Bijlage 1 Groot onderhoud Toelichting
Tekst van het document
N214 GROOT ONDERHOUD Bestemmingsplan 7 december 2023
1/2
N214 Groot Onderhoud
Molenlanden
bestemmingsplan - toelichting
identificatie
planstatus
identificatiecode:
datum:
status:
20-11-2020 02-11-2021 07-12-2023
concept voorontwerp ontwerp ter vaststelling
NL.IMRO.1978.BPN214MLLNVA01 projectnummer:
20190804 opdrachtleider:
M. Backx
Weena 505 Postbus 150 3000 AD Rotterdam T: 010-20 18 555 E-mail: info@rho.nl
2
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Ligging plangebied
7
1.3
Planologische regelingen
8
1.4
Leeswijzer
8
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
9
2.1
Huidige situatie
9
2.2
Nut- en noodzaak groot onderhoud
11
2.3
Nieuwe situatie
12
Hoofdstuk 3
Beleidskader
17
3.1
Rijksbeleid
17
3.2
Provinciaal beleid
19
3.3
Gemeentelijk beleid
24
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
27
4.1
Archeologie
27
4.2
Bodemkwaliteit
28
4.3
Cultuurhistorie
28
4.4
Ecologie
29
4.5
Externe veiligheid
32
4.6
M.e.r.-beoordeling
33
4.7
Luchtkwaliteit
33
4.8
Niet gesprongen explosieven
34
4.9
Water
34
4.10
Wegverkeerslawaai
38
Hoofdstuk 5
Juridische toelichting
41
5.1
Inleiding
41
5.2
Opzet van het bestemmingsplan
41
5.3
Toelichting op de regels
41
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
45
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
45
6.2
Economische uitvoerbaarheid
46
Rho adviseurs voor leefruimte
3
Rho adviseurs voor leefruimte
4
Rho adviseurs voor leefruimte
5
Toelichting
Rho adviseurs voor leefruimte
6
Rho adviseurs voor leefruimte
7
Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding
De Dienst Beheer Infrastructuur (DBI) van de Provincie Zuid-Holland is verantwoordelijk voor het planmatig beheer en onderhoud van provinciale wegen. In dit kader zijn verschillende trajectstudies uitgevoerd voor de N214. De provincie Zuid-Holland werkt aan de projecten "N214A+B Groot Onderhoud en Verbetering Verkeersveiligheid" en de "Reconstructie Gelijkvloerse Kruising N214/N216" (lokaal bekend als de 'Hoge Kruising'). Doelstelling van de maatregelen op de N214 is onder andere het verbeteren van de verkeersveiligheid en bereikbaarheid voor bestemmings-/lokaal verkeer. Er is bepaald dat zowel de N214 als de N216 gebiedsontsluitingswegen zijn en moeten blijven. Daaraan gekoppeld is een uitgangspunt dat de N214 niet aantrekkelijker wordt als alternatieve route tussen de A15 en A27 en vice versa. Op de N214 zijn twee reconstructies voorzien die de lokale doorstroming moeten verbeteren: Het uitbreiden van de rotonde N214-N481 en de reconstructie van het kruispunt N214-N216. De uitbreiding van de rotonde N214-N481 draagt hoofdzakelijk bij aan een betere verkeersafwikkeling tussen de N214 (richting de A15) en de N481/N480 (Bleskensgraaf/ Nieuw-Lekkerland/Streefkerk). De reconstructie van het kruispunt N214-N216, met een uitbreiding van de verkeerslichten, draagt bij aan een betere verkeersafwikkeling tussen de N214 en N216 (veer Schoonhoven/Groot- Ammers/Goudriaan/Ottoland).
Het ombouwen van de kruispunten Gorissenweg en Middenweg bij Noordeloos tot (enkelstrooks)rotonde wordt gedaan vanuit verkeersveiligheid en een betere oprijdbaarheid van de N214 vanuit Goudriaan en Hoornaar. Het verplaatsen van het kruispunt Minkeloos heet als doel de verkeersveiligheid te verbeteren. De nieuwe ingrepen passen voor het grootste deel binnen de huidige planologisch geldende regels, maar op een aantal locaties dient er een bestemmingsplanwijziging plaats te vinden om de ingrepen mogelijk te maken. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de wijzigingen die niet passen binnen de geldende regels.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Molenlanden tussen Papendrecht en de A27. Het gebied bestaat uit enkele delen van de provinciale weg N214 en de directe omgeving. De N214 vormt de verbindingsweg van alle kleine kernen in dit gebied naar de A15 (Rotterdam) en de A27 (Utrecht/Breda). Op 5 locaties op de N214 worden ingrepen gedaan die strijdig zijn met het hiervoor geldende bestemmingsplan. Deze locaties zijn aangegeven in figuur 1.1 en vormen daarmee het plangebied van dit bestemmingsplan.
Rho adviseurs voor leefruimte
8
Figuur 1.1: ligging plangebied (in rode cirkels globaal aangegeven)
1.3
Planologische regelingen
Ter plaatste van het plangebied zijn momenteel de volgende bestemmingsplannen geldig: Aansluiting A15/N3 (2015); Buitengebied Graafstroom (2010); Buitengebied Giessenlanden (2015); Compressorstation Wijngaarden (2009). Dit plan herziet de bovengenoemde plannen op een aantal locaties waar de aanpassingen aan de N214 strijdig zijn met de vigerende bestemmingsregels. Het bestemmingsplan N214 Groot Onderhoud voorziet op een aantal locaties in de uitbreiding van de verkeersbestemming en bij het kruispunt van de N214-N216 is de bestemming 'Water' opgenomen ten behoeve van een watercompensatie. Dit bestemmingsplan neemt de bestemmingsregels voor zover mogelijk over zoals deze in de vigerende plannen opgenomen zijn. Tevens neemt het bestemmingsplan alle geldende dubbelbestemmingen over uit de vigerende bestemmingsplannen.
