven. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De twee nieuwe woningen zullen aangesloten worden op het gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het waterschap. Waterkering Het plangebied is niet gelegen in de kern- en/of (buiten)beschermingszone van een waterkering. Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het Waterschap Rivierenland verantwoordelijk voor het beheer van de wegen in de Alblasserwaard, waaronder de Brandwijksedijk. Het plangebied heeft thans een enkele in- en uitrit op de Brandwijksedijk. Indien middels het onderhavige plan de enkele in- en uitrit wordt gewijzigd dient een watervergunning aangevraagd te worden bij het waterschap Rivierenland. Conclusie Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

41

7.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige objecten en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. De Wgh stelt dat alle wegen een geluidszone hebben, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-wegen. Conform artikel 74 lid 2 van de Wgh hoeft geen akoestisch onderzoek te worden verricht voor 30 km/h wegen. De wettelijke voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige objecten binnen de geluidszone van wegen bedraagt 48 dB, de maximaal te ontheffen geluidsbelasting bedraagt 53 dB in landelijk gebied en 63 dB in stedelijk gebied. Onderzoek Het plangebied ligt binnen de invloedsfeer van de Brandwijksedijk en de Kerkweg. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, waardoor deze bronnen buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Het onderhavige plan betreft de realisatie van twee nieuwe wooneenheden.

In het kader van de Wgh is hiermee sprake van het toevoegen van nieuwe geluidsgevoelige objecten en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd door Adromi. De conclusies uit dit onderzoek luiden: •

•

•

•

‘Brandwijksedijk (maximumsnelheid 60 km/uur) De geluidbelasting (incl. aftrek Wgh) vanwege deze weg op de beoogde nieuwbouwwoningen bedraagt ten hoogste 45 dB. Het vaststellen van een hogere waarde vanwege deze weg is derhalve niet noodzakelijk. Kerkweg (maximumsnelheid 60 km/uur) De geluidbelasting (incl. aftrek Wgh) vanwege deze weg op de beoogde nieuwbouwwoningen bedraagt ten hoogste 28 dB. Het vaststellen van een hogere waarde vanwege deze weg is derhalve niet noodzakelijk. Brandwijksedijk (maximumsnelheid 30 km/uur) De geluidbelasting vanwege deze weg op de beoogde nieuwbouwwoningen bedraagt ten hoogste 50 dB (exclusief aftrek Wgh) en ten hoogste 45 dB (inclusief aftrek overeenkomstig Wgh). Omdat deze weg geen gezoneerde bron betreft, is het vaststellen van een hogere waarde sowieso niet noodzakelijk. Kerkweg (maximumsnelheid 30 km/uur) De geluidbelasting vanwege deze weg op de beoogde nieuwbouwwoningen bedraagt ten hoogste 34 dB (exclusief aftrek Wgh) en ten hoogste 29 dB (inclusief aftrek overeenkomstig Wgh). Omdat deze weg geen gezoneerde bron betreft, is het vaststellen van een hogere waarde sowieso niet noodzakelijk. 42

•

Gecumuleerde geluidbelasting vanwege alle beschouwde wegen op het bouwplan De gecumuleerde geluidbelasting vanwege alle beschouwde wegen op de beoogde nieuwbouwwoningen bedraagt ten hoogste 52 dB (exclusief aftrek Wgh).

Geen hogere waarde noodzakelijk Het aanvragen van hogere waarden is niet noodzakelijk. Dit enerzijds omdat de berekende geluidbelasting (incl. aftrek Wgh) per individuele weg niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en anderzijds omdat diverse wegen geen gezoneerde geluidbronnen betreffen. Binnenwaarde De maximaal toelaatbare binnenwaarde voor wegverkeerlawaai bedraagt 33 dB. De hoogst berekende geluidbelasting vanwege de bij het onderzoek betrokken wegen is maximaal 52 dB (excl. aftrek Wgh). Hieruit volgt dat deze maximale binnenwaarde haalbaar is met een gevelwering van 19 dB (52 – 19 = 33 dB). Hiermee wordt derhalve voldaan aan de minimale eis van 20 dB volgens het Bouwbesluit. Resultaat Het aspect geluid (wegverkeerslawaai) staat de realisatie van het bouwplan dan ook niet in de weg.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.

