CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 BOPA onderbouwing

Raadsvergadering 17 juli 2025, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Adviesrecht omgevingsvergunning Dr. van Linden Tolstraat 1 Schelluinen13.214 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke motivering ‘Doctor van Linden-Tolstraat 1 Schelluinen’ (Herontwikkeling terrein OBS Het Tweespan)

Ruimtelijke motivering Doctor van Linden-Tolstraat 1 Schelluinen’ (Herontwikkeling terrein OBS Het Tweespan)

Opgesteld door: Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. Lekdijk 44 2967 GB Langerak In opdracht van: Van Daalen Ontwikkeling B.V. Papland 4 4206 CL Gorinchem Datum 29 november 2024 Planstatus Concept Versie 1.1

2

Inhoudsopgave 1.

2.

3.

4.

Inleiding ....................................................................................................................................... 5 1.1

Aanleiding .................................................................................................. 5

1.2

Plangebied .................................................................................................. 5

1.3

Kader .......................................................................................................... 6

1.4

Leeswijzer................................................................................................... 7

Planbeschrijving ....................................................................................................................... 8 2.1

Bestaande situatie ....................................................................................... 8

2.2

Nieuwe situatie ......................................................................................... 11

Verantwoording beleidskader ......................................................................................... 13 3.1

Rijksbeleid ................................................................................................ 13

3.2

Provinciaal beleid ...................................................................................... 14

3.3

Regionaal beleid ....................................................................................... 23

3.4

Waterschapsbeleid .................................................................................... 24

3.5

Gemeentelijk beleid .................................................................................. 25

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu .................................................................. 27 4.1

Milieueffectrapportage .............................................................................. 27

4.2

Verkeer en vervoer .................................................................................... 29

4.3

Geluid ....................................................................................................... 31

4.4

Luchtkwaliteit ........................................................................................... 34

4.5

Geur ......................................................................................................... 35

4.6

Bodem ...................................................................................................... 36

4.7

Water ........................................................................................................ 38

4.7

Omgevingsveiligheid (externe veiligheid) .................................................. 41

4.8

Archeologie en cultureel erfgoed .............................................................. 44

4.9

Milieuzonering .......................................................................................... 46

4.10 Natuur ...................................................................................................... 47 4.11 Trillingen .................................................................................................. 50 5.

Financiële haalbaarheid ..................................................................................................... 51

6.

Participatie en overleg ........................................................................................................ 52

7.

6.1

Participatie................................................................................................ 52

6.2

Advies gemeenteraad................................................................................ 52

6.3

Bestuurlijk vooroverleg ............................................................................. 52

Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties ............................. 53

3

# Bijlage 1 Tekeningen

Auteur Studioschaeffer Architecten BNA 2 Stikstofdepositieonderzoek De Roever (Aerius-berekening) Omgevingsadvies 3 Ecologische quickscan Aeres Milieu B.V. 4 Nader onderzoek naar Brabant Eco huismussen en vleermuizen 5 Verkennend bodem- en Aeres Milieu B.V. asbestonderzoek 6 Archeologisch onderzoek Aeres Milieu B.V. 7 Akoestisch onderzoek K+ Adviesgroep

Kenmerk 24245

Datum 22-11-2024

20241314. v01 AM21616 2022-BE0325

18-11-2024

AM21616

14-07-2022

2214-5656 24021

05-07-2022 06-02-2023

21-04-2022 11-10-2022

4

1.

Inleiding

1.1 Aanleiding Het perceel Dr. van Linden-Tolstraat 1 Schelluinen betreft de voormalige locatie van de openbare basisschool (OBS) ‘Het Tweespan’. Sinds oktober 2021 is de school gevestigd in De Commanderij, het multifunctioneel centrum (MFC) van Schelluinen. De locatie aan de Dr. van Linden-Tolstraat 1 Schelluinen is daarmee buiten gebruik. In een projectgroep, bestaande uit onder andere de gemeente Molenlanden en Van Daalen Ontwikkeling B.V. is een stedenbouwkundig plan uitgewerkt voor de herontwikkeling van de schoollocatie. Het plan bestaat uit de realisatie van 8 betaalbare koopwoningen in de bestaande school. Om het plan juridisch-planologisch mogelijk te maken wordt er een omgevingsvergunning aangevraagd voor een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (BOPA). Een omgevingsvergunning BOPA kan alleen verleend worden met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In voorliggende ruimtelijke motivering wordt onderbouwd dat hiervan sprake is.

1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen in het dorp Schelluinen. Het plangebied wordt aan de zuidzijde ontsloten via de Dr. van Linden-Tolstraat. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Schelluinen, sectie B, nummer 2286 en 2289 (gedeeltelijk).

