CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan Bleskensgraaf Abbekesdoel 82

Raadsvergadering 9 november 2023, gemeente MolenlandenBij agendapunt: 8b. Bestemmingsplan Bleskensgraaf, Abbekesdoel 8214.172 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, deze bronnen kunnen derhalve buiten beschouwing worden gelaten. Het plangebied is wel gelegen binnen de invloedssfeer van enkele wegen. Door Voortman Ingenieurs is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd, welke is bijgevoegd in de bijlage van deze toelichting. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat: •

• •

‘De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Heulenslag en Abbekesdoel ten hoogste respectievelijk 28 en 45 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelastingen zijn niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 voor wegverkeer; De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen ten hoogste 46 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; De woning beschikt alzijdig over geluidluwe gevels en een geluidluwe buitenruimte, waarmee aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan.

37

Voor de onderzochte woning hoeft geen hogere grenswaarde te worden vastgesteld.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.

38

4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 2: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie 2,5 Fijnstof (PM ) Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 µg/m3

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3

Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2020 het volgende overzicht voor het jaar 2020: • Een stikstofconcentratie van 19,7 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 18,3 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 11,2 µg PM2,5/m3. Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met

39

niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het plan is kleinschalig van aard en valt binnen het besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit. Conclusie Uit het oogpunt van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.

40

4.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Het is wel aan te bevelen eventuele afwijkingen te benoemen en te motiveren Tabel 3: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Onderzoek Het plan maakt het juridisch-planologisch mogelijk om de voormalige agrarische bedrijfslocatie te saneren en een woning te realiseren achter de bestaande bedrijfswoning, welke wordt omgezet naar een burgerwoning. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient getoetst te worden of dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de nieuwe woning en/of dat omliggende bedrijven niet in de bedrijfsvoering worden beperkt. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Deze publicatie is bedoeld voor het ruimtelijk scheiden van bedrijven in relatie tot woningen en omgekeerd, zodat in geen van beide situaties een belemmering voor één van beiden optreedt. In de publicatie staan richtafstanden vermeld voor geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de 41

gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan mogelijk is. De richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstype rustige woonwijk of rustig buitengebied. Indien de omgeving kan worden aangemerkt als gemengd gebied, dan kunnen gereduceerde richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar worden gerechtvaardigd. De richtafstanden voor gemengde gebieden mogen één afstandstrap worden verlaagd ten opzichte van de richtafstanden die betrekking hebben op de omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Om de richtafstanden van omliggende milieubelastende functies te bepalen, is eerst van belang om te bepalen of het plangebied is gelegen in een rustige woonwijk en rustig buitengebied, of in een gemengd gebied. Conform de VNG-Handreiking wordt onder een rustige woonwijk en rustig buitengebied verstaan: ‘Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer.’ En voor een gemengd gebied wordt de volgende beschrijving gegeven: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden geschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.’ Het plangebied maakt onderdeel uit van de lintbebouwing langs de Abbekesdoel. De lintbebouwing is gelegen in het buitengebied met overwegend agrarische bedrijvigheid, maar waar ook reguliere bedrijven voorkomen. Gelet op de beschrijving uit de VNG-Handreiking kan geconcludeerd worden dat de omgeving van het plangebied getypeerd kan worden als gemengd gebied. Gereduceerde richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar zijn gerechtvaardigd. Naast de VNG-analyse heeft de gemeente Molenlanden de ‘Geurverordening Gemeente Molenlanden 2020’ vastgesteld. Middels deze verordening kunnen de minimale afstanden van een veehouderij tot een geurgevoelig object (een woning) worden gereduceerd naar 25 meter buiten de bebouwde kom. Inventarisatie Om de milieubelastende functies in de omgeving te inventariseren wordt gebruik gemaakt van de verbeeldingen van de vigerende bestemmingsplannen. Daarbij wordt gekeken welke bedrijfscategorie planologisch mogelijk is op omliggende bedrijfspercelen. In de omgeving van het plangebied zijn een drietal bedrijfsfuncties aanwezig, zie tabel 4 en afbeelding 17.

