CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan ’Bedrijventerrein Parallelweg Schelluinen’

Commissievergadering Wonen, Werken & Verkeer 9 januari 2024, gemeente MolenlandenBij agendapunt: 6. Bestemmingsplan Bedrijventerrein Parallelweg Schelluinen21.809 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Deelgebied 2

Deelgebied 1

Deelgebied 3

Afbeelding 15: Provinciale kwaliteitskaart (laag van cultuur- en natuurlandschappen)

32

Deelgebied 1 Deelgebied 2

Deelgebied 3 Afbeelding 16: Provinciale kwaliteitskaart (laag van de stedelijke occupatie)

Stads- en dorpsranden Voor de ontwikkelingen in de ‘stads- en dorpsrand’ heeft de provincie één richtpunt vastgesteld: • Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). Het plan is om een duurzaam en klimaatadaptief bedrijventerrein te ontwikkelen met een robuust groen-blauw-raamwerk dat zijn legitimatie ontleent aan de landschappelijke onderlegger: het slagenlandschap. Langs de Parallelweg wordt zoveel mogelijk ingezet op het realiseren van verzorgde en representatieve gevels van de bedrijfsgebouwen. Dit is nader uitgewerkt in de door Kuiper Compagnons opgestelde stedenbouwkundig uitwerking. De stedenbouwkundige uitwerking wordt als uitgangspunt genomen bij de inrichting het plangebied. De stedenbouwkundige uitwerking is toegevoegd als bijlage van dit bestemmingsplan. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de Omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. De Omgevingsverordening is gelijktijdig met de Omgevingsvisie herzien/gewijzigd. De Provinciale Staten heeft op 1 april 2023 de laatste wijziging doorgevoerd in de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

De Omgevingsverordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en

33

de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9). Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a) De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b) De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; c) De ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit.

Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. In dit licht kan het plan kan worden geschaard in de categorie ‘transformeren’. Door stedenbouwkundig bureau Kuiper Compagnons is een stedenbouwkundige uitwerking opgesteld. De stedenbouwkundige uitwerking biedt inzicht in welke ontwikkelingen in het plangebied kunnen plaatsvinden. De stedenbouwkundige uitwerking wordt als uitgangspunt genomen bij de nadere inrichting het plangebied. Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 6.2.3 (artikel 6.10) van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen.

Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: • De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; • Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma Ruimte. Het plan betreft een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het plan betreft de uitbreiding van bestaand bedrijventerrein Schelluinen-West (grenzend aan bestaand stedelijk 34

gebied) dat inspeelt op de behoefte naar meer bedrijfsruimte. Er is sprake van discrepantie tussen de praktijk en de papieren werkelijkheid (lees: De Behoefteraming bedrijventerreinen Zuid-Holland (2021)). Cijfermatig lijkt er meer aanbod dan vraag in gemeenten als Molenlanden & Gorinchem. Wanneer op het aanbod in de monitor wordt ingezoomd valt voor deze regio op dat het overgrote deel van het aanbod uit Groote Haar bestaat. Deze kavels zijn naar verwachting pas over enkele jaren daadwerkelijk uit te geven, omdat de ontsluiting nog niet gerealiseerd is en kan worden. De gemeente Molenlanden heeft op papier nog circa 8 hectare aanbod op Schelluinen-West. Dit is aanbod dat specifiek bedoeld is voor transport en logistiek, maar ook toeleverende bedrijven. In de praktijk is fase I van SchelluinenWest (nagenoeg) uitverkocht en fase II beslaat circa 4 hectare. Er zit in deze regio dus een grote discrepantie tussen de praktijk en de papieren werkelijkheid van het aanbod van bedrijventerrein. Met deze ontwikkeling ontstaat een logische afronding van het stedelijk gebied. Het plan voldoet aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Bereikbaarheid Op grond van artikel 6.10d dient in een bestemmingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling rekening te worden gehouden met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid.

Het bedrijventerrein wordt ontsloten via de reeds geplande ontsluitingsweg op de Griendweg. Er wordt een brug over de watergang aangelegd waarmee de nieuwe bedrijven kunnen worden ontsloten. De niet te vestigen bedrijven krijgen geen ontsluiting op de Parallelweg teneinde hinder voor de omgeving en/of verkeersonveilige situaties op de Parallelweg en Kerkweg te voorkomen. Bij de uitwerking van het terrein tussen de bedrijfspercelen wordt rekening gehouden met de bochtstralen van vrachtwagens. Het bedrijventerrein heeft een goede bereikbaarheid (via de Griendweg en de Provincialeweg N216). De Griendweg en de N216 zijn geschikt voor het afwikkelen van grote aantal (transport)verkeersbewegingen. Huisvesting arbeidsmigranten In paragraaf 6.2.3 (artikel 6.10g) van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen: 1. Een bestemmingsplan dat voorziet in de tijdelijke of permanente huisvesting van arbeidsmigranten houdt rekening met ten minste de normenset voor huisvesting van arbeidsmigranten van het register van de Stichting Normering Flexwonen of een eventuele opvolger daarvan. 2. Een bestemmingsplan dat voorziet in tijdelijke of permanente huisvesting van arbeidsmigranten betrekt bij het toelaten daarvan de Wet goed verhuurderschap met het oogmerk om misstanden en uitbuiting ten aanzien van de woonsituatie van arbeidsmigranten te voorkomen. 3.

Een bestemmingsplan voor bedrijfsmatige activiteiten die naar verwachting zullen leiden tot een aanzienlijke toename van de werkgelegenheid ten opzichte van de huidige situatie, brengt de extra huisvestingsbehoefte voor de toekomstige werknemers in beeld en geeft aan op welke wijze hierin zal worden voorzien.

