CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan Bleskensgraaf Abbekesdoel 82

Raadsvergadering 9 november 2023, gemeente MolenlandenBij agendapunt: 8b. Bestemmingsplan Bleskensgraaf, Abbekesdoel 8214.172 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Abbekesdoel 82’

Toelichting bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Abbekesdoel 82’

Identificatie NL.IMRO.1978.BPabbekesdoel82BKG-VG01 Datum 09-11-2022 Planstatus Vastgesteld

2

Inhoud 1.

2

3

4

Inleiding ....................................................................................................................................... 5 1.1

Inleiding ..................................................................................................... 5

1.2

Kader .......................................................................................................... 6

1.3

Maatschappelijk resultaat ........................................................................... 7

1.4

Maatschappelijk draagvlak .......................................................................... 7

1.5

Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid.............................. 8

1.6

Communicatie ............................................................................................ 8

1.7

Realisatie .................................................................................................... 8

1.8

Leeswijzer................................................................................................... 8

Planbeschrijving ....................................................................................................................... 9 2.1

Bestaande situatie ....................................................................................... 9

2.2

Nieuwe situatie ......................................................................................... 11

Beleidskader............................................................................................................................ 15 3.1

Rijksbeleid ................................................................................................ 15

3.2

Provinciaal beleid ...................................................................................... 17

3.3

Regionaal beleid ....................................................................................... 22

3.4

Gemeentelijk beleid .................................................................................. 24

3.5

Conclusie .................................................................................................. 28

Sectorale aspecten ................................................................................................................ 29 4.1

Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) .................................................. 29

4.2

Watertoets ................................................................................................ 31

4.3

Geluid ....................................................................................................... 37

4.4

Luchtkwaliteit ........................................................................................... 39

4.5

Bedrijven- en milieuhinder ........................................................................ 41

4.6

Externe veiligheid ..................................................................................... 45

4.7

Kabels en leidingen................................................................................... 47

4.8

Ecologie .................................................................................................... 48

4.9

Stikstofdepositie ....................................................................................... 50

4.10 Bodem ...................................................................................................... 51 4.11 Archeologie .............................................................................................. 53 4.12 Duurzaamheid & klimaatverandering ........................................................ 55 4.13 Molenbiotoop ............................................................................................. 56 5

Juridische planbeschrijving .............................................................................................. 59 5.1

Inleiding ................................................................................................... 59

5.2

Systematiek van de regels ......................................................................... 59 3

5.3

Bestemmingen .......................................................................................... 59

5.4

Aanduidingen ........................................................................................... 60

Bijlage Omschrijving 1 Situatietekening 2

Watertoets

3

Akoestisch wegverkeerslawaai onderzoek Ecologische quickscan Aanvullend huismus onderzoek Verkennend bodemonderzoek Verkennend archeologisch onderzoek

4 5 6 7

Auteur Lagendijk Tuin- en Landschapsarchitecten Waterschap Rivierenland Voortman Ingenieurs

Referentie LTL21401

Datum 10-01-2022

-

28-09-2021

R-JVO/1732

22-10-2021

Blom Ecologie

BE/2021/782/r

17-08-2021

Blom Ecologie

2021-955

27-09-2022

ADCIM B.V.

20210270-DVO-1 5573

12-11-2021

ADC Archeoprojecten

09-02-2022

4

1.

Inleiding

1.1 Inleiding 1.1.1 Aanleiding Op het perceel Abbekesdoel 82 te Bleskensgraaf is sinds jaar en dag een agrarisch bedrijf gevestigd geweest (zie afbeelding 1). Op het perceel zijn een bedrijfswoning, een wagenloods, een stal en een sleufsilo aanwezig. Er is al enige tijd geen volwaardig agrarisch bedrijf meer gevestigd. Sindsdien is de locatie hobbymatig agrarisch in gebruik. De agrariër is inmiddels op leeftijd en voor hem is het niet meer mogelijk het agrarisch bedrijf door te zetten. Ook is er geen bedrijfsopvolging beschikbaar en gezien het karakter van de locatie (hoeveelheid grond etc.) is het niet aannemelijk het agrarisch bedrijf te verkopen. Gezien de locatie met een volwaardig agrarische functie geen toekomst heeft, is de agrariër voornemens een andere toekomstbestendige situatie te creëren. Omdat de locatie is gelegen in het cultuurhistorische lint langs de Abbekesdoel is besloten om het agrarisch bedrijf te saneren en te wijzigen naar een woonfunctie. Het plan is om de voormalige agrarische bebouwing en overtollige verharding te saneren en daarvoor in de plaats een burgerwoning te realiseren achter de bestaande (bedrijfs)woning.

