Bijlage 1 BOPA onderbouwing
Tekst van het document
Voor de omgeving van het plangebied geeft het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) het volgende overzicht voor het monitoringsjaar 2022 (x: 123134 y: 428384): • Een stikstofconcentratie van 18,58 µg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 17,27 µg/m3 PM10; Op basis van bovenstaande kan worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan alle grenswaarden wordt voldaan. Niet in betekenende mate (NIBM) Een toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging. In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM). Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2μg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (bkl). Dit plan is zeer kleinschalig van schaal en aard, waardoor gesteld kan worden dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond van de Bkl is daardoor geen toetsing nodig. Conclusie Het plan ondervindt ten aanzien van aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen.
. 34
4.5 Geur Beleidskader De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het plangebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het plangebied, optreedt. In paragraaf 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau aanvaardbaar is. In deze instructieregels zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties, het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten moeten voldoen. In het Bkl worden geurgevoelige gebouwen beschermd tegen onevenredige geurhinder. Als geurgevoelige gebouwen zijn woon-, onderwijsen gezondheidsfuncties en bijeenkomstfunctie voor kinderopvang aangewezen. Delen van een gebouw waar deze functies niet zijn toegelaten, worden niet aangemerkt als geurgevoelig. Onderzoek Het plan betreft de realisatie van acht woningen in een bestaand schoolgebouw in de bebouwde kom van Schelluinen. In de omgeving van het plangebied zijn geen agrarische bedrijven of ander soort bedrijven die geurhinder kunnen veroorzaken gelegen.
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geur geen belemmeringen.
35
4.6 Bodem Beleidskader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn in paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl instructieregels opgenomen voor het aspect bodem. De regels bepalen voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: • landbouw/natuur; • wonen; • industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Deze niveaus zijn opgenomen in bijlage Vb van het Bkl. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem in kaart te brengen is door Aeres Milieu B.V. een verkennend bodem- en asbestbodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is als bijlage bij de ruimtelijke motivering toegevoegd. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn in de bovengrond plaatselijk bijmengingen met baksteen, beton, puin en asfalt waargenomen.
Asbest Bij het uitkomende bodemmateriaal zijn in de grove fractie geen asbestverdachte materialen waargenomen. In de geanalyseerde mengmonsters van de fijne fractie zijn geen verhoogde concentraties aan asbest aangetoond. De locatie kan derhalve als onverdacht worden beschouwd op het voorkomen van asbest in de bodem. Bodem Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond licht verhoogd is met cadmium, kwik, lood, zink, minerale olie, som PCB en PAK. Uit het onderzoek naar PFAS blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verhoogd is met som PFOS of som PFOA. Indicatief voldoet de licht verhoogde bovengrond aan de klasse Industrie bij toepassing op of in de landbodem. In de ondergrond zijn geen gehalten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden gemeten. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium en xylenen.
36
De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling met woningbouw. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft de bodemkwaliteit geen belemmeringen.
37
4.7 Water Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied OVW033. Het peilgebied heeft een vast peil van -1,15 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil van drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter.
Plangebied
Afbeelding 14: Uitsnede kaart peilgebieden
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2.
38
•
•
Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren. In het landelijk en stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2 respectievelijk 500 m2; Indien de toename aan verhard oppervlak groter is dan de vrijstelling, mag het vrijgestelde oppervlak in mindering worden gebracht.
Tabel 2: Verhardingsbalans Bestaande situatie Bestaande schoolgebouw en fietsenhok Terreinverharding Totaal bestaande situatie Nieuwe situatie Nieuwe woningen (incl. bergingen) Erfverharding woonpercelen (80% van 291 m2) Parkeerplaatsen (halfverharding, 50% van 163 m2) Bestrating (wegen en paden) Totaal nieuwe situatie Verschil
Oppervlakte (m2) 950 m2 1.358 m2 2.308 m2 548 m2 233 m2 81 m2 495 m2 1.357 m2 951 m2 afname
Het plan resulteert in een afname aan verharding, waardoor watercompenserende maatregelen niet noodzakelijk zijn. Watergangen Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen watergangen gelegen. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het Waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. In de directe omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Het hemelwater moet derhalve de gelegenheid krijgen om te infiltreren in de bodem. De afname aan verharding levert hieraan een positieve bijdragen. Daarnaast wordt het plangebied groen ingericht, waardoor hemelwater beter kan infiltreren in de bodem.
Hemelwater op verhardingen wordt afgewaterd naar groenvoorzieningen en/of met behulp van straatkolken welke worden aangesloten op het HWA-riool.