35

De economie trekt aan en de (technische) beroepsbevolking krimpt. Aan de vraag naar arbeid kan niet meer worden voldaan. Een deel van de Molenlandse bedrijven is structureel aangewezen op werknemers uit het buitenland. De gemeente ziet dit terug in de komst van arbeidsmigranten. Dit bestemmingsplan biedt de mogelijkheid tot het inpassen van huisvestingsmogelijkheden voor arbeidsmigranten op het perceel Parallelweg 4 Schelluinen. In het kader van het realiseren van een toekomstbestendig en goed functionerend bedrijventerrein is in de regels van dit bestemmingsplan een regeling opgenomen, (gekoppeld aan het perceel Parallelweg 4 Schelluinen), die, onder bepaalde voorwaarden, de mogelijkheid tot huisvesting van arbeidsmigranten biedt (artikel 4.6.2). Eén van de regels is dat de huisvesting van arbeidsmigranten minimaal moet voldoent aan de vereisten uit het SNF-keurmerk. Kansen voor biodiversiteit Op grond van artikel 6.10h dient in een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de mogelijkheden voor het bevorderen van de biologische diversiteit wordt betrokken. Het plan is om een kwalitatief hoogwaardig bedrijventerrein te ontwikkelen met een robuust groen-blauw-raamwerk. Om te komen tot een prettig aanvoelend werkklimaat dient de openbare inrichting voldoende groen te bevatten.

De groene inrichting van het plangebied zorgt naast een prettig aanvoelend woonklimaat voor een bevordering van de biodiversiteit. In het plangebied worden de watergangen opgewaardeerd tot een robuust watersysteem (waarbij waar mogelijk bestaande dammen worden verwijderd). Om de waterkwaliteit van de op peil te houden en de biodiversiteit te bevorderen, worden er waar mogelijk natuurvriendelijke oevers toegepast. De bedrijfsgebouwen worden waar mogelijk voorzien van groene daken en/of ingemetselde nestkasten voor vleermuizen en/of vogels. De toekomstige bedrijven worden gestimuleerd om de bedrijfspercelen groen in te richten, waaronder groene erfafscheidingen (en deze ook in stand te houden). Milieucategorie bedrijven Bedrijven in de hogere milieucategorieën/ milieuzones vormen een belangrijke schakel in de economische structuur van de provincie Zuid-Holland. Op grond van artikel 6.12, lid 1 van de Omgevingsverordening dient een bestemmingsplan voor de ontwikkeling van een bedrijventerrein de vestiging van bedrijven uit de hoogst mogelijke milieucategorie mogelijk te maken. Het plan betreft de uitbreiding van een bedrijventerrein. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is rekening gehouden met de toekomstbestendigheid van het bedrijventerrein. Derhalve is besloten om een milieuzonering toe te passen op het bedrijventerrein.

Het uitgangspunt hierbij is het mogelijk maken van de hoogst mogelijke milieucategorie. Dit is nader uitgewerkt in hoofdstuk 4.5 Bedrijven en milieuhinder van de voorliggende toelichting.

36

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. De opvolgende visie ‘open voor elkaar’ benadrukt het bijzondere cultuurhistorische landschap, de grote sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden. In het kader van de regionale centrale visie, de vorming van een vitale regio, is het belangrijk dat regionale ondernemers zich verder kunnen ontplooien. Het plan voorziet in een concrete uitbreidingsbehoefte van vier lokaal en regionaal gebonden bedrijven. De bedrijven hebben de afgelopen jaren een sterke groei doorgemaakt, waardoor de huidige bedrijfslocaties niet meer toereikend zijn voor de continuïteit van de bedrijven. Er is een concrete behoefte naar meer bedrijfsruimte.

De bedrijven hebben een sterke binding met de gemeente Molenlanden. Veel werknemers van de betrokken bedrijven zijn woonachtig in de gemeente Molenlanden. De bedrijven hebben een maatschappelijke functie in de vorm van werkgelegenheid. Het plan zal resulteren in toenemende werkgelegenheid. Het plan geeft een positieve impuls aan de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van het dorp Schelluinen. Het plan is om een duurzaam en klimaatadaptief bedrijventerrein te ontwikkelen met een robuust groen-blauw-raamwerk dat zijn legitimatie ontleent aan de landschappelijke onderlegger: het slagenlandschap. Langs de Parallelweg wordt zoveel mogelijk ingezet op het realiseren van verzorgde en representatieve gevels van de bedrijfsgebouwen. Het plan is in overeenstemming met het regionale beleid. 3.3.2 Bedrijventerreinenstrategie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden (2015) Het ruimtelijk beleid van de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden is gericht op concentratie van verstedelijking langs de infrastructuurassen. Daarnaast wordt als beleidsmatig uitgangspunt gehanteerd dat de leefbaarheid en het voorzieningenniveau in de kernen in het middengebied en de Lekzone in stand dient te worden gehouden. Om de (economische) leefbaarheid in de kernen te waarborgen is het behoud van economische activiteiten en werkgelegenheid van belang. Hiertoe dient voldoende ruimte voor bedrijven te worden geboden.