Afbeelding 1: Ligging en begrenzing plangebied

5

1.3 Kader Bestemmingsplan ‘BP Giessen-Oudekerk, Hoogblokland en Schelluinen’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘BP GiessenOudekerk, Hoogblokland en Schelluinen’ (vastgesteld op 25 oktober 2012). Het bestemmingsplan maakt onderdeel uit van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Molenlanden. Het plangebied heeft de bestemmingen: • Maatschappelijk; • Waarde – Archeologie – 1; • Waarde – Archeologie – 4; • Waterstaat – Waterkering; Met de aanduidingen: • Bouwvlak; • Maatvoering ‘maximum bebouwingspercentage (%): 75’; • Maatvoering ‘maximum goothoogte (m): 4’; Het plan is in strijd met de regels van het bestemmingsplan ‘BP Giessen-Oudekerk, Hoogblokland en Schelluinen’. Op gronden met de bestemming ‘Maatschappelijk’ is woningbouw niet toegestaan.

Afbeelding 2: Uitsnede bestemmingsplan ‘BP Giessen-Oudekerk, Hoogblokland en Schelluinen’

6

Parapluherziening Parkeren Op 27 oktober 2020 heeft de gemeente Molenlanden het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’ vastgesteld dat inmiddels onderdeel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Molenlanden. Het doel van deze parapluherziening is het bieden van een eenduidige regeling ten aanzien van het aspect ‘parkeren’ in de gemeente Molenlanden. Dit paraplubestemmingsplan vormt de juridische vertaling van het parkeerbeleid. In de beleidsregel “Nota Parkeernormen Molenlanden 2020” zijn de parkeernormen opgenomen die van toepassing zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’ regelt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden voldaan aan de beleidsregel “Nota Parkeernormen Molenlanden 2020”. In paragraaf 4.2 ‘Verkeer en vervoer’ is beschreven dat dit plan voldoet aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten Op 26 oktober 2021 heeft de gemeente Molenlanden het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’ vastgesteld dat inmiddels onderdeel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Molenlanden. Het paraplubestemmingsplan voorziet uitsluitend in een juridische borging voor het reguleren van het beleid met betrekking tot huisvesting van arbeidsmigranten.

Door deze regeling wordt het eveneens onmogelijk gemaakt om andere ongewenste huisvestingsvormen toe te staan in (bedrijf)woningen. De regeling blijft van kracht op de locatie Dr. van Linden-Tolstraat 1 Schelluinen.

1.4 Leeswijzer Deze ruimtelijke motivering bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van de planontwikkeling zijn beschreven: • • • • • • •

Hoofdstuk 1: Inleiding; Hoofdstuk 2: Planbeschrijving; Hoofdstuk 3: Beleidskader; Hoofdstuk 4: Aspecten fysieke leefomgeving en milieu; Hoofdstuk 5: Financiële haalbaarheid; Hoofdstuk 6: Participatie en overleg; Hoofdstuk 7: Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7

2.

Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie 2.1.1 Ruimtelijke structuur Schelluinen ligt ten westen van Gorinchem aan de noordzijde van de A15 en de Betuwelijn. De oude kern van Schelluinen bestaat uit de bebouwing rond het Kerkplein met de aanliggende Nederlands Hervormde Kerk en het oude kasteel. Deze kern ontstond in de zuidwesthoek van de Kwakernaaksche Polder, daar waar het noordelijk deel van de (Groote) Schelluinensche Vliet met een bijna haakse bocht overgaat in het oostelijk deel. De Kwakernaaksche Polder werd echter in cultuur gebracht vanuit de noordelijk van de kern gelegen De Nol (de huidige Nolweg). De kern strekte zich nog iets uit langs de Kaatsbaan, aan de overzijde van de Vliet. Tot ver in de 19e eeuw bleef de bebouwing beperkt tot een clustervorming verdichting rond de uitwatering van de wetering op de Vliet en tot de extensief bebouwde boerderijenlinten langs de Voordijk en de zuidzijde van de Nolweg (en de daarbij aansluitende tot Gorinchem behorende Haarweg). In de 20ste eeuw heeft gaandeweg eerst een verdichting plaatsgevonden langs de Voordijk en de Nolweg. Kenmerkend voor de dorpskern en de linten is de wisselende goothoogte van de gebouwen.

Na de Tweede Wereldoorlog vond geleidelijk een planmatige uitbreiding van Schelluinen plaats; eerst vooral oostelijk van het bebouwingslint van de Voordijk, daarna de uitbreiding in de jaren 80 in het zuiden van de Kwakernaaksche polder. Tenslotte is eind 20e eeuw het dorp uitgebreid ten westen van de Vliet. Er zijn de laatste jaren een aantal uitbreidingsprojecten in ontwikkeling geweest: het nieuwbouwproject ‘Over de Vliet III’ en het nieuwbouwproject ‘Schelluinen-Oost’. Het plangebied is gelegen in de oude kern Schelluinen aan de Voordijk en de Dr. van Linden-Tolstraat.