39
Voor het plan wordt een gescheiden rioolstelsel aangelegd. Het rioolstelsel wordt aangesloten op het bestaande rioolstelsel in de Oranjestraat. Dit zal door een civieltechnisch bureau nader worden uitgewerkt. Waterkering Het plangebied is gelegen binnen de beschermingszone van een regionale waterkering. Binnen de beschermingszone geldt een bouwprincipe ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. De geplande bouw- en sloopwerkzaamheden vinden plaats buiten de beschermingszone van de regionale waterkering. Voor bescherming van de regionale waterkering heeft het Waterschap Rivierenland een profiel van vrije ruimte (Pvvr) vastgesteld. De nieuwe woningen liggen buiten dit Pvvr (heipalen uitgezonderd). Wel is er sprake van grondwerkzaamheden binnen de beschermingszone van de waterkering. Voor deze werkzaamheden dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Rivierenland.
Afbeelding 15: Uitsnede digitale kaart waterkeringen
Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem.
40
4.7 Omgevingsveiligheid (externe veiligheid) Beleidskader De Omgevingswet is in vier AMvB’s uitgewerkt: 1. Omgevingsbesluit; 2. Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); 3. Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl); 4. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Bij het beschouwen van omgevingsveiligheid/externe veiligheid bij ruimtelijke plannen is zonder meer het Bkl van toepassing. Het Bal en het Bbl kunnen aanvullend ook van toepassing zijn. Het Bkl: kwaliteitseisen Het Bkl stelt vergelijkbare eisen als het voormalige Bevi, Bevt en Bevb. Dit betekent dat rekening moet worden gehouden met risicobronnen, waarbij plannen moeten voldoen aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Deze grenswaarde staat voor de meeste activiteiten voorgeschreven in het Bal, maar moet voor een aantal activiteiten rekenkundig worden bepaald. Daarnaast moet het bevoegd gezag rekening houden met de kans op 10 of meer slachtoffers (groepsrisico), maar hoeft deze kans niet per se kwantitatief te worden bepaald. Als hulpmiddel bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties gelden straks drie typen aandachtsgebieden: • Brandaandachtsgebied (BAG): de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 is.
Voor de nabijgelegen Betuweroute en snelweg A15 geldt een brandaandachtsgebied van 30 meter. Langs deze twee transportroutes, met relatief hoge vervoersintensiteiten, wordt het BAG van rechtswege omgezet in een brandvoorschriftengebied. • Explosieaandachtsgebied (EAG): de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot: ▪ een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion, BLEVE), de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is; ▪ een explosie, anders dan onder a, de overdruk ten hoogste 10 kPa is. • Gifwolkaandachtsgebied (GAG): de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling. Het gifwolkaandachtsgebied wordt bij bedrijven per milieubelastende activiteit bepaald en wordt begrensd op maximaal 1.500 meter. Mogelijk gaat op termijn voor het spoor een GAG gelden; dit GAG wordt 300 meter. Het Bbl: eventuele maatregelen met betrekking tot Omgevingsveiligheid Het Bbl schrijft de bouwkundige maatregelen voor die gelden in een brandvoorschriftengebied en in een explosievoorschriftengebied.
• Voor brandaandachtsgebieden zijn de maatregelen gericht op de beperking van brandoverslag door aanstraling en op vluchtmogelijkheden: ▪ Een uitwendige scheidingsconstructie heeft een brandwerendheid van minstens 60 minuten; 41
de aan de buitenlucht grenzende zijde voldoet aan brandklasse A2; het dak is bedekt met constructiematerialen die voldoen aan brandklasse A2; ▪ vluchtmogelijkheden van de bron af; ▪ het gebouw moet voldoen aan een bepaalde sterkte in geval van brand. Voor een explosieaandachtsgebied geldt artikel 4.96 Bbl. Dit betekent dat in een explosievoorschriftengebied gelegen beglazing zodanig moet worden uitgevoerd, dat bij een explosie letsel door scherfwerking wordt voorkomen. Voor gifwolkaandachtsgebieden geldt geen voorschriftengebied en gelden dus ook geen specifieke voorschriften. Wel geldt, net als in het Bouwbesluit, het algemene voorschrift dat mechanische ventilatie moet kunnen worden uitgeschakeld. ▪ ▪
•
•
Het Bal: activiteiten Het Bal beschrijft de voorschriften voor milieubelastende activiteiten. Met betrekking tot het plaatsgebonden risico staan voor activiteiten met een omgevingsrisico, zoals opgenomen in bijlage VII van het Bkl, afstanden opgenomen voor het plaatsgebonden risico. Binnen deze afstand zijn (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare terreinen niet toegestaan. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare terreinen geldt deze afstand als een richtwaarde. Onderzoek Voor het inventariseren van externe veiligheidsbronnen in de omgeving van het plangebied is de Atlas voor de Leefomgeving geraadpleegd. Milieubelastende activiteiten Uit de kaart Veilige Omgeving van de Atlas van de Leefomgeving blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen invloedssferen van (bedrijfs)activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn geen voor het aspect externe veiligheid relevante buisleidingen aanwezig. Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes In de omgeving van het plangebied is sprake van transport van gevaarlijke stoffen (over de Betuwelijn, de N216 en de A15). De nieuwe woningen liggen buiten de PR 10-6-contour, PR 10-7-contour, het explosieaandachtsgebied en het gifwolkaandachtsgebied.
