CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan ’Bedrijventerrein Parallelweg Schelluinen’

Commissievergadering Wonen, Werken & Verkeer 9 januari 2024, gemeente MolenlandenBij agendapunt: 6. Bestemmingsplan Bedrijventerrein Parallelweg Schelluinen21.809 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

60

Aanvullend onderzoek gierzwaluw Uit het nader onderzoek gierzwaluw is gebleken dat bij de sloop van de opstallen de verbodsbepaling artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden ten aanzien van de gierzwaluw. Er gaan namelijk geen nesten verloren. Door de ingreep blijft de functie van het leefgebied behouden. De rapportage van het nader onderzoek gierzwaluw is toegevoegd in de bijlage. Aanvullend onderzoeken vleermuizen Uit het nader onderzoek vleermuizen op de locaties Parallelweg 5-7 is gebleken dat bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden de Wet Natuurbescherming niet wordt overtreden: • Er zijn geen verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes dan wel zwermlocaties van vleermuizen aangetroffen in en nabij de invloedsfeer van de ontwikkeling. • Er zijn geen paarroepjes en baltsgedrag waargenomen, waardoor er ook geen opnames zijn gemaakt. • Het plangebied zelf heeft geen belangrijke waarde als jachtgebied of onderdeel van een vliegroute: Het plangebied wordt in de toekomstige situatie niet veranderd waardoor er geen essentiële lijnelementen verloren gaan. • Er gaan geen verblijfplaatsen of essentiële functies verloren door of tijdens de geplande ingreep. • Vliegroutes, waarbij met een zekere regelmaat vleermuizen passeren, zijn niet aangetroffen. De rapportages van het nader onderzoek vleermuizen is toegevoegd in de bijlage.

Aanvullend onderzoek naar heikikker, rugstreeppad en grote modderkruiper Uit het nader onderzoek naar heikikker, rugstreeppad en grote modderkruiper is gebleken dat bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden geen beschermde soorten hinder ondervinden. Op basis van de bureaustudie en veldbezoeken kan geconcludeerd worden dat bij de geplande ontwikkeling de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Derhalve geldt ten alle tijden het zorgvuldig handelen zoals hierna geadviseerd wordt. Er is geen vergunning/ontheffing ten aanzien van de wet natuurbescherming nodig. De rapportage van het nader onderzoek naar heikikker, rugstreeppad en grote modderkruiper is toegevoegd in de bijlage. Deelgebied 2 Ecologische quickscan Deelgebied 2 heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Deelgebied 2 is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). De beoogde realisatie van een woning, schuur en paardenbak aan de Parallelweg ong. te Giessenburg is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

61

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Lichtuitstraling richting de groenstructuren rondom de planlocatie dient voorkomen te worden. Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv.

aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. • De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. Gebiedsbescherming Deelgebied 1 Op een afstand van circa 3,4 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’. Vanwege de (effect)afstand en tussenliggende bebouwing wordt geen verstoring verwacht.

Deelgebied 1 maakt tevens geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Aangezien het plangebied is gelegen buiten het NNN van Zuid-Holland en het NNN in Zuid-Holland geen externe werking kent, is nadere toetsing niet aan de orde.

62

Afbeelding 24: Plangebied t.o.v. Natura2000-gebieden (deelgebied 1)

Afbeelding 25: Plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (deelgebied 1)

Deelgebied 2 Op een afstand van circa 2,6 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’. Deelgebied 2 maakt tevens geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 900 m ligt het Natuurnetwerk Nederland. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten.

63

Afbeelding 26: Plangebied t.o.v. Natura2000-gebieden (deelgebied 2)

Afbeelding 27: Plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (deelgebied 2)

64

Stikstofdepositie Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. Het plan is om een duurzaam en klimaatadaptief bedrijventerrein te realiseren. De exacte verkaveling en inrichting van het bedrijventerrein dient echter nog nader te worden uitgewerkt. Om te komen tot een toekomstbestendig en goed functionerend bedrijventerrein, en een onacceptabel woon- en leefklimaat voor de woning Parallelweg 4 te voorkomen, wordt de bestaande woning Parallelweg 4 verplaatst naar de nieuwe locatie (lees: deelgebied 2) ten westen van de Kerkweg te Giessenburg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is voor het plan een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (aanleg- en gebruiksfase). In het kader van een goede ruimtelijke ordening is voor wat betreft de verkeersgeneratie van het bedrijventerrein uitgegaan van de kencijfers parkeren en verkeersgeneratie in de ASVV 2021 van het kennisplatform CROW. Het aantal verkeersbewegingen wordt bepaald aan de hand van het type bedrijventerrein en de omvang daarvan.

Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is uitgegaan van een ‘Gemengd terrein’ (type I). De totale verkeersgeneratie ten gevolge van het plan bedraagt per etmaal 383 lichte voertuigbewegingen, 90 vtb/etmaal * 0,41 = 37 middelzware voertuigbewegingen en 90 vtb/etmaal * 0,59 = 53 zware voertuigbewegingen. Daarnaast voorziet de nieuwe (verplaatste) woning in een verkeersgeneratie van 9 lichte verkeersbewegingen per etmaal. Ander verkeer zal niet gegenereerd worden. In de praktijk zal de verkeersgeneratie naar verwachting lager liggen. Uit de verschilberekeningen van de aanlegfase (voor zowel 2023 als 2024) afgezet tegen de referentiesituatie blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Ten opzichte van de referentiesituatie is er dus geen sprake van een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Uit de verschilberekening van de gebruiksfase (beoogde situatie) afgezet tegen de referentiesituatie blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Ten opzichte van de referentiesituatie is er dus geen sprake van een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het plan.

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft ecologie en stikstofdepositie geen belemmeringen. 65

4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Deelgebied 1 Verkennend bodemonderzoek Om de kwaliteit van de bodem in kaart te brengen voor het beoogde gebruik ‘bedrijventerrein’ is een verkennend bodemonderzoek (incl. asbest/PFAS) uitgevoerd. De conclusies van het verkennend bodemonderzoek zijn: Grond • Er zijn wat het NEN 5740-pakket betreft twee overschrijdingen van een tussenwaarde vastgesteld. In de kleiige bovengrond van de boringen 53, 56, 58, 60 en 67 is nikkel boven de tussenwaarde verhoogd. Deze boringen staan op het terrein Parallelweg 7-8. De grond bevat er geen noemenswaardig puin. Nikkel is typerend voor de grond in het rivierengebied. • De puinhoudende grond bovengrond van boring 59, ook op het terrein Parallelweg 7-8, bevat 78 mg/kg ds nikkel.

Het puin bestaat hier geheel uit baksteen. • De slib-houdende ondergrond van boring 6 is maximaal licht verontreinigd. Deze boring staat in demping Twee op het terrein Parallelweg 5. • Ook boring 47 bevat slib, tussen 0.5 en 0.7 m-mv. Boring 47 staat in demping nummer 3, op het terrein aan de Parallelweg 6. Nikkel is als enige licht verhoogd in deze grondlaag, indicatief is de grond AW-kwaliteit. De matig baksteenhoudende grond boven deze laag is wonenkwaliteit, licht verontreinigd met lood, zink en PAK. • De bovengrond ter plaatse van de tank achter de middelste schuur op het terrein Parallelweg 5 is licht verontreinigd met olie. De tank is dubbelwandig en staat op de betonvloer aldaar. Onwaarschijnlijk is dat deze tank de lichte verontreiniging heeft veroorzaakt. Tot 2009 heeft op dezelfde locatie een ondergrondse tank gelegen. Deze was toen al enige jaren niet meer in gebruik. Mogelijk is het licht verhoogde gehalte door deze tank veroorzaakt. Omdat het gehalte ver onder de tussenwaarde ligt wordt verder onderzoek niet nodig geacht.

66

Bestrijdingsmiddelen, PFAS Van de bestrijdingsmiddelen zijn DDT en DDE meetbaar verhoogd in de toplaag van het gebied. DDE is een afbraakproduct van DDT. Gehalte van deze stoffen liggen onder de achtergrondwaarde. De boomgaarden in het gebied in het verleden hebben dus niet geresulteerd in enige verontreiniging met bestrijdingsmiddelen. Van de PFAS-componenten is PFOA in één van de twee bovengrond-mengmonsters boven het industrie-criterium verhoogd. Het gemiddelde PFOA-gehalte ligt (net) onder het industrie-criterium. Conclusie is dat plaatselijk in de bovengrond gehaltes aan PFOA het industrie-criterium kunnen overschrijden. Het PFOA heeft consequenties als bovengrond van het terrein afgevoerd moet worden. Asbest Op het maaiveld ten zuiden van de grote stal aan de Parallelweg 7-8 is één plaatje asbest gevonden met een gewicht van 24 gram. Het blijkt uit hechtgebonden chrysotiel en crocidoliet. In de toplaag van de gootlijn langs deze stal is asbest analytisch niet aantoonbaar. Visueel is verder nergens asbestverdacht (plaat)materiaal gevonden in of op de grond op de locaties. Er zijn vijf mengmonsters van grond en puin op asbest geanalyseerd. Het lab heeft asbest kleiner dan 20 mm aangetoond in het monster van de puin-verharding rond de opstallen aan de Parallelweg 7-8. Er zijn zeven stukjes in de emmer gevonden met een grootte tot 20 mm.