In de kwalitatieve verdieping voor regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden wordt vastgesteld dat er zeer weinig aanbod beschikbaar is ten opzichte van de verwachte vraag. De beschikbare ruimte voor uitbreiding en nieuwvestiging van (lokale) bedrijven is op zeer korte termijn beperkt. Ook geografisch gezien is het aanbod regionaal weinig gespreid. Regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden heeft hoofdzakelijk een eigen economisch ecosysteem. De lokale gebondenheid van bedrijven met de regio is groot. Het is noodzakelijk dat bedrijvigheid zich in de eigen regio kan vestigingen en (door)groeien. Reguliere bedrijvigheid kan in de knel

37

komen of worden beperkt in het functioneren, omdat voldoende uitbreidingsruimte ontbreekt. Dit remt de economische ontwikkeling van de regio. Het is belangrijk oog te hebben en houden voor deze groep bedrijven. Immers, de economie van Alblasserwaard-Vijfheerenlanden bestaat voor een groot deel (70%) uit traditionele bedrijvigheid. Dit plan speelt in op de concrete behoefte naar meer bedrijventerrein in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden. Het plan zal resulteren in toenemende werkgelegenheid. Dit geeft een positieve impuls aan de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van het dorp Schelluinen.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Toekomstvisie Molenwaard De toekomstvisie Molenwaard geeft aan dat de gemeente plaats biedt aan mensen die hier wonen en werken, die hier willen blijven en mensen die een binding hebben met de gemeente. Mensen moeten kunnen wonen en werken waar ze willen. De toekomstvisie Molenwaard geeft aan dat er voldoende bedrijvigheid nodig is in de gemeente. De gemeente wil inspelen op economische ontwikkelingen en de aantrekkelijkheid van het gebied voor bedrijvigheid behouden. Bedrijven worden actief ondersteund en begeleid in hun ontwikkeling. Dit vraagt om maatwerk en veelal veel praktische oplossingen. Het plan voorziet in een concrete uitbreidingsbehoefte van lokaal en regionaal gebonden bedrijven. De bedrijven hebben een sterke binding met de gemeente Molenlanden. Veel werknemers van de betrokken bedrijven zijn woonachtig in de gemeente Molenlanden. Het plan geeft een positieve impuls aan de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van het dorp Schelluinen. 3.4.2 Toekomstvisie Molenlanden De Toekomstvisie Molenlanden 2030 ‘Eigenheid in verbondenheid’ houdt de gemeente op koers tot 2030 door dialoog, nabijheid en ambitie. Op 6 onderwerpen beschrijft de visie de landelijke en lokale trends en de wensen van de gemeente. Deze trends die de gemeente ziet, gebruikt de gemeente om de wensen mogelijk te maken.

Per onderwerp schetst de gemeente het beeld voor het jaar 2030. Deze zes beelden samen bepalen het integrale beeld voor wat de gemeente in 2030 wil zijn: • Inclusieve samenleving: in onze samenleving staat gezondheid voorop en zijn alle inwoners even belangrijk; • Leefomgeving: de omgeving waarin we wonen voelt veilig en is zo ingericht dat we grote gevolgen van klimaat op kunnen vangen. Er staan genoeg woningen in onze gemeente waar vraag naar is; • Economie: Molenlanden is een gemeente waar innovatie een belangrijke plek heeft en ondernemen vanzelfsprekend is; • Recreatie en Toerisme: het toerisme in Molenlanden is in balans; • Klimaat en energie: we werken samen aan een circulair, energieneutraal, klimaatbestendig en schoon Molenlanden met aandacht voor een eerlijke voedselketen waarin afval wordt gezien als grondstof; • Bereikbaarheid: Inwoners van Molenlanden ervaren met verschillende vervoersmiddelen dat onze dorpen, de vestingstad en de regio veilig en goed bereikbaar zijn.

38

Het plan voorziet in een concrete uitbreidingsbehoefte van lokaal en regionaal gebonden bedrijven. Hiermee worden de bedrijven de mogelijkheid geboden om te innoveren en zich verder te ontwikkelen. Het geplande bedrijventerrein heeft een goede bereikbaarheid wat zeer belangrijk is voor de bedrijven. 3.4.3 Visie bedrijventerreinen gemeente Molenlanden De gemeente Molenlanden werkt aan de ‘Visie bedrijventerreinen gemeente Molenlanden’. In de visie wordt aangegeven hoe de gemeente Molenlanden de kwaliteit van de bedrijventerreinen wilt verbeteren, hoe de bedrijventerreinen zo goed mogelijk kunnen worden benut en hoe wordt omgegaan met het het tekort aan ruimte voor bedrijven. De visie op de toekomst van onze bedrijventerreinen bestaat uit zes kernpunten: 1. Voldoende ruimte voor bedrijvigheid 2. Ruimte voor bedrijvigheid goed benutten 3. Sturen op de juiste bedrijven op de juiste plek 4. Heldere communicatie en verwachtingen 5. Toekomstbestendige bedrijventerreinen 6. Molenlanden in de regio Het plan betreft een uitbreiding van het bedrijventerrein Schelluinen-West. Dit plan speelt in op de behoefte aan bedrijventerrein in de gemeente Molenlanden/ de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden. Het bedrijventerrein wordt op een landschappelijk en stedenbouwkundig verantwoorde wijze ingericht.

Tevens worden in het plan duurzaamheidsmaatregelen toegepast aan de hand van het ‘Handboek duurzaamheid in gebiedsontwikkelingen’. Dit is nader toegelicht in paragraaf 4.11.

3.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • • • •

Het plan is in overeenstemming met de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders; Het plan voldoet aan ‘de Ladder voor duurzame verstedelijking’. Het duurzame en klimaatadaptieve bedrijventerrein wordt op een landschappelijk en stedenbouwkundig verantwoorde wijze ingericht. Het plan geeft een positieve impuls aan de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van het dorp Schelluinen en de rest van de gemeente Molenlanden.

