CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan Brandwijk, Brandwijksedijk 22

Raadsvergadering 26 januari 2021, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Brandwijksedijk 22, Brandwijk15.601 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting Bestemmingsplan ‘Brandwijk, Brandwijksedijk 22’

Toelichting bestemmingsplan ‘Brandwijk, Brandwijksedijk 22’

Identificatie NL.IMRO.1978.brandwksedk22BWK-VG01 Datum 17-12-2020 Planstatus Vastgesteld Versie 2.0

2

Inhoud 1

2

3

4

Inleiding ....................................................................................................................................... 5 1.1

Inleiding ..................................................................................................... 5

1.2

Kader .......................................................................................................... 7

1.3

Maatschappelijk resultaat ........................................................................... 8

1.4

Maatschappelijk draagvlak .......................................................................... 9

1.5

Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid.............................. 9

1.6

Communicatie ............................................................................................ 9

1.7

Realisatie .................................................................................................... 9

1.8

Leeswijzer................................................................................................... 9

Planbeschrijving .................................................................................................................... 10 2.1

Bestaande situatie ..................................................................................... 10

2.2

Nieuwe situatie ......................................................................................... 12

Samenvatting beleidskader .............................................................................................. 13 3.1

Rijksbeleid ................................................................................................ 13

3.2

Provinciaal beleid ...................................................................................... 13

3.3

Regionaal beleid ....................................................................................... 13

3.4

Gemeentelijk beleid .................................................................................. 14

3.5

Conclusie .................................................................................................. 14

Samenvatting sectorale aspecten................................................................................... 15 4.1

Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) .................................................. 15

4.2

Watertoets ................................................................................................ 15

4.3

Geluid ....................................................................................................... 16

4.4

Luchtkwaliteit ........................................................................................... 17

4.5

Bedrijven- en milieuhinder ........................................................................ 17

4.6

Externe veiligheid ..................................................................................... 17

4.7

Kabels en leidingen................................................................................... 17

4.8

Ecologie .................................................................................................... 18

4.9

Bodem ...................................................................................................... 20

4.10 Archeologie .............................................................................................. 20 4.11 Duurzaamheid .......................................................................................... 20 5

Juridische planbeschrijving .............................................................................................. 21 5.1

Inleiding ................................................................................................... 21

5.2

Systematiek van de regels ......................................................................... 21

5.3

Bestemmingen .......................................................................................... 21

5.4

Aanduidingen ........................................................................................... 21 3

6

7

Verantwoording beleidskader ......................................................................................... 22 6.1

Rijksbeleid ................................................................................................ 22

6.2

Provinciaal beleid ...................................................................................... 24

6.3

Regionaal beleid ....................................................................................... 30

6.4

Gemeentelijk beleid .................................................................................. 32

6.5

Conclusie .................................................................................................. 34

Verantwoording sectorale aspecten ............................................................................. 35 7.1

Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) .................................................. 35

7.2

Watertoets ................................................................................................ 37

7.3

Geluid ....................................................................................................... 42

7.4

Luchtkwaliteit ........................................................................................... 44

7.5

Bedrijven- en milieuhinder ........................................................................ 46

7.6

Externe veiligheid ..................................................................................... 48

7.7

Kabels en leidingen................................................................................... 50

7.8

Ecologie .................................................................................................... 52

7.9

Bodem ...................................................................................................... 56

7.10 Archeologie .............................................................................................. 58 7.11 Duurzaamheid .......................................................................................... 62 Bijlage 1

Omschrijving Situatietekening

2

Digitale watertoets

3

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Ecologische quickscan Verkennend bodemonderzoek Archeologisch onderzoek

4 5 6

Auteur Bouwkundig teken- en adviesburo Korevaar & Den Breejen Waterschap Rivierenland