1.4
Leeswijzer
De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 Hoofdstuk 3 Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 5 Hoofdstuk 6
Rho adviseurs voor leefruimte
Beschrijving van de huidige- en toekomstige situatie van het plangebied. Toetsing aan de rijks-, provinciale- en gemeentelijke beleidskaders. Toetsing aan de relevante omgevingsaspecten. Beschrijving van de juridische opzet van de verbeelding en planregels. Beschrijving van de maatschappelijke- en economische uitvoerbaarheid.
9
Hoofdstuk 2
2.1
Planbeschrijving
Huidige situatie
De provinciale weg N214 is de belangrijkste ontsluitingsweg in de Alblasserwaard op het hoofdwegennet, tussen de A15 en de A27. De N214 vormt tevens een belangrijk alternatief voor deze snelwegen tussen de aansluitingen Papendrecht (A15) en Noordeloos (A27). De N214 wordt als uitwijkroute gebruikt in geval van afsluitingen op de A15/A27. Tracébeschrijving De N214 is een voorrangsweg bestaande uit één rijbaan met 2 rijstroken (1x2-rijstroken) en is voorzien van belijning conform duurzaam veilig, dubbel doorgetrokken asstreep met rijrichtingscheiding. Dit is in figuur 2.2 weergegeven.
Figuur 2.1: Tracé N214 (bron: Iv-Infra) Algemeen Op de N214 geldt een maximale snelheid van 80km/h. De weg kenmerkt zich door een open ligging, afgewisseld door bomenrijen langs het traject. Het traject loopt voor het grootste deel door het landelijk gebied met uitzondering van de kern Noordeloos. De N214, is de belangrijkste ontsluitingsweg van de gemeente Molenlanden. Deze weg sluit in het westen aan op de A15 en in het oosten op de A27. Bij filevorming op de A15 wordt de N214 gebruikt als ‘sluiproute’. Haaks op deze hoofdontsluiting zijn drie doorgaande wegen in het gebied aanwezig. Het betreft de N481 in de richting van Streefkerk/Nieuw Lekkerland, de N482 naar Bleskensgraaf/Sliedrecht en de N216 naar Schoonhoven/Schelluinen. Het oude verkavelingspatroon van de Alblasserwaard is nauwelijks aangetast. Een uitzondering hierop
Rho adviseurs voor leefruimte
10
vormt een deel van de N214. Deze weg is later gerealiseerd en doorkruist, met uitzondering van het wegvak ten zuiden van Molenaarsgraaf, het landschap zonder daarbij aan te sluiten op landschapsstructuren. Dit komt mede door de laanbeplanting die langs de weg is aangelegd.
Figuur 2.2: Het plangebied ten westen van de kruising N214-N216. (bron: Google Streetview) Langzaam verkeer en openbaar vervoer Op de N214 geldt een verbod voor langzaam verkeer tussen de N3/A15 en de Damseweg. Op dit deel is (op enige afstand) een parallelle structuur aanwezig, die hoofdzakelijk in beheer en eigendom van het Waterschap is. Het overige deel van de N214 is toegankelijk voor landbouwverkeer. Over de N214 rijden de volgende bussen: Lijn 93: Streekbus tussen Groot-Ammers en Dordrecht, via N214a tussen N3/A15-N481. Lijn 388: Snelbus tussen Dordrecht en Utrecht, rijdt via N214a en b tussen de N482 en de A27. Lijn 75: Streekbus tussen Sliedrecht en Knooppunt Meerkerk-A27, kruist de N214a t.h.v. de N482 en rijdt via de N241b tussen de Grotewaard en A27. Lijn 78: Streekbus tussen Noordeloos en Groot-Ammers, rijdt via de N241b tussen de Gorissenweg en Grotewaard Lijn 79: Streekbus tussen Gorinchem en Knooppunt Meerkerk-A27, rijdt via de N241b tussen de Middenweg en A27. Lijn 701: Buurtbus tussen Sliedrecht en Gorinchem, rijdt via de N241b tussen de Grotewaard en Middenweg. Op de N214 zijn de volgende haltes aanwezig: N214-Bleskensgraaf: Hier stopt lijn 388. N214-Damseweg: Hier stopt lijn 388. N214-Grotewaard:Hier stopt lijn 388, 75, 78 en 701.
Rho adviseurs voor leefruimte
11
2.2
Nut- en noodzaak groot onderhoud
De maatregelen die horen bij het groot onderhoud van de N214 tussen de A15 en A27 komen voort uit de noodzaak voor vlottere en veiligere doorstroming op het traject. De route vormt een belangrijke ontsluitingsweg voor de Alblasserwaard. De verschillende kruispunten lopen tegen hun capaciteit aan. Dagelijks loopt het verkeer vast, vooral in de ochtend- en avondspits of zodra er een omleidingsroute over de N214 loopt vanwege een incident op de A15. Het verkeersaanbod is te groot voor de huidige capaciteit van de weg en kruispunten. Daarom zijn capaciteit verruimende maatregelen aan diverse kruispunten op het traject van de N214 noodzakelijk om de Alblasserwaard goed bereikbaar te houden. Deze maatregelen hebben nadrukkelijk niet het doel om als alternatief te dienen voor doorgaand verkeer op de A15. Doelstelling van de maatregelen op de N214 is onder andere het verbeteren van de bereikbaarheid voor bestemmings-/lokaal verkeer. De maatregelen moeten leiden tot een betere doorstroming, verkeersveiligheid en bereikbaarheid van de regio. Hieronder wordt voor de maatregelen die met dit bestemmingsplan worden geregeld, de nut en noodzaak beschreven. Reconstructie rotonde N214-N481 Ten behoeve van de doorstroming op de N214a wordt de rotonde bij de N481 omgebouwd te worden van enkelstrooksrotonde naar turborotonde.