2.1.2 Huidige status/gebruik Het perceel Dr. van Linden-Tolstraat 1 Schelluinen betreft de voormalige locatie van de openbare basisschool (OBS) ‘Het Tweespan’. Sinds oktober 2021 is de school gevestigd in De Commanderij, het multifunctioneel centrum (MFC) van Schelluinen. De locatie aan de Dr. van Linden-Tolstraat 1 Schelluinen is daarmee buiten gebruik. Het bestaande schoolgebouw heeft een oppervlakte van 906,7 m2.

8

Afbeelding 3: Bestaande situatie (uitvergroot in bijlage)

9

Afbeelding 4: Foto’s bestaande schoolgebouw

10

2.2 Nieuwe situatie In een projectgroep, bestaande uit onder andere de gemeente Molenlanden en Van Daalen Ontwikkeling B.V. is een plan uitgewerkt voor de herontwikkeling van de schoollocatie. Het plan bestaat uit de realisatie van 8 betaalbare koopwoningen in de bestaande school. De woningen worden gerealiseerd in de drie delen van het bestaande schoolgebouw welke voorzien van een schuine kap. De platte delen van het schoolgebouw worden gesloopt. De huidige schoolmeesterswoning blijft behouden (functie gewijzigd naar reguliere burgerwoning). Alle woningen hebben een vrijstaande berging op het terrein. De woningen hebben de volgende oppervlakten (incl. losse bergingen): • Woning A: ca. 77 m2 • Woning B: ca. 77 m2 • Woning C: ca. 75 m2 • Woning D: ca. 70 m2 • Woning E: ca. 70 m2 • Woning F: ca. 81 m2 • Woning G: ca. 85 m2 • Woning H: ca. 97 m2 • Totaal: ca. 632 m2

Afbeelding 5: Nieuwe situatie (uitvergroot in bijlage)

11

Afbeelding 6: Gevelbeelden nieuwe situatie (uitvergroot in bijlage)

Afbeelding 7: Impressie nieuwe situatie

12

3.

Verantwoording beleidskader

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio's; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat er zowel maatregelen op korte termijn als maatregelen op lange termijn nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven als de ondergrond. Het plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad.

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is één van de vier AMvB’s die invulling geven aan de Omgevingswet. Het Bkl stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 5.129g van het Bkl is de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden aan de behoefte van de stedelijke ontwikkeling. Indien de stedelijke ontwikkeling wordt gerealiseerd buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied, dan moet ook rekening gehouden worden met de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied of -groen in die behoefte te voorzien. Het plan betreft de realisatie van acht woningen in een bestaand schoolgebouw in bestaand stedelijk gebied. Daarmee kan gesteld worden dat hiermee geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bkl, waardoor een toetsing aan ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet nodig is.

13

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 1 januari 2024 is een geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie in werking getreden. De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid Holland. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie Zuid Holland. Het Omgevingsbeleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zeven richtinggevende ambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van ZuidHolland. 5. Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 6.

Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Verstedelijking De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Conform de Omgevingsvisie kunnen kleinschalige stedelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten (in de bebouwde ruimte).

Het plangebied valt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Het plan sluit hiermee aan bij het provinciaal beleid om de verstedelijkingsopgave primair te realiseren binnen bestaand stedelijk gebied (BSD). 14

Plangebied

Afbeelding 8: Ligging plangebied in bestaand stedelijk gebied

Ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke kwaliteit speelt op verschillende niveaus: veelal plek gebonden, maar ook op het niveau van de gehele provincie en soms daarbuiten. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). De essentie van ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten aan toevoegen die te maken hebben met de samenleving van vandaag. Handvatten voor passende ruimtelijke ontwikkeling Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Hierin wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: 1. Inpassing. Dit betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad.

De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van een kavel. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of een woning in een lint. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. 15

2. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die aansluit bij de huidige identiteit van een gebied, maar op structuurniveau wijzigingen of aanvullingen voorziet. Een voorbeeld is de aanleg of verbreding van een provinciale weg, een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied of een nieuw landgoed. Bewoners en gebruikers uit de bestaande omgeving merken duidelijk invloed van de nieuwe ontwikkeling. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief zo gunstig mogelijk resultaat. Omdat in deze gevallen niet aan (alle) richtpunten van de kwaliteitskaart kan worden voldaan, zijn ontwerpoptimalisatie, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. 3. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat er een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. Er ontstaat een nieuwe toekomst voor het gebied met een nieuwe gebiedsidentiteit. De impact van deze plannen op een gebied is groot. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden.

Gelet op de wezenlijke verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten van de kwaliteitskaart kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat die nog niet is ondervangen in de richtpunten. In de meest verregaande vorm van transformatie is van de huidige identiteit niets meer zichtbaar. In alle gevallen is het belangrijk om aansluiting te zoeken bij structuren en patronen aan de rand van de omgeving, bijvoorbeeld een bosrand, waterloop of woonlint. Het ontwerp kan gepaard gaan met inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen in de omgeving. Gelet op de omvang van de ontwikkeling kunnen dergelijke maatregelen – eenvoudiger dan bij aanpassing – onderdeel uitmaken van hetzelfde plan. Bij transformatie-opgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen, een kwalitatief optimaal resultaat inclusief een maatschappelijke tegenprestatie. Dit plan kan worden geschaard in de categorie ‘inpassen’. Het plan betreft het inpassen van acht betaalbare koopwoningen in een bestaand schoolgebouw in de bebouwde kom van Schelluinen. Met dit plan krijgt het buiten gebruik geraakte schoolgebouw een passende nieuwe invulling.