43

7.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit Luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit Luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. Tabel 2: Grenswaarden Stof Toetsing van Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 µg/m3

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3

Voor roet gelden thans nog geen grenswaarden. Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2018 het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie van 16 – 18 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 18 – 19 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 11 – 12 µg PM2,5/m3. Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de Grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.

44

Conclusie Het onderhavige plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

45

7.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader Bij realisering van nieuwe hindergevoelige functies (bedrijf) dient te worden onderzocht of er zich in de omgeving hindergevoelige objecten bevinden die hinder kunnen ondervinden. Uitgangspunt daarbij is dat er ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Voor een goede ruimtelijke ordening wordt in het algemeen gebruik gemaakt van het VNG-Handboek Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009). Deze publicatie is bedoeld voor het ruimtelijk scheiden van bedrijven in relatie tot woningen en omgekeerd, zodat in geen van beide situaties een belemmering voor één van beiden optreedt. In de publicatie staan richtafstanden vermeld voor geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Het is wel aan te bevelen eventuele afwijkingen te benoemen en te motiveren. Onderzoek Het onderhavige plan betreft de realisatie van twee wooneenheden.

Hiermee is sprake van het wijzigen van milieugevoelige objecten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele belemmeringen in de bedrijfsvoering van omliggende relevante bedrijven als gevolg van het onderhavige plan. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Ter plaatse van het onderhavige plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Naast woningen zijn andere functies als agrarische en kleinschalige bedrijvigheid aanwezig. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar worden gerechtvaardigd. De richtafstanden voor de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied mogen één afstandstrap worden verlaagd. In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende relevante bedrijven gevestigd. Tabel 3: Omliggende bedrijven Adres Functie Brandwijksedijk 14a Kerkweg 5 Brandwijksedijk 19 Brandwijksedijk 24

Autogarage Winkel Religiegebouw Agrarisch bedrijf

Milieucat. 3.1 1 2 3.2

Zwaarste richtafstand 30 meter 0 meter 10 meter 50 meter

Werkelijke afstand 107 meter 78 meter 14 meter 80 meter

46

Brandw.dijk 24: 80 meter Brandw.dijk 19: 14 meter

Brandw.dijk 14a: 107 meter Kerkweg 5: 78 meter

Afbeelding 14: Afstanden omliggende bedrijven t.o.v. plangebied

Op basis van de toetsing kan worden geconcludeerd dat voldaan wordt aan de gestelde richtafstanden. Gesteld kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en omliggende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.

47

7.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij de invloed van de externe veiligheid wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico’s door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico’s door stationaire (inrichtingsgebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico’s door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de wet milieubeheer. Naast het plaatsgebonden risico wordt ook gekeken naar het groepsrisico. De normen worden weergegeven door middel van risicocontouren. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken en LPG-tankstations. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij huizen, ziekenhuizen, scholen of winkels.

Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Het besluit is, op enkele onderdelen na, op 27 oktober 2004 in werking getreden. Nieuwe kwetsbare objecten mogen niet worden gerealiseerd in gebieden waar sprake is van een plaatsgebonden risico van meer dan 10-6 per jaar. Voor het PR geldt als norm dat dit kleiner dan 10-6 per jaar moet zijn. De kans per jaar dat één persoon, die op een bepaalde plaats verblijft, komt te overlijden door een ongeval van het vervoer van gevaarlijke stoffen moet kleiner zijn dan 1 op 1 miljoen. Ook het vaststellen van een bestemmingsplan geldt als een nieuwe situatie, waarbij voldaan moet worden aan de eisen uit het Bevi. Concreet betekent dit dat kwetsbare objecten binnen de 10-6 per jaar contour niet zijn toegestaan. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden toegestaan. Wanneer zich binnen de 10-6 per jaar contour kwetsbare objecten kan een bestemmingsplan worden vastgesteld mits er zodanige voorschriften aan het besluit zijn verbonden dan wel er een traject van wijziging van de milieuvergunning is ingezet, zodat binnen 3 jaar na vaststelling van het besluit voldaan wordt aan de grenswaarde (artikel 8 lid 3 Bevi).