Deze rotonde is een van de kruispunten waar het verkeer geregeld vast staat en de reconstructie van draagt bij aan een betere verkeersafwikkeling tussen de N214 (richting de A15) en de N481/N480 (Bleskensgraaf/Nieuw-Lekkerland/Streefkerk). Gelijkvloerse kruising N214/N216 Deze gelijkvloerse kruising is een van de punten waar het verkeer geregeld vast staat. De beoogde aanpassingen aan de gelijkvloerse kruising N214/N216 dragen bij aan een betere verkeersafwikkeling tussen de N214 en N216 (Groot-Ammers/Goudriaan/Ottoland). Met de aanpassingen worden de huidige wachttijden in de spits verminderd. Aanleg enkelstrookrotonde N214-Middenweg Aan de noordelijke tak van dit kruispunt is de Hugo Botterweg aangesloten. Aan de zuidelijke tak is de Middenweg aangesloten. De Hugo Botterweg is een ontsluitingsweg voor Noordeloos. De Middenweg is een belangrijke ontsluitingsweg voor Hoornaar. Beide wegen zijn in beheer en onderhoud van waterschap Rivierenland. Door de hoge verkeersintensiteit op de hoofdrijbaan heeft verkeer afkomstig van de zijrichtingen moeite de hoofdrijbaan op te rijden en/of over te steken, met name tijdens de spits. Daarom is de aanleg van een enkelstrooksrotonde ter plaatse noodzakelijk. Dit verbetert de doorstroming en verkeersveiligheid op het kruispunt. Aanleg nieuw kruispunt Minkeloos Ter hoogte van km 22.1 van de N214 bevindt zich de aansluiting met Minkeloos.
De weg is in beheer en onderhoud van waterschap Rivierenland. Één van de raakvlakprojecten van het Groot Onderhoud N214 is de verbreding van de A27. Het ontwerp voor de A27 bij de afslag naar de N214 bestaat uit twee afrijdende stroken. Echter ligt het kruispunt met de Minkeloos hier kort op. Dit kruispunt is vormgegeven als een vorrangskruispunt met een linksafvak. Op dit kruispunt is geen plaatselijke snelheidsverlaging geldig en zijn geen plateaus aanwezig. In het Groot Onderhoud N214 betreft daarom de maatregel een verlegging van het kruispunt en een opwaardering op basis van het handboek, inclusief een (brom)fietsoversteek. Deze ingreep zorgt voor zowel een verbetering van de verkeersveiligheid op het kruispunt als de oversteekbaarheid voor
Rho adviseurs voor leefruimte
12
fietsers. Door de verlegging komt het kruispunt immers verder van het punt af te liggen waar de twee rijstroken vanaf de rotonde bij de A27 samenkomen.
2.3
Nieuwe situatie
Dit Groot Onderhoud omhelst naast asfaltonderhoud, bermonderhoud, kleine onderhoudsmaatregelen (verlichting, meubilair etc.) een aantal grootschalige reconstructies om de doorstroming en verkeersveiligheid van de N214 te verbeteren. Parallel aan het Groot Onderhoud N214 loopt bij Rijkswaterstaat de voorbereiding van de verbreding van de A27 en wordt gestudeerd op de verbreding van de A15 tussen Sliedrecht en Gorinchem (oost). Dit zal er toe moeten leiden dat verkeer in de toekomst gebruik kan blijven maken van de rijkswegen, en minder snel geneigd zal zijn om gebruik te maken van de N214 (en het onderliggende lokale wegennet) als ‘sluiproute’. De in dit bestemmingsplan voorkomende reconstructies zijn in deze paragraaf beknopt beschreven en voorzien van visualisaties. Reconstructie rotonde N214-N481 De huidige rotonde N214-N481 wordt gewijzigd van een enkelstrooksrotonde naar een meerstrooksrotonde, met twee toeleidende stroken op elke tak en twee afrijdende stroken op de N214 in westelijke richting. Tevens is er een ontsluiting gecreëerd vanuit een naastgelegen perceel, hetgeen leidt tot een doorsteek in de middengeleider op de N481. De reconstructie van de rotonde N214-N481 draagt bij aan een betere verkeersafwikkeling tussen de N214 (richting de A15) en de N481/N480 (Bleskensgraaf/Nieuw-Lekkerland/Streefkerk).
Figuur 2.3: Visualisatie reconstructie rotonde N214-N481. Links: huidige situatie Rechts: nieuwe situatie (bron: Iv-Infra) Gelijkvloerse kruising N214/N216 Om de doorstroming van de N214 te verbeteren wordt de gelijkvloerse kruising N214/N216 aangepast. De aanpassingen dragen bij aan een betere verkeersafwikkeling tussen de N214 en N216 (Groot-Ammers/Goudriaan/Ottoland). Met deze aanpassingen worden de huidige wachttijden in de spits verminderd. De aanpassingen bestaan onder andere uit: aanleg 4 nieuwe bushaltes bij de kruising aangelegd: 2 bushaltes langs de N214 en 2 bushaltes langs de N216. Nieuwe haltes worden voorzien van abri’s en fietsenstallingen; realiseren van extra opstelstroken; aan de zuidzijde komen 2 linksaf stroken, 1 rechtdoorgaande strook en 1 rechtsafstrook. In alle andere richtingen komen 2 rechtdoorgaande stroken, 1
Rho adviseurs voor leefruimte
13
linksafstrook en 1 rechtsafstrook; plaatsen van een verkeersregelinstallatie met prioriteiten voor bussen en toegevoegde voetgangersoversteken (overstappende buspassagiers); verbreden van de 2 bruggen aan de oostzijde van de kruising over de Smoutjesvliet en aanleg van een nieuwe fiets/voetgangersbrug aan de zuidzijde van de bestaande bruggen; het aanleggen van een waterberging.