Referentie 217-22

Datum 23-08-2017 16-09-2019

Adromi

20190916-921406 S201912

Blom Ecologie

BE/2019/566/r

20-09-2019

Bakker Milieuadviezen

BM/25144-2019

ADC ArcheoProjecten

5041

November 2019 07-11-2019

01-10-2019

4

1

Inleiding

1.1 Inleiding 1.1.1 Aanleiding De Nederlands Hervormde Kerk van Brandwijk heeft een gemeenteavond gehouden om na te denken over de meerjarenvisie 2017-2025 ten aanzien van de kerk, predikantsplaats en de pastorie. Resumerend zal in de nabije toekomst in de kerk geïnvesteerd worden voor het vervangen van de verdiepingsvloer van de toren, het onderheien van de consistorie, het saneren van de aanbouw en het realiseren van een nieuwe aanbouw, schilderwerk en het plaatsen van een nieuwe orgel, hetgeen erg kapitaalsintensief. Daarnaast kampt de naastgelegen pastoriewoning met vochtproblemen en is de woning slecht geïsoleerd. De Nederlands Hervormde Kerk van Brandwijk beschikt, mede door de andere gevraagde investeringen, niet over de financiële middelen om de pastoriewoning op te knappen. De kerk is voornemens om de woning te saneren en daarvoor in de plaats twee woningen te realiseren. Met de opbrengst van de verkoop van één woning kan de bouw van een nieuwe en duurzame pastoriewoning gerealiseerd worden en kan worden bijgedragen aan het onderhoud van de kerk in Brandwijk. Het voorgenomen plan is strijdig met het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’, vastgesteld op 25 januari 2010 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Graafstroom. Het perceel is voorzien van een woonbestemming met een bouwvlak.

Binnen het bouwvlak is maximaal één woning toegestaan, waardoor het realiseren van twee woningen op het perceel juridischplanologisch niet is toegestaan. Middels een principeverzoek is het voorgenomen plan voorgelegd aan de voormalige gemeente Molenwaard. In een schriftelijke reactie heeft de gemeente aangegeven in principe medewerking te verlenen aan het initiatief middels een bestemmingsplanprocedure. 1.1.2 Plangebied Het plangebied betreft het perceel Brandwijksedijk 22 te Brandwijk welke onderdeel uitmaakt van het kadastrale perceel BWK01-C-223. Het plangebied wordt aan het noorden begrensd door een wetering en in het oosten door de perceelsgrens van het naastgelegen perceel Brandwijksedijk 23. De Brandwijksedijk zorgt voor de zuidelijke begrenzing van het plangebied en een watergang voor de westelijke begrenzing.

5

Afbeelding 1: Begrenzing plangebied

1.1.3 Belang De gemeente Molenlanden geeft toestemming aan ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied wanneer er sprake is van een aangetoonde verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en de individuele, bedrijfs-, maatschappelijke, en overige belangen in de directe omgeving niet nadelig worden beïnvloed. Het onderhavige plan past binnen de beleidsuitgangspunten van de gemeente Molenlanden. Middels het onderhavige plan is sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Met het plan wordt het mogelijk gemaakt om de bestaande, wat gedateerde woning te saneren en twee woningen te realiseren. De nieuwe woningen zullen qua uitstraling, opzet en architectuur op een passende en betere manier aansluiten bij de omgeving dan de bestaande woning. Het perceel zal in een representatieve staat worden teruggebracht door het perceel op een verantwoorde wijze landschappelijk in te richten. Door de nokrichting van de nieuwe woningen haaks op de Brandwijksedijk te realiseren, ontstaan er nieuwe landschappelijke doorzichten naar het achtergelegen slagenlandschap. Een woning zal gebruikt worden als een nieuwe pastoriewoning, de andere woning zal verkocht worden om de realisatie van de nieuwe pastoriewoning en onderhoud aan de kerk te kunnen bekostigen. Hiermee draagt het plan bij aan het onderhoud en instandhouding van de monumentale kerk in Brandwijk.

Tenslotte zullen individuele, bedrijfs-, maatschappelijke en overige belangen in de directe omgeving niet nadelig worden beïnvloed. Het plan is hiermee een passende ontwikkeling voor de gemeente Molenlanden.

6

1.2 Kader Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’, dat door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Graafstroom is vastgesteld op 25 januari 2010. Het perceel Brandwijksedijk 22 te Brandwijk heeft de enkelbestemming: • Wonen. Zonder dubbelbestemmingen. En de aanduidingen: • Bouwvlak; • Functieaanduiding ‘archeologische waarden’; • Gebiedsaanduiding ‘milieuzone – stiltegebied’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone aanlegvergunning gevoelige bodem’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone aanlegvergunning overgangsgebied’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone wijzigingsgebied dorpslint’;

Afbeelding 2: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’ Op 15 september 2015 is de 3e herziening van bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ vastgesteld. In de 3e herziening zijn regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen voor het buitengebied, evenals omissies of nieuw beleid. Voor het plangebied betekent dat: • De dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’ is toegevoegd. • De gebiedsaanduidingen ‘Wro-zones’ wijzigen naar ‘wetgevingszones’.

7

Afbeelding 3: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Graafstroom 3e herziening'

Bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ Op 20 februari 2018 is een volgende herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’, het bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ vastgesteld. In de herziening zijn tevens regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen voor het buitengebied, evenals omissies of nieuw beleid. Voor het plangebied betekent dit de aanpassing/actualisatie van de regelgeving. De parapluherziening geeft geen aanpassingen aan de plankaart.