39

4.

Verantwoording sectorale aspecten

4.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.- plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Voor de bedoelde gevallen (onder de drempelwaarden bij zgn. D-activiteiten) geldt een ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordelingsplicht zoals bedoeld in artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit m.e.r., op basis waarvan al dan niet de verplichting tot het opstellen van een MER ontstaat. Onderzoek Het plan, de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein, valt onder categorie D 11.3 van het Besluit m.e.r. Er geldt een m.e.r-plicht wanneer de ontwikkeling boven de drempelwaarde (een oppervlakte van 75 hectare of meer) uitkomt. De drempelwaarde wordt in dit plan niet overschreden aangezien het in casu gaat om een bedrijventerrein met een omvang van circa 5,9 hectare. Er is daarmee geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. Kenmerken van het plan Het plan betreft de realisatie van een bedrijventerrein met een oppervlakte van ca. 5,9 hectare (per saldo een toename van ca. 4,1 hectare bedrijventerrein).

Het plan voorziet in een concrete uitbreidingsbehoefte van lokaal en regionaal gebonden bedrijven. Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende Natura 2000-gebieden, beschermingscategorie 1 (Natuurnetwerk Nederland en beschermd grasland in de Bollenstreek) of beschermingscategorie 2 (Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer). Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Gezien de kleinschaligheid van het plan in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de ligging van het plangebied, en de onderbouwing van de verschillende milieuaspecten in de volgende hoofdstukken, kan worden gesteld dat het plan geen significante negatieve effecten heeft op het milieu. Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 7.17 van de Wet milieubeheer. Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd.

Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 7.17 van de Wet milieubeheer.

40

4.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheerder, de beheerder van waterkeringen en de beheerder van zuiveringsinstallaties. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen.

De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de water aanen afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Oppervlaktewater Binnen deelgebied 1 is één B-watergang en één A-watergang gelegen. Voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein zal de A-watergang deels worden gedempt / omgelegd. Ten behoeve van de realisatie van het bedrijventerrein worden de Bwatergang en C-watergangen gedempt.

Ter compensatie van de verhardingstoename (als gevolg van de bedrijventerreinontwikkeling fase 1) en het dempen van watergangen worden in deelgebied 1 een aantal C-watergangen verbreed en worden nieuwe watergangen gegraven. Voor de realisatie van het bedrijventerrein is het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Rivierenland vereist. Voor de aanleg van beplanting in de nabijheid van watergangen wordt rekening gehouden 41

met de regels van het waterschap (de Keur). In deelgebied 2 en 3 ligt één Awatergang (aan de noordzijde van deelgebied 3) en diverse C-watergangen. Er vinden in dit bestemmingsplan (fase 1 van de bedrijventerreinontwikkeling) geen ingrepen plaats aan de A- en C-watergangen en/of werkzaamheden plaats in de beschermingszone van de A-watergang.

Afbeelding 17: Uitsneden Legger wateren

Robuust watersysteem Het plan is om een duurzaam en klimaatadaptief bedrijventerrein te ontwikkelen met een robuust groen-blauw-raamwerk. De watergangen rondom deelgebied 1, waaronder de greppel langs de Parallelweg, zullen worden opgewaardeerd en op elkaar worden aangesloten (waarbij een aantal dammen worden verwijderd), zodat er sprake is van een robuust watersysteem. De hoofdontsluiting van het bedrijventerrein (vanaf de Griendweg) wordt begeleid met groen en water. De ambitie van de ontwikkelaar is om hemelwater zoveel mogelijk binnen het 42

bedrijventerrein vast te houden. Hierbij wordt gedacht aan multifunctioneel ruimtegebruik. De toekomstige bedrijven worden gestimuleerd om zich in te spannen voor een klimaatadaptieve inrichting, zoals tenminste halfverharding (bijv. grasbetontegels) voor parkeerplaatsen. Eén van de betrokken bedrijven heeft reeds aangegeven zich hiervoor te willen inzetten. Op woensdag 13 december 2023 heeft een overleg plaatsgevonden tussen het Waterschap Rivierenland, gemeente Molenlanden en de ontwikkelaar. Hierin zijn afspraken gemaakt over de realisatie van een robuust watersysteem. De exacte (civieltechnische) uitwerking van het bedrijventerrein, waaronder de breedte van de watergangen (om te komen tot een robuust watersysteem), zal nader worden afgestemd met het waterschap Rivierenland in het kader van de watervergunning.

Afbeelding 18: Robuust watersysteem

Peilgebied Het plangebied (lees: alle deelgebieden) zijn gelegen binnen het peilgebied OVW043. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,25 m NAP en een winterpeil van -1,28 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter.

43

Locatie watercompensatie (Deelgebied 3)

Deelgebied 2

Deelgebied 1

Afbeelding 19: Uitsnede peilgebiedenkaart

Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is, heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2. De afdeling Vergunningen van het waterschap Rivierenland zal uiteindelijk bepalen of gebruik kan worden gemaakt van deze vrijstelling. Verhardingsbalans Deelgebied 1 en 3 Het plan is om een duurzaam en klimaatadaptief bedrijventerrein met een robuust watersysteem te realiseren. De exacte verkaveling en inrichting van het bedrijventerrein dient echter nog nader te worden uitgewerkt.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door Adcim B.V. een verhardingsbalans opgesteld voor de realisatie van het bedrijventerrein (deelgebied 1). Hierbij is uitgegaan van een worstcasescenario, waarbij het overgrote deel van deelgebied 1 zal worden verhard of bebouwd. De verhardingsbalans (incl. watercompensatietekeningen) is toegevoegd in de bijlage. Het plan resulteert in een toename aan verharding van 35.511 m². De benodigde watercompensatie bedraagt 1.548 m3. Uitgaande van een toelaatbare peilstijging van 0,2 meter betekent dit een te realiseren oppervlaktewater van 7.741 m².

