Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan Bleskensgraaf - tegenover Abbekesdoel 39_Giessenburg - A.M.A. van Langeraadweg 10-14
Tekst van het document
De toename aan verharding blijft echter ruimschoots onder de vrijstellingsgrens van 1500 m2 in het landelijk gebied, waardoor watercompenserende maatregelen niet noodzakelijk zijn. De afdeling Vergunningen van het waterschap Rivierenland zal beoordelen of er gebruik gemaakt kan worden van de eenmalige vrijstelling van de compensatie voor verhard oppervlak.
37
Tabel 1: Verhardingsbalans deelgebied 1 Bestaande situatie Dierenverblijven Terreinverharding (oprit)
Oppervlakte 17 m² 50 m2
Totaal bestaande situatie
67 m²
Nieuwe situatie Nieuwe woning (incl. aan- uit- en bijgebouwen) Erfverharding (incl. oprit)
150 m² 500 m2
Totaal nieuwe situatie
650 m²
Verhardingsverschil
583 m² toename
A.M.A. van Langeraadweg 10/14 Giessenburg (deelgebied 2) Ter compensatie van toename aan de verharding en het dempen van oppervlaktewater op de locatie A.M.A. van Langeraadweg 10/14 Giessenburg is een oppervlaktelichaam gerealiseerd. Op 15 oktober 2019 heeft het Waterschap Rivierenland een watervergunning verleend voor het graven het oppervlaktewaterlichaam ter plaatse van A.M.A. van Langeraadweg 10 en 14 te Giessenburg (zaaknummer 2019096862/2019118530). De realisatie van de kas, de paardenbak, de paardenstal en de longeercirkel zijn in de watervergunning meegenomen. De watervergunning is toegevoegd in de bijlage. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie.
Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven.
38
In de directe omgeving van beide deelgebieden is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In beide deelgebieden liggen geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Waterkering Kavel tegenover Abbekesdoel 39 (deelgebied 1) Deelgebied 1 is aan de noordzijde gelegen in de kern- en beschermingszone van een regionale waterkering. Binnen de kernzone gelden strenge regels voor het uitvoeren van bouw- en/of sloopwerkzaamheden. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe van ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. De geplande werkzaamheden vallen buiten de kern- en beschermingszones van de waterkering. Ter bescherming van de regionale waterkering wordt op de verbeelding ter plaatse van de kernzone de dubbelbestemming ‘Waterstaat Waterkering’ opgenomen. Op basis van de Barro wordt ter plaatse van de beschermingszone de aanduiding ‘vrijwaringszone – dijk - 1’ opgenomen.
Afbeelding 16 : Uitsnede legger waterkeringen (deelgebied 1)
A.M.A. van Langeraadweg 10/14 Giessenburg (deelgebied 2) In de omgeving van deelgebied 2 bevinden zich geen waterkeringen waar rekening mee gehouden dient te worden.
39
Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het Waterschap Rivierenland verantwoordelijk voor het beheer van de wegen in de Alblasserwaard, waaronder de Abbekesdoel en de A.M.A. van Langeraadweg. De ontsluiting van de percelen A.M.A. van Langeraadweg 10/14 en het kavel tegenover Abbekesdoel 39 blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. Derhalve is het aanvragen van een watervergunning of het doen van een melding niet noodzakelijk. De Abbekesdoel betreft een 15t-zone, wat wil zeggen dat de weg gesloten is voor verkeer zwaarder dan 15 ton. Indien het voor de werkzaamheden noodzakelijk is om verkeer zwaarder dan 15 ton over de Abbekesdoel te laten plaatsvinden, dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem.
40
4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen.
Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Beide deelgebieden zijn niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, dus kan buiten beschouwing worden gelaten. Kavel tegenover Abbekesdoel 39 (deelgebied 1) In deelgebied 1 is sprake van toevoeging van één vrijstaande woning. Door Voortman Ingenieurs is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het akoestisch onderzoek is toegevoegd in de bijlage. Uit het akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat: •
De berekende geluidbelasting op de woning ten gevolge van de Abbekesdoel ten hoogste 50 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidsbelasting is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB maar niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde voor wegverkeer in buitenstedelijk gebied van 53 dB, incl. aftrek art. 110g Wgh;
41
•
• •
De berekende geluidbelasting op de woning ten gevolge van de Heulenslag ten hoogste 36 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelasting is niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 voor wegverkeer; De berekende gecumuleerde geluidbelasting (LCUM*) ten gevolge van alle wegen ten hoogste 50 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; De woning ter plaatse van achtergevel over geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte beschikt, waarmee aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan.