1.3 Maatschappelijk resultaat Met de vaststelling van het bestemmingsplan wordt een nieuwe, geactualiseerde en gedigitaliseerde juridische regeling geboden. Middels het onderhavige bestemmingsplan wordt het juridisch-planologisch toegestaan om het perceel Brandwijksedijk 22 te voorzien van twee woningen.

8

1.4 Maatschappelijk draagvlak Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken hebben gedurende zes weken ter inzage gelegen, waarbij eenieder in de gelegenheid is gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

1.5 Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente wordt er een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

1.6 Communicatie Er wordt op de wettelijke manier gecommuniceerd over de te voeren procedure (via internet en de Staatscourant).

1.7 Realisatie Wanneer geen beroep wordt ingediend, is het bestemmingsplan na de beroepstermijn onherroepelijk. De omgevingsvergunning voor het plan kan dan worden aangevraagd.

1.8 Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van de planontwikkeling zijn beschreven: • • • • • •

Hoofdstuk 2: Planbeschrijving; Hoofdstuk 3: Beleidskader; Hoofdstuk 4: Sectorale aspecten; Hoofdstuk 5: Juridische planbeschrijving; Hoofdstuk 6: Verantwoording beleidskader; Hoofdstuk 7: Verantwoording sectorale aspecten.

9

2

Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie 2.1.1 Ontstaansgeschiedenis en stedenbouwkundige structuur De kern Brandwijk bestaat door het toevoegen van Gijbeland en Vuilendam uit drie afzonderlijke buurtschappen. De kern Brandwijk kan worden getypeerd als een lintbebouwingsdorp, bestaande uit een noordelijk bebouwingslint (Brandwijksedijk) en een zuidelijk bebouwingslint (Gijbelandsedijk). Na de Tweede Wereldoorlog heeft Brandwijk, net zoals de meeste dorpen in de Alblasserwaard een grote groei door gemaakt, welke is terug te zien in de seriematige uitbreidingswijken rond het zuidelijk bebouwingslint, ter plaatse van Molenhoek en Graveland. Het plangebied is gelegen aan het oorspronkelijke buurtschap Brandwijk. Het buurtschap Brandwijk bestaat uit de geclusterde bebouwing rondom de T-splitsing van de Brandwijksedijk met de Kerkweg. In het bebouwingscluster van Brandwijk vormt de kerk het oriëntatiepunt voor de omgeving. Het noordelijke bebouwingslint, het bebouwingsbeeld langs de Brandwijksedijk, wordt gekenmerkt door klassieke (grotere) boerderijen en modernere vrijstaande woningen. De woningen en de boerderijen zijn op de kop van het kavel, verspringend ten opzichte van de rooilijn, gepositioneerd en georiënteerd met de voorgevel doorgaans haaks op de kavelrichting.

Tussen de woningen en de boerderijen bevinden zich op bepaalde plaatsen tussenruimtes welke fungeren als doorzichten naar het karakteristieke slagenlandschap. Deze afwisseling van bebouwing en openheid is kenmerkend voor het bebouwingslint. Ter plaatse van het buurtschap is de bebouwing dichter op elkaar gerealiseerd en ontbreekt het aan doorzichten. Kenmerkend voor de lintbebouwing langs de Brandwijksedijk is de hoofdzakelijk eenzijdige bebouwing langs het lint. Uitsluitend ten noorden van de Brandwijksedijk bevindt zich woonbebouwing in het lint. Uitzondering hierop is het buurtschap Brandwijk, waarbinnen het plangebied is gelegen. Daarmee is het buurtschap duidelijk zichtbaar in het lint. Het buurtschap wordt vanuit het landschap begrensd door de afsnijding van de slagenverkaveling.

10

Afbeelding 4: Straatbeeld Brandwijksedijk

2.1.2 Huidige status/gebruik Het perceel Brandwijksedijk 22 te Brandwijk betreft een woonkavel in de kern Brandwijk. Op het perceel is een pastoriewoning gebouwd, welke thans in een mindere bouwkundige staat bevindt.

Afbeelding 5: Aanzicht perceel Brandwijksedijk 22 te Brandwijk

11

2.2 Nieuwe situatie 2.2.1 Plan Middels het plan wordt het mogelijk gemaakt om twee woningen op het perceel Brandwijksedijk 22 te Brandwijk te realiseren om zo de sloop van de huidige en in mindere bouwkundige staat zijnde pastoriewoning en de bouw van de nieuwe pastoriewoning te financieren. Daarnaast dragen de opbrengsten bij aan het onderhoud van de naastgelegen kerk. Voor wat betreft de bouwregels van de nieuwe woningen wordt aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’.