Wel dient in de tussentijd voldaan te worden aan de grenswaarde van 10-5 per jaar. Naast Bevi-inrichtingen zijn er ook inrichting die niet onder het Bevi vallen, maar waar wel opslag van risicovolle stoffen plaatsvindt. Regulering van de risicoaspecten die samenhangen met de opslag van deze stoffen vindt plaats middels het Activiteitenbesluit dan wel de WM vergunning. Een belangrijke richtlijn voor opslag en gebruik vormen de zogenaamde PGS richtlijnen. De PGS richtlijnen beschrijven de eisen voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu kan worden bereikt.

48

Onderzoek Invloed van stationaire bronnen Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvinden en/of inrichtingen waar werkzaamheden met gevaarlijke stoffen plaatsvinden die een bedreiging kunnen vormen voor het onderhavige plan.

Plangebied

Afbeelding 15: Uitsnede Risicokaart

Invloed transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. In en om het plangebied zijn geen van dergelijke buisleidingen aanwezig. Invloed transport gevaarlijke stoffen via– transportroutes Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen wegen, spoorwegen en vaarwegen gelegen waarvan bekend is dat daarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen is niet uit te sluiten, maar deze vallen tevens buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat. 49

7.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Wel is op het perceel een drukriolering gelegen. Het plan is voorgelegd aan de afdeling Buitenruimte van de gemeente: ‘De drukriolering dient minimaal 1,5 m vrij te blijven van de bebouwing. Dit dient door middel van proefsleuven aangetoond te worden. Indien op een afstand minder dan 1,5 m van de drukriolering wordt gebouwd, dient de riolering te worden omgelegd (inclusief de voedingskabels). De riolering van de twee woningen worden aangesloten op de oostelijk gelegen rioolput. Indien blijkt dat dit niet realiseerbaar is, dient een extra pompput geplaatst te worden. Verder wordt geadviseerd om de westelijke woning te voorzien van een ZRO. De kosten voor het aansluiten van de twee woningen, het eventueel omleggen van de riolering, het realiseren van een extra pompput en een ZRO zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Graag ontvangt de gemeente ingemeten leidingen en de latere gemaakte huisaansluitingen op een revisietekening.’

Afbeelding 16: Uitsnede kaart riolering

50

De rivisietekening wordt als voorwaarde opgenomen bij de omgevingsvergunningaanvraag. Er wordt geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

51

7.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het onderhavige plan betreft de sanering van de pastoriewoning en de realisatie van twee vrijstaande woningen. Hiermee is sprake van werkzaamheden die in het kader van ecologie bedreigend kunnen zijn voor verblijfplaatsen van beschermde plant- en diersoorten. Om de gevolgen hiervan in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. De conclusies van het onderzoek luiden: ‘Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de huismus en vleermuis. Verder kan de planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied zijn voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming.

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.

52

•

De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 2 km ligt het Natura 2000-gebied ‘De Donkse Laagten’. Op een afstand van 1,3 km km ligt het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 10 m ligt het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied. Op een afstand van 5,3 km ligt het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’. Ondanks dat de planlocatie enkel door een weg gescheiden wordt van belangrijk weidevogelgebied zal dit geen effecten hebben.’

Afbeelding 17: Afstand plangebied t.o.v. Natura2000-gebied

53

Afbeelding 18: Afstand plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Afbeelding 19: Afstand plangebied tot Belangrijk weidevogelgebied

54

Afbeelding 20: Afstand plangebied tot Strategisch reservering natuur

Stikstofdepositie Om te beoordelen of een stikstofdepositieonderzoek noodzakelijk wordt geacht, is gebruik gemaakt van het Stroomschema beoordeling WABO-aanvragen bouw i.v.m. stikstofdepositie van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ). Het onderhavige plan voorziet in het toevoegen van één woning. Voor woningbouwprojecten van één woning groot en een minimale afstand van 1000 meter in het stedelijk gebied hoeft in de ruimtelijke procedure geen rekening te worden gehouden met stikstof. Derhalve is een stikstofdepositieonderzoek achterwege gelaten. Conclusie Voor het onderhavige plan dient een aanvullend onderzoek naar huismus en vleermuis plaats te vinden alvorens wordt begonnen met de sloopwerkzaamheden. Het aanvullend onderzoek wordt als voorwaarde opgenomen bij de vergunningaanvraag. In het kader van de Algemene Zorgplicht dienen de te treffen maatregelen genomen te worden. Verder kan gesteld worden dat een stikstofdepositieonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht en derhalve achterwege kan blijven.