De stukjes resulteren in een gewogen gehalte van 58 mg/kg ds. Het asbest is door het lab omschreven als hechtgebonden chrysotiel en crocidoliet, golfplaat. Voor asbest in grond en puin is een hergebruiksnorm of interventiewaarde van toepassing van 100 mg/kg ds. Het gewogen asbestgehalte in de puinverharding van het terrein Parallelweg 7-8 ligt daar onder. Het monster en de analyse van het puin zijn echter indicatief. De laag puin heeft een dikte van circa 0.4 meter en is geen onderdeel van de bodem. Van eventuele bodemverontreiniging met asbest is hier dus geen sprake. Voor afvoer van het puin is mogelijk onderzoek conform protocol nodig. Aanbevolen wordt dat in overleg met bevoegd gezag en acceptant van het puin uit te voeren. Grondwater Het grondwater staat op het terrein aan de Parallelweg op circa 1.2 m-mv. Voor barium wordt in het grondwater als enige de streefwaarde overschreden. Dit metaal is landelijk verhoogd en niet specifiek voor de locatie zelf. Bariumgehaltes liggen onder de tussenwaarde. Peilbuis 6 staat op korte afstand van de tank op aan de Parallelweg 5. Olie en aromaten zijn niet verhoogd in het grondwater. Van peilbuis 69 is ook het ijzergehalte geanalyseerd. Het gehalte is 1.3 mg/l. Het ijzergehalte is van belang als voor de ontwikkeling van de locatie bemaling nodig is.

Aanvullend bodemonderzoek (nikkel en asbest) Om de ernst en omvang van de verontreiniging met nikkel in de bovengrond te bepalen en te weten of dat de bodemlaag onder het puin (halfverharding tussen de opstallen) asbesthoudend is, is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. De conclusies van het aanvullend bodemonderzoek zijn:

67

Grond In de grond van de aanvullende boringen zijn PCB's maximaal boven de tussenwaarde verontreinigd. Het hoogst gemeten PCB-gehalte is 68 mg/kg ds, in boring 102. Deze staat aan de kant van de Parallelweg. Een ernstig geval van nikkelbodemverontreiniging kan uitgesloten worden. Het criterium daarvoor is een volume aan sterk verontreinigde grond van tenminste 25 m3, al dan niet aaneengesloten. De interventiewaarde van 100 mg/kg ds wordt nergens overschreden. Het nikkel zal voor een deel gerelateerd zijn aan het puin in de grond. Het metaal is echter van nature ook verhoogd in het gebied. Als het puin de enige bron van de nikkel-verontreiniging was, dan waren waarschijnlijk ook andere metalen verhoogd geweest. Asbest Er is visueel verder nergens asbestverdacht (plaat)materiaal gevonden in of op de grond op de locatie. Er zijn twee mengmonsters van grond en puin op asbest geanalyseerd. Het lab heeft daarin geen asbest kleiner dan 20 mm aangetoond. Bij het eerdere onderzoek is wel asbest aangetroffen in de halfverharding. Op basis van alle beschikbare resultaten kan gesteld worden dat de bovengrond en het puin van de locatie aan de Parallelweg geen asbest boven de interventiewaarde zal bevatten. Voor asbest in grond en puin is een hergebruiksnorm of interventiewaarde van toepassing van 100 mg/kg ds.