In de tabel zijn de onderzochte locaties weergegeven met de milieucategorie die volgens de vigerende bestemmingsplannen mogelijk is. Daarbij is de zwaarste richtafstand die hoort bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ (of conform geurverordening) aangegeven én de daadwerkelijke afstand tot de uiterste gevel van de nieuwe woning. Abbekesdoel 80a/b (veehouderij) is direct gelegen ten oosten van het plangebied. Hiermee binnen de afstand van 25 meter (conform geurverordening). Echter kan ten behoeve van de bestaande bedrijfswoning (welke wordt omgezet naar een 42

burgerwoning) worden gesteld dat er sprake is van een gelijkblijvende situatie, omdat de woning in de bestaande situatie reeds beperkend werkt voor het bedrijf. Dit verandert in de nieuwe juridisch-planologische situatie niet. Wat betreft de nieuwe woning wordt deze op minimaal 25 meter van de veehouderij gerealiseerd, door het vigerende bouwvlak te verkleinen. Hiermee voldoet de woning aan deze geldende richtafstand en werkt deze nieuwe woning niet belemmerend voor de veehouderij. Tevens kan daarmee worden gesteld dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de nieuwe woning. Conform artikel 5 van de Wet geurhinder en veehouderij dient te allen tijde een afstand van 25 meter tussen een woning en een stal aangehouden te worden indien buiten de bebouwde kom. Tabel 4: Omliggende bedrijven Adres Functie

Abbekesdoel 80a/b Abbekesdoel 88 Heulenslag 68

Milieucategorie

Veehouderij Reclamebebording bedrijf Veehouderij

3.2 3.1

Richtafstand (gemengd gebied) 25 meter* 30 meter

Afstand tot nieuwe woning 25 meter 108 meter

3.2

25 meter*

158 meter

* Conform geurverordening

Heulenslag 68

Abbekesdoel 80a/b Abbekesdoel 88

Afbeelding 17: Plangebied t.o.v. omliggende bedrijven/functies

Voor het reclamebebordingsbedrijf aan de Abbekesdoel 88 te Bleskensgraaf is geen aparte SBI code opgenomen in het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Het bedrijf kan in zekere zin worden vergeleken met een ‘drukkerij’. Conform het VNG-Handboek Bedrijven en milieuhinder (editie 2009) behoort een drukkerij tot milieucategorie 3.2 (richtafstand 50 meter in gemengd gebied). Het 43

bedrijf Esbi B.V. betreft echter geen grootschalige drukkerij (slechts 30 man personeel) en is daarmee qua aard en schaal niet vergelijkbaar aan bijvoorbeeld drukkerijen van landelijke kranten. Het bedrijf kan worden geschaard in milieucategorie 3.1 waarvoor een maximale richtafstand van 30 meter geldt tot omliggende woningen (gemengd gebied). Naast bedrukking van reclamemateriaal vindt bij het bedrijf echter o.a. ook houtbewerking, en bewerking van kunststof plaats. Voor het deel houtbewerking kan het bedrijf het vergeleken worden met SBI code 162 ‘Timmerwerkfabriek met een productieoppervlak van < 200 m2’. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter (gemengd gebied). De kunststofverwerkende activiteiten kunnen vergeleken worden met SBI code 222.3 ‘Productie van verpakkingsmateriaal en assemblage van kunststofbouwmaterialen’. Ook hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter (gemengd gebied). Het plan voldoet ten opzichte van dit bedrijf aan de geldende richtafstanden. Ook voor de Heulenslag 68 wordt ruim voldaan aan de gestelde richtafstand. Waarbij wordt opgemerkt dat er ter plaatse geen sprake meer is van een volwaardig agrarisch bedrijf en dat de locatie voornemens op korte termijn wordt gewijzigd naar een woonbestemming.

Uit dit alles kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat omliggende bedrijven niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen.

44

4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR 10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten bevinden (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.

Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Uit de risicokaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege risicovolle inrichtingen. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn drie aardgasleidingen (NEN 3650-leidingen) gelegen. Tabel 5: Gegevens aardgasleidingen Leidingnummer Diameter Druk A-518-06 30 inch 66 bar A-553 37 inch 66 bar A-803 48 inch 80 bar

Omschrijving Leiding Gasunie - methaan Leiding Gasunie - methaan Leiding Gasunie - methaan 45

Plangebied

A-518-06

A-803

A-553

Afbeelding 18: Uitsnede externe risicokaart

De nieuwe woning is op een afstand van ca. 210 meter gelegen van de leidingen. De woning ligt daarmee buiten de aan te houden belemmeringenstrook (tot 5 meter aan weerszijden van de leiding) waarbinnen geen activiteiten mogen plaatsvinden die de buisleiding kunnen beschadigen. Tevens heeft de leiding geen PR 10-6/jaar contour, waardoor wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Wat betreft de leiding is het zeer aannemelijk dat het groepsrisico ter hoogte van het plangebied met weinig populatie lager is en blijft dan een factor 1000 lager dan de oriëntatiewaarde. Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen. In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

46

4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologische relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen (behoudens de eerdere aangehaalde gasleidingen in paragraaf 4.6). Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staan.

47

4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het plan maakt het juridisch-planologisch mogelijk om de voormalige agrarische bedrijfslocatie te saneren en een woning te realiseren achter de bestaande bedrijfswoning, welke wordt omgezet naar een burgerwoning. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een ecologische quickscan uitgevoerd, welke is bijgevoegd in de bijlage van deze toelichting. De conclusies uit die onderzoek luiden: ‘Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de huismus. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming.

Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of een Groene buffer. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor de huismus (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen.

De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een 48

reden van sociale of economische aard, huismus: er zijn belangen vanuit volksgezondheid -klimaatsverandering- aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Conclusie De sanering van twee opstallen aan de Abbekesdoel 82 te Bleskensgraaf is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).’ Aanvullend huismusonderzoek Naar aanleiding van de ecologische quickscan is een aanvullend onderzoek naar de huismus op de locatie uitgevoerd. Het onderzoeksrapport in toegevoegd in de bijlage van deze toelichting en de conclusie van het onderzoek luidt als volgt: ‘In 2022 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de huismus in het plangebied aan de Abbekesdoel 82 te Bleskensgraaf. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument huismus (BIJ12, 2017). Binnen het plangebied zijn geen nesten van de huismus vastgesteld.

Het plangebied maakt mogelijk (in beperkte mate) onderdeel uit van het leefgebied, maar er is geen sprake van het wegnemen van essentiële onderdelen van het leefgebied. De beoogde ingreep leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is derhalve niet noodzakelijk.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft ecologie geen belemmeringen.

49

4.9 Stikstofdepositie Beleidskader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in het onderdeel ‘gebiedsbescherming’. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Bij mogelijke negatieve effecten op Natura 2000-gebieden geldt een ontheffingsplicht. Uit een passende beoordeling dient te blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan voordat een ontheffing verleend kan worden. Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Hierom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten welke voorzien in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats. Voorheen was toestemming hiervoor gebaseerd op het PAS, waarbij de drempelwaarde van 0,05 mol per hectare per jaar werd gehanteerd om effecten van ontwikkelingen te toetsen. De Raad van State heeft op 29 mei 2019 beoordeeld dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt.

Op basis van het PAS werd namelijk vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Een dergelijke toestemming ‘vooraf’ mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunningplichtig en dient aangetoond te worden dat een ontwikkeling niet voorziet in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS uitgebracht. Met deze nieuwe rekentool kan de depositie op stikstofgevoelige habitats berekend worden. Op 1 juli 2021 is de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering in werking getreden. Onderdeel van deze wet is de vrijstelling voor bouw-, sloop en eenmalige aanleg activiteiten. Dit wordt de ‘bouwvrijstelling’ genoemd. Eventuele stikstofdepositie vanwege de realisatie-/ bouwfase is dan ook vrijgesteld van vergunningplicht. Onderzoek Het plan maakt het juridisch-planologisch mogelijk om de voormalige agrarische bedrijfslocatie te saneren en een woning te realiseren achter de bestaande bedrijfswoning, welke wordt omgezet naar een burgerwoning. Gezien de afstand van het plangebied tot stikstofgevoelig Natura2000-gebied (ca.