Deze kleinschalige woningbouwontwikkeling sluit aan bij de bestaande gebiedsidentiteit en structuur van het gebied. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van de (woon)omgeving. Kwaliteitskaart De kwaliteitskaart is voor de provincie Zuid-Holland een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen. De kwaliteitskaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De kwaliteitskaart biedt een middel om vroeg in het planproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit 16

ten goede komt. Het verbinden van nieuwe ontwikkelingen aan de bestaande gebiedskenmerken vormt hierbij uitgangspunt. Laag van de ondergrond Het plangebied is gelegen binnen de gebied ‘Bijzonder reliëf en aardkundige waarden’ en ‘Rivierdeltacomplex - Rivierklei en veen’. Zuid-Holland is, uitgezonderd de duinen en de dijken, relatief plat. Binnen dit platte land is nog een aantal bijzondere, natuurlijke hoogteverschillen te vinden. Zoals overal in Zuid-Holland heeft het water en het menselijk handelen grote invloed gehad op de geomorfologie van dit deel van de provincie. Het land in de delta is vergroot door aanleg van dijken rond droogvallende gronden. De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap. Richtpunten: • Ontwikkelingen in het rivierengebied houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar. • Ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand. • Waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Plangebied

Afbeelding 9: Uitsnede Kwaliteitskaart – Laag van de ondergrond

Het plan betreft de realisatie van acht woningen in een bestaand schoolgebouw in de bebouwde kom van Schelluinen. Het plan doet daarmee geen afbreuk aan zowel de herkenbaarheid van het verschil tussen komgronden en oeverwallen als de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap.

17

Laag van de natuur- en cultuurlandschappen Het plangebied is gelegen binnen het gebied ‘veenweidelandschap’. De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik. Het agrarisch gebruik overheerst. Belangrijke kenmerken van het veenweidegebied zijn het contrast tussen (meer verdichte) hooggelegen boezems, linten en bovenlanden en het uitgestrekte, ingeklonken veen (open gebied). Veenstromen, dijken en kades vormen landschappelijke structuurdragers en begrenzen de (open) poldereenheden. Het gebruik richt zich op behoud van de maat van de poldereenheden, het verkavelingspatroon, de beplanting, de kades en dijken en de zichtbaarheid van water in de vorm van sloten, weteringen en boezems. Een duurzaam gebruik en eigenaarschap van het veen(weide)gebied is van belang. Het maken van nieuwe (agrarische) natuurlandschappen met een (extensieve) recreatieve functie behoort daarbij tot de mogelijkheid. Richtpunten ruimtelijke kwaliteit: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen.

Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders; • Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar. Het plangebied is gelegen binnen het gebied ‘Linten’. Linten zijn lineaire, aangesloten bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. Om die reden worden linten beschouwd als onderdeel van de tweede laag. Op kaart zijn zowel de linten buiten als binnen het stedelijk gebied aangegeven. De linten binnen het stedelijk gebied zijn met name opgenomen om de relatie met het lint in het buitengebied aan te geven. Richtpunten: • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied.

• Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst. • Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. • Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht.

18

Plangebied

Afbeelding 10: Uitsnede Kwaliteitskaart – Laag van de cultuur- en natuurlandschappen

Het plan betreft een ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. Met dit plan worden geen kenmerkende landschapselementen negatief beïnvloed. Er wordt geen nieuwe bebouwing gerealiseerd in de veenweidepolders en/of nieuwe agrarische bedrijven opgericht. Laag van de stedelijke occupatie Het plangebied is gelegen binnen het gebied ‘dorpen’. Elk dorp ontwikkelt zijn eigen identiteit en bouwt voort op haar karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap. Het dorp is deel van het omringende landschap, doordat onderliggende patronen herkenbaar zijn in de structuur van het dorp.

Afbeelding 11: Uitsnede Kwaliteitskaart – Laag van de stedelijke occupatie

19

Richtpunten: • Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. • Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. • Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving. • Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. • Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand (zie stadsen dorpsranden). • Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. • Het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt. • Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied. • Bij bedrijventerreinen krijgt de beeldkwaliteit van de randen, een goede ontsluiting en de samenhang met de omgeving extra aandacht. Het plangebied is gelegen binnen het gebied ‘Stads- en dorpsranden’. De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap.

Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij onderscheiden we drie typen ‘overgangskwaliteiten’. Het front, het contact en de overlap. Op kaart vinden we de hoogwaardige en bijzondere fronten terug. Daar waar recreatiegebieden voorkomen langs stads- of dorpsrand is veelal sprake van overlap. Uitgangspunt bij ontwikkelingen aan dorpsranden is de contactkwaliteit. Richtpunt: • Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). Bij de uitwerking van het plan is zorgvuldig rekening gehouden met de identiteit van de omgeving waarbinnen het plangebied ligt. In een projectgroep, bestaande uit onder andere de gemeente Molenlanden en Van Daalen Ontwikkeling B.V. is een stedenbouwkundig plan uitgewerkt voor de herontwikkeling van de schoollocatie. Het plan betreft de realisatie van 8 betaalbare koopwoningen in de bestaande school.

De woningen worden op een passende wijze vormgegeven (passend in de identiteit van de buurt). Materialen en kleuren zijn terughoudend en in samenhang met de omliggende bebouwing. Om te komen tot een prettig aanvoelend woonklimaat zal het gebied rondom de woningen groen worden ingericht. Het plan levert een positieve bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving.

20

3.2.2 Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) Op 1 januari 2024 is de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) in werking getreden. In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) zijn de regels over de fysieke leefomgeving van de provincie opgenomen. Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 7.3.7 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 7.43). Artikel 7.43 (definitie soort ruimtelijke ontwikkeling) Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: a. inpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied; b. aanpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau; c. transformeren: de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Dit plan kan worden geschaard in de categorie ‘inpassen’. Het plan betreft het inpassen van acht betaalbare koopwoningen in een bestaand schoolgebouw in de bebouwde kom van Schelluinen. Met dit plan krijgt het buiten gebruik geraakte schoolgebouw een passende nieuwe invulling. Deze kleinschalige woningbouwontwikkeling sluit aan bij de bestaande gebiedsidentiteit en structuur van het gebied.

De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van de (woon)omgeving. Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 7.3.8 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen (artikel 7.45). Artikel 7.45 (ladder voor duurzame verstedelijking) 1. Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt gaat in de motivering in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 2. Als over de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd of die door gedeputeerde staten zijn vastgesteld, dan kan de motivering van de behoefte, bedoeld in artikel 5.129g, tweede lid, onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken. Het plan betreft de nieuwbouw van 8 betaalbare koopwoningen in een bestaand schoolgebouw in bestaand stedelijk gebied. Daarmee kan gesteld worden dat hiermee geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bkl, waardoor een toetsing aan ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet nodig is.

21

Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen In paragraaf 7.3.6a van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen (artikel 7.41). Artikel 7.41b (risico’s van klimaatverandering) In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van: 1. wateroverlast door overvloedige neerslag; 2. overstroming; 3. hitte; 4. droogte; alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling. Voor zover risico’s aan de orde zijn wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, of het gericht aanvaarden van deze risico’s. Wateroverlast door overvloedige neerslag Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien te kunnen opvangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het plangebied is in de bestaande situatie grotendeels verhard of bebouwd. Met dit plan zal de verharding afnemen. In de omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Het hemelwater moet derhalve de gelegenheid krijgen om te infiltreren in de bodem.

Ondanks de kleinschaligheid van dit plan wordt hier rekening mee gehouden, door de parkeervakken uit te voeren in klimaatadaptieve bestrating en plangebied rondom de woningen zo groen mogelijk in te richten, waardoor hemelwater beter kan infiltreren in de bodem. Overstroming Het stijgen van de zeespiegel raakt het project niet. De bestaande bebouwing c.q. nieuwe woningen liggen buiten het profiel van vrije ruimte (Pvvr) van de Voordijk (waterkering). De bebouwing ligt op een hoogte waarmee is voorgesorteerd op het voorkomen van schade door hoge waterstanden. Het plan leidt niet tot extra overstromingsgevaar. Hitte en droogte Gezien het warmer en droger wordt, wordt bij de uitwerking van de nieuwe woningen rekening gehouden met de accumulatie van warmte. Het schoolgebouw wordt verbouwd conform de meest actuele normen op het gebied van duurzaamheid en klimaatadaptatie in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Deze normen schrijven een zeer hoge kwaliteit voor met betrekking tot energiezuinige bouwwerken en duurzame materialen. De installaties in de woningen worden geschikt gemaakt om naast verwarmen ook te kunnen koelen. Het terrein rondom het gebouw zal worden vergroend met gebiedseigen beplanting. De gebiedseigen beplanting in het plangebied is bestand tegen deze weersomstandigheden. Dit komt naast de klimaatadaptatie de groene uitstraling van het gebied ten goede.

Bodemdaling Het plan wordt civieltechnisch uitgewerkt. Hierbij rekening gehouden met de risico’s van bodemdaling (zettingen).

22

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. De opvolgende visie ‘open voor elkaar’ benadrukt het bijzondere cultuurhistorische landschap, de grote sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden. Met dit plan krijgt een buiten gebruik geraakte schoolgebouw in de kern van Schelluinen een passende nieuwe invulling middels betaalbare koopwoningen. Het plan speelt in op de concrete woningbehoefte in Schelluinen. In Schelluinen is behoefte naar betaalbare koopwoningen. De nieuwbouw zorgt voor doorstroming op de woningmarkt in het dorp en zal tevens starters/jonge gezinnen trekken wat weer positief zal zijn voor de voorzieningen in het dorp Schelluinen.