44

Waterschap Rivierenland geeft aan dat watercompensatie kan worden gerealiseerd door het verbreden van watergangen of het realiseren van nieuw oppervlaktewater, mits dit in directe verbinding staat met het polderpeil. Om aan de watercompensatieplicht te voldoen wordt binnen deelgebied 1 en op de gronden aan de Parallelweg te Giessenburg (deelgebied 3) oppervlaktewater gegraven (zie afbeelding 21). Hiermee wordt voldaan aan de compensatieplicht. De ambitie van de ontwikkelaar is om hemelwater zoveel mogelijk binnen het bedrijventerrein vast te houden. Hierbij wordt gedacht aan multifunctioneel ruimtegebruik. Alle benodigde watercompensatie wordt gefaseerd gerealiseerd in het plangebied van de integrale bedrijventerreinontwikkeling. Omdat de nieuwe watergangen dienen als watercompensatie zullen deze watergangen een B-status krijgen. Met een B-status wordt het onderhoud van de waterberging gegarandeerd vanwege de onderhoudsplicht. De watergangen dienen te voldoen aan de minimale afmetingen voor B-watergangen zoals in de Keur is aangegeven. De exacte (civieltechnische) uitwerking van het bedrijventerrein, waaronder de breedte van de watergangen (om te komen tot een robuust watersysteem), zal nader worden afgestemd met het waterschap Rivierenland in het kader van de watervergunning. Hydraulische toetsing watersysteem In het kader van een goede ruimtelijke ordening is aan Adcim B.V.

gevraagd om het watersysteem ter plaatse van de ontwikkeling nader te beschouwen in relatie tot de wateropgave ten behoeve van de ontwikkeling. Uit de toetsing blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling van het bedrijventerrein (fase 1 en 2) aan de Parallelweg te Schelluinen is uitvoerbaar conform de bepalingen in de Keur van het Waterschap Rivierenland. De afmetingen van de watergangen voldoen aan de minimale dimensies zoals beschreven in de Keur. Gezien de ligging van het plangebied binnen het peilgebied, kan de opstuwing die zich voordoet tijdens zowel normale als extreme afvoersituaties, binnen het watersysteem opgevangen worden. De uitgebreide rapportage is toegevoegd in de bijlage.

Afbeelding 20: Bestaande situatie (uitvergroot in bijlage)

45

Afbeelding 21: Nieuwe situatie totaalplan (uitvergroot in bijlage)

46

Deelgebied 2 Voor de bouw van de woning met schuur in deelgebied 2 blijft men ruimschoots onder de particuliere vrijstellingsgrens van 1.500 m2. De toekomstige eigenaren van de woning zijn voornemens gebruik te maken van de eenmalige particuliere vrijstelling van het waterschap Rivierenland, waardoor watercompenserende maatregelen niet noodzakelijk zijn. De afdeling Vergunningen van het waterschap Rivierenland zal beoordelen of dat gebruik kan worden gemaakt van de vrijstelling.

Afbeelding 22: Bestaande situatie deelgebied 2

Afbeelding 23: Nieuwe situatie deelgebied 2 (indicatief)

47

Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het plan is om een duurzaam en klimaatadaptief bedrijventerrein met een robuust watersysteem te realiseren. De exacte verkaveling en inrichting van het bedrijventerrein dient echter nog nader te worden uitgewerkt. In het kader van de watervergunning en omgevingsvergunning zal een rioleringsplan worden opgesteld en worden afgestemd met het waterschap Rivierenland en de gemeente Molenlanden. Geadviseerd wordt om een verbeterd gescheiden rioolstelsel aan te leggen. De ambitie van de ontwikkelaar is om hemelwater zoveel mogelijk binnen het bedrijventerrein vast te houden. Hierbij wordt gedacht aan multifunctioneel ruimtegebruik.

De toekomstige bedrijven zullen worden gestimuleerd om zich in te spannen voor een klimaatadaptieve inrichting, zoals tenminste halfverharding (bijv. grasbetontegels) voor parkeerplaatsen. Eén van de betrokken bedrijven heeft reeds aangegeven zich hiervoor te willen inzetten. Waterkering Het plangebied is niet gelegen in de kern- en beschermingszone van een primaire of regionale waterkering Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Voor de realisatie van het bedrijventerrein dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland.

48

4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen.

Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Deelgebied 1 Het plan betreft de realisatie van een bedrijventerrein (zonder bedrijfswoningen). Een bedrijventerrein wordt niet aangemerkt als geluidsgevoelige functie in het kader van de Wet geluidhinder (Wgh). Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeers-, railverkeers- en/of industrielawaai is derhalve niet noodzakelijk. Deelgebied 2 De woning is ten aanzien van wegverkeerslawaai gelegen binnen de geluidzone van de rijksweg A15, Parallelweg en Kerkweg en ten aanzien van railverkeerslawaai binnen de geluidzone van de Betuweroute en Lingeroute.