Afbeelding 1: Luchtfoto plangebied (indicatief)

Het onderhavige plan is strijdig met het vigerende bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’. Op de locatie is de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ gelegen. Op deze gronden is het niet toegestaan een burgerwoning te realiseren. Het plan is middels een principeverzoek (23 juli 2020) voorgelegd aan de gemeente Molenlanden. In een schriftelijke beantwoording (30 juni 2021) heeft de gemeente 5

aangegeven in principe medewerking te verlenen aan het plan middels een bestemmingsplanprocedure. 1.1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen op het kadastrale perceel BKG00 – E – 55. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrenst door de Abbekesdoel met daarachter de Graafstroom. Ten oosten is een agrarisch bedrijf gelegen, ten zuiden en westen is het open polderlandschap gelegen (zie afbeelding 1). 1.1.3 Belang De gemeente Molenlanden geeft toestemming aan ruimtelijke ontwikkelingen wanneer er sprake is van een aangetoonde verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en de individuele, bedrijfs-, maatschappelijke en overige belangen in de directe omgeving niet nadelig worden beïnvloed. Het plan is conform het beleid van de gemeente om (agrarische) bedrijven wanneer mogelijk uit het cultuurhistorische lint te verwijderen (of verplaatsen naar een meer passende locatie). Door het verwijderen van de bestemming wordt toekomstig (agrarisch) bedrijfsmatig gebruik van de gronden in de toekomst uitgesloten. Hetgeen tot gevolg heeft dat het woon- en leefklimaat ter plaatse verbeterd. Het plan voorziet in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en overtollige verharding wordt gesaneerd, waarvoor in de plaats een burgerwoning wordt gerealiseerd.

Hiermee is er sprake van een aanzienlijke afname in bebouwing en wordt er meer openheid/doorzicht gecreëerd. Middels de sanering wordt tevens toekomstige leegstand van de bebouwing en daarmee verdere verpaupering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse voorkomen. Om in een optimale ruimtelijke en ook landschappelijke kwaliteitsverbetering te voorzien is door een expert landschapsarchitect een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (zie verder paragraaf 2.2).

1.2 Kader Bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ Het plangebied is gelegen binnen de contouren van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ en de herzieningen. De laatste herziening is door de voormalige gemeente Molenwaard vastgesteld in 2018 (parapluherziening). Het plangebied heeft de enkelbestemming: • Agrarisch met waarden; De dubbelbestemmingen: • Waterstaat – Waterkering; • Waarde – Archeologie 5; • Waarde – Archeologie 7; En de aanduidingen/maatvoeringen: • Bouwvlak; • Gebiedsaanduiding: vrijwaringszone – dijk; • Gebiedsaanduiding: molenbiotoop 400m; • Gebiedsaanduiding: wro-zone – aanlegvergunning overgangsgebied; • Gebiedsaanduiding: wro-zone – wijzigingsgebied dorpslint. 6

Afbeelding 2: Vigerende bestemmingsplankaart (plangebied indicatief)

1.3 Maatschappelijk resultaat Met de vaststelling van het bestemmingsplan wordt een nieuwe, geactualiseerde en gedigitaliseerde juridische regeling geboden. De bestemming ‘Agrarisch met waarden’ wordt deels gewijzigd naar ‘Wonen’ (voorop) en deels wordt het bouwvlak weggenomen (achterop). Hiermee kan de bedrijfswoning juridisch-planologisch worden gewijzigd naar een burgerwoning en kan daarachter een tweede burgerwoning worden gerealiseerd ter compensatie van de te saneren voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. Het achterste deel van het perceel wordt teruggebracht naar agrarisch land.

1.4 Maatschappelijk draagvlak Participatie De directe buren van het plangebied zijn geïnformeerd alvorens de bestemmingsplanprocedure is gestart. De initiatiefnemer heeft de buren op Abbekesdoel 80a, 80b, 81, 83, 84 en 85 persoonlijk geïnformeerd over het plan. Geen van hen heeft op dat moment aangegeven negatief tegenover het plan te staan. Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan opgestuurd naar de Provincie Zuid-Holland en het Waterschap Rivierenland.

7

Zienswijzen Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken zijn gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder in de gelegenheid is gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Desgevraagd kon ook een mondelinge zienswijze gegeven worden. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

1.5 Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan, voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente is een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

1.6 Communicatie Er wordt op de wettelijke manier gecommuniceerd over de te voeren procedure (via internet, het gemeenteblad en de Staatscourant).

1.7 Realisatie Wanneer er geen beroep wordt ingediend, is het bestemmingsplan na de ter inzage termijn onherroepelijk. De omgevingsvergunning voor de (ver)bouw van de woning(en) kan dan worden aangevraagd.

1.8 Leeswijzer Deze toelichting van het bestemmingsplan bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van het plan zijn beschreven: • Hoofdstuk 2: Planbeschrijving; • Hoofdstuk 3: Verantwoording beleidskaders; • Hoofdstuk 4: Verantwoording sectorale aspecten; • Hoofdstuk 5: Juridische planbeschrijving.