Het plangebied ligt buiten 200 meter van de transportroutes, waardoor een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk is.
42
Plangebied
Afbeelding 16: Uitsnede kaart Atlas voor de Leefomgeving (veilige leefomgeving)
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect omgevingsveiligheid / externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
43
4.8 Archeologie en cultureel erfgoed Beleidskader In paragraaf 5.1.5.5 en specifiek artikel 5.130 van het Bkl zijn regels opgenomen ten aanzien van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed wordt in een plan rekening gehouden met de bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening wordt gehouden met het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde (archeologische) monumenten. Daarnaast is in het Bkl opgenomen dat het gebruik van monumenten wordt bevorderd en archeologische monumenten in stand gehouden moeten blijven, bij voorkeur in situ. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem).
Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument. Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Archeologie Door Aerius Milieu B.V. is een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd in de bijlage.
Op basis van het uitgevoerde verkennend veldonderzoek door middel van boringen kan worden gesteld dat in het plangebied de natuurlijke afzettingen vooral zijn gevormd in een komgebied van de stroomgordel van Spijk dat nat en/of vochtig was voor bewoning. Er zijn geen bewoonbare niveaus en/ of archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van archeologische resten. Op basis van het bureauonderzoek gold er een lage verwachting voor de periode laat44
paleolithicum tot en met de bronstijd en een middelhoge verwachting voor de periode ijzertijd tot en met de nieuwe tijd. Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek kan de lage archeologische verwachting als zodanig gehandhaafd blijven en kan de middelhoge archeologische verwachting worden bijgesteld naar laag. Voor het plangebied wordt om bovenstaande redenen geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Cultureel erfgoed Het bestaande schoolgebouw heeft geen monumentale status. Er is tevens geen sprake van een monumentaal gebied. Het plangebied is wel gelegen in de historische lintbebouwing aan de Voordijk en de oude kern van Schelluinen. Om deze redenen is er juist voor gekozen om het bestaande schoolgebouw te herontwikkelen naar woningen (in plaats van sloop en nieuwbouw). Bij de uitwerking van het plan is zorgvuldig rekening gehouden met de identiteit van de omgeving waarbinnen het plangebied ligt. In een projectgroep, bestaande uit onder andere de gemeente Molenlanden en Van Daalen Ontwikkeling B.V. is een stedenbouwkundig plan uitgewerkt voor de herontwikkeling van de schoollocatie. De woningen worden op een passende wijze vormgegeven (passend in de identiteit van de buurt). Materialen en kleuren zijn terughoudend en in samenhang met de omliggende bebouwing. Er worden geen cultuurhistorische waarden aangetast.
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie en cultureel erfgoed geen belemmeringen.
45
4.9 Milieuzonering Beleidskader De Omgevingswet bepaalt dat overheden bij het vaststellen van ruimtelijke plannen moeten aantonen dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies op locaties. Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient erop toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een richtafstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving van het plangebied zijn naast woningen diverse andere functies aanwezig. Onderzoek Met dit plan krijgt een buiten gebruik geraakt schoolgebouw een nieuwe functie in de vorm van wonen. Voor de omliggende woningen is hiermee sprake van een verbeterde functie (wegnemen milieubelastende activiteit).
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient bekeken te worden naar de eventuele bedrijfs- en milieuhinder van de omliggende bedrijven en functies en de eventuele beperking van de bedrijfsvoering van deze bedrijven en functies. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handreiking Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In de omgeving van het plangebied is een kerk en twee kantoorpanden gelegen. Conform het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) geldt voor een kerk een richtafstand van 30 meter voor geluid. Het plangebied is gelegen op ca. 40 meter van de kerk (gemeten van woningen tot bestemming ‘maatschappelijk’. Conform het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) geldt voor een kantoor een richtafstand van 30 meter voor geluid. Het plangebied is gelegen op ca. 26 meter van het dichtstbijzijnde kantoor (gemeten van woningen tot bestemming ‘kantoor’. Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect milieuzonering geen belemmeringen.