Figuur 2.4: Reconstructie kruising N214/N216 (bron: Iv-Infra) Aanleg enkelstrookrotonde N214-Middenweg Het kruispunt tussen de N214 en Middenweg is vormgegeven als een voorrangskruispunt met linksafvakken. Ter hoogte van dit kruispunt geldt op de N214 een snelheidsregime van 50 km/u, ondersteund door plateaus voorafgaand aan het kruispunt. De ingreep betreft de aanleg van een enkelstrooksrotonde. Dit om de verkeersveiligheid op het kruispunt te verbeteren en de oprijdbaarheid vanuit Hoornaar te vergemakkelijken.
Rho adviseurs voor leefruimte
14
Figuur 2.5: Visualisatie enkelstrooksrotonde N214-Middenweg (bron: Iv-Infra) Aanleg nieuw kruispunt Minkeloos Het kruispunt tussen de N214 en Minkeloos is vormgegeven als een voorrangskruispunt met een linksafvak. Op dit kruispunt is geen plaatselijke snelheidsverlaging geldig en zijn geen plateaus aanwezig. De ingreep betreft de verlegging en opwaardering van het kruispunt, inclusief een (brom)fietsoversteek. Dit om de verkeersveiligheid op het kruispunt te verbeteren en de oversteekbaarheid voor fietsers te verbeteren. Door deze verlegging komt het kruispunt immers verder van het punt af te liggen waar de twee rijstroken (vanaf de ovonde bij de A27) samenkomen.
Rho adviseurs voor leefruimte
15
Figuur 2.6: Visualisatie nieuwe verbinding Minkeloos (bron: Iv-Infra)
Rho adviseurs voor leefruimte
16
Rho adviseurs voor leefruimte
17
Hoofdstuk 3
3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale omgevingsvisie De nationale omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze samenleving' komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 in werking treedt. Uitgangspunt is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo worden in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes gemaakt. De Nationale omgevingsvisie (NOVI) beschrijft hierin vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen deze prioriteiten worden drie afwegingsprincipes gehanteerd, die helpen om beleidskeuzes te maken. Dit zijn: Combinaties van functies hebben voorrang op enkelvoudige functies; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; Afwentelen wordt voorkomen. Tot het moment dat de omgevingswet ingaat (verwacht 1 juli 2022) geldt de omgevingsvisie als structuurvisie en zijn ruimtelijke belangen geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, zie §3.1.2). In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het Rijksbelang opgenomen dat verstedelijking op duurzame wijze plaatsvindt. Wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt moet er getoetst worden aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking' (zie §3.1.4).
Toetsing Voor het plangebied is met name de vierde prioriteit van de NOVI relevant. Het Rijk wil samen met de decentrale overheden werken aan toekomstbestendig landelijk gebied. De aanpassingen aan de N214 zorgen voor een verbetering van de doorstroming en verkeersveiligheid van de N214. De decentrale overheden zijn verantwoordelijk voor een robuust en samenhangend mobiliteitssysteem waarin langzaam en recreatief verkeer een volwaardige plaats hebben. Over het verbeteren van de samenhang tussen de ruimtelijke ontwikkeling en infrastructuur maken de decentrale overheden en het Rijk via het MIRT en de gebiedsagenda's afspraken. Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling in overeenstemming is met de bovengenoemde rijksprioriteiten. Door het project Groot Onderhoud van de N214 ontstaat een meer toekomstbestendig en samenhangend mobiliteitssysteem. Hiermee is deze ontwikkeling niet in strijd met de nationale omgevingsvisie.
Rho adviseurs voor leefruimte
18
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) staat een aantal onderwerpen waarvoor het Rijk uit het oogpunt van de nationale belangen in de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte regels stelt. Voor gemeente Haarlemmermeer is hierin van belang: Toekomstige uitbreiding van het hoofdwegennet en hoofdspoorwegennet; De ruimte reservering voor de parallelle Kaagbaan; Zones onder hoogspanningsverbindingen worden gevrijwaard; Aan de provincies is opgedragen om Natuurnetwerk Nederland (NNN) te beschermen; Primaire waterkeringen buiten het kustfundament krijgen ruimtelijke bescherming; Nationale landschappen, zoals het erfgoed van de Stelling van Amsterdam, worden ruimtelijk beschermd; Kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking en voor de bufferzones. Toetsing De aanpassingen aan de N214 liggen deels binnen het NNN. Om oppervlakteverlies en verstoring aan de NNN te voorkomen dient er met maatregelen gecompenseerd te worden. In bijlage 3 is hiervoor een compensatieplan opgesteld. Tussen de kruising N3 en de rotonde N481 ligt een hoogspanningsverbinding. Conform het Barro is deze verbinding aangeduid en opgenomen middels een dubbelbestemming in de regels van dit bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is in lijn met het Barro.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) (artikel 3.1.6 lid 2) is opgenomen dat bij een ruimtelijk plan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen moet worden. Deze bestaat uit de volgende onderdelen: 1. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. 2. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het eerste lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. 3.
Een onderzoek naar de behoefte in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Toetsing Volgens de handreiking behorende bij de ladder voor duurzame verstedelijking zijn infrastructurele projecten op basis van jurisprudentie geen stedelijke ontwikkelingen. De infrastructurele aanpassingen aan de N214 worden daarom niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6 van het Bro. Toetsing aan de ladder is daarom niet aan de orde. Overigens is de nut- en noodzaak van de aanpassing van de N214 wel aangetoond in paragraaf 2.2.
Rho adviseurs voor leefruimte
19
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland (geconsolideerd op 01-08-2020) Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Toekomstige beleidsvernieuwing biedt kansen voor verbeteringen in Zuid-Holland. De provincie heeft hiervoor 7 vernieuwingsambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten; 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor; 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen; 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland; 5. Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving; 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit; 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. Deze ambities zijn vertaald in beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. Voor de beoogde ontwikkeling is de opgave 'Goed functionerende provinciale infrastructuur' relevant.