8

2

Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie 2.1.1 Ontstaansgeschiedenis Bleskensgraaf Het dorp Bleskensgraaf is ontstaan als lintbebouwing langs de Graafstroom. Vanuit de lintbebouwing is er rondom de kerk een buurtschap ontstaan. Vanuit dit buurtschap is het dorp Bleskensgraaf ontstaan. Mede door de verbetering van de wegen en de toename van transport over de weg (voorheen over water) is het dorp Bleskensgraaf in de loop der tijd gegroeid. De groei vond met name plaats in de dorpskern. In de Tweede Wereldoorlog is de dorpskern van Bleskensgraaf nagenoeg volledig verwoest als gevolg van een bombardement. Thans is nog slechts een beperkt deel van het oorspronkelijke buurtschap zichtbaar. Na de Tweede Wereldoorlog is het dorp wederopgebouwd. De laatste fase van de wederopbouw werd afgerond met de opening van het gemeentehuis op 12 mei 1955. In de jaren daarna heeft Bleskensgraaf, net zoals de meeste dorpen in de Alblasserwaard een grote groei doorgemaakt, welke is terug te zien in de seriematige uitbreidingswijken rondom de oorspronkelijke kern van het dorp. Het plangebied is enerzijds gelegen in de lintbebouwing langs de Graafstroom, tussen de plaatsen Bleskensgraaf en Oud-Alblas. Deze lintbebouwing is gevormd door een langgerekte strook van min of meer samengegroeide bebouwing langs de Graafstroom. Ter hoogte van het plangebied is sprake van relatief veel openheid.

De bebouwing kenmerkt zich door een afwisseling van (grotere) boerderijen en (kleinere) arbeiders-/knechtenhuisjes. Hier en daar is de oude bebouwing vervangen door nieuwbouw en hebben de bestaande boerderijen hun agrarische functie verloren en zijn volledig in gebruik als woonfunctie. De verkavelingsrichting van het landschap is haaks op de Graafstroom gericht. 2.1.2 Huidige status/gebruik De Abbekesdoel 82 te Bleskensgraaf is in de huidige situatie nog hobbymatig agrarisch in gebruik, er is geen volwaardig agrarisch bedrijf meer gevestigd. Vanaf de weg zijn een (bedrijfs)woning, wagenloods, stal en silo aanwezig (zie afbeelding 3-5).

Afbeelding 3: Aanzicht huidige woning en wagenloods

9

Te behouden (bedrijfs)woning

Te saneren schuur

Te saneren stal

Te saneren silo’s

Afbeelding 4: Indicatie huidige situatie van bovenaf

Afbeelding 5: Aanzicht huidige stal

10

2.2 Nieuwe situatie 2.2.1 Plan Ter plaatse van de Abbekesdoel 82 te Bleskensgraaf wordt de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ deels gewijzigd naar ‘Wonen’ (voorop) en deels wordt het bouwvlak weggenomen (achterop). Hiermee kan de bedrijfswoning juridischplanologisch worden gewijzigd naar een burgerwoning en kan daarachter een tweede burgerwoning worden gerealiseerd ter compensatie van de te saneren voormalige agrarische bedrijfsbebouwing (zie afbeelding 6). Het achterste deel van het perceel wordt teruggebracht naar agrarisch land.

Afbeelding 6: Beoogde nieuwe situatie (indicatief)

2.2.2 Verkeer en parkeren Ontsluiting De Abbekesdoel 82 te Bleskensgraaf wordt in de huidige situatie ontsloten middels een enkele in-/uitrit op de Abbekesdoel. Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. Parkeren Voor de berekening van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020'. Dit parkeerbeleid is gebaseerd op de CROW publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren, 2018). In het CROW-beleid wordt uitgegaan van een bandbreedte van een minimale tot een maximale parkeernorm. In de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020' wordt uitgegaan van het gemiddelde. De gemeente Molenlanden valt qua stedelijkheidsgraad – in zijn geheel - in de categorie ‘niet stedelijk’. Het plangebied is gelegen in het gebiedstype 11

‘Buitengebied’. Voor het type woning ‘koop, vrijstaand’ in dit bestemmingplan moet worden uitgegaan van een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen. Bij beide woningen is er meer dan voldoende ruimte om deze parkeerbehoefte volledig op eigen terrein op te lossen (zie afbeelding 6). Hiermee voldoet het plan aan het gemeentelijk parkeerbeleid. 2.2.3 Molenwaards Kookboek Om middels het plan te voorzien in een optimale ruimtelijke kwaliteit is het voornemen het plangebied op een verantwoorde wijze landschappelijk in te passen. Bij de uitwerking van de landschappelijke inpassing is rekening gehouden met het ruimtelijk kwaliteitskader van de gemeente Molenlanden, het ‘Molenwaards Kookboek’. De stappen van het Kookboek zijn hieronder doorlopen en globaal uiteengezet. 1900