Afbeelding 6: Ontwerp nieuwe situatie – positie woningen

2.2.2 Ontsluiting en parkeren Ontsluiting Het perceel wordt thans ontsloten middels een in- en uitrit op de Brandwijksedijk. Middels het onderhavige plan zal deze situatie niet wijzigen. Parkeren Voor de vaststelling van de parkeernorm is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381. Uitgaande van het woontype ‘koop, vrijstaand’ liggend in een ‘niet stedelijk gebied’ in het ‘buitengebied’ wordt uitgegaan van een gemiddelde parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per woning. Op beide nieuwe percelen wordt voldoende ruimte gecreëerd voor het parkeren van minimaal 3 auto’s per perceel. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde parkeernorm.

12

3

Samenvatting beleidskader

In dit hoofdstuk zijn de conclusies vanuit de beleidsaspecten weergegeven. De uitgebreide verantwoording van het beleidskader staat beschreven in hoofdstuk 6.

3.1 Rijksbeleid Op rijksniveau zijn op ruimtelijk gebied de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de meest bepalende beleidsdocumenten. Het onderhavige plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad. Toetsing aan ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ In het onderhavige plan wordt per saldo één wooneenheid toegevoegd. Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ en is toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk.

3.2 Provinciaal beleid Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied Het plan voorziet in het toevoegen van één woning binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. Het plan voorziet hiermee in een intensiever en compacter ruimtegebruik en het beter benutten van het woonperceel. Ruimtelijke kwaliteit Het onderhavige plan kan worden geschaard binnen de categorie ‘inpassen’. De ontwikkeling is gebiedseigen en passend bij de schaal en aard van het gebied. Het onderhavige plan sluit aan bij de kwaliteitskaart van de Omgevingsvisie ZuidHolland. Het plan sluit aan bij de karakteristieken van het lint langs de Brandwijksedijk.

3.3 Regionaal beleid Op regionaal niveau is op ruimtelijk gebied de regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ en de ‘Regionale woonvisie’ de meest bepalende beleidsdocumenten. De regionale structuurvisie ‘Open voor elkaar’ benadrukt het bijzondere cultuur- historische landschap, de grote sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden. Middels het onderhavige plan wordt verdere verpaupering en daarmee aantasting van de ruimtelijke kwaliteit voorkomen. De nieuwe woningen/boerderijvolume wordt op een passende wijze vormgegeven. Het perceel wordt verder landschappelijk 13

ingericht. Het onderhavige plan draagt daarmee bij aan de versterking van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van het landschap en is derhalve in overeenstemming met het regionaal beleid. Brandwijk is in de regionale woonvisie benoemd als woondorp (kleine kern met beperkte voorzieningen). Het meest voorkomende mentality-milieu is ‘Traditionele Burgerij’. Om flexibel in te kunnen spelen op de behoefte is van belang dat kleinere plannen tot ontwikkeling te brengen. Dit plan, dat slechts voorziet in het toevoegen van één woning, voldoet aan die behoefte en is daarmee passend in de regionale woonvisie. De toegevoegde woning wordt gemeld in het regionaal overleg en worden meegenomen in de herijking van de woningbouwmonitor AlblasserwaardVijfheerenlanden 2020-2030.

3.4 Gemeentelijk beleid Met de ontwikkeling van het voorgenomen plan wordt voorzien in de gemeentelijke doelstellingen zoals opgenomen in de structuurvisie Graafstroom, de Toekomstvisie Molenwaard en het MeerjarenPerspectief Wonen. Het voorgenomen plan is strijdig met het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’, vastgesteld op 25 januari 2010 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Graafstroom. Het perceel is voorzien van een woonbestemming met een bouwvlak. Binnen het bouwvlak is maximaal één woning toegestaan, waardoor het realiseren van twee woningen op het perceel juridischplanologisch niet is toegestaan. Hierom wordt een bestemmingsplanprocedure gevolgd.

3.5 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan, maar is wel in overeenstemming met het ruimtelijk beleid.

14

4

Samenvatting sectorale aspecten

Sectoraal aspect: 4.1 Milieueffectrapportage 4.2 Watertoets 4.3 Geluid 4.4 Luchtkwaliteit 4.5 Bedrijf-milieuhinder 4.6 Externe veiligheid 4.7 Kabels en leidingen 4.8 Ecologie 4.9 Bodem 4.10 Archeologie 4.11 Duurzaamheid

Extern onderzoek uitgevoerd: Nee Nee Ja Nee Nee Nee Nee Ja Ja Ja Nee

Belemmering:

Nadere voorwaarden:

Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Ja Nee Nee Nee

Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Aanvullend onderzoek Nee Aanvullend onderzoek Nee

4.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling, het plangebied geen deel uitmaakt van beschermde gebieden of locaties en geen sprake is van (een significante toename van) het aantal verkeersbewegingen, etc. kan – met inachtneming van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, redelijkerwijs worden verwacht dat er geen sprake is van ernstige milieugevolgen gerelateerd aan de ruimtelijke ontwikkeling en kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. kan worden volstaan met een onderbouwing van de diverse milieuaspecten in de volgende hoofdstukken. De initiatiefnemer dient het (vormvrije) m.e.r.-beoordelings-besluit bij de vergunningsaanvraag te voegen.