Voor de bouw van de nieuwe woning is door Voortman Ingenieurs een akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai uitgevoerd. In het akoestisch onderzoek is er vanuit gegaan dat de zuidgevel en westgevel op de 1ste verdieping als zogenaamde dove gevel wordt uitgevoerd. Dove gevels worden niet getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder maar dienen voldoende 49

geluidwerende kwaliteit te hebben om te kunnen voldoen aan de karakteristieke geluidwering conform het Bouwbesluit 2012. Tevens wordt een gesloten geluidscherm geplaatst in het verlengde van de zuidgevel met een hoogte van 3,7 m en een lengte van 13 m, zodat de buitenruimte (met plat dak) als geluidluwe buitenruimte kan worden aangemerkt en op de begane grond een geluidluwe gevel wordt gerealiseerd. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat: Wegverkeerslawaai • De berekende geluidbelasting ten gevolge van de A15 ter plaatse van de nietdove gevels ten hoogste respectievelijk 53 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh bedraagt en hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB maar niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB, incl. aftrek art. 110g Wgh voor wegverkeer; • De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Parallelweg en Kerkweg ten hoogste respectievelijk 33 en 36 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh bedraagt en niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, incl. aftrek art. 110g Wgh voor wegverkeer; • De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen ten hoogste 62 dB, excl.

aftrek artikel 110g Wgh bedraagt; Railverkeerslawaai • De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van railverkeerslawaai van de Betuweroute/Lingeroute ten hoogste 53 dB bedraagt ter plaatse van de niet-dove gevels en niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB voor railverkeer; Gecumuleerde geluidbelasting alle bronsoorten • De geluidbelasting ten gevolge van railverkeerslawaai is ter plaatse van de niet-dove gevels niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB en wordt derhalve niet gecumuleerd met wegverkeerslawaai. Gemeentelijk geluidbeleid • De woning beschikt, mede door toepassing van een geluidscherm over een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte waarmee aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan. Conclusie Het plan is akoestisch uitvoerbaar. Voor de woning dient een hogere grenswaarde te worden vastgesteld voor wegverkeerslawaai. Een verzoek tot vaststelling voor hogere waarden dient ingediend te worden bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Molenlanden.

50

4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 2: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)

Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 µg/m3

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3

Vanaf 2015

Deelgebied 1 Voor de omgeving van deelgebied 1 (Rekenpunt 15814787) geeft de NSL-monitoring (2021) het volgende overzicht voor het jaar 2020: • Een stikstofconcentratie van 24,37 µg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 16,78 µg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie tussen 9,20 µg/m3 PM2,5; Deelgebied 2 Voor de omgeving van deelgebied 2 (Rekenpunt 707904) geeft de NSL-monitoring (2021) het volgende overzicht voor het jaar 2020: • Een stikstofconcentratie van 23,73 µg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 16,73 µg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie tussen 9,19 µg/m3 PM2,5; Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan de grenswaarden wordt voldaan.

51

Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het plan is om een duurzaam en klimaatadaptief bedrijventerrein te ontwikkelen. De exacte verkaveling van het bedrijventerrein en grootten van de bedrijfsgebouwen dient nog nader te worden uitgewerkt (afhankelijk van de behoefte). Daarmee is het op dit moment nog niet mogelijk om het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het plan exact uit te rekenen. Voor het plan is een theoretische berekening van de verkeersgeneratie uitgevoerd.

Dit is nader uitgewerkt in hoofdstuk 2.2.2 Verkeer en parkeren. Om te bepalen of dat het plan onevenredige gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit is uitgegaan van een worstcasescenario (de bestaande verkeersgeneratie is niet van de nieuwe verkeersgeneratie afgetrokken). Per saldo zal het extra verkeer dus lager liggen. De verkeersgeneratie van het plan bedraagt 383 verkeersbewegingen van licht verkeer en 90 verkeersbewegingen van zwaar verkeer per weekdagetmaal.

Conclusie Het plan valt binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit het oogpunt van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan. 52

4.5 Bedrijven en milieuhinder Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.

Tabel 3: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Gemengd gebied Het plangebied is gelegen in het omgevingstype gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar worden gerechtvaardigd. De richtafstand mag daarmee één afstandstrap worden verlaagd. Onderzoek Deelgebied 1 Het plan betreft enerzijds de uitbreiding van een bedrijventerrein. Hiermee is conform het VNG-Handboek Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) sprake van een uitbreiding van een milieubelastende activiteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is rekening gehouden met de toekomstbestendigheid van het bedrijventerrein. Derhalve is besloten om een milieuzonering toe te passen op het bedrijventerrein. Het uitgangspunt hierbij is het mogelijk maken van de hoogst mogelijke milieucategorie.

53

Ter plaatse van het bestemmingsvlak ‘Bedrijventerrein’ zijn de functieaanduidingen ‘bedrijf tot en met categorie 4.1’, ‘bedrijf tot en met categorie 3.2’ en ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’ opgenomen. Voor deze type bedrijven geldt een richtafstand van 100 meter (ca. 4.1), 50 meter (cat. 3.2) en 30 meter (cat. 3.1) tot omliggende woningen. De dichtstbijzijnde woning (Parallelweg 3 Giessenburg) is gelegen op 38 meter van het plangebied. Derhalve wordt aan de westzijde van deelgebied 1 de functieaanduidingen ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’ (strook met breedte van ca. 4 meter) en ‘bedrijf tot en met categorie 3.2’ (strook met breedte van ca. 50 meter) opgenomen. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden. Gesteld kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de omliggende woningen en dat geen bedrijven in de bedrijfsvoering worden beperkt. Gezien de verkaveling van het bedrijventerrein, de grootten van de bedrijfsgebouwen en de type bedrijven nog niet bekend zijn, is in het kader van de toekomstbestendigheid van het bedrijventerrein een binnenplanse afwijkingsregeling opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan om in deze zones bedrijven tot max. milieucategorie 4.1 toe te laten, mits wordt aangetoond dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de omliggende woningen.