1950

2000

2020

Afbeelding 7: Geschiedenis in beeld (topotijdreis)

Geschiedenis In 1900 is het cultuurhistorische lint langs de Graafstroom al goed zichtbaar, waarbij aan beide zijden van de rivier wegen zijn gelegen. Ter plaatse van het plangebied is nog geen bebouwing aanwezig en ook in de directe omgeving is er weinig bebouwing aanwezig. Opvallend is dat de bebouwing die er is, is gelegen 12

tussen de weg en het water. De kavels in de polder zijn haaks op de Graafstroom gelegen, in 1900 is de verkaveling nog opvallend te noemen. In 1950 is er verder verkaveld en zijn er kavels samengevoegd tot grotere kavels. De bebouwing tussen de weg en het water is toegenomen en ook aan de zuidzijde van de weg is bebouwing gerealiseerd, ook ter plaatse van het plangebied. In 2000 is de schaalvergroting goed zichtbaar. De agrarische bedrijven aan de zuidkant zijn sterk gegroeid en ook het bedrijf ten westen van het plangebied is aanzienlijk gegroeid. In 2020 is de omgeving in vergelijking met 2000 niet veel veranderd. Kenmerken omgeving / erf Het plangebied is gelegen in het cultuurhistorische lint langs de rivier de Graafstroom en daarlangs de Abbekesdoel. De Abbekesdoel heeft zich door de tijd ontwikkeld tot een lint met afwisselend (agrarische) bedrijven, (klassieke) woonboerderijen en kleinere (arbeiders)woningen. Ten noorden is de Graafstroom gelegen en ten zuiden het open polderlandschap. Opvallend is dat het plangebied is gelegen in een stuk van het lint met relatief veel openheid. Tussen het plangebied en de openbare weg is een wetering gelegen. Het erf van het plangebied bezit te kenmerken van een karakteristiek boerenerf. Waarbij de bedrijfswoning op het voorerf is gelegen en de bedrijfsbebouwing in de tweede / derde lijn op het achtererf.

Ontwerpuitgangspunten Middels bovenstaande kenmerken in combinatie met het plan ‘inbreiding in lint’ dient rekening te worden gehouden met de volgende ontwerpuitgangspunten bij het onderhavige plan: • Behouden karakteristieke erf en tuin; • Behouden groene en open karakter; • Behouden doorzichten naar achtergelegen landschap; • Sluit aan op dorpse karakter; • Sluit aan op de huidige verkaveling, sloten- en slagenpatroon; • Sluit aan op de schaal/maat, kleur en de karakteristieken in het lint; • Voorkom blokkering van essentiële elementen; • Plaats nieuwe woningen op het bestaande erf in de tweede lijn achter op het erf; • Herstel waar mogelijk het slagenlandschap; • Pas het parkeren op eigen erf in; • Maak gebruik van de bestaande ontsluiting, voorkom nieuwe ontsluitingen; Landschappelijke inpassing Middels het onderhavige plan wordt zoveel als mogelijk aangesloten bij bovengenoemde ontwerpuitgangspunten (zie afbeelding 8). Hiermee wordt het plangebied op een verantwoorde wijze ingepast. De bestaande woning blijft behouden en wordt gerenoveerd (indien nieuwbouw wordt de woning haaks op de weg geplaatst). De voormalige agrarische bedrijfsbebouwing achter de woning wordt gesaneerd en ter compensatie wordt een tweede woning gerealiseerd.

De tweede woning komt in één lijn met de bestaande woning, om zoveel mogelijk doorzicht te behouden die ontstaat met de sanering van de bedrijfsbebouwing. Dit wordt geborgd door aan weerzijde (oost- en westzijde) van het plangebied geen 13

bouwvlak op te nemen en deze te concentreren achter de bestaande woning. De bestaande ontsluiting blijft gehandhaafd, waarover zowel de nieuwe woning als het achtergelegen agrarisch landschap bereikt kan worden. Op het erf bij beide woningen is en blijft voldoende ruimte om geheel op eigen terrein te parkeren. Het parkeren wordt zoveel als mogelijk aan het zicht onttrokken. Op het erf bij de woningen is er ruimte om bijbehorende bouwwerken te realiseren. Het voornemen is de erven van het polderlandschap te scheiden middels nieuwe watergangen op de perceelsgrenzen. Hetgeen wordt aangevuld met streekeigen soorten beplanting naast het te behouden groen.