De algemene bodemkwaliteit van de locatie is geen belemmering voor de ontwikkeling van het terrein. Deelgebied 2 Om de kwaliteit van de bodem in kaart te brengen voor het beoogde gebruik ‘Wonen’ is een verkennend onderzoek (incl. asbest/PFAS) uitgevoerd. De conclusies uit het bodemonderzoek zijn: • De bovengrond op het noordelijk terreindeel en het middenterrein is geheel schoon voor alle parameters uit het standaardpakket. • De geroerde zwak puinhoudende bovengrond op het voorterrein bevat een minimaal verhoogd PAK-gehalte. Dit heeft geen consequenties. Op dit terreindeel is de licht puinhoudende bovengrond extra onderzocht op asbest door het daarvoor erkende bureau Adcim en (zoals bijna standaard het geval is) is hierbij geen asbest aangetroffen; • De kleiige ondergrond is geheel schoon voor alle parameters uit het standaardpakket. • In het grondwater is barium in een gehalte boven de streefwaarde aangetroffen. Dit is een gangbare, niet relevante verhoging. • Op grond van het uitgevoerde bodemonderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen bouw van een woning. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft de bodemkwaliteit geen belemmeringen. Als er bovengrond van de locatie moet worden afgevoerd is PFAS een aandachtspunt. Als grotere partijen (boven)grond afgevoerd moeten worden, dan wordt aanbevolen daar partijkeuring voor uit te voeren.

PFAS is daarbij inbegrepen.

68

4.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.

Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Deelgebied 1 Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het deelgebied 1 is gelegen op gronden met een: • Hoge verwachting voor prehistorie tot middeleeuwen aan of nabij het oppervlak (bruin). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. • Lage verwachting voor alle perioden. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 10.000 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

69

Afbeelding 28: Archeologische verwachtingskaart

Voor het plan is een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. Het archeologisch onderzoek is toegevoegd in de bijlage. ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht deze zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Selectiebesluit gemeente Molenlanden De gemeente Molenlanden heeft het selectieadvies van ADC ArcheoProjecten om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen onderschreven. Op basis van het verkennend booronderzoek is aangetoond dat er in het plangebied geen relevante archeologische niveaus aanwezig zijn die gerelateerd zijn aan de stroomgordelafzettingen van de Spijkse stroomgordel die volgens de beleidskaart en de stroomgordelkaart ten westen van het plangebied gelegen is. De aanwezige komafzettingen waren niet geschikt voor menselijke bewoning in het verleden. De kans dat met de voorgenomen bodemingrepen behoudenswaardige archeologische vindplaatsen verloren gaan is nihil.

Mochten er tijdens graafwerkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt hiervoor een meldplicht conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. 70

Deelgebied 2 Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat deelgebied 2 is gelegen op gronden met een: • Hoge verwachting voor prehistorie tot middeleeuwen aan of nabij het oppervlak (bruin). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Voor de realisatie van de woning met schuur is geen sprake van bodemingrepen dieper dan 30 cm beneden het huidige maaiveld, waardoor het uitvoeren van archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft het aspect archeologie geen belemmeringen.

71

4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Beleidskader Handboek duurzaamheid in gebiedsontwikkelingen De ambitie van de gemeente Molenlanden is een toekomstbestendig Molenlanden door bij nieuwbouw de openbare ruimte en de woningen en gebouwen zo duurzaam mogelijk te ontwikkelen. In het Handboek duurzaamheid in gebiedsontwikkelingen worden richtlijnen gegeven voor duurzaamheid en klimaatadaptatie. In het plan zijn duurzaamheidsmaatregelen toegepast aan de hand van het ‘Handboek duurzaamheid in gebiedsontwikkelingen’. Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is artikel 6.27a Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. alsmede de effecten van de bovengenoemde risico’s op het risico van bodemdaling. Klimaatmitigatie Het voorkomen van verdere klimaatverandering door de uitstoot van broeikasgassen (CO2) te verminderen, wordt ook wel klimaatmitigatie genoemd.

De ambitie van de ontwikkelaar is om voor dit plan in te zetten op het gebruik van duurzame energieopwekkingsystemen met als doel om CO2-uitstoot te minimaliseren. De energievraag zal worden ingevuld met warmtepompsystemen al dan niet in combinatie met zonne-energie (zonder gasaansluiting). Dit geldt voor zowel de woning, de bedrijfsgebouwen als voor de openbare verlichting. Om energie te besparen worden de woning en bedrijfsgebouwen gebouwd conform de meest actuele normen uit het Bouwbesluit (waaronder de isolatie van gebouwen). Deze normen worden gehaald met zo veel mogelijk permanente oplossingen, zoals isolatie en kierdichting, en gebruiksvriendelijke installaties. Deze normen schrijven een zeer hoge kwaliteit voor met betrekking tot energiezuinige bouwwerken en duurzame materialen. Eerdere ervaringen in de woningbouw- en bedrijventerreinontwikkeling worden gebruikt om de gebouwen van een hoogwaardige kwaliteit te leveren. Ook het verminderen van afval en de mogelijkheid tot hergebruik van grondstoffen/ materialen zal bijdragen aan het tegengaan van klimaatverandering. De ambitie is om voor de bouw van de woning en de bedrijfsgebouwen gebruik te maken van duurzame bouwmaterialen die geschikt zijn voor hergebruik. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het creëren van een circulaire economie.