4.2 Watertoets Voor het onderhavige plan is de digitale watertoets doorlopen (dossiercode 20190916-9-21406). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied NDW010. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -2,07 meter NAP en een winterpeil van –2,17 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. Watergangen In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere watergangen gelegen. De bouw- en sloopwerkzaamheden vinden buiten de beschermingszones van de watergangen plaats. Een melding of het aanvragen van een watervergunning voor de sloop- en bouwwerkzaamheden is hiermee niet noodzakelijk. Waterberging en -compensatie Het onderhavige plan resulteert in een toename aan verharding van 482 m2. Op basis hiervan zijn watercompenserende maatregelen noodzakelijk. De 15

initiatiefnemer zal echter gebruik maken van de eenmalige particuliere vrijstelling, waardoor watercompensatie niet gerealiseerd hoeft te worden. De afdeling Vergunningen van het waterschap zal nagaan of de vrijstelling niet eerder is gebruikt door de initiatiefnemer. Indien de initiatiefnemer de vrijstelling eerder heeft gebruikt, dient een watercompensatie van 21,12 m³ (482 × 0,0436) plaatsvinden. Rekening houdend met een peilstijging van 0,2 meter geldt een watercompensatieoppervlak van 105,56 m². De compensatie dient binnen het peilgebied van het plangebied gerealiseerd te worden (of dient een nadere locatie te worden bepaald in overleg met het waterschap). Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De twee nieuwe woningen zullen aangesloten worden op het gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het waterschap. Waterkering Het plangebied is niet gelegen in de kern- en/of (buiten)beschermingszone van een waterkering.

Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het Waterschap Rivierenland verantwoordelijk voor het beheer van de wegen in de Alblasserwaard, waaronder de Brandwijksedijk. Het plangebied heeft thans een enkele in- en uitrit op de Brandwijksedijk. Indien middels het onderhavige plan de enkele in- en uitrit wordt gewijzigd dient een watervergunning aangevraagd te worden bij het waterschap Rivierenland. Conclusie Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.3 Geluid Het plangebied ligt binnen de invloedsfeer van de Brandwijksedijk en de Kerkweg. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, waardoor deze bronnen buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Het onderhavige plan betreft de realisatie van twee nieuwe wooneenheden. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van het toevoegen van nieuwe geluidsgevoelige objecten en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd door Adromi. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘Het aspect geluid (wegverkeerslawaai) staat de realisatie van het bouwplan dan ook niet in de weg.’

16

Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.

4.4 Luchtkwaliteit Het onderhavige plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

4.5 Bedrijven- en milieuhinder Op basis van de toetsing kan worden geconcludeerd dat voldaan wordt aan de gestelde richtafstanden. Gesteld kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en omliggende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.

4.6 Externe veiligheid Invloed van stationaire bronnen Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvinden en/of inrichtingen waar werkzaamheden met gevaarlijke stoffen plaatsvinden die een bedreiging kunnen vormen voor het onderhavige plan. Invloed transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In en om het plangebied zijn geen van dergelijke buisleidingen aanwezig. Invloed transport gevaarlijke stoffen via– transportroutes In de directe omgeving van het plangebied zijn geen wegen, spoorwegen en vaarwegen gelegen waarvan bekend is dat daarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen is niet uit te sluiten, maar deze vallen tevens buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

4.7 Kabels en leidingen In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden

17

gelegen. Wel is op het perceel een drukriolering gelegen. Het plan is voorgelegd aan de afdeling Buitenruimte van de gemeente: ‘De drukriolering dient minimaal 1,5 m vrij te blijven van de bebouwing. Dit dient door middel van proefsleuven aangetoond te worden. Indien op een afstand minder dan 1,5 m van de drukriolering wordt gebouwd, dient de riolering te worden omgelegd (inclusief de voedingskabels). De riolering van de twee woningen worden aangesloten op de oostelijk gelegen rioolput. Indien blijkt dat dit niet realiseerbaar is, dient een extra pompput geplaatst te worden. Verder wordt geadviseerd om de westelijke woning te voorzien van een ZRO. De kosten voor het aansluiten van de twee woningen, het eventueel omleggen van de riolering, het realiseren van een extra pompput en een ZRO zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Graag ontvangt de gemeente ingemeten leidingen en de latere gemaakte huisaansluitingen op een revisietekening.’ De rivisietekening wordt als voorwaarde opgenomen bij de omgevingsvergunningaanvraag. Er wordt geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