5.9 km) en het karakter van het plan worden geen negatieve gevolgen voor deze gebieden verwacht. Derhalve kan een stikstofdepositieberekening achterwege blijven. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect stikstof geen belemmeringen.

50

4.10 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem in kaart te brengen is door Adcim B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De conclusies uit het bodemonderzoek luiden: -

-

-

-

-

-

‘De bovengrond bestaat uit kleiige grond op een ondergrond van veen vanaf ongeveer een 1,00 m-mv. De kleiige bovengrond rondom de schuur op het midden terrein/nabij de toegangsweg bevat een zwakke bijmenging aan metselwerkpuin, asfalt, kolengruis en plastic. In verband met de aangetroffen puinbijmenging is een asbestbodemonderzoek uitgevoerd, hierbij is visueel geen asbest aangetroffen. Analytisch is 11 mg/kg/ds asbest aangetroffen. Ter plaatse van de drupzone van het schuurdak met asbestverdacht plaatmateriaal zonder dakgoot afwaterend op onverhard maaiveld is een asbestbodemonderzoek (gootlijn onderzoek) uitgevoerd over een lengte van ca. 30 meter. Visueel zijn in de drupzone van het dak op het maaiveld 6 stukjes asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen wat separaat verpakt en in het laboratorium geanalyseerd is. Bevestigd is dat het schuurdak bestaat uit hechtgeboden asbesthoudend plaatmateriaal. Analytisch is in de grond van de toplaag ter plaatse van de drupzone van het dak 74 mg/kg/ds asbest aangetroffen. De voormalige watergang ter plaatse van boring 08, 09, 10, 12 en 15 is niet gedempt met bodemvreemd materiaal. Wel is het bodemprofiel afwijkend. De voormalige watergangen zijn waarschijnlijk gedempt met gebiedseigen grond bestaande uit zwak zandig en grindige klei. De originele ondergrond bestaat uit zwak kleiig veen.

De boven- en ondergrond is over het algemeen licht verontreinigd met koper en/of molybdeen en bij indicatieve toetsing aan besluit bodemkwaliteit is de grond altijd toepasbaar uitgezonderd de bovengrond rondom de schuur op het midden terrein/ nabij de toegangsweg en de ondergrondgrond ter plaatse van voormalige sloot. Deze grond is licht verontreinigd met verschillende zware metalen en PAK en voldoet bij indicatieve toetsing aan besluit bodemkwaliteit aan als klasse industrie. Het grondwater is gelegen op ca. 0.30-0.70 m-mv en is licht verontreinigd met barium.

51

De hypothese ‘verdacht’ is bevestigd gezien de aangetroffen lichte verontreinigingen in grond- en grondwater en het aangetroffen asbest. Nader onderzoek met een gewijzigde onderzoeksinspanning wordt niet noodzakelijk geacht (zie aanbevelingen). Voor de voorgenomen werkzaamheden vormt de bodemkwaliteit op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek geen belemmering, uitgezonderd het aangetroffen asbest in de toplaag van de bodem ter plaatse van de drupzone van het dak van de koeienschuur. (…) Gezien het asbest afkomstig is van: - een duidelijke aanwezige bron (asbesthoudend golfplatendak); - een duidelijk afgebakend gebied (drupzone van het dak); - en gezien bij eerder uitgevoerd onderzoek van vergelijkbare situaties alleen asbest aangetroffen wordt in de toplaag over een breedte van maximaal 1,0 meter, wordt nader of aanvullend asbestbodemonderzoek niet noodzakelijk geacht. Wel wordt aanbevolen bij de sloop van de schuur of sanering van het asbesthoudend dakplaatmateriaal de toplaag van de grond met het aangetroffen asbest te verwijderen en af te voeren naar een erkende verwerker.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft de bodemkwaliteit geen belemmeringen.