Deze beleidskeuze uit de omgevingsvisie Zuid-Holland is hieronder beschreven: Beleidskeuze: De provincie zorgt voor een vlotte en veilige afwikkeling van het verkeer in Zuid-Holland en voor een zo efficiënt en duurzaam mogelijk onderhoud van de provinciale infrastructuur. We onderhouden onze wegen, fietspaden, vaarwegen, bruggen en sluizen met zo min mogelijk last voor gebruiker en omgeving. Aanleiding: De provincie heeft een wettelijke taak om haar infrastructuur op orde te houden. Daarbij is onze ambitie om aanleg, beheer en onderhoud van infrastructuur zo efficiënt mogelijk te laten plaatsvinden, zodat de infrastructuur maximaal beschikbaar is. We beperken hinder voor de omgeving en de gebruikers zo veel mogelijk en verbeteren de omgevingskwaliteit indien mogelijk. Motivering Provinciaal Belang: De provincie is conform de Wegenwet, de Wegenverkeerswet en de Scheepvaartverkeerswet wettelijk verantwoordelijk voor haar eigen infrastructuur (en alle bijbehorende inrichting); hieronder vallen provinciale wegen, vaarwegen, fietspaden, bruggen en sluizen. Toelichting: We voeren ons beheer, toezicht, bediening en onderhoud uit op basis van ons assetmanagementsysteem (gebaseerd op de internationale assetmanagementstandaard NEN-ISO 55001).
Onze assets zijn de wegen, vaarwegen, groen, vaste kunstwerken (bruggen), beweegbare kunstwerken (bruggen en sluizen) en het dynamisch verkeersmanagement. We voeren dagelijkse beheer- en onderhoudswerkzaamheden (DBO) uit om onze assets technisch in stand te houden, de veiligheid te bewaken en de doorstroming te waarborgen. We bedienen onze bruggen en sluizen vanuit centrale bedieningslocaties. De provincie verzorgt ook voor een aantal andere beheerders (zoals gemeenten, Rijkswaterstaat, ProRail) de bediening op afstand en het technisch beheer van bruggen over cruciale vaar- en wegroutes.
Rho adviseurs voor leefruimte
20
Het planmatig onderhoud (PO) aan de provinciale wegen en vaarwegen wordt uitgevoerd op een conditie-gestuurde, integrale en trajectgerichte manier. Zo blijft de infrastructuur optimaal functioneren tegen de laagste kosten, met overwogen, aanvaardbare risico's. De ambitie om dit op een duurzame wijze te doen is geformuleerd in de beleidskeuze toekomstbestendige infrastructuur. In praktijk zullen beide beleidskeuzes nauw met elkaar verweven zijn. Toetsing en conclusie Het project Groot Onderhoud N214 is in lijn met de beleidskeuze van de provincie op de bestaande infrastructuur op orde te hebben. Het project voor de aanpak van de kruising N214-N216 is daarnaast concreet benoemd in het in samenhang met de Omgevingsvisie opgestelde Programma Mobiliteit. In het programma Mobiliteit is de N214 benoemd als een belangrijke oost-west verbinding in het regionale wegennet. Er wordt gesteld dat het kruispunt met de N216 te weinig capaciteit heeft. Het bestemmingsplan N214 Groot Onderhoud faciliteert de verkeersveiligheid en doorstroming van dit kruispunt. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland (geconsolideerd op 01-04-2023) De Omgevingsvisie Zuid-Holland is vertaald in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Voor de beoogde ontwikkeling zijn de volgende onderwerpen relevant: 1. Regionale waterkeringen; 2. Natuurnetwerk Nederland; 3.
Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën; Toetsing ad. 1 Regionale waterkeringen Zoals aangegeven op de onderstaande kaart, kruist de N214 op drie locaties een regionale waterkering.
Figuur 3.1: Uitsnede regionale waterkeringen omgevingsverordening Zuid-Holland (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Artikel 6.22 van de provinciale omgevingsverordening beschrijft regels ten aanzien van regionale waterkeringen: 1. Een bestemmingsplan voor gronden waarop een regionale waterkering ligt als bedoeld in artikel 2.2, bestemt die waterkering als zodanig. 2. Een bestemmingsplan voor gronden die deel uitmaken van een beschermingszone langs een regionale waterkering, bestemt die beschermingszone als zodanig of duidt die als zodanig aan. 3. Voor het bepalen van de omvang van de gronden, bedoeld in het eerste lid en in het tweede lid, wordt uitgegaan van de door de beheerder van de waterkering vastgestelde legger. 4. Met betrekking tot de gronden waarop een regionale waterkering of een beschermingszone ligt, kan een bestemmingsplan worden vastgesteld dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt voor zover bij Rho adviseurs voor leefruimte
21
5.
de verwezenlijking daarvan geen belemmeringen kunnen ontstaan voor het onderhoud, de veiligheid of de mogelijkheden voor versterking van de regionale waterkering. Voor de beoordeling of sprake is van belemmeringen als bedoeld in het vierde lid wordt advies gevraagd aan de beheerder van de waterkering.
In het voorliggende bestemmingsplan is de regionale waterkering, inclusief de beschermingszone, bestemd door middel van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Het plan voldoet aan de regels voor regionale waterkeringen. ad. 2 Natuurnetwerk Nederland Langs de N214 zijn op verschillende locaties gebieden opgenomen als onderdeel van Natuurnetwerk Nederland. Op meerdere plekken raakt dit het plangebied van dit bestemmingsplan. De N214 zal op een aantal locaties worden verbreed, waardoor het plan in het Natuurnetwerk Nederland komt te liggen. Op een aantal van deze locaties functioneert dit ook als ecologische verbindingszone. Bij de kruising van de N214 en de N216 vindt de grootste ingreep in het Natuurnetwerk plaats.
Figuur 3.2: Uitsnede Omgevingsverordening (groen= Natuurnetwerk Nederland) (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) In artikel 6.9e van de verordening zijn de relevante regels voor dit bestemmingsplan tbv Natuurnetwerk Nederland opgenomen: 1.
2.
3.