46
4.10 Natuur Beleidskader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die waren opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Onderzoek Soortenbescherming Ecologische quickscan Door Aeres Milieu is een ecologische quickscan uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd in de bijlage van de ruimtelijke motivering. De conclusies uit het onderzoek wat betreft soortenbescherming zijn: In het dak van de basisschool broeden mogelijk jaarlijks huismussen. Nesten van de huismus zijn jaarrond beschermd. Voordat dit gebouw wordt gesloopt, dient daarom eerst het voorkomen van huismusnesten conform Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017a) te worden onderzocht. Het schoolgebouw bevat mogelijk vleermuisverblijven. Het slopen/verbouwen van dit gebouw kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven.
Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2021) te worden onderzocht. De bomenrij aan de zuidzijde van het plangebied fungeren mogelijk als vaste vliegroute en/of foerageergebied van vleermuizen. Wanneer binnen het plangebied enkele bomen worden gekapt, zal dit geen noemenswaardige aantasting aan een vaste vliegroute of foerageergebied opleveren omdat het slechts enkele bomen betreft. Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van deze bomen alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen. In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde Asoorten), waarvoor in de provincie Zuid-Holland een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen.
Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens 47
de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Nader onderzoek huismussen en vleermuizen Door Brabant Eco is een nader onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen en huismussen. De rapportage is toegevoegd in de bijlage van de ruimtelijke motivering. De conclusies uit het onderzoek zijn: Huismussen • Het plangebied biedt door de afwezigheid van vegetatie weinig schuil- en foerageermogelijkheden voor huismussen. • Er zijn geen huismussen waargenomen in of nabij de te slopen gebouwen en er zijn in deze gebouwen ook geen nesten aanwezig. • De te slopen gebouwen of het overige deel van het plangebied zijn geen essentieel onderdeel van het leefgebied van de huismus. De Wet natuurbescherming wordt niet overtreden door de geplande ontwikkeling. Er is geen ontheffingsaanvraag nodig. Vleermuizen • Er zijn in en nabij het plangebied twee soorten vleermuizen waargenomen, de gewone dwergvleermuis en de rosse vleermuis. • Bij inspectie van het plangebied bij daglicht zijn geen vleermuiskeutels of andere sporen gevonden die duiden op vleermuisverblijfplaatsen. • Er zijn geen kraam- en zomerverblijfplaatsen aangetroffen in de te slopen of te verbouwen gebouwen. • De omgeving rond het plangebied fungeert als foerageergebied voor maximaal twee of drie dwergvleermuizen.
Gelet op dit kleine aantal en het ruime aanbod aan vergelijkbaar foerageergebied in de omgeving is het geen essentieel foerageergebied. Een onmisbaar foerageergebied binnen de plangrenzen is niet aan de orde. • Er zijn geen essentiële vliegroutes aanwezig in het plangebied. Bestaande lijnvormige groenstructuren waarlangs migratie- of foerageerroutes van vleermuizen zouden kunnen liggen worden niet aangetast door de voorgenomen plannen. • De balts van de gewone dwergvleermuis of andere soorten is in augustus en september niet gehoord in het plangebied. • Paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis of andere soorten zijn niet aangetroffen. • Het zogenaamde najaar zwermgedrag is niet waargenomen. • De onderzochte bebouwing maakt geen onderdeel uit van het territorium van de ten westen van het plangebied waargenomen baltsende gewone dwergvleermuis. • De geplande ontwikkeling heeft door het afwezig zijn van geschikte verblijfslocaties geen negatieve effecten op lokale populaties vleermuizen. De Wet natuurbescherming wordt niet overtreden. Er is geen ontheffingsaanvraag noodzakelijk met betrekking tot de voorgenomen werkzaamheden.
48
Gebiedsbescherming (stikstofdepositie) Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. De plannen zullen geen effect op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden hebben. Om elk risico uit te sluiten, is door De Roever Omgevingsadvies middels de AERIUS Calculator een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd in de bijlage. Uit de gecombineerde berekening van de aanlegfase en gebruiksfase blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden dus geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Het plan is daarmee in het kader van stikstofdepositie niet aan te merken als een Natura 2000-activiteit. Het plangebied maakt tevens geen deel uit van een beschermd gebied betreffende Natuurnetwerk Nederland (NNN). De sloop/verbouwing van de school, de bouw en het gebruik van de woningen en de toenemende verkeersbewegingen hebben geen negatieve effecten op het NNN. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft natuur geen belemmeringen.