A.M.A. van Langeraadweg 10/14 Giessenburg (deelgebied 2) Op de locatie A.M.A. van Langeraadweg 10/14 wordt ten behoeve van de zorgboerderij een kas, een paardenbak, een paardenstal en een longeercirkel gerealiseerd. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van een gelijkblijvende situatie, waardoor het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai niet noodzakelijk is. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft geluid geen belemmeringen. Voor de bouw van de vrijstaande woning op het kavel tegenover Abbekesdoel 39 dienen hogere waarden voor wegverkeerslawaai te worden vastgesteld.
42
4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 2: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3
Onderzoek Kavel tegenover Abbekesdoel 39 (deelgebied 1) Voor de omgeving van deelgebied 1 geeft de NSL-monitoring (2018) het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie van 19,4 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 18,2 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 11,1 µg PM2,5/m3. A.M.A. van Langeraadweg 10/14 Giessenburg (deelgebied 2) Voor de omgeving van deelgebied 2 geeft de NSL-monitoring (2018) het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie tussen 20,0 en 25,0 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 18,0 en 19,0 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 11,0 en 12,0 µg PM2,5/m3. Op basis van bovenstaande kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan alle grenswaarden wordt voldaan. Gesteld kan worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
43
Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard en valt binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit het oogpunt van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.
44
4.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.
Tabel 3: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Kavel tegenover Abbekesdoel 39 (deelgebied 1) Het plan betreft in deelgebied 1 de realisatie van één vrijstaande woning. In het kader van bedrijven en milieuzonering is hiermee sprake van toevoeging van een milieugevoelige functie. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het plan getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In de omgeving van deelgebied 1 is één agrarisch rundveebedrijf gelegen (Heulenslag 28). Conform het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie) geldt voor een agrarisch rundveebedrijf (SBI-2008: 0141/0142; milieucategorie 3.2) een grootste richtafstand van 100 meter voor geur. De raad van de gemeente Molenlanden heeft d.d. 19 mei 2020 de ‘Geurverordening Gemeente Molenlanden 2020’ vastgesteld. In artikel 4 lid 2 van de Verordening is vastgelegd dat, in afwijking van de Wet geurhinder en veehouderij, de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object (omliggende woningen), buiten de bebouwde kom, mag worden verlaagd naar 25 meter. 45
Deelgebied 1
Afbeelding 17: Kaart geurverordening Molenlanden
De afstand van het agrarisch bedrijf Heulenslag 28 tot de geplande nieuwe woning op het kavel tegenover Abbekesdoel 39 bedraagt circa 60 meter. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de nieuwe woning en dat het agrarisch bedrijf niet in de bedrijfsvoering en/of ontwikkelmogelijkheden worden beperkt (als gevolg van dit plan).
Agrarisch bedrijf Heulenslag 28
Ca. 60 meter
Afbeelding 18: Afstand tot agrarisch bedrijf
46
A.M.A. van Langeraadweg 10/14 Giessenburg (deelgebied 2) De zorgboerderij (met inpandige woning voor de exploitant) en vrijstaande woning op het perceel A.M.A. van Langeraadweg 10/14 Giessenburg zijn reeds gerealiseerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het plan getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In de omgeving van deelgebied 2 is één installatiebedrijf gelegen (A.M.A. van Langeraadweg 16). Conform het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie) geldt voor een installatiebedrijf b.o.< 2.000 m2 (SBI-2008: 41, 42, 43; milieucategorie 3.1) een grootste richtafstand van 50 meter voor geluid. Gemengd gebied Deelgebied 2 kan worden aangemerkt als een gemengd gebied. Onder het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt het volgende verstaan: "Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.
Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend." In de omgeving van deelgebied 2 zijn, naast een installatiebedrijf, een zorgboerderij twee belangrijke hoofdwegen gelegen, namelijk de A.M.A. van Langeraadweg en de N216. De A.M.A. van Langeraadweg vormt één van de ontsluitingswegen van de kern Giessenburg. Deelgebied 2 is gelegen in de oksel van de A.M.A. van Langeraadweg en de N216. Deze wegen hebben een behoorlijke verkeersintensiteit en daarmee geluidsuitstraling. Op grond hiervan kan deelgebied 2 (en omgeving) worden aangemerkt als 'gemengd gebied' en kunnen gereduceerde richtafstanden worden gerechtvaardigd. De richtafstand van het installatiebedrijf mag daarmee worden verlaagd naar 30 meter. De afstand van het installatiebedrijf A.M.A. van Langeraadweg tot de zorgboerderij met inpandige woning voor de exploitant bedraagt circa 30 meter. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat het installatiebedrijf niet in de bedrijfsvoering en/of ontwikkelmogelijkheden worden beperkt (als gevolg van dit plan).