55

7.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik is een verkennend bodemonderzoek incl. asbestonderzoek uitgevoerd door Bakker Milieuadviezen. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘Op basis van het hierboven beschreven bodemonderzoek kan voor het onderzochte terrein het volgende worden geconcludeerd: • De bovengrond op het westelijke perceelsdeel bevat licht verhoogde gehalten aan diverse metalen; • Het bovengrondmengmonster betreffende het noordelijke perceelsdeel bevat licht verhoogde gehalten aan diverse metalen, echter het loodgehalte is hier matig verhoogd.

Dit geldt evenzo voor het zuidelijke/oostelijke terreindeel; Naar aanleiding hiervan zijn de betreffende deelmonsters apart op lood onderzocht en hieruit blijkt dat 3 monsters sterk verhoogde loodgehalten bevatten. Deze 3 monsters (9, 10 en 12) bevinden zich alledrie op het noordoostelijke perceelsdeel. Rondom deze 3 punten is een interventiewaardecontourlijn aangegeven (zie bijlage 2) en hieruit blijkt dat over een oppervlakte van cira 25 * 7 meter de toplaag sterk verontreinigd is met lood. Dit komt dan neer op circa 90 m3 sterk verontreinigde grond, hetgeen betekent dat op het terrein sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Naast deze 100 m3 sterk verontreinigde grond is een groot deel van de overige bovengrond matig verontreinigd • De venige ondergrond bevat alleen een licht verhoogd gehalte aan molybdeen; • In een separaat door Adcim BV uitgevoerd asbestonderzoek blijkt dat zowel in de halfverhardingslaag op het voorterrein/erf als de bovengrond in de tuin geen asbest is aangetroffen; • In de bovengrond zijn gehalten aan PFOA (5.5 ug) en PFOS (1.2 ug) aangetroffen die redelijk overeenkomen met de verwachtingswaarde volgens de zonekaart van de OZHZ; • In het grondwater zijn naftaleen, koper en barium in licht verhoogde gehalten aangetroffen. Dit heeft geen consequenties.

Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit in zoverre een belemmering voor de voorgenomen bouw van een woning dat de bovengrond op het terrein gesaneerd dient te worden tot het niveau van Klasse Wonen. Voor dit perceel betekent dat bijna het gehele oppervlak tenminste 0.5 m ontgraven dient te worden. 56

Eventueel kan overwogen worden om voor sommige aaneengesloten, te verharden terreindelen de isolatievariant toe te passen, ofwel om de verontreinigde grond eeuwigdurend af te dekken met een gesloten verhardingslaag. Vermoedelijk is isoleren van de verontreiniging met 1 meter schone grond niet mogelijk.’ Conclusie De verontreiniging op het perceel dient gesaneerd te worden. In overleg met de Omgevingsdienst wordt de wijze van saneren nader bepaald.

57

7.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.

Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Molenlanden is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een zeer hoge verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd (paars). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 30 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk

58

Plangebied

Afbeelding 21: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Het onderhavige plan voorziet in ingrepen groter dan 30 m². Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is hiermee noodzakelijk. ADC ArcheoProjecten heeft een archeologisch rapport opgesteld. De conclusies luiden: •

‘Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? De ondergrond van het plangebied bestaat uit mineraalarm veen. De top van het veenpakket is kleiig en licht veraard. Het veenpakket wordt in het noorden van het plangebied afgedekt door een 55 tot 90 cm dik pakket humeuze, sterk siltige klei. Dit kleidek bestaat waarschijnlijk deels uit gedurende overstromingen afgezette klei, deels uit een toemaakdek. De top van het kleidek is recent omgewerkt. In het centrale en zuidelijke deel van het plangebied is boven het veenpakket een 90 tot 140 cm dik pakket met humeuze kleilagen aanwezig. Het betreft hier waarschijnlijk een terpophoging. In het centrale deel van het plangebied is boven de terpophoging een 40 cm dik recent opgebracht zandpakket aanwezig.

•

Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? De natuurlijke bodemopbouw is nog geheel intact gebleven. Ook de terpophoging lijkt nog goed intact. Dit pakket zal alleen ter plaatse van de tot 110 cm onder het ‘peil’ reikende funderingsbalken van de pastorie verstoord zijn geraakt.