49
4.11 Trillingen Beleidskader In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl zijn regels opgenomen voor het aspect trillingen. De paragraaf is van toepassing op het toelaten van activiteiten (anders dan wonen) die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw of een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit (anders dan wonen). Dit geldt echter niet voor locaties op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, tijdelijke gebouwen, activiteiten die hoofdzakelijk in de openbare ruimte plaatsvinden, evenemententerreinen en verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder mogen de continue trillingen (trilling die ten opzichte van de grootste trillingstijd gedurende een lange tijd aanwezig is) door een activiteit in trillinggevoelige ruimten niet hoger zijn dan 0,1 Vmax. Als daar niet aan kan worden voldaan, mag de trillingssterkte niet hoger zijn dan de volgende waarden in onderstaande tabel.
Tabel 3: Waarde voor continue trillingen in trillinggevoelige ruimte als niet kan worden voldaan aan Vmax 0,1 Soort Waarden 07:00 – 23:00 uur 23:00 – 07:00 uur Trillingssterkte Vmax 0,4 0,2 Trillingssterkte Vper 0,05 0,05 Onderzoek Het plan voorziet niet in activiteiten die continue trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw of een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit in de omgeving. Het uitvoeren van een trillingsonderzoek kan derhalve achterwege blijven. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect trillingen geen belemmeringen.
50
5.
Financiële haalbaarheid
Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de financiële haalbaarheid van het plan voor verantwoordelijkheid van de ontwikkelaar, welke aangeven dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Kostenverhaal Daar waar nodig zal op basis van artikel 13.18 het publiekrechtelijke kostenverhaal worden verrekend door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow). Tevens worden voor het in behandeling nemen van en de procesbegeleiding kosten gerekend. Deze worden verrekend via de leges. In de legesverordening van de gemeente Molenlanden is een legesbedrag opgenomen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat het plan financieel haalbaar is.
51
6.
Participatie en overleg
6.1 Participatie De gemeente Molenlanden heeft een lijst met gevallen vastgesteld waarbij participatie verplicht is voorafgaand aan het indienen van een vergunningsaanvraag. Conform het participatiebeleid is er voor het plan participatie noodzakelijk. Vooruitlopend op het indienen van de aanvraag omgevingsvergunning heeft de ontwikkelaar geparticipeerd. Op 22 november 2022 is een presentatie gegeven aan de omwonenden van het plangebied. De reacties op de bewonersavond waren overwegend positief. Op 24 juni 2024 is huis aan huis een informatiebrief verstrekt aan de omwonenden. Op 25 september 2024 is er nogmaals een inloopavond georganiseerd door van Daalen Ontwikkeling B.V. in samenwerking met de gemeente Molenlanden. De reacties waren wederom overwegend positief. Men was positief over de groene invulling van de locatie in combinatie met de ruimte voor ontmoeting. Aandachtspunten waren parkeren en hemel- en afvalwaterafvoer (riolering). Deze aandachtspunten worden waar mogelijk meegenomen in de nadere uitwerking van het plan. De ontwikkelaar heeft hiermee voldaan aan de inspanningsverplichting.
6.2 Advies gemeenteraad De gemeente Molenlanden heeft een lijst met gevallen vastgesteld waarbij advies van de gemeenteraad nodig is voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Conform het beleid is er voor het plan een advies van de gemeenteraad noodzakelijk.
6.3 Bestuurlijk vooroverleg In het kader van het bestuurlijk vooroverleg wordt het plan opgestuurd naar de bestuurlijke overlegpartners, waaronder de Provincie Zuid-Holland en het Waterschap Rivierenland.
52
7. Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties Het bevoegd gezag mag een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2, Bkl). Deze abstract geformuleerde en beleidsvrije taak vormt, zoals ook in de memorie van toelichting van de Omgevingswet toegelicht, een voortzetting van het criterium van een goede ruimtelijke ordening uit de Wet ruimtelijke ordening, maar dan in de bredere strekking van de fysieke leefomgeving. Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstuk 4, 5 en 6) en is het plan getoetst aan de diverse beleidskader (zie hoofdstuk 3). Hieruit kan worden geconcludeerd dat het plan voldoet aan de diverse beleidskaders en er sprake is van een evenwichtige toedeling van functie aan de locatie.
53