47
A.M.A. van Langeraadweg
Installatiebedrijf 30 meter N216
Ca. 30 meter
Afbeelding 19: Afstand tot installatiebedrijf
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.
48
4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR=10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.
Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van beide deelgebieden geen inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en/of inrichtingen waar werkzaamheden met gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het plan. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor In de omgeving van deelgebied 1 zijn geen voor beroepsvaart relevante vaarwegen, spoorwegen en/of wegen gelegen waarover voor externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. In de omgeving van deelgebied 2 is één weg gelegen waarover voor externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, namelijk de N216. Over de N216 vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Voor de N216 geldt geen plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6). De PR 10-8 bedraagt 105 meter. De N216 maakt deel uit van het Basisnet en is hierin omschreven als ‘52462 - z131: N216: N214 / N216 (bij Ottoland) - A15 / N216 (A27 afrit 27 Gorinchem)’. Over deze vaarweg is sprake van transport van gevaarlijke stoffen uit de klassen LF1 (1232 wagens), LF2 (1511) en GF3 (131 wagens). De 49
maximale effectafstand (1% overlijdenskans) bedraagt voor deze categorieën ten hoogste 90 meter. Het plangebied ligt ruim buiten deze afstand en de PR 10-8. De zorgboerderij (met inpandige woning voor de exploitant) is gelegen op circa 160 meter van de N216. Gezien de lage bevolkingsdichtheid in de omgeving en de grote afstand tot de N216 zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de N216 te verwachten. Een nadere beschouwing van het groepsrisico is niet noodzakelijk. Daarmee is het transport van gevaarlijke stoffen over de N216 niet relevant voor dit plan.
Deelgebied 1
Afbeelding 20: Uitsnede Risicokaart deelgebied 1
N216
Gasleiding
Deelgebied 2
Afbeelding 21: Uitsnede Risicokaart deelgebied 2
50
Buisleidingen In de omgeving van deelgebied 1 zijn geen buisleidingen gelegen. In de omgeving van deelgebied 2 is onder de A.M.A. van Langeraadweg een hogedruk aardgasleiding (NEN 3650-leiding) van Gasunie Transport Services gelegen. Deze buisleiding (W-528-01) heeft een uitwendige diameter van 12,76 inch en een maximale werkdruk van 4000 kpa. Plaatsgebonden risico De contour van het plaatsgebonden risico ligt op aardgasleidingen. Het plaatsgebonden risico is daarom geen belemmering voor het plan. 100% letaliteitsafstand De zorgboerderij (met inpandige woning voor de exploitant) ligt binnen de 100% letaliteitsafstand van de gasleiding. Conform de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) dient voor buisleidingen met een werkdruk van 4000 kpa van tenminste 4 meter aan weerszijden van de buisleiding te worden aangehouden (gemeten vanuit het hart van die buisleiding). De zorgboerderij (met inpandige woning van de exploitant) is gelegen buiten de belemmeringsstrook de gasleiding.
Groepsrisico Artikel 8 van het Bevt schrijft voor dat indien een plangebied in zijn geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 meter van een transportroute, in de toelichting bij dat plan onderscheidenlijk in de ruimtelijke onderbouwing van die vergunning tevens ingegaan dient te worden op: • De dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan of besluit wordt vastgesteld, rekening houdend met de in dat gebied reeds aanwezige personen en de personen die in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan of de geldende bestemmingsplannen of een omgevingsvergunning redelijkerwijs te verwachten zijn, en; • De als gevolg van het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan of die vergunning betrekking heeft; • Het groepsrisico op het tijdstip waarop het plan of de vergunning wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat plan of besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de oriëntatiewaarde; • De maatregelen ter beperking van het groepsrisico die bij de voorbereiding van het plan of de vergunning zijn overwogen en de in dat plan of die vergunning opgenomen maatregelen, waaronder de stedenbouwkundige opzet en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de
openbare ruimte, en; • De mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan. Gezien de kleinschaligheid van het plan, de lage bevolkingsdichtheid blijft een factor 1000 lager dan de oriëntatiewaarde. Een berekening van het groepsrisico is derhalve niet noodzakelijk.