Het plan is in overeenstemming met het regionaal beleid.

3.3.2 Regionale woonvisie In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een actualisatie van de Regionale woonvisie 2020 (2013) vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn. De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied en een dynamische stedelijke zone. Elke gemeente en kern heeft kwaliteiten en weet sommige groepen te binden, maar andere weer minder. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau. Om die goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld. Door een jaarlijkse woonmonitor worden bereikte resultaten en de planning voor volgende jaren geregistreerd. In de actualisatie van de woonvisie zijn de afspraken rond het afstemmen opgenomen. Daarbij is gebruik gemaakt van de jongste demografische cijfers van de provincie Zuid-Holland. Van belang is dat er voldoende flexibel geprogrammeerd wordt. Ook is besloten gebruik te blijven maken van de benadering waarbij woonmilieus en mentality milieus als handreiking gebruikt worden.

We sturen niet in exacte aantallen op de samenstelling van programma’s. In plaats daarvan hanteren we een kwalitatieve leidraad, die gemeenten helpt om lokaal de juiste keuzes te maken, in overleg met ontwikkelende partijen. Schelluinen is aangeduid als woondorp (Landelijk Wonen Plus). Woondorpen zijn voor voorzieningen (grotendeels) afhankelijk van de omliggende dorpen of steden. Woondorpen hebben een hechte gemeenschap dat gebruik maakt van een sterk lokaal sociaal netwerk. 23

Het plan voorziet in acht betaalbare koopwoningen. Hiermee wordt ingespeeld op de woningbehoefte in Schelluinen. Het plan zorgt tevens voor de gewenste doorstroming op de woningmarkt. De woningen worden meegenomen in de herijking van de woningbouwmonitor Alblasserwaard-Vijfheerenlanden 2020-2030.

3.4 Waterschapsbeleid 3.4.1 Waterschapsverordening Rivierenland De waterschapsverordening is een uitwerking van artikel 2.5 van de Omgevingswet. In de waterschapsverordening staan alle regels die bepalen, welke activiteiten, waar in ons gebied mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. De verordening bevat de regels van het Waterschap Rivierenland over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de watersystemen, de zuiverings-technische werken en de wegen die in beheer zijn bij het waterschap. Ook bevat de verordening regels over lozingen. Het waterschap werkt met het 'ja, mits'-principe. Dit betekent dat activiteiten zijn toegestaan, mits er wordt voldaan aan de in de waterschapsverordening genoemde voorwaarden. Daarnaast is voor gebieden waar in de toekomst specifieke ontwikkelingen gaan plaatsvinden een uitzondering gemaakt voor de toepassing van de waterschapsverordening. Deze gebieden zijn gereserveerd voor het verruimen, verleggen of wijzigen van waterstaatswerken. Zo wordt voorkomen dat initiatieven worden uitgevoerd die op een later moment, door de aanleg op wijziging van een waterstaatswerk, weer ongedaan moet worden gemaakt. Onderdeel van de waterschapsverordening is de digitale kaart. Deze kaart geeft aan waar en welke regels van de waterschapsverordening gelden. Deze regels op de kaart worden werkingsgebieden genoemd.

De werkingsgebieden zijn gekoppeld aan de regels uit de verordening.

Afbeelding 12: Digitale kaart werkingsgebied waterschap Rivierenland

24

3.4.2 Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. In hoofdstuk 4.7 Water van deze ruimtelijke motivering wordt ingegaan op de voor dit plan relevante wateraspecten.

3.5 Gemeentelijk beleid 3.5.1 Toekomstvisie Molenlanden De Toekomstvisie Molenlanden 2030 ‘Eigenheid in verbondenheid’ houdt de gemeente op koers tot 2030 door dialoog, nabijheid en ambitie. Op zes onderwerpen beschrijft de visie de landelijke en lokale trends en de wensen van de gemeente. Deze trends die de gemeente ziet, gebruikt de gemeente om de wensen mogelijk te maken. Per onderwerp schetst de gemeente het beeld voor het jaar 2030. Deze zes beelden samen bepalen het integrale beeld voor wat de gemeente in 2030 wil zijn: • Inclusieve samenleving: in onze samenleving staat gezondheid voorop en zijn alle inwoners even belangrijk; • Leefomgeving: de omgeving waarin we wonen voelt veilig en is zo ingericht dat we grote gevolgen van klimaat op kunnen vangen. Er staan genoeg woningen in onze gemeente waar vraag naar is; • Economie: Molenlanden is een gemeente waar innovatie een belangrijke plek heeft en ondernemen vanzelfsprekend is; • Recreatie en Toerisme: het toerisme in Molenlanden is in balans; • Klimaat en energie: we werken samen aan een circulair, energieneutraal, klimaatbestendig en schoon Molenlanden met aandacht voor een eerlijke voedselketen waarin afval wordt gezien als grondstof; • Bereikbaarheid: Inwoners van Molenlanden ervaren met verschillende vervoersmiddelen dat onze dorpen, de vestingstad en de regio veilig en goed bereikbaar zijn.