4.8 Ecologie Het onderhavige plan betreft de sanering van de pastoriewoning en de realisatie van twee vrijstaande woningen. Hiermee is sprake van werkzaamheden die in het kader van ecologie bedreigend kunnen zijn voor verblijfplaatsen van beschermde plant- en diersoorten. Om de gevolgen hiervan in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. De conclusies van het onderzoek luiden: ‘Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de huismus en vleermuis. Verder kan de planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied zijn voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.

18

•

•

•

•

Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 2 km ligt het Natura 2000-gebied ‘De Donkse Laagten’. Op een afstand van 1,3 km km ligt het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 10 m ligt het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied. Op een afstand van 5,3 km ligt het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’. Ondanks dat de planlocatie enkel door een weg gescheiden wordt van belangrijk weidevogelgebied zal dit geen effecten hebben.’ Stikstofdepositie Om te beoordelen of een stikstofdepositieonderzoek noodzakelijk wordt geacht, is gebruik gemaakt van het Stroomschema beoordeling WABO-aanvragen bouw i.v.m. stikstofdepositie van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ). Het onderhavige plan voorziet in het toevoegen van één woning. Voor woningbouwprojecten van één woning groot en een minimale afstand van 1000 meter in het stedelijk gebied hoeft in de ruimtelijke procedure geen rekening te worden gehouden met stikstof. Derhalve is een stikstofdepositieonderzoek achterwege gelaten. Conclusie Voor het onderhavige plan dient een aanvullend onderzoek naar huismus en vleermuis plaats te vinden alvorens wordt begonnen met de sloopwerkzaamheden.

Het aanvullend onderzoek wordt als voorwaarde opgenomen bij de vergunningaanvraag. In het kader van de Algemene Zorgplicht dienen de te treffen maatregelen genomen te worden. Verder kan gesteld worden dat een stikstofdepositieonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht en derhalve achterwege kan blijven.

19

4.9 Bodem Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik is een verkennend bodemonderzoek incl. asbestonderzoek uitgevoerd door Bakker Milieuadviezen. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit in zoverre een belemmering voor de voorgenomen bouw van een woning dat de bovengrond op het terrein gesaneerd dient te worden tot het niveau van Klasse Wonen. Voor dit perceel betekent dat bijna het gehele oppervlak tenminste 0.5 m ontgraven dient te worden. Eventueel kan overwogen worden om voor sommige aaneengesloten, te verharden terreindelen de isolatievariant toe te passen, ofwel om de verontreinigde grond eeuwigdurend af te dekken met een gesloten verhardingslaag. Vermoedelijk is isoleren van de verontreiniging met 1 meter schone grond niet mogelijk.’ Conclusie De verontreiniging op het perceel dient gesaneerd te worden. In overleg met de Omgevingsdienst wordt de wijze van saneren nader bepaald.

4.10 Archeologie Het onderhavige plan voorziet in ingrepen groter dan 30 m². Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is hiermee noodzakelijk. ADC ArcheoProjecten heeft een archeologisch rapport opgesteld. Na de sloop van de bebouwing wordt geadviseerd een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van proefsleuven (IVO-P). Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag. Het aanvullend archeologisch proefsleuvenonderzoek wordt als voorwaarde opgenomen bij het verlenen van de omgevingsvergunning. Ter bescherming van de eventueel aanwezige archeologische waarden zal de passende dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ in het onderhavige bestemmingsplan worden opgenomen. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie geen belemmeringen. Het aanvullend archeologisch proefsleuvenonderzoek wordt als voorwaarde opgenomen bij het verlenen van de omgevingsvergunning.

4.11 Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De initiatiefnemer is bewust van deze gemeentelijke ambitie en zal onderzoek doen naar toepassingen in het kader van het opwekken van duurzame energie (bijvoorbeeld zonnepanelen). In het kader van de energiebesparing wordt de woning op een goede wijze geïsoleerd (conform de huidige bouweisen) en gasloos gerealiseerd.

20

5

Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Brandwijk, Brandwijksedijk 22’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Brandwijk, Brandwijksedijk 22’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Brandwijk, Brandwijksedijk 22’ is aangesloten bij het bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’. De regels bestaan uit 4 hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

5.3 Bestemmingen Wonen Ten behoeve van de twee nieuwe burgerwoningen wordt de huidige woonbestemming gehandhaafd. Waarde – Archeologie 1 Voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden wordt een archeologische dubbelbestemming opgenomen.