51
Artikel 7 van het Bevt schrijft voor dat in de toelichting bij een bestemmingsplan, voor zover het gebied waarop dat plan betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van een transportroute waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval moet worden ingegaan op: • De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op dat de weg, en; • Voor zover dat plan betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp voordoet. Mogelijkheden voor zelfredzaamheid en vluchtmogelijkheden aanwezigen en rampenbestrijding In geval van een ramp zijn de bewoners van de zorgboerderij veilig in het pand als men de ramen en deuren sluit en de ventilatie uitzet. Tenslotte hebben de hulpdiensten voldoende ruimte om de ramp te bestrijden en de gevaarlijke stoffen op te ruimen. Gezien de lage bevolkingsdichtheid in de omgeving zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de N216 te verwachten. Een nadere beschouwing van het groepsrisico is niet noodzakelijk. Daarmee is het transport van gevaarlijke stoffen via de buisleiding niet relevant voor dit plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
52
4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek Naast de in hoofdstuk 4.6 beschreven aardgasleiding gelegen, is aan de noordzijde van het perceel het perceel A.M.A. van Langeraadweg 10 te Giessenburg een drinkwaterleiding van Oasen N.V gelegen. In het plan is rekening gehouden met de drinkwaterleiding. De drinkwaterleiding is bekend is bij de particuliere grondeigenaar (waterleiding naar de zorgboerderij). Verder zijn er in beide deelgebieden of de directe omgeving daarvan geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
53
4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Soortenbescherming Kavel tegenover Abbekesdoel 39 (deelgebied 1) In deelgebied 1 is het plan om de schuur en het dierenverblijf te slopen en een vrijstaande woning te realiseren. Hiermee is sprake van werkzaamheden welke nadelige gevolgen kunnen hebben voor beschermde flora en fauna. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘De te slopen kleine schuur en dierenverblijfplaats heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels.
Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, andere soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit). Het verwijderen van de terreininrichting en het saneren van het kleine schuur en dierenverblijf aan de Abbekesdoel ong. te Bleskensgraaf is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).’ Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.
54
•
•
•
Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.’
A.M.A. van Langeraadweg 10/14 Giessenburg (deelgebied 2) In deelgebied 2 is sprake van de realisatie van een kas, een paardenbak, een paardenstal en een longeercirkel. De kas, de paardenbak, de paardenstal en de longeercirkel worden gerealiseerd op braakliggend terrein. De zorgboerderij, de vrijstaande woning en het oppervlaktewaterlichaam zijn reeds gerealiseerd. Op basis hiervan kan worden gesteld dat het plan in het kader van flora en fauna geen nadelige gevolgen heeft voor de verblijfplaatsen van beschermde plant- en diersoorten en wordt het uitvoeren van een ecologische quickscan niet nodig geacht. Gebiedsbescherming (stikstofdepositie) Kavel tegenover Abbekesdoel 39 (deelgebied 1) Het kavel tegenover de Abbekesdoel 39 maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 1,7 km ligt het Natura 2000-gebied de Donkse Laagten. Het perceel ligt op een afstand van circa 1,3 km ten noordoosten van een ecologische verbinding van het Natuurnetwerk Nederland. Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is.
Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Het Natura 2000-gebied de Donkse Laagten is niet gevoelig voor vermesting of verzuring door stikstofdepositie. Door de beperkte tijdelijke verkeerstoename (enkele verkeersbewegingen en machines t.b.v. bouw gedurende een korte periode), de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied en de ongevoeligheid van het betreffende Natura 2000-gebied voor 55
stikstofdepositie is het de reële verwachting dat deze stikstofdepositie lager is dan 0,00 mol/ha/jr. Derhalve kan het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening achterwege blijven. Dergelijke (niet meetbare) verschillen zijn niet conflicterend met de instandhoudingsdoelen van de omliggende Natura 2000-gebieden.
Afbeelding 22: Afstand deelgebied 1 t.o.v. Natura2000-gebieden
Afbeelding 23: Afstand deelgebied 1 t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
56
A.M.A. van Langeraadweg 10/14 Giessenburg (deelgebied 2) Deelgebied 2 maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 4,2 km ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘de Biesbosch’. Deelgebied 2 ligt op een afstand van circa 800 m ten westen van het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland (NNN). Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op Kwetsbare en gevoelige habitattypen. In deelgebied 2 is sprake van de realisatie van een kas, een paardenbak, een paardenstal en een longeercirkel. Het oppervlaktewaterlichaam is reeds gegraven. Gedurende het realiseren van de paardenstal etc. kan er een beperkte en tijdelijke toename in stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen (het ‘projecteffect’).