Een bestemmingsplan voor een locatie binnen het Natuurnetwerk Nederland, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuurgebied en ecologische verbinding, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 7 in bijlage II, wijst geen bestemmingen aan die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. De begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland, bedoeld in het eerste lid, kan door provinciale staten worden gewijzigd in overeenstemming met artikel 2.10.5 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. De begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland, bedoeld in het eerste lid, kan worden vastgesteld door Gedeputeerde Staten met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. deze bevoegdheid geldt alleen voor de nog te realiseren gebieden en ecologische verbindingen van het Natuurnetwerk Nederland; b. het oppervlak van het Natuurnetwerk Nederland blijft per saldo ten minste even groot; c. de functionaliteit van het Natuurnetwerk Nederland blijft onaangetast.
Rho adviseurs voor leefruimte
22
4.
5.
6.
Bij compensatie, bedoeld in artikel 6.31, onder b, worden in ieder geval de volgende voorwaarden in acht genomen: a. de compensatie leidt niet tot een nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke kenmerken en waarden; b. de compensatie vindt plaats: aansluitend aan of nabij het aangetaste gebied, met dien verstande dat een duurzame situatie ontstaat; door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie op afstand van het gebied als fysieke compensatie aansluitend aan of nabij het gebied niet mogelijk is; of op financiële wijze als zowel fysieke compensatie als compensatie door kwalitatief gelijkwaardige waarden op korte termijn redelijkerwijs niet mogelijk is. De toelichting bij het bestemmingsplan dat een ontwikkeling mogelijk maakt waarvoor ontheffing als bedoeld in artikel 6.31 nodig is, bevat een verantwoording over de aard van de effect beperkende of compenserende maatregelen, de begrenzing van het compensatiegebied, en de wijze waarop die compensatie duurzaam is verzekerd.
Een bestemmingsplan voor het Buijtenland van Rhoon, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 7 in bijlage II, maakt hoogwaardige akkernatuur en (openlucht)recreatie mogelijk met ruimte voor extensieve agrarische bedrijvigheid, voor zover deze bijdraagt aan hoogwaardige akkernatuur en (openlucht}recreatie en met behoud van landschappelijke elementen en cultureel erfgoed, alsmede leidingen voor telecommunicatie of het transport. van gassen, vloeistoffen of elektriciteit.
In bijlage 4 is een Nee, tenzij toets opgenomen. In dit onderzoek is aangegeven wat het ruimtebeslag van de N214 is op de bestaande natuurnetwerken. Voor het grootonderhoud aan de N214 dient de provincie Zuid-Holland 0,22 ha aan NNN, 0,98 ha aan ecologische verbindingszone en 1,07 ha aan belangrijke weidevogelgebied te compenseren. Het oppervlakteverlies door ruimtebeslag en verstoring aan NNN, ecologische verbindingen en belangrijk weidevogelgebied dient met fysieke maatregelen gecompenseerd te worden. De compensatie dient de aangetaste wezenlijke kenmerken en waarden te compenseren en betreft zowel de inrichting van het gebied ten behoeve van de gewenste natuur als het beheer voor tenminste vijf jaar. Indien fysieke maatregelen niet mogelijk zijn, of indien het te compenseren gebied niet groter is dan 3 hectare (NNN) of 5 hectare (weidevogelleefgebied) is een financiële compensatie mogelijk. In bijlage 3 is een concept compensatieplan opgenomen ten behoeve van de compensatie van het NNN, ecologische verbindingszone en het belangrijk weidevogelgebied. PZH heeft vervolgens percelen aangewezen ten behoeve van de compensatie van deze gebieden. Hiervoor wordt momenteel het definitieve compensatieplan opgesteld. ad.
2 Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën Verschillende delen van het plangebied zijn aangewezen als belangrijk Weidevogelgebied en/of beschikken over beschermingscategorie 1 of 2. (zie figuur 3.3).
Rho adviseurs voor leefruimte
23
Figuur 3.3: Uitsnede Omgevingsverordening (markering = Beschermingscategorie/Weidevogelgebeid) (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) In artikel 6.9 zijn de volgende voor dit plan relevante regels opgenomen: 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; c. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp.
Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. In dit geval gaat het om 'aanpassen' van de weg (categorie b). Volgens de kwaliteitskaart zijn de belangrijkste richtpunten voor infrastructuur: Nieuwe of aan te passen infrastructuur wordt altijd beschouwd als een integrale gebiedsopgave inclusief inpassingsvraagstukken. Hieronder wordt naast ligging in het landschap ook verstaan; zorgvuldig omgaan met doorlopende landschappelijke structuren, logische oplossingen voor doorgaande ecologische en recreatieve verbindingen en behoud van gebruiks- en belevingswaarde van het omliggend gebied en logische verbinding met aansluitende infrastructuur. Een visuele relatie tussen weg en omgeving is gewenst. Waar wegen landschappelijke hoofdstructuren kruisen, dient de landschappelijke lijn als afzonderlijke structuur zichtbaar en herkenbaar te blijven. Deze ‘contactpunten’ (bijvoorbeeld tunnels, viaducten, aquaducten) worden met zorg ontworpen en komen terug in de beeldkwaliteitsparagraaf. Buiten het stedelijk gebied worden rijks- en provinciale -wegen niet als verstedelijkingsas benut.