Afbeelding 8: Beoogde landschappelijke inpassing

14

3

Beleidskader

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuwe strategisch beleid. De grote en complexe opgave zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio’s; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat er zowel maatregelen op korte termijn als maatregelen op lange termijn nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal zowel de boven- als de ondergrond. Het onderhavige plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het onderhavige plan is kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde rijksbelangen in het Barro. 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting van een 15

bestemmingsplan waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, een beschrijving op te nemen over de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ladder voor duurzame verstedelijking wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. In artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro is de volgende definitie van stedelijke ontwikkeling opgenomen: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. De bouw van één woning is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder (ABRvS 14 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:156).

Ook een plan dat voorziet in de planologische inpassing van drie woningen is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS: 2014:3929). De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is tevens niet van toepassing op een ontwikkeling waarbij zes woningen mogelijk worden gemaakt (ABRVS 18 december 2013, ECLI: NL:RVS:2013: 2471). Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3). Toetsing aan ladder voor duurzame verstedelijking Het onderhavige plan voorziet per saldo in de toevoeging van één extra wooneenheid. Vanuit jurisprudentie is daarmee geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is toetsing van het plan aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk.

16

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale Staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Per 1 april is het Omgevingsbeleid in werking getreden. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: • Naar een klimaatbestendige delta; • Naar een nieuwe economie: the next level; • Naar een levendige meerkernige metropool; • Energievernieuwing; • Best bereikbare provincie; • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Het centrale doel van het provinciale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen.

Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) De provincie Zuid-Holland zet in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Onder “bebouwde ruimte” wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiek-industrieel systeem. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkelingen die niet binnen BSD gerealiseerd kunnen worden en kleinschalige stedelijke ontwikkelingen, kunnen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op BSD of in bebouwingslinten. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen buiten BSD dient de Ladder voor duurzame verstedelijking te worden doorlopen en dient het plan te voldoen aan het provinciaal beleid voor ruimtelijke kwaliteit.

Stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 hectare buiten BSD dienen eerst door Provinciale Staten worden afgewogen en worden op de kaart ‘woningbouwlocaties, bedrijventerreinen en andere stedelijke ontwikkelingen’ (ook wel genoemd: ‘3 ha kaart’) gezet. Het onderhavige plan is niet binnen BSD gelegen, maar in het cultuurhistorische lint en daarmee binnen de bebouwde ruimtelijke structuur. Er wordt een agrarische 17

bedrijfslocatie gesaneerd en een toekomstbestendige situatie gecreëerd op het boerenerf. De bestaande bebouwde ruimte wordt gebruikt voor de realisatie van de (ruimte voor ruimte) woning. Het plan voorziet in een aanzienlijke afname in bebouwing/verharding en er wordt meer openheid gecreëerd. Hiermee sluit het plan aan op het provinciale beleid om de bebouwde ruimte beter te benutten. Verbeteren ruimtelijke kwaliteit Gezien het sterke contrast tussen een dynamische stedelijke omgeving en open deltalandschappen in Zuid-Holland, is zorg voor de ruimtelijke kwaliteit in het bijzonder van belang. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De essentie van het ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten toevoegen aan het gebied en de samenleving. Het onderhavige plan voorziet in de sanering van ca.

870 m2 voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en hiermee in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Hiermee is er sprake van een aanzienlijke afname in bebouwing en wordt er meer openheid/doorzicht gecreëerd. Middels de sanering wordt tevens toekomstige leegstand van de bebouwing en daarmee verdere verpaupering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse voorkomen. Door het verwijderen van de agrarische bedrijfsbestemming wordt toekomstig (agrarisch) bedrijfsmatig gebruik van de gronden in de toekomst uitgesloten. Kwaliteitskaart De kwaliteitskaart is voor de provincie Zuid-Holland een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen. De kwaliteitskaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De kwaliteitskaart biedt een middel om vroeg in het planproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. Het verbinden van nieuwe ontwikkelingen aan de bestaande gebiedskenmerken vormt hierbij uitgangspunt. Het plangebied is gelegen in het ‘veenweidelandschap’ en in het ‘lint’ (zie afbeelding 9).

Het onderhavige plan sluit aan bij de onderstaande richtpunten van deze gebieden en daarmee de kwaliteitskaart van Zuid-Holland. Veenweidegebied De ruimtelijke structuur in het veenweidegebied wordt sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Haaks hierop staan de verkavelingspatronen. Kenmerkend voor het veenweidelandschap is de openheid van het gebied met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels omringd door sloten. 18

Voor ontwikkelingen in het veenweidelandschap heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders; • Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar. Linten Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend.

Voor ontwikkelingen in de linten heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied; • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst; • Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend; • Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht.

Afbeelding 9: Uitsnede kwaliteitskaart Zuid-Holland (cultuur- en natuurlandschappen)

19

3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b.

Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: ▪ zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; c. Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: ▪ Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. Het onderhavige plan kan worden geschaard binnen de categorie ‘inpassen’. Het plan past binnen de gebiedsidentiteit en voorziet niet in wijzigingen op structuurniveau. Het plan is naar aard en schaal passend in het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart van Zuid-Holland.

Stedelijke ontwikkelingen (ladder voor duurzame verstedelijking) In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een 20

locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Het onderhavige plan voorziet per saldo in de toevoeging van één extra wooneenheid. Vanuit jurisprudentie is daarmee geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is toetsing van het plan aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk (zie paragraaf 3.1.3).

21

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In navolging van de regionale structuurvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden, heeft de regio in 2012 de visie 2030 opgesteld. Deze visie is een actualisering van het beleid uit de regionale structuurvisie en bepaalt de beleidskeuzes met het oog op 2030. Binnen de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. In het kader van de regionale centrale visie, de vorming van een vitale regio, zijn niet in gebruik zijnde agrarische bedrijfspercelen niet wenselijk. Daarbij zijn leegstand en verpaupering tevens niet wenselijk. Middels het onderhavige plan wordt een voormalige agrarische bedrijfslocatie op een meer duurzame en toekomstbestendige wijze ingericht. Het plan voorziet in de sanering van ca.

870 m2 voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en hiermee in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Er wordt meer openheid gecreëerd in het cultuurhistorische lint. Het plan draagt daarmee bij aan de versterking van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van het landschap en is daarmee in overeenstemming met het regionaal beleid. 3.3.2 Regionale woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een actualisatie van de Regionale woonvisie 2020 (2013) vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn. De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied een dynamische stedelijke zone. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau. Om die goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld. Er wordt onderscheid gemaakt in: • Stedelijk gebied; • Voorzieningendorpen; • Woondorpen.

De huidige afspraak is een netto toevoeging van maximaal 3.364 woningen netto in totaal voor de regio voor de periode 2015-2025. De gemiddelde jaarlijkse netto woningbehoefte in de regio is geschat op 0,7% huishoudensgroei per jaar.

22

Bleskensgraaf is aangeduid als een voorzieningendorp. Bleskensgraaf heeft hiermee een bovenlokale functie in wonen en voorzieningen. Het plan voorziet in de toevoeging van één woning.

23

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Toekomstvisie Molenwaard De Toekomstvisie Molenwaard geeft aan dat de gemeente plaats biedt aan mensen en bedrijven die hier wonen en werken en die hier willen blijven en mensen en bedrijven die een binding hebben met de gemeente. De gemeente wil zijn bedrijven begeleiden in hun ontwikkeling. Dit vraagt om maatwerk en veelal heel praktische oplossingen. Om de doelen in de visie te realiseren moet worden samengewerkt met bedrijven/ondernemers. Middels het onderhavige plan worden de initiatiefnemers en hun stoppende bedrijf gefaciliteerd in de bedrijfsbeëindiging en wordt maatwerk geboden. De sanering van een stoppend agrarisch bedrijf wordt gefaciliteerd en ter compensatie wordt woonruimte geboden aan de familie die het bedrijf beëindigd. Hierdoor kunnen deze mensen die binding hebben met de gemeente en deze locatie specifiek blijven wonen waar zij willen. Hiermee speelt het plan in op de concrete woningbehoefte van de initiatiefnemers en zorgt deze tegelijkertijd voor een kwalitatieve toevoeging in de woningvoorraad. Het plan is conform de toekomstvisie Molenwaard. 3.4.2 Woonvisie Molenlanden 2020-2024 In oktober 2020 heeft de gemeente Molenlanden de Woonvisie 2020 – 2024 vastgesteld. Relevant voor het plan is het gemeentelijk beleid ten aanzien van woningbouw.

Op het vlak van woningbouw luidt de visie als volgt: • Er worden voldoende woningen gebouwd om te voorzien in de lokale woningvraag, het gaat daarbij om de realisatie van +1.460 woningen in de periode 2020 t/m 2029. • De focus in de nieuwbouw gaat uit naar het bouwen van betaalbare woningen voor starters, jonge doorstromers en nultredenwoningen voor senioren. Daarbij gaat het met name om een vraag naar betaalbare koopwoningen. • De gemeente stuurt meer op de juiste prijs-kwaliteit van woningen, gericht op die doelgroepen waar de grootste vraag zit. Tegelijkertijd versnelt de gemeente de woningproductie, zodat voorkomen wordt dat woningzoekenden naar andere gemeenten uitwijken. • Nieuwbouw voldoet minimaal aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. Dit betekent dat woningen bijna energieneutraal zijn (BENG) en aardgasloos. • Bij de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties en herstructurering van bestaande wijken is het belangrijk om voldoende aandacht te hebben voor klimaatadaptatie, om de gevolgen van droogte en wateroverlast op te kunnen vangen. • Nieuwbouw wordt primair gerealiseerd op transformatieplekken binnen de kernen (sloop / nieuwbouw of herbestemming leegstaand vastgoed). Het plan betreft een zeer kleinschalige ontwikkeling in het cultuurhistorische lint van Bleskensgraaf.