Het plan sluit aan bij de toekomstvisie van de gemeente Molenlanden. Het plan voorziet in een passende nieuwe invulling van een buiten gebruik geraakt schoolgebouw in de kern van Schelluinen. Met dit plan wordt een kwalitatief hoogwaardig, duurzaam en toekomstbestendig woongebied gerealiseerd. Tevens wordt verval van het oude schoolgebouw en daarmee gepaard gaande overlast voor de omgeving voorkomen.

25

3.5.2 Omgevingsvisie gemeente Molenlanden De gemeente Molenlanden is bezig met het ontwikkelen van een omgevingsvisie die de koers voor de toekomst van de gemeente bepaalt. De visie richt zich op de inrichting van de fysieke leefomgeving met een horizon tot 2040. In de ontwerpomgevingsvisie worden zes leidende ambities benoemd welke met elkaar een integrale blik op de toekomst vormen: 1. Levendige kernen met een eigen karakter; 2. Een gezonde, inclusieve en samenredzame samenleving; 3. Een vitaal en toekomstbestendig landelijk gebied: water en bodem sturend; 4. Een optimaal ondernemersklimaat voor passende bedrijvigheid; 5. Een klimaatrobuuste, circulaire en energieneutrale gemeente; 6. Een veilig en duurzaam bereikbare gemeente. Het plan sluit aan bij de omgevingsvisie van de gemeente Molenlanden. Het plan sluit aan bij de visie van de gemeente voor het creëren van levendige kernen met een eigen karakter en een gezonde, inclusieve en samenredzame samenleving. Met dit plan wordt een bestaande schoollocatie getransformeerd tot een kwalitatief hoogwaardig, duurzaam en toekomstbestendig woongebied. 3.5.3 Handboek duurzaamheid in gebiedsontwikkelingen De ambitie van de gemeente Molenlanden is een toekomstbestendig Molenlanden door bij woningbouwontwikkeling de openbare ruimte en de woningen en gebouwen zo duurzaam mogelijk te ontwikkelen.

In het Handboek duurzaamheid in gebiedsontwikkelingen worden richtlijnen gegeven voor duurzaamheid en klimaatadaptatie. Het schoolgebouw wordt verbouwd conform de meest actuele normen op het gebied van duurzaamheid en klimaatadaptatie in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Deze normen schrijven een zeer hoge kwaliteit voor met betrekking tot energiezuinige bouwwerken en duurzame materialen. De installaties in de woningen worden geschikt gemaakt om naast verwarmen ook te kunnen koelen. De ontwikkelaar heeft afspraken gemaakt met de gemeente Molenlanden over de inrichting van de openbare ruimte op het gebied van de thema’s: afwatering, riolering, groenvoorzieningen, verhardingen en kabels en leidingen. Het plangebied zal worden vergroend. In de nieuwe situatie zullen de huidige bomen (die in een slechte conditie verkeren) worden gekapt. Er worden zeven nieuwe bomen aangeplant. Wat betreft de verhardingen wordt voldaan aan de eisen zoals gesteld in het Handboek Inrichting Openbare Ruimte (HIOR) van de gemeente Molenlanden. 3.5.4 Omgevingsplan gemeente Molenlanden Per 1 januari 2024 is vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet het Omgevingsplan gemeente Molenlanden in werking getreden. Het Omgevingsplan betreft een vooraf door het rijk opgesteld omgevingsplan dat ook wel bekend staat als ‘de bruidsschat’ en is voor iedere gemeente identiek bij inwerktreding.

Op dit moment is de gemeente Molenlanden bezig met het opstellen van een eigen omgevingsplan. De planning is dat dit omgevingsplan in 2030 wordt vastgesteld. Tot die tijd gelden de bestemmingsplannen en de bruidsschat als één omgevingsplan. In paragraaf 1.3 zijn de vigerende bestemmingsplannen uiteengezet.

26

4.

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

4.1 Milieueffectrapportage Beleidskader De wetgeving rond de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in Afdeling 16.4. Milieueffectrapportage van de Omgevingswet (artikel 16.34 Omgevingswet). Artikel 16.34. (reikwijdte, bevoegd gezag plan-mer) 1. Deze paragraaf gaat over de milieueffectrapportage voor plannen en programma’s als bedoeld in artikel 2, onder a, van de smb-richtlijn, waarvan de vaststelling is geregeld in wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen en waarin het voor de vaststelling van die plannen en programma’s bevoegde bestuursorgaan en de procedure voor de opstelling ervan is vastgelegd. 2. In deze paragraaf wordt onder een plan of programma in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Onder de Omgevingswet geldt een plan-mer-plicht wanneer een besluit wordt voorbereid dat het kader schept voor een mer-(beoordelings) plichtige activiteit of wanneer een besluit wordt voorbereid waarvoor een zogenaamde passende beoordeling is vereist. Het plan-mer brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving.