Gezien het beperkte projecteffect, de beperkte verkeerstoename en de grote afstand tot Natura 2000-gebieden (4,2 km) worden geen negatieve gevolgen voor relevante Natura 2000-gebieden verwacht. Derhalve kan het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening achterwege blijven.
Deelgebied 2
Ca. 4,2 km
Biesbosch
Afbeelding 24: Afstand deelgebied 2 t.o.v. Natura2000-gebieden
57
Natuurnetwerk Nederland
Deelgebied 2
Ca. 800 m
Afbeelding 25: Afstand deelgebied 2 t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft ecologie geen belemmeringen.
58
4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het beoogde woongebruik op het perceel tegenover de Abbekesdoel 39 te Bleskensgraaf is door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) uitgevoerd. De resultaten uit het onderzoek luiden: Kavel tegenover Abbekesdoel 39 (deelgebied 1) Om de kwaliteit van de bodem voor het toekomstige gebruik (wonen) in deelgebied 1 in kaart te brengen is door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: •
• •
•
‘De zintuiglijk schone bovengrond bevat licht verhoogde gehalten aan kobalt, kwik, lood, koper, zink en nikkel. Dergelijke lichte verhogingen zijn gangbaar te noemen in oude lintbebouwingszones in Bleskensgraaf en in het algemeen. Deze verhogingen zijn niet bezwaarlijk voor de bestemming wonen; De kleiige veen uit de ondergrond bevat alleen een minimaal verhoogd gehalte aan molybdeen; In de bovengrond is een PFOA-gehalte bepaald van 18 µg/kgds en in de venige ondergrond is dit 6,1 µg/kgds. Deze verhogingen vormen geen belemmering voor de bestemming wonen; In het grondwater is alleen barium in een gehalte boven de streefwaarde aangetroffen. Dit is een gangbare, niet relevante verhoging.
Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de bestemming wonen. Gezien de problematiek met PFOA wordt aanbevolen om te werken met een gesloten grondbalans, ofwel om geen grond naar elders af te voeren. In dit geval zal dit geen probleem zijn aangezien op onderhavig perceel juist grond van elders opgebracht dient te worden gezien de zeer lage ligging ten opzichte van het grondwaterpeil en het peil van omliggende watergangen.’
59
A.M.A. van Langeraadweg 10/14 Giessenburg (deelgebied 2) Op de locatie A.M.A. van Langeraadweg 10/14 wordt ten behoeve van de zorgboerderij een kas, een paardenbak, een paardenstal en een longeercirkel gerealiseerd. De gronden hebben reeds de bestemming ‘Maatschappelijk’. Er hebben op deze locatie na de bestemmingsplanwijziging voor de zorgboerderij geen activiteiten plaatsgevonden, die aanleiding geven om een bodemverontreiniging te verwachten, en/of calamiteiten voorgedaan met een bodembedreigend karakter. Op basis hiervan kan gesteld dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik en wordt het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht. Conclusie Het plan ondervindt wat de bodemkwaliteit geen belemmeringen.
60
4.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Kavel tegenover Abbekesdoel 39 (deelgebied 1) Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente is te zien dat deelgebied 1 is gelegen op gronden met een: • Middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd (roze). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Hoge verwachting aan of nabij het oppervlak voor prehistorie tot middeleeuwen (bruin). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
61
Plangebied
Afbeelding 26: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidskaart deelgebied 1
Door ADC ArcheoProjecten is in deelgebied 1 een bureauonderzoek. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘ADC ArcheoProjecten adviseert het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is nooit volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied archeologische resten voorkomen. Mochten er tijdens graafwerkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt hiervoor een meldplicht conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet.’ Het archeologisch rapport is beoordeeld en akkoord bevonden door Hamaland Advies. Hamaland Advies onderschrijft het selectieadvies van ADC ArcheoProjecten om in het plangebied geen vervolgonderzoek uit te voeren. De lage verwachting op vindplaatsen uit de periode Neolithicum – Vroege Middeleeuwen en Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd is voldoende onderbouwd. Conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag. Ter bescherming van de archeologische waarden is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ overgenomen in dit bestemmingsplan.