Deelgebied 2 Het plan betreft anderzijds de bouw van een woning aan de Parallelweg te Giessenburg (ten westen van de Kerkweg). Hiermee is conform het VNG-Handboek Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) sprake van toevoeging van een milieugevoelige functie. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In de omgeving van de nieuwe woning zijn geen bedrijven of overige milieubelastende activiteiten aanwezig. Gesteld kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de nieuwe woning. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.

54

4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR=10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.

Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Onderzoek Deelgebied 1 Voor de realisatie van het bedrijventerrein is door DGMR een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek externe veiligheid is toegevoegd in de bijlage. In de omgeving van het plan liggen twee relevante risicobronnen: • Transport van geklasseerde stoffen over de Betuweroute; • Transport van geklasseerde stoffen over de A15. Voor beide risicobronnen geldt vanuit de Regeling basisnet een veiligheidsafstand. Het plangebied ligt buiten deze afstand, zodat wordt voldaan wordt aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico. Deelgebied 1 is gelegen binnen de 200 meter zone en 100% letaalzone van de A15 en de Betuweroute. De N216 ligt op meer dan 200 meter van deelgebied 1.

55

Het groepsrisico van de Betuweroute blijft bij planrealisatie gelijk op 0,026 keer de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico van de A15 neemt bij planrealisatie toe van 0,009 keer de oriëntatiewaarde naar 0,018 keer de oriëntatiewaarde. Bij het worstcasescenario met arbeidsintensieve werkzaamheden neemt het groepsrisico toe naar 0,066 keer de oriëntatiewaarde voor de Betuweroute en 0,050 keer de oriëntatiewaarde voor de A15. Aanzet verantwoording Bestrijding van een ramp Calamiteit risicobron De Betuweroute is ingericht voor het vervoer van geklasseerde stoffen. Langs de route zijn daarvoor diverse installaties geplaatst om een calamiteit te kunnen onderdrukken, zoals hydranten. De geluidsmuur is voorzien van enkele deuren, zodat het spoor bij een calamiteit is te bereiken en langs deze muur ligt een sloot voor bluswatervoorziening. De snelweg A15 is bij een calamiteit moeilijker te bereiken. Wel ligt ten zuiden van de snelweg een fietspad, maar dat is voor grotere hulpvoertuigen te smal. Via het Kanaal Van Steenenhoek is bluswater beschikbaar. De bereikbaarheid van de provinciale weg N216 bij een calamiteit is afhankelijk van mogelijke verkeersopstoppingen. Wanneer het traject nabij het bedrijventerrein kan worden bereikt is de bestrijding van een calamiteit vaak goed mogelijk. In de omgeving van de weg is hiervoor oppervlaktewater beschikbaar.

Calamiteit in het plangebied Het plangebied is voor hulpvoertuigen zowel vanaf de oostzijde als de westzijde te bereiken. De oostzijde vanaf de N216 ligt daarbij het meest voor de hand. Eventueel kan de bereikbaarheid en ontsluiting worden verbeterd met een weg naar het bestaande industrieterrein aan de noordzijde. Op dit moment is het plan nog niet zodanig uitgewerkt dat over een dergelijke doorsteek een beslissing kan worden genomen. De voorziening voor bluswater moet nog worden ingericht voor de nieuwe functie van het gebied. De benodigde capaciteit is afhankelijk van de precieze invulling van het bedrijventerrein. De Handreiking bluswatervoorziening 2019 stelt daarin een spreiding tussen 2.000 en 8.000 l/minuut (120 – 480 m3/uur). Voor de migranten- huisvesting geldt als woning een capaciteit van 500 tot 1000 l/minuut (60 – 60 m3/uur). Afhankelijk of het gebouw voldoet aan het Bouwbesluit 2003 schrijft de handreiking 500 of 1.000 l/minuut voor. Zelfredzaamheid Op de naastgelegen transportroutes kan als calamiteit een brand, explosie of toxische wolk ontstaan: • De effecten van een externe brand reiken niet tot in het plangebied. De Betuweroute ligt ter plaatse van de planlocatie verdiept, zodat een plasbrand niet van het spoor kan stromen. Warmtestraling van een brand op het spoor wordt door de geluidsmuur tegengehouden.

Deze afschermende muur houdt een afstromende vloeistof en warmtestraling ook tegen bij een plasbrand op de snelweg. • Bij een explosie ontstaat een drukgolf. Afhankelijk van het verloop van de explosie heeft men wel of geen tijd om te vluchten of te schuilen. Gebouwen kunnen in bepaalde mate explosiebestendig worden gemaakt. 56

•

In geval dat een toxische wolk vrijkomt op de Betuweroute of op de A15 dient men inpandig te schuilen.

Bij verdere invulling van het gebied kan het veiligheidsniveau worden geoptimaliseerd. Daarbij kan worden gedacht aan: • Een vluchtroute van het spoor af naar het noorden (richting Griendweg). • Toepassing van letselvrij glas bij gebouwen of ruimtes die vaak gebruikt worden. Ook bij de migrantenhuisvesting kan aan bovenstaande punten worden gedacht met een vluchtroute aan de achterzijde van het woongebouw en toepassing van letselvrij glas. Het is ons niet bekend wat de samenstelling is van de bestaande beglazing in dit woongebouw. Wel is duidelijk dat deze ramen aan de zuidzijde relatief klein zijn en ook in de bestaande situatie een relatief hoge geluidsbelasting ondervinden en daardoor relatief dikker zullen zijn en daarmee sterker. De huisvesting van arbeidsmigranten is in dit gebouw voorzien omdat zij voornamelijk zullen werken op het omliggende bedrijventerrein. Vanuit zelfredzaamheid is een bijkomend voordeel dat zij bekend zijn met de omgeving. Aandachtsgebieden De huisvesting van arbeidsmigranten is in dit gebouw voorzien omdat zij voornamelijk zullen werken op het omliggende bedrijventerrein. Vanuit zelfredzaamheid is een bijkomend voordeel dat zij bekend zijn met de omgeving. Voor het brandaandachtsgebied van een transportroute is het brandvoorschriftengebied (en daarmee de bouwkundige voorschriften) van rechtswege verplicht.