5.4 Aanduidingen • • •

Bouwvlak; Gebiedsaanduiding ‘milieuzone – stiltegebied’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 2’.

21

6

Verantwoording beleidskader

6.1 Rijksbeleid 6.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Het Rijk streeft naar een Nederland dat concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig is. Dit wil zij doen met een krachtige aanpak, die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is nodig om deze nieuwe aanpak vorm te geven. Daarnaast geven nieuwe politieke accenten, veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen aanleiding voor herziening van het rijksbeleid. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering laat het Rijk los.

Het Rijk geeft aan dat landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten identiteit geven aan een gebied en culturele voorzieningen en cultureel erfgoed bovendien van groeiend belang zijn voor de concurrentiekracht van Nederland. In de nieuwe structuurvisie is aangegeven dat het Rijk verantwoordelijk blijft voor het cultureel en natuurlijk UNESCO Werelderfgoed (inclusief de voorlopige lijst), kenmerkende stadsen dorpsgezichten, rijksmonumenten en het maritieme erfgoed. Het beleid ten aanzien van landschap is echter niet langer een Rijksverantwoordelijkheid en laat het Rijk over aan de provincies. Het onderhavige plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad. 6.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen.

Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische 22

hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het onderhavige plan is kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro. 6.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting op een ruimtelijk besluit voor nieuw te realiseren stedelijke ontwikkelingen bepaalde duurzaamheidsaspecten van het voornemen te motiveren. Per 1 juli 2017 is artikel 3.1.6 van de Bro op een aantal punten gewijzigd. In het geval in het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, dient de toelichting een beschrijving te bevatten van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien.

Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Inmiddels biedt jurisprudentie een beoordelingskader van welke ontwikkelingen als nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ worden aangemerkt: ‘De bouw van één woning is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder (ABRvS 14 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:156). Ook een plan dat voorziet in de planologische inpassing van drie woningen is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3929). De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is tevens niet van toepassing op een ontwikkeling waarbij zes woningen mogelijk worden gemaakt (ABRVS 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013: 2471).

Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS: 2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3).’ Toetsing aan ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ In het onderhavige plan wordt per saldo één wooneenheid toegevoegd. Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ en is toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk.

23

6.2 Provinciaal beleid 6.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De provincie ZuidHolland heeft in de Omgevingsvisie zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: • Naar een klimaatbestendige delta; • Naar een nieuwe economie: the next level; • Naar een levendige meerkernige metropool; • Energievernieuwing; • Best bereikbare provincie; • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Het centrale doel van het provinciale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen.

Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied De provincie Zuid-Holland zet in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Onder “bebouwde ruimte” wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiek-industrieel systeem. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Het plan voorziet in het toevoegen van één woning binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. Het plan voorziet hiermee in een intensiever en compacter ruimtegebruik en het beter benutten van het perceel.

24

Plangebied

Afbeelding 7: Uitsnede kaart 'bestaand stads- en dorpsgebied'

Verbeteren ruimtelijke kwaliteit Gezien het sterke contrast tussen een dynamische stedelijke omgeving en open deltalandschappen in Zuid-Holland, is zorg voor de ruimtelijke kwaliteit in het bijzonder van belang. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De essentie van het ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten toevoegen aan het gebied en de samenleving. Middels het onderhavige plan wordt de in een mindere bouwkundige staat zijnde pastoriewoning gesaneerd en twee nieuwe woningen gerealiseerd, waarvan één woning als de nieuwe pastoriewoning zal functioneren. Voor wat betreft de positie, grootte, bouwstijl, etc. wordt aangesloten bij de overige bebouwing aan de Brandwijksedijk.

Door de woningen parallel aan de verkavelingsrichting te realiseren, wordt een doorzicht naar het achtergelegen open slagenlandschap tussen de twee woningen gerealiseerd. Het plangebied wordt tevens op een verantwoorde manier landschappelijk ingericht. Het plan voorziet in een ruimtelijke kwaliteitswinst. Tevens wordt met de sanering van de wat verouderde huidige woning verdere veroudering en daarmee aantasting van de ruimtelijke kwaliteit voorkomen.

25

Kwaliteitskaart Laag van cultuur- en natuurlandschappen Het onderhavige plangebied is gelegen in de gebieden ‘veenweidelandschap’, ‘linten’ en ‘stads- en dorpsranden’. De ruimtelijke structuur in het veenweidegebied wordt sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Haaks hierop staan de verkavelingspatronen. Kenmerkend voor het veenweidelandschap is de openheid van het gebied met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels omringd door sloten. Voor ontwikkelingen in het veenweidelandschap heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders; • Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar. Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied.

Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. Voor ontwikkelingen in de linten heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied; • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst; • Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend; • Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht.

26

Plangebied

Afbeelding 8: Uitsnede kwaliteitskaart (laag van cultuur- en natuurlandschappen)

Laag van de stedelijke occupatie Voor ontwikkelingen in ‘steden en dorpen’ heeft Zuid-Holland de volgende richtpunten opgenomen: • Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp; • Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur; • Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving; • Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur; • Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand (zie stadsen dorpsranden); • Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd; • Het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt; • Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied; • Bij bedrijventerreinen krijgt de beeldkwaliteit van de randen, een goede ontsluiting en de samenhang met de omgeving extra aandacht.

Voor ontwikkelingen in ‘stads- en dorpsrand’ heeft de provincie het volgende richtpunt vastgesteld: • Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap).

27

Plangebied

Afbeelding 9: Uitsnede kwaliteitskaart (laag van stedelijke occupatie)

Het onderhavige plan sluit aan bij de kwaliteitskaart van de Omgevingsvisie ZuidHolland en daarmee de richtpunten voor ontwikkelingen in de gebieden ‘veenweidelandschap’, ‘linten’, ‘steden en dorpen’ en ‘stads- en dorpsranden’. 6.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9).

Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a) De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b) Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: ▪ zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; 28

c) Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: ▪ Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. Het onderhavige plan kan worden geschaard binnen de categorie ‘inpassen’. De ontwikkeling is gebiedseigen en passend bij de schaal en aard van het gebied. Het onderhavige plan sluit aan bij de kwaliteitskaart van de Omgevingsvisie ZuidHolland. Het plan sluit aan bij de karakteristieken van het lint langs de Brandwijksedijk. Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen (artikel 6.10).

Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a) De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b) Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Het onderhavige plan betreft een kleinschalige ontwikkeling binnen bestaand stadsen dorpsgebied (BSD). Het onderhavig plan betreft vanuit jurisprudentie geen stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame ontwikkeling’ is daarmee niet vereist dan wel noodzakelijk (paragraaf 6.1.3).

29

6.3 Regionaal beleid 6.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In navolging van de regionale structuurvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden, heeft de regio in 2012 de visie 2030 opgesteld. Deze visie is een actualisering van het beleid uit de regionale structuurvisie en worden de beleidskeuzes bepaald met het oog op 2030. Binnen de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. De opvolgende visie ‘open voor elkaar’ benadrukt het bijzondere cultuurhistorische landschap, de grote sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden. De nieuwe woningen wordt op een passende wijze vormgegeven en sluiten qua bouwstijl aan bij de overige bebouwing langs het lint. Het perceel wordt landschappelijk ingericht.

Het onderhavige plan draagt daarmee bij aan de versterking van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van het landschap. Tevens wordt middels het onderhavige plan verdere veroudering van de huidige pastoriewoning en daarmee aantasting van de ruimtelijke kwaliteit voorkomen. Het plan is in overeenstemming met het regionaal beleid. 6.3.2 Regionale woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een actualisatie van de Regionale woonvisie 2020 (2013) vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn. De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied en een dynamische stedelijke zone. Elke gemeente en kern heeft kwaliteiten en weet sommige groepen te binden, maar andere weer minder. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau. Om die goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld. Door een jaarlijkse woonmonitor worden bereikte resultaten en de planning voor volgende jaren geregistreerd.

In de actualisatie van de woonvisie zijn de afspraken rond het afstemmen opgenomen. Daarbij is gebruik gemaakt van de jongste demografische cijfers van de provincie Zuid-Holland. Van belang is dat er voldoende flexibel geprogrammeerd wordt. Ook is besloten gebruik te blijven maken van de benadering waarbij woonmilieus en mentality milieus als handreiking gebruikt worden. We sturen niet in exacte aantallen op de samenstelling van programma’s. In plaats daarvan hanteren we een kwalitatieve leidraad, die gemeenten helpt om lokaal de juiste keuzes te maken, in overleg met ontwikkelende partijen.

30

Brandwijk is in de regionale woonvisie benoemd als woondorp (kleine kern met beperkte voorzieningen). Het meest voorkomende mentality-milieu is ‘Traditionele Burgerij’. Om flexibel in te kunnen spelen op de behoefte is van belang dat kleinere plannen tot ontwikkeling te brengen. Dit plan, dat slechts voorziet in het toevoegen van één woning, voldoet aan die behoefte en is daarmee passend in de regionale woonvisie. Omdat het percentage uitbreiding in Brandwijk hoger ligt dan 0,7%, dient de toegevoegde woning gemeld te worden in het regionaal overleg.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=c5d01554-c922-40d1-9354-5a21102c5019