Nieuwe stedelijke ontwikkelingen die een relatie met de weg hebben concentreren zich bij de op –en afritten van de weg. Toetsing
Rho adviseurs voor leefruimte
24
Op de kwaliteitskaart is het plangebied aangewezen als provinciale weg. De N214 loopt grofweg van Papendrecht naar Noordeloos door de Alblasserwaard. De weg loopt evenwijdig met lintdorpen als Wijngaarden, Hofwegen, Ottoland en Giessenburg en volgt landschappelijke structuren. Door deze te benadrukken (met bomenrijen en singels) vormt deze weg een belangrijk onderdeel van het landschap in de Alblasserwaard. Om dit tot stand te brengen is er een verjongingsplan Alblasserwaard opgesteld. Het verjongingsplan is separaat van het Groot Onderhoud N214 in uitvoering. De bomen langs de N214 kunnen vanwege de beperkte ruimte niet overal helemaal uitgroeien. Daarom worden de bomen met regelmaat gesnoeid en gecontroleerd. Na publicatie van het ontwerpbestemmingsplan is een herziening van de provinciale omgevingsverordening vastgesteld. De aanpassingen aan de N214 voldoen aan de regels van ruimtelijke kwaliteit. Conclusie Het bestemmingsplan is in lijn met de provinciale omgevingsverordening.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Giessenlanden Op 14 december 2017 is de omgevingsvisie Giessenlanden vastgesteld door de gemeenteraad van Giessenlanden. In 2019 zijn de gemeenten Molenwaard en Giessenlanden gefuseerd tot de gemeente Molenlanden. In de visie streeft de gemeente ernaar dat de dorpen met het ommeland in de komende jaren hun identiteit blijven behouden. Eén van de kernopgaven is het verbeteren van de verkeersveiligheid. In de visie worden de zorgen van bewoners genoemd over het mogelijk ontstaan van meer sluipverkeer over de N214. De actie van de gemeente is het overleggen met de dorpsraad over het verbeteren van de verkeersveiligheid in Noordeloos en het buitengebied, met name rond de reconstructie van de N214. Toetsing en conclusie Dit bestemmingsplan sluit aan bij de omgevingsvisie Giessenlanden door het verbeteren van de bereikbaarheid van de dorpen in het buitengebied. De reconstructie van de N214 zorgt voor een verbetering van de verkeersveiligheid en het verminderen van de wachttijd bij kruispunten. De capaciteit van de weg wordt niet vergroot en het sluipverkeer over de N214 moet daardoor niet toenemen. Het beoogde plan is in lijn met de omgevingsvisie Giessenlanden. 3.3.2 Structuurvisie Graafstroom (2011) De Structuurvisie Graafstroom is in 2011 vastgesteld.
De structuurvisie moet helderheid verschaffen in het ruimtelijk beleid van de gemeente Graafstroom (nu gemeente Molenlanden) en de wijze waarop zij deze tot uitvoering wil brengen. Deze helderheid is gewenst voor inwoners en ondernemers, als ook voor andere (semi-)overheden en maatschappelijke partners. De visie is inmiddels niet meer actueel. Er is daarom alleen getoetst aan het specifieke beleid voor de N214.
Rho adviseurs voor leefruimte
25
Figuur 3.4: Uitsnede Structuurvisie Graafstroom (bron: ruimtelijkeplannen.nl) N214 De visie beschrijft hoe de congestie op de snelwegen van de A27 en A15 is toegenomen. Dit leidt tot een toename van het sluipverkeer over de provinciale en ruilverkavelingswegen in het gebied en door de kernen en linten. Een vermindering van het sluipverkeer door de gemeente is gewenst. Door het zo veel mogelijk weren van sluipverkeer en het aanpakken van de congestie op de rijkswegen kunnen tevens de congestieproblemen op de provinciale wegen in het gebied worden opgelost. De kruising van de N216 en de N214 verdient hierbij aandacht. Toetsing en conclusie Dit bestemmingsplan maakt de reconstructie van de N214 mogelijk. Eén van de onderdelen hiervan is het aanpakken van de kruising van de N214 en N216. Het plan zorgt voor een verbetering van de doorstroming en een vermindering van de wachttijden in de spits. Het plan is daarmee in lijn met de structuurvisie.
Rho adviseurs voor leefruimte
26
Rho adviseurs voor leefruimte
27
Hoofdstuk 4
4.1
Omgevingsaspecten
Archeologie
Toetsingskader Erfgoedwet De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992, een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed, hebben de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze wijzigingswet heeft onder meer wijzigingen aangebracht in de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten.
Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die naar de Omgevingswet zal overgaan, blijven van kracht tot die wet in werking treedt. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is: Roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet; De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet. Toetsing en conclusie In het plangebied bevinden zich verschillende archeologische verwachtingswaarden. Ter hoogte van de rotonde N214-N481 ligt een archeologisch waardevol gebied van provinciaal belang. Om de verschillende archeologische verwachtingen binnen het plangebied in kaart te brengen is in 2019 is een uitgebreid archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Uit het bureauonderzoek blijkt dat er verschillende archeologische verwachtingen zijn voor zowel de diverse stroomgordels die zich in het plangebied bevinden als de rivierduinen en de ontginningslinten. Op basis van die verwachtingen kan het plangebied worden ingedeeld in verschillende advieszones. Voor elk deelgebied zijn specifieke advieszones aangegeven. Zie bijlage 13 – A t/m L van het onderzoek in bijlage 8 van dit bestemmingsplan.
Afhankelijk van de diepte in de bodem van de werkzaamheden aan de N214 dient er een verkennend booronderzoek te worden gedaan. Hierbij wordt vastgesteld of en tot hoe diep de bodem verstoord is, en op welke dieptes de archeologische resten zich precies kunnen bevinden.
Rho adviseurs voor leefruimte
28
Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het aspect archeologie de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg staat. Wel dient alvorens de uitvoering van de aanpassingen aan de N214 de archeologische waarde op een aantal locaties aangetoond te worden middels vervolgonderzoek. In het bestemmingsplan zijn de archeologische waarden geborgd door middel van een specifieke dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie (1 t/m 10)'.
4.2
Bodemkwaliteit
Toetsingskader De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden voor zover relevant elders in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat op plekken waar langdurig mensen verblijven onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. Onderzoek De ontwikkeling bestaat uit de herstructurering van de N214 tussen Papendrecht en de A27. De reconstructie bestaat onder andere uit een herinrichting van de bestaande rotondes en knooppunten. Hierdoor is er sprake van functiewijzigingen. Fietspaden en wegen betreffen echter geen plaatsen waar mensen gedurende langer periodes verblijven.