62
A.M.A. van Langeraadweg 10/14 Giessenburg (deelgebied 2) Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente is verder te zien dat deelgebied 2 is gelegen op gronden met een: • Hoge verwachting aan of nabij het oppervlak (bruin). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Lage verwachting (geel). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 10.000 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Afbeelding 27: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidskaart
In deelgebied 2 is sprake van de realisatie van een kas, een paardenbak, een paardenstal en een longeercirkel. Hierbij is geen sprake van een bodemingreep dieper dan 30 cm beneden het huidige maaiveld. De zorgboerderij, de vrijstaande woning en het oppervlaktewaterlichaam zijn reeds gerealiseerd. Op basis hiervan is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Ter bescherming van de archeologische waarden zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie - 4 en 8’ overgenomen in dit bestemmingsplan. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft archeologie geen belemmeringen. Conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk eventuele archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag.
63
4.11 Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De initiatiefnemers van dit plan zijn bewust van deze gemeentelijke ambitie. De nieuwe woning op het kavel tegenover Abbekesdoel 39 wordt gasloos opgeleverd en geïsoleerd conform de huidige duurzaamheidseisen (bouwbesluit). Er wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor duurzame energiebronnen (zonnepanelen) en maatregelen in het kader van energiebesparing. In het kader van de klimaatverandering (voorkomen hittestress), biodiversiteit, wateropvang is een groene inrichting sprake van een betere situatie dan in geval er veel terreinverharding wordt gerealiseerd. Beide locaties worden groen ingericht.
64
5
Juridische planbeschrijving
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, tegenover Abbekesdoel 39 / Giessenburg, A.M.A. van Langeraadweg 10/14’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld met een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, tegenover Abbekesdoel 39 / Giessenburg, A.M.A. van Langeraadweg 10/14’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘‘Bleskensgraaf, tegenover Abbekesdoel 39 / Giessenburg, A.M.A. van Langeraadweg 10/14’ is aangesloten bij de vigerende bestemmingsplannen ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ (vastgesteld op 20 februari 2018) en ‘Buitengebied Giessenlanden’ (vastgesteld op 11 maart 2015). De regels bestaan uit 4 hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
5.3 Bestemmingen Agrarisch Om verrommeling van het landschap te voorkomen wordt het westelijke deel van deelgebied 2 bestemd als ‘Agrarisch’. Ter plaatse is het niet toegestaan om gebouwen te realiseren. Tuin De gronden ten zuiden van de vrijstaande woning in deelgebied 2 wordt bestemd als ‘Tuin’. Op deze gronden zijn de bouwmogelijkheden beperkt. De longeercirkel achter de woning is middels een specifieke functieaanduiding vastgelegd. Maatschappelijk De gronden rondom en ter plaatse van de zorgboerderij behouden de bestemming ‘Maatschappelijk’. Op het bouwvlak van de zorgboerderij zijn de functieaanduidingen ‘bedrijfswoning’ en ‘zorgboerderij’ opgenomen. De kas ten behoeve van de zorgboerderij is tevens met een specifieke functieaanduiding aangegeven. Binnen het bestemmingsvlak zijn dierenverblijven (o.a. kippenhokken) toegestaan.
65
Wonen Deelgebied 1 behoudt de bestemming ‘Wonen’. Op het woonbestemmingsvlak wordt een bouwvlak gelegd waarbinnen de vrijstaande woning dient te worden gerealiseerd. Wonen – 1 De gronden rondom de vrijstaande woning en de paardenstal in deelgebied 2 worden bestemd als ‘Wonen – 1’. Op het woonbestemmingsvlak is één bouwvlak opgenomen waarbinnen één woning toegestaan. De paardenstal welke ook gebruikt zal worden ten behoeve van de zorgboerderij) is specifiek vastgelegd middels een specifieke bouwaanduiding. Waarde – Archeologie 2 (deelgebied 1) De dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2' is mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in de bodem. Waarde – Archeologie – 4 en – 8 (deelgebied 2) De dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie - 4 en - 8' zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in de bodem.
5.4 Aanduidingen • • • • • • • •
Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’; Functieaanduiding ‘bedrijfswoning’; Functieaanduiding ‘kas’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van tuin – longeercirkel’; Functieaanduiding ‘zorgboerderij’; Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’; Bouwvlak (ter plaatse van de bestemmingen ‘Wonen’, Wonen -1’ en ‘Maatschappelijk’); Maatvoeringsaanduiding ‘maximum goothoogte (m): 4’ (A.M.A. van Langeraadweg 10/14 Giessenburg).
66