72

Klimaatadaptatie De aarde warmt op en het klimaat verandert. Nederland moet zich voorbereiden op de risico’s van het veranderende klimaat en hierop de omgeving aanpassen. Dit heet klimaatadaptatie. De voorspelling is dat Nederland in 2050 vaker te maken krijgt met hittegolven, regenbuien worden onregelmatiger en de kans op piekbuien wordt groter. Ook nu al merken we al dat de temperatuur in Nederland stijgt. De effecten van hitte merken we overdag voornamelijk door een afname van de productiviteit en ‘s nachts slapen mensen slechter. Het heeft dus een grote impact op de gezondheid van mensen. Een groene leefomgeving kan bijdragen aan een prettigere en gezondere leefomgeving. Daarnaast valt er steeds vaker in een korte tijd, heel veel regen: Een piekbui. Het watersysteem dient hierop voorbereid te zijn. Het plan is om een duurzaam en klimaatadaptief bedrijventerrein te ontwikkelen met een robuust groen-blauw-raamwerk. De watergangen rondom het bedrijventerrein, waaronder de greppel langs de Parallelweg, zullen worden opgewaardeerd en op elkaar worden aangesloten, zodat er sprake is van een robuust watersysteem (waarbij waar mogelijk dammen worden verwijderd). De ambitie van de ontwikkelaar is om hemelwater zoveel mogelijk binnen het bedrijventerrein vast te houden. Overtollig hemelwater wordt direct afgevoerd op omliggende watergangen.

Het plan voorziet in voldoende watercompensatie. Hiermee is voldoende waterberging aanwezig om piekbuien te kunnen opvangen. Hierbij wordt verder gedacht aan multifunctioneel ruimtegebruik. De toekomstige bedrijven worden gestimuleerd om zich in te spannen voor een klimaatadaptieve inrichting, zoals tenminste halfverharding (bijv. grasbetontegels) voor parkeerplaatsen. Eén van de betrokken bedrijven heeft reeds aangegeven zich hiervoor te willen inzetten. De intentie is om alle bedrijfsgebouwen te voorzien van groene daken en/of zonnepanelen. In de Regionale Energiestrategie 1.0 (RES) is vastgesteld dat de doelstellingen voor zonne-energie voornamelijk gerealiseerd moet worden met zon op dak. Dat betekent dat eerst alle mogelijkheden voor zon op dak bekeken moeten worden. De grote oppervlakte van de (toekomstige) bedrijfsdaken bieden hier ruimte voor. Bij de uitwerking van de bedrijfsgebouwen en woning rekening gehouden met de accumulatie van warmte. Hierbij kan gedacht worden aan het toepassen van groene daken, overstekken boven de ramen en/of het aanbrengen van opgaand groen die zorgen voor schaduwvorming. Verder is vanuit de BENG-norm een goede thermische schil vereist en is het toepassen van een doordacht ventilatiesysteem van groot belang. De installaties in de bedrijfsgebouwen en de woning worden geschikt gemaakt om naast verwarmen ook te kunnen koelen.

Daarbij is de ambitie van de ontwikkelaar om energieopwekkend te bouwen, door middel van het toepassen van bijvoorbeeld wtw-units en zonnepanelen op daken en/of boven parkeerplaatsen. Er zullen per bedrijfsperceel voldoende laadpalen voor elektrische auto’s gerealiseerd worden. De hoofdontsluiting van het bedrijventerrein (vanaf de Griendweg) wordt begeleid met groen en water. De groenstroken worden ingericht met streekeigen beplanting die bestand zijn tegen weersomstandigheden als droogte, overvloedige neerslag en hittestress en erosie terugdringen. De groene inrichting van het bedrijventerrein zorgt naast een prettig aanvoelend werkklimaat voor het tegengaan van hittestress en het opvangen van piekbuien (tijdelijke waterberging). Bij het planten van bomen wordt rekening gehouden met de stand van de zon ten aanzien van zonnepanelen 73

én voldoende schaduw op straat. Tenslotte, wordt door het op voldoende hoogte bouwen van de woning en bedrijfsgebouwen, voorgesorteerd op het voorkomen van waterschade door hoge waterstanden.