59

•

Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? In het centrale en zuidelijke deel van het plangebied is een terpophoging aangetroffen. In dit deel van het plangebied kunnen nog archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd aanwezig zijn.

•

Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? De terpophoging bevindt zich direct onder het maaiveld of onder een 40 cm dik pakket recent opgebracht zand. De maaiveldhoogte varieert sterk en daarmee ook ligging ten opzichte van NAP van de bovenkant van de terpophoging.

•

Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? Verspreid over het plangebied zijn in het toemaakdek en in de terpophoging baksteenfragmenten aangetroffen. In boring 3, in de terpophoging, is een houtskoolfragment gevonden. In boring 2 bevond zich in het toemaakdek een fragment roodbakkend geglazuurd aardewerk. Zo ja: Op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? Het houtskoolfragment in boring 3 is op 170 cm –mv gevonden (2,51 m –NAP). Het fragment roodbakkend geglazuurd aardewerk bevond zich in boring 2 op 60 cm –mv 2,14 m –NAP) o Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? Gezien de verspreiding van de baksteenfragmenten lijkt in het hele plangebied kans op de aanwezigheid van archeologische waarden. Het meest kansrijke gebied is echter de zone met de terpophoging in het centrale en zuidelijke deel van het plangebied. o Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? Het fragment roodbakkend geglazuurd aardewerk dateert uit de Late Middeleeuwen of de Vroege Nieuwe tijd (tot en met de 17e eeuw). In het plangebied kunnen archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd aanwezig zijn. o

•

In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? De zeer hoge archeologische verwachtingswaarde voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd kan op basis van het inventariserend veldonderzoek gehandhaafd blijven.

•

In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? Door de sloop van de pastorie en de geplande bouw van de twee woningen kunnen archeologische waarden verstoord worden.

60

•

Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? In het centrale en zuidelijke deel van het plangebied is vanwege de aanwezigheid van een terpophoging nog aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk. De locatie is nog niet goed toegankelijk voor archeologisch gravend onderzoek doordat het centrale deel van het plangebied bebouwd is. Om de locatie op de aan- of afwezigheid van archeologische waarden te onderzoeken, zou het raadzaam zijn de pastorie tot het maaiveld te slopen en vervolgens een inventariserend veldonderzoek door middel van een proefsleuvenonderzoek uit te voeren op de twee geplande woonlocaties. De uitvoering van het proefsleuvenonderzoek dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE).

Aanbeveling Vanwege de aanwezigheid van terpophoging in het centrale en zuidelijk deel van het plangebied worden in dit deel van het plangebied archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen (vanaf 14e/15e eeuw) en Nieuwe tijd verwacht. Om de op het bureauonderzoek gebaseerde gespecificeerde verwachting voldoende te kunnen aanvullen en toetsen, adviseert ADC ArcheoProjecten om na de sloop van de pastorie en het bijgebouw tot het huidige maaiveld een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van het aanleggen van proefsleuven (IVOP). Het doel van dit onderzoek is het onderzoeken van de gaafheid, omvang, datering en conservering van archeologische resten. Voorgesteld wordt om een proefsleuf aan te leggen op elk van de bouwvlakken van de twee geplande woningen. De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Het is niet uit te sluiten dat buiten het voor vervolgonderzoek geselecteerde gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Daarom merken wij op dat het aanbeveling verdient om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Wij wijzen erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een selectiebesluit neemt.

De mogelijkheid bestaat dat dit selectiebesluit afwijkt van het door ons opgestelde advies.’ Conclusie Na de sloopt van de bebouwing wordt geadviseerd een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van proefsleuven (IVO-P). Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag. Het aanvullend archeologisch proefsleuvenonderzoek wordt als voorwaarde opgenomen bij het verlenen van de omgevingsvergunning. Ter bescherming van de eventueel aanwezige archeologische waarden zal de passende dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ in het onderhavige bestemmingsplan worden opgenomen.

61

7.11 Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De initiatiefnemer is bewust van deze gemeentelijke ambitie en zal onderzoek doen naar toepassingen in het kader van het opwekken van duurzame energie (bijvoorbeeld zonnepanelen). In het kader van de energiebesparing wordt de woning op een goede wijze geïsoleerd (conform de huidige bouweisen) en gasloos gerealiseerd.

62

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=c5d01554-c922-40d1-9354-5a21102c5019