Hiermee draagt het plan-mer ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan gevallen genoemd waarvoor een merplicht (kolom 2) of een mer-beoordelingsplicht (kolom 3) geldt. Indien het plan valt binnen kolom 2, dan dient direct een milieueffectrapportage opgesteld te worden, omdat het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Voor projecten die vallen binnen kolom 3 is op voorhand nog niet duidelijk dat het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Daarom dient het project eerst beoordeeld te worden aan de hand van de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn. Indien uit de beoordeling blijkt dat het project voorziet in negatieve milieueffecten, dan geldt alsnog de verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Als uit de beoordeling blijkt dat het project niet voorziet in milieueffecten, dan is een milieueffectrapportage niet nodig. Onderzoek Het plan bestaat uit de realisatie van 8 woningen in een bestaand schoolgebouw. Het ruimtebeslag en de aard en omvang van het voorgenomen plan is minimaal. Het plan is kleinschalig en betreft daarmee geen ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (J11). Ook valt het plan niet onder andere categorieën die zijn genoemd in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

Derhalve geldt er geen mer-(beoordelings)plicht voor dit plan.

27

Conclusie Er geldt geen mer-(beoordelings)plicht voor dit plan. Verder blijkt ook dat het plan niet zal voorzien in significante negatieve effecten op het milieu zoals omschreven in artikel 16.34 lid 2 Omgevingswet.

28

4.2 Verkeer en vervoer Beleidskader Op basis van de Omgevingswet dient de aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid te worden onderbouwd. Verder dient rekening te worden gehouden met bestaand beleid. Nota Parkeernormen Molenlanden 2020 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020'. Dit parkeerbeleid is gebaseerd op het landelijke CROW-beleid. In het CROW-beleid wordt uitgegaan van een bandbreedte van een minimale tot een maximale parkeernorm. In de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020' wordt uitgegaan van het gemiddelde. Onderzoek Ontsluiting plangebied Het plangebied wordt in de bestaande situatie ontsloten via één in- en uitrit op de Dr. van Linden-Tolstraat. Het plangebied wordt in de nieuwe situatie ontsloten via de aan te brengen parkeerkoffer aan de Oranjestraat. Aan de Dr. van Linden Tolstraat zijn de woningen bereikbaar via een voet/wandelpad. Bereikbaarheid De locatie heeft een goede bereikbaarheid voor zowel de auto, fiets als openbaar vervoer. In de nabijheid van het plangebied is een bushalte gelegen. De Dr. van Linden-Tolstraat sluit aan op de Voordijk. De Voordijk vormt één van de hoofdtoegangswegen van het dorp Schelluinen. Via de Voordijk, Zandkade en de N216 is er een directe en korte verbinding met de Rijksweg A15.

Verkeergeneratie Om er zeker van te zijn dat het plan niet leidt tot negatieve effecten op de verkeersafwikkeling en verkeerveiligheid in het gebied is de extra verkeersgeneratie van het plan berekend. Voor de vaststelling van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is voor het plan uitgegaan van de maximale kencijfers gelegen in de ‘rest bebouwde kom’ van een ‘niet stedelijk’ gebied. De CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’ bevat geen categorie sociale koopwoningen. Voor de berekening van de verkeersgeneratie is uitgegaan van het kengetal voor de categorie ‘Koop, huis, tussen/hoek’. Het CROW-beleid stelt voor de categorie ‘Koop, huis, tussen/hoek, in de rest bebouwde kom van een ‘niet stedelijk gebied’ een maximaal kengetal van 7,8 verkeersbewegingen per woning per etmaal. Dit resulteert in een verkeersgeneratie van afgerond 63 verkeersbewegingen per etmaal.

29

De verkeersintensiteiten van dit plan zijn dermate laag, dat het niet aannemelijk is dat de verkeersafwikkeling en de veiligheid buitenproportioneel wordt benadeeld. Daarbij dient vermeld te worden dat met dit plan de verkeersgeneratie van een basisschool is komen te vervallen. Parkeren Voor de berekening van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020'. De betaalbare koopwoningen kunnen worden geschaard in de categorie ‘Koop, tussen/hoek. Het gemeentelijk parkeerbeleid stelt hiervoor in de ‘rest bebouwde kom’ een parkeernorm van 2,0 parkeerplaats per woning. Dit resulteert in een parkeerbehoefte van 16 parkeerplaatsen. Het parkeren wordt volledig op eigen terrein opgelost. Aan de noordzijde van het plangebied worden 13 parkeerplaatsen gerealiseerd. Aan de Dr. van Linden-Tolstraat worden 3 parkeerplaatsen gerealiseerd (in totaal 16 parkeerplaatsen). Hiermee