Waarschijnlijk wordt niet op de erfgrens gebouwd en komt bebouwing buiten het brandaandachtsgebied te staan. Omdat de effecten van een plasbrand worden afgeschermd door de geluidsmuur langs het spoor, zal de impact van een plasbrand relatief beperkt zijn. Een explosie kan niet worden uitgesloten in dit gebied, zodat wel een explosievoorschriftengebied wordt vastgesteld. Daarbij merken we op dat het bedrijventerrein naar verwachting wordt gebruikt voor lichte industriefuncties. Voor deze gebouwen, waarvoor het verblijf van personen van ondergeschikt belang is, zijn de voorschriften van het explosieaandachtsgebied niet van toepassing. De voorschriften zijn alleen van toepassing op industriële gebouwen die wel een verblijfsfunctie hebben, zoals grotere kantoren. Wij merken op dat in de maximale variant meer gebouwen een verblijfsfunctie krijgen en het explosievoorschriftengebied daarmee voor meer gebouwen/gebouwdelen van toepassing is. Voor de migrantenhuisvesting zouden deze voorschriften ook van toepassing zijn als sprake was van nieuwbouw. In dit geval is sprake van een functiewijziging van bestaande bebouwing en wordt aangesloten op het bestaande veiligheidsniveau. Te nemen maatregelen Aansluitend op de aandachtsgebieden zoals uitgewerkt in de Omgevingswet wordt voor het gehele plangebied binnen 200 meter van het spoor een explosievoorschriftengebied aangewezen.

Het bouwkundige voorschrift dat hieruit volgt is 57

echter niet van toepassing op de lichte industriefuncties in dit gebied; alleen op de gebouwen waar het verblijf van personen niet van ondergeschikt belang is. De migrantenhuisvesting betreft een bestaand gebouw. Voor dit gebouw wordt aangesloten op het bestaande veiligheidsniveau en wordt het bouwkundige voorschrift voor het explosieaandachtsgebied niet toegepast. Deelgebied 2 Voor de realisatie van de woning is door DMGR tevens een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek externe veiligheid is toegevoegd in de bijlage. Binnen een kilometer van het plangebied liggen de Betuweroute, de A15, vier LPGtankstations, een hogedruk aardgasleiding, een gasdrukverdeelstation, een opslag chloorbleekloog en een windpark met drie windturbines. Alleen de Betuweroute en de A15 vormen een extern risico voor het plangebied. Deelgebied 2 is gelegen binnen de 200 meter zone en 100% letaalzone van de A15 en de Betuweroute. De N216 ligt op meer dan 200 meter van deelgebied 2. Voor beide risicobronnen wordt voldaan aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico en omdat het groepsrisico voor beide transportroutes kleiner is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde volstaat een beperkte verantwoording conform artikel 7 van het Bevt. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft externe veiligheid geen belemmeringen.

58

4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In deelgebied 1 en 2 of de directe omgeving ervan zijn geen planologische relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Ten westen van deelgebied 3 is een rioolleiding gelegen. Bij het graven van de watercompensatie wordt rekening gehouden met deze rioolleiding. De watercompensatie wordt gerealiseerd buiten de dubbelbestemming 'Leiding - Riool' zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

59

4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Soortenbescherming Om de invloed van het plan op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is voor beide deelgebieden een ecologische quickscan uitgevoerd. De conclusie uit deze onderzoeken luiden: Deelgebied 1 Ecologische quickscan Voor de realisatie van het bedrijventerrein is door Ecofect een ecologische quickscan uitgevoerd. De rapportage van de ecologische quickscan is toegevoegd in de bijlage. De conclusies uit dit onderzoek zijn: • Ten aanzien van vogels worden nadere onderzoeken noodzakelijk geacht voor de huismus en gierzwaluw. Deze onderzoeken zijn uitsluitend gericht op de woningen, omdat de overige opstallen geen potentie hebben voor genoemde of andere soorten.

• Nader onderzoek naar vleermuizen wordt noodzakelijk geacht voor beide te slopen woningen. De overige opstallen zijn vrij van vleermuispotentie, echter worden deze opstallen wel meegenomen in de onderzoeken. • Nader onderzoek naar heikikker, rugstreeppad en grote modderkruiper wordt noodzakelijk geacht. Aanvullend huismusonderzoek Uit het nader onderzoek huismus is gebleken dat bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden de Wet Natuurbescherming niet wordt overtreden: • Huismus is niet aanwezig; • Plangebied is functioneel niet in gebruik; • Geen schadelijke effecten functionaliteit leefgebied; • Geen effect gunstige staat van instandhouding; • Geen wettelijk belang; • Geen maatregelen noodzakelijk. Gelet op de uitkomsten van het nader onderzoek huismus zijn er geen te nemen verplichte maatregelen ten gunste van de huismus. De rapportage van het nader huismusonderzoek is toegevoegd in de bijlage.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=8c6f7b5f-3306-49d7-a769-b38b94f2e776