Daarnaast bevinden zich in de huidige situatie geen bodemverontreinigende activiteiten plaats. Hierdoor wordt de bodemkwaliteit voldoende geacht voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het aspect bodem de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg staat.
4.3
Cultuurhistorie
Toetsingskader Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Hiertoe dient middels bestudering van kaarten bepaald te worden of binnen (de invloedsfeer van het plangebied) Rijksmonumenten (historische gebouwen, sluizen, tuinbeelden en grafstenen), Archeologische Rijksmonumenten, Werelderfgoederen en beschermde stads- en dorpsgezichten aanwezig zijn. Onderzoek Monumenten In het plangebied zijn geen monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle bouwwerken aanwezig.
Rho adviseurs voor leefruimte
29
Molenbiotoop Het plangebied ligt niet binnen een molenbiotoop. Landschap Zoals in paragraaf 3.2.2 is beschreven, loopt de N214 evenwijdig met lintdorpen als Wijngaarden, Hofwegen, Ottoland en Giessenburg en volgt landschappelijke structuren. Door deze te benadrukken (met bomenrijen en singels) vormt deze weg een belangrijk onderdeel van het landschap in de Alblasserwaard. In het gebied zijn verder geen door de gemeente aangewezen monumentale bomen aanwezig. Beschermd dorpsgezicht De N214 ligt voor een deel binnen de kern Noordeloos. Een deel van deze kern is aangewezen als rijksbeschermd dorpsgezicht. Het plangebied ligt niet binnen het beschermde deel en het maakt tevens geen structurele veranderingen of bebouwing mogelijk. Het bestemmingsplan zorgt daarom niet voor aantasting van de cultuurhistorische waarde van het beschermd dorpsgezicht. Conclusie De geplande ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op eventuele cultuurhistorische waarden.
4.4
Ecologie
Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura 2000-gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling of voortoets de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Rho adviseurs voor leefruimte
30
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren.
GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen.
In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied, het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Biesbosch ligt op circa 3,66 kilometer. Het plangebied maakt wel deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (figuur 4.1).
Rho adviseurs voor leefruimte
31
Figuur 4.1 Ligging N214 t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: Provincie Zuid-Holland) Vanwege de afstand zijn directe effecten op Natura 2000-gebieden zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. Voor het onderzoeken van de mogelijke effecten op het nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Biesbosch voor de aanlegfase is een AERIUS-berekening uitgevoerd (zie bijlage 7). Uit de berekening blijkt dat er geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de aanlegfase. Compensatieplan NNN-gebied De aanpassingen aan de N214 worden voor een deel binnen het NNN en weidevogelgebied gerealiseerd. De verloren gronden binnen NNN en weidevogelgebied als gevolg van aanpassingen aan de N214 dienen daarom gecompenseerd te worden. Door VanderHelm Milieubeheer B.V. is in 2020 een concept compensatieplan (bijlage 3) ten behoeve van het plangebied N214 opgesteld. De volgende drie onderdelen zijn meegenomen: Natuurnetwerk Nederland (NNN), Ecologische verbindingen en weidevogelgebieden. In opdracht van PZH is het definitieve weidevogelcompensatieplan opgesteld (bijlage 5). In het compensatieplan zijn de betreffende percelen en de inrichting daarvan beschreven. De percelen worden optimaal voor weidevogels ingericht. Soortenbescherming Door VanderHelm Milieubeheer B.V.
is het gehele traject van de N214 middels ecologisch quickscans en soortgericht onderzoek onderzocht voor de aanwezigheid van beschermde soorten. In bijlage 2 zijn de resultaten van de verschillende onderzoeken samengevat en verwerkt in een activiteitenplan. Op basis van het activiteitenplan en de hiervoor uitgevoerde onderzoeken worden als gevolg van de aanpassingen aan de N214 verschillende beschermde soorten verstoord. Er is daarom voor deze soorten een ontheffing aangevraagd. De aanvraag betreft het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, baardvleermuis, heikikker en de grote modderkruiper, alsmede het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de heikikker en de grote modderkruiper. De ontheffing voor deze soorten is verleend op 18 mei 2020 door de omgevingsdienst Haaglanden. De beschikking is toegevoegd al bijlage 1 bij de toelichting van dit Rho adviseurs voor leefruimte
32
bestemmingsplan. Conclusie In het plangebied zijn beschermde soorten aanwezig, waarvoor een ontheffing is verleend (bijlage 1). Werkzaamheden vinden plaats binnen delen van beschermde natuurgebieden (NNN, Ecologische verbindingen en weidevogelgebieden). Voor de compensatie van deze gronden is een compensatieplan opgesteld. Na goedkeuring van het compensatieplan is er geen sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Het aspect ecologie staat de beoogde aanpassingen aan de N214 niet in de weg.
4.5
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet.
Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Onderzoek en conclusie In de omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende buisleidingen en een hoogspanningskabel.
Een weg en fietspad behoren niet tot een (beperkt) kwetsbaar object. Hierdoor hoeft er niet getoetst te worden aan invloedsgebieden of PR-contouren en hoeft het groepsrisico niet te worden verantwoord. De voorgenomen ontwikkeling heeft tevens geen gevolgen ten aanzien van transportroutes. De aard en omvang van dit project heeft geen invloed op het plaatsgebonden risico en
Rho adviseurs voor leefruimte
33
het groepsrisico van de weg. Daarom is geen nader onderzoek noodzakelijk en vormt externe veiligheid geen belemmering voor dit plan.
4.6
M.e.r.-beoordeling
Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van het project; de plaats van het project en; de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Onderzoek De onderhavige ontwikkeling is qua aard en omvang zodanig dat de drempelwaarden in onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. niet worden overschreden. Wel dient een vormvrije m.e.r-beoordeling te worden uitgevoerd. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen in bijlage 14.
4.7
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 1 weergegeven. Tabel 1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide (NO2 ) jaargemiddelde concentratie fijnstof (PM10 ) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijnstof (PM2,5 )