Een voormalige agrarische bedrijfslocatie wordt gesaneerd waarvoor in de plaats een vrijstaande woning wordt gerealiseerd. Hiermee wordt gebruik gemaakt van de bestaande bebouwde ruimte. De hoeveelheid bebouwing en verharding neemt aanzienlijk af, hetgeen positieve gevolgen heeft voor klimaatadaptatie, hittestress en water. Het plan draagt bij tot het realiseren van 24

1.460 woningen in de periode tot en met 2029. Doorstroming wordt gestimuleerd, waardoor andere woningen op de markt vrij kunnen komen. De woning zal voldoen aan de landelijke eisen wat betreft duurzaamheid en energieverbruik. Het plan sluit hiermee aan op de gemeentelijke woonvisie. 3.4.3 Bestemmingsplannen Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ (vastgesteld op 25 januari 2010). Het plangebied heeft de enkelbestemmingen: • Agrarisch met waarden; De dubbelbestemmingen: • Waterstaat – Waterkering; • Waarde – Archeologie; En de aanduidingen/maatvoeringen: • Bouwvlak; • Gebiedsaanduiding: molenbiotoop 400m; • Gebiedsaanduiding: wro-zone – aanlegvergunning overgangsgebied; • Gebiedsaanduiding: wro-zone – wijzigingsgebied dorpslint.

Afbeelding 10: Uitsnede bestemmingsplankaart ‘Buitengebied Graafstroom’

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’ Op 15 september 2015 is de ‘Parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ vastgesteld door de voormalige gemeente Molenwaard. In de herziening zijn regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen voor de dorpskernen, evenals omissies en nieuw beleid. Voor het plangebied betekende dat: • De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ is gesplitst in ‘Waarde – Archeologie 5 en 7’; 25

•

De dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ is gewijzigd.

Bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ Op 20 februari 2018 is de ‘Parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ vastgesteld door de voormalige gemeente Molenwaard. In de herziening zijn regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen voor de dorpskernen, evenals omissies en nieuw beleid. Voor het plangebied betekende dat: • De dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ is gewijzigd; • De gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk’ is langs de waterkering gelegd. Het plan is strijdig met de vigerende bestemmingsplannen. Op gronden met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ is het niet toegestaan om burgerwoningen te realiseren. Een wijziging van het bestemmingsplan is noodzakelijk om het onderhavige plan mogelijk te maken.

Afbeelding 11: Uitsnede bestemmingsplankaart ‘Buitengebied Graafstroom 3 e herziening’

26

Afbeelding 12: Uitsnede bestemmingsplankaart ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’

27

3.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • Het plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders; • Het plan is strijdig met het vigerende bestemmingsplan, een bestemmingsplanwijziging is noodzakelijk; • Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is daarmee niet van toepassing; • Het plan voorziet in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; • De extra wooneenheid wordt gemeld in het regionaal overleg.

28

4

Sectorale aspecten

4.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek De activiteit, het realiseren van een woning, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D 11.2 van het besluit m.e.r. Het plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling, waarbij een voormalige agrarische bedrijfslocatie wordt gesaneerd en een woning wordt gerealiseerd naast de bestaande bedrijfswoning. Er is daarmee geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. Bij dit aantal woningen, onder de grenswaarde van 2.000 woningen waarvoor een directe m.e.r-plicht geldt, geldt wel de vergewisplicht. Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden.

In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Kenmerken van het plan Het plan maakt het juridisch-planologisch mogelijk om de voormalige agrarische bedrijfslocatie te saneren en een woning te realiseren achter de bestaande bedrijfswoning, welke wordt omgezet naar een burgerwoning. Volwaardige (agrarische) bedrijfsactiviteiten ter plaatse worden juridisch-planologisch uitgesloten, behoudens de standaard toegestane aan-huis-gebonden beroepen en bedrijven. De productie van (afval) stoffen wordt aanzienlijk verminderd, er vindt enkel nog productie van huishoudelijk afval plaats (geen afvalstoffen van een agrarisch bedrijf meer). Er zijn geen risico’s voor zware ongevallen, rampen of risico’s voor de menselijke gezondheid. Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000, Beschermd Natuurmonument, NatuurNetwerk Nederland, Wetland, Nationaal Park. Het betreft een bestaand bebouwd perceel, waarbij gebruik wordt gemaakt van de bebouwde ruimte. Gezien deze ligging, het karakter van het plan en gebruik van bestaande bebouwing is er geen sprake van invloed op kwetsbaar milieu of kwetsbare gebieden. Het plan voorziet in het toekomstbestendig maken van het boerenerf in het cultuurhistorische lint, waarbij leegstand en daarmee verpaupering van de locatie wordt voorkomen.