52

4.11 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.

Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een: • Hoge verwachting tussen 1,5 en 5 meter beneden maaiveld. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m² en dieper dan 150 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Middelmatige verwachting. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 500 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

53

Afbeelding 19: Uitsnede archeologische verwachtingskaart

Voor het plan is een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd, welke is bijgevoegd in de bijlage van deze toelichting. De conclusie van dit onderzoek luidt: ‘ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Deze melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente Molenlanden.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie geen belemmeringen.

54

4.12 Duurzaamheid & klimaatverandering De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. Het plan speelt hier bewust op in door de woningen te isoleren conform de huidige bouweisen van het bouwbesluit. Er wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor duurzame energiebronnen (zonnepanelen) en maatregelen in het kader van energiebesparing. In de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland is een regel opgenomen dat er in een bestemmingsplan aandacht moet worden aan een viertal risico’s die kunne optreden ten gevolge van klimaatverandering. Het gaat om wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte & droogte. Het onderhavige plan heeft positieve gevolgen die het risico van deze vier aspecten beperken. Middels het onderhavige plan wordt een agrarische bedrijfslocatie gesaneerd, daarmee neemt de bebouwing en verharding ter plaatse aanzienlijk af (zie paragraaf 4.2). Eveneens worden er mogelijk nieuwe watergangen gerealiseerd. Het risico op wateroverlast en overstroming wordt in de nieuwe situatie daarmee minder in vergelijking met de nieuwe situatie, omdat de gronden zachter worden, water in de grond infiltreert en niet versneld over verharding afgevoerd hoeft te worden. Het plan heeft daarmee ook positieve gevolgen tegen hittestress en droogte.

De verharding, welke gevoelig is voor hitte en relatief snel opwarmt, neemt aanzienlijk af voor grond die relatief minder snel opwarmt en minder gevoelig is voor hitte. Ook kunnen de gronden hierdoor langer water vasthouden en wordt water minder snel afgevoerd, waarmee droogte kan worden tegengegaan.

55

4.13 Molenbiotoop Beleidskader Het plangebied valt binnen de beschermingszones van de Wingerdse Molen. In het gebied rondom deze molen is een molenbiotoop vastgesteld met een straal van 400 meter vanuit het middelpunt van de molen. In het kader van de bescherming van de windvang van deze molen is uitsluitend de nieuwbouw van de nieuwe woning relevant (de andere woning is bestaand). Ter bescherming van de molenbiotoop is in het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop 400m’ opgenomen. Ten aanzien van het realiseren van bebouwing en/of beplanting binnen deze zone gelden de volgende richtlijnen: 1. Binnen de straal van 100 meter, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, mag geen bebouwing worden opgericht of beplanting aanwezig zijn, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek. 2. Binnen de straal van 100 tot 400 meter gerekend vanuit het middelpunt van de molen, moet voor wat betreft bebouwing en beplanting het volgende zijn geregeld: a. In het buitengebied mag de maximale hoogte niet meer bedragen dan 1/100 van de afstand tussen bouwwerk/beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek (1 op 100 regel); b.

In het stedelijk gebied mag de maximale hoogte van bebouwing/ beplanting niet hoger zijn dan 1/30 van de afstand tussen bouwwerk/ beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek (1 op 30 regel). Onderzoek Het plangebied is gelegen binnen de vrijwaringszone van de ‘Wingerdse Molen’ (binnen een straal van 400m). Het plangebied is gelegen op ca. 310m van de molen. Hierdoor gelden er specifieke richtlijnen ten aanzien van de realisatie van bebouwing. Echter wordt de windvang van de molen in bestaande situatie reeds belemmerd door de bestaande agrarischte bedrijfsbebouwing aan de Abbekesdoel 82 te Bleskensgraaf. De huidige schuur en stal zijn respectievelijk 7,5 meter en 7,0 meter hoog ten opzichte van het huidige maaiveld (zie afbeelding 20). Door de bouwhoogte van de nieuwe woning te maximeren op 7,5 meter en te projecteren op de locatie van de te saneren schuur zal het plan wat betreft de hoogte niet leiden tot een beperking van de windvang van de molen (zie afbeelding 21). Wat betreft bouwvolumes is er sprake van een verbetering van de windvang van de molen. Middels het onderhavige plan is er sprake van vervangende nieuwbouw. Er worden grote volumes aan bebouwing gesaneerd en er wordt een meer kleinschalige woning gerealiseerd (zie afbeelding 21-22).