Afbeelding 29: Robuust groen-blauwe raamwerk

Natuurinclusief bouwen De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om natuurinclusief te bouwen. Natuurinclusief bouwen is een vorm van duurzaam bouwen waarbij zodanig gebouwd en ingericht wordt dat een bouwwerk bijdraagt aan de lokale biodiversiteit en natuurwaarden. De ontwikkelaar is zich bewust van deze ambitie en is voornemens waar mogelijk in te spelen op deze gemeentelijke ambitie. Hierbij kan worden gedacht aan een groen dak op bedrijfsgebouwen of bijgebouwen, ingemetselde nestkasten voor vleermuizen en vogels of een groene inrichting van het openbaar gebied met vogel-, vlinder- en bijvriendelijke bloemen en struiken. Het plan is om een kwalitatief hoogwaardig bedrijventerrein te ontwikkelen met een robuust groenblauw-raamwerk. Om te komen tot een prettig aanvoelend werkklimaat dient de openbare inrichting voldoende groen te bevatten. De groene inrichting van het plangebied zorgt naast een prettig aanvoelend woonklimaat voor een bevordering van de biodiversiteit. In het plangebied worden de watergangen opgewaardeerd tot een robuust watersysteem (waar mogelijk worden bestaande dammen verwijderd). Om de waterkwaliteit van de op peil te houden en de biodiversiteit te bevorderen, worden er waar mogelijk natuurvriendelijke oevers toegepast. De bedrijfsgebouwen worden waar mogelijk voorzien van groene daken en/of ingemetselde nestkasten voor vleermuizen en/of vogels.

De toekomstige bedrijven worden gestimuleerd om de bedrijfspercelen groen in te richten, waaronder groene erfafscheidingen (en deze ook in stand te houden).

74

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Parallelweg Schelluinen’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld met een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Parallelweg Schelluinen’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Parallelweg Schelluinen’ is aangesloten bij de bestemmingsplannen ‘Buitengebied Giessenlanden’ (vastgesteld op 11 maart 2015) en ‘Schelluinen-West fase 2’ (vastgesteld op 8 maart 2022). De regels bestaan uit 4 hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

5.3 Bestemmingen Bedrijventerrein Het bedrijventerrein wordt logischerwijs bestemd als ‘Bedrijventerrein’. Op het bestemmingsvlak worden drie bouwvlakken opgenomen. De bedrijfsgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. De maximale bouwhoogte is vastgelegd middels de maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouwhoogte’. Groen De openbare groenstroken (o.a. aan de zuidzijde van het bedrijventerrein) wordt bestemd als ‘Groen’. In de bestemming ‘Groen’ zijn de bouwmogelijkheden beperkt. Water Het plan is om een duurzaam en klimaatadaptief bedrijventerrein te ontwikkelen met een robuust watersysteem. De A-watergang en de locatie waar de watercompensatie wordt gegraven worden bestemd als ‘Water’. Tuin Ter plaatse van het voorerf van de nieuwe woning wordt de bestemming ‘Agrarisch’ gewijzigd naar ‘Tuin’. Ter plaatse van de gronden met de bestemming ‘Tuin’ zijn de

75

bouwmogelijkheden beperkt. Ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van tuin – paardenbak’ is onder voorwaarden een paardenbak toegestaan. Wonen Ter plaatse van de nieuwe woning aan de Parallelweg te Giessenburg wordt de bestemming ‘Agrarisch’ gewijzigd naar ‘Wonen’ met een bouwvlak. Ter plaatse van de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' zijn maximaal 156 m2 aan bijgebouwen en overkappingen toegestaan met een maximale goothoogte van 4 meter.

5.4 Aanduidingen • • • • • • • • • • •

Gebiedsaanduiding ‘overige zone – groenblauw raamwerk’; Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’; Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – representatieve gevels’; Functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’; Functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.2’; Functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 4.1’; Functieaanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van tuin – paardenbak’; Funcieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – huisvesting arbeidsmigranten’; Functieaanduiding 'specifieke vorm van recreatie - extensief recreatief medegebruik'; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouwhoogte (m): 21 en 15’.

76

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=8c6f7b5f-3306-49d7-a769-b38b94f2e776