Het plan heeft daarmee een positieve invloed op de cultuurhistorische waarde ter plaatse.

29

Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Gezien het karakter van het plan, sanering voormalige agrarische bedrijfslocatie en realisatie van een woning, heeft het plan positieve effecten op de directe omgeving. Als gevolg van het plan neemt de hoeveelheid (afval) stoffen aanzienlijk af. Het aantal zware verkeersbewegingen neemt af. Hetgeen de verkeersafwikkeling op de Abbekesdoel ten goede komt. Het plan zal daarmee geen significante negatieve effecten hebben op het milieu en de directe omgeving. Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieuaspecten. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wet milieubeheer.

30

4.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Gemeentelijk beleid Vanuit onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), is bepaald dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld moet worden. Om aan deze eis te kunnen voldoen hebben de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en het waterschap Rivierenland de handen ineengeslagen en het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom opgesteld. In dit waterplan is aangegeven welke doelen men wenst te bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom. De doelen uit het beleidsplan zijn uitgewerkt in vier aspecten: • Afkoppelen, meer ruimte voor water creëren en diffuse bronnen aanpakken (duurzaam onkruidbeheer, duurzaam bouwen); • Belevingswaarde; • Samenwerking; • Beheer en onderhoud.

Het beleidsplan moet de gemeenten helpen om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 door optimalisering van het huidige systeem. De gemeenten en het waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem. Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen.

Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen.

31

Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de wateraanen afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Onderzoek Voor het plan is de digitale watertoets doorlopen (2021-09-28), welke is bijgevoegd in de bijlage van deze toelichting. De uitkomsten van de watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt.

Afbeelding 13: Uitsnede legger wateren (plangebied globaal weergegeven)

Watergangen Ten noorden van het plangebied is een A-watergang (001241) gelegen. Ten oosten is een C-watergang (069735) gelegen (zie afbeelding 13). De geplande bouw- en sloopwerkzaamheden vinden plaats buiten de beschermingszones van deze 32

watergangen. Voor eventueel nieuw te graven watergangen dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland. Peilgebied Het plangebied is gelegen in het peilgebied NDW014 (zie afbeelding 14). Dit peilgebied heeft een zomerpeil van -2,24 meter NAP en een winterpeil van -2,34 meter NAP.

Plangebied

Afbeelding 14: Uitsnede peilgebiedenkaart Alblasserwaard

Waterberging en -compensatie Naast de eventuele volumecompensatie, kan het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond tevens effecten hebben voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dien zoveel mogelijk benut te worden. Schoon daken terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2. Verhardingsbalans In onderstaande tabel is de oppervlaktebalans van de verharding in de bestaande en nieuwe situatie weergegeven. De verhardingssituatie rondom de bestaande bedrijfswoning blijft ongewijzigd. De verhardingssituatie achter de woning 33

veranderd wel. Zo wordt de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en overtollige verharding gesaneerd. Daarvoor in de plaats wordt een nieuwe woning gerealiseerd met erfverharding en zal de ontsluiting t.b.v. het achtergelegen land iets worden doorgetrokken. Het plan voorziet hiermee in een afname aan verharding met 680 m2, waardoor watercompenserende maatregelen niet zijn vereist. Tabel 1: Oppervlaktebalans verharding Bestaande situatie Bedrijfswoning Kleine schuur Grote schuur Silo’s Erfverharding nabij bedrijfswoning Erfverharding nabij bedrijfsbebouwing Ontsluiting Totaal bestaande situatie Nieuwe situatie (Bedrijfs)woning Nieuwe woning Erfverharding nabij (bedrijfs)woning Erfverharding nabij nieuwe woning (70% van kavel) Ontsluiting Totaal nieuwe situatie Verschil

Oppervlakte m2 120 170 700 370 200 330 380 2.270 m2 120 120 200 700 450 1.590 m2 Afname van 680 m2

Afbeelding 15: Nieuwe situatie verharding (indicatief)

Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op 34

de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren.

Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De nieuwe woning wordt evenals de bestaande woning aangesloten op het bestaande gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Waterkering Het plangebied is gelegen aan een regionale waterkering (zie afbeelding 16). De bouw- en sloopwerkzaamheden vinden geheel buiten de kern- en beschermingszone van de dijk plaats.

Afbeelding 16: Uitsnede legger waterkeringen (plangebied globaal weergegeven)

35

Wegbeheer De Abbekesdoel 82 te Bleskensgraaf wordt in de huidige situatie ontsloten middels een enkele in-/uitrit op de Abbekesdoel. Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

36

4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=0a312678-55e4-4321-8174-0f3d1e84851c