56

Te saneren schuur 7,5m hoog

Te saneren silo’s

Te saneren stal 7m hoog Afbeelding 20: Te saneren kolossale volumes incl. hoogte

Nieuwe woning max. 7,5m hoog op plek van te saneren schuur

Afbeelding 21: Te realiseren nieuwe woning incl. hoogte

Bijkomend wordt de bouwhoogte van de toegestane bebouwing middels deze bestemmingsplanwijziging aanzienlijk beperkt in vergelijking met de huidige situatie. De maximale hoogtes van de bebouwing worden verlaagd van goothoogte 7m en bouwhoogte 12m, naar een maximale goothoogte van 6m en bouwhoogte van 7,5m. In de huidige situatie zijn er zelfs silo’s toegestaan van 15 meter hoog, welke mogelijkheid middels onderhavig plan wordt weggenomen. Hiermee is er planologisch tevens sprake van een verbeterende situatie voor de molen. De maximale goothoogte en bouwhoogte wordt juridisch verankerd in de bouwregels en op de verbeelding van het bestemmingsplan. Ter plaatse van de

57

molenbiotoop wordt de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop 400m’ overgenomen ter bescherming van de molenbiotoop. Conclusie Het plan leidt niet tot een beperking van de windvang van de ‘Wingerdse Molen’.

58

5

Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Abbekesdoel 82’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Abbekesdoel 82’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Abbekesdoel 82’ is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ (20 februari 2018), de ‘Parapluherziening Parkeren’ (27 oktober 2020) en het ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’ (26 oktober 2021). De regels van het bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Abbekesdoel 82’ bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmings-regels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

5.3 Bestemmingen Agrarisch met waarden In het moederbestemmingplan bezit het gehele perceel Abbekesdoel 82 te Bleskensgraaf de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ met bouwvlak. In het onderhavige plan wordt het voorste deel omgezet naar de enkelbestemming ‘Wonen’. Enkel het achterste deel van het perceel blijft de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ behouden, maar wordt het bouwvlak verwijderd en worden de gronden omgevormd tot agrarisch land. Water Direct ten zuiden van de Abbekesdoel ligt een A-watergang. In het moederbestemmingsplan is er sprake van een omissie, omdat er geen enkelbestemming ‘Water’ op is gelegen. Hetgeen conform Waterschapsbeleid wel zou moeten. Het onderhavige plan neemt deze omissie weg, om in ieder geval binnen het plangebied de enkelbestemming ‘Water’ op te nemen op de Awatergang.

59

Wonen Op het voorste deel van het perceel wordt de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ gewijzigd naar ‘Wonen’ ten behoeve van twee burgerwoningen. Het bouwvlak concentreert zicht rondom de bestaande (bedrijfs)woning en wordt doorgetrokken naar achter, waardoor kan worden geborgd dat de nieuwe woning achter de bestaande (eventueel te herbouwen) woning wordt gerealiseerd. Waarde – Waterkering Op de waterkering blijft de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ ongewijzigd. Dit is een minimaal deel van het plangebied in het noordelijke puntje van het plangebied langs de openbare weg.

5.4 Aanduidingen • • • • •

Bouwvlak; Figuur: gevellijn; Gebiedsaanduiding: vrijwaringszone – dijk – 1; Gebiedsaanduiding: vrijwaringszone – molenbiotoop 400m; Maatvoering: maximum aantal wooneenheden: 2.

60

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=0a312678-55e4-4321-8174-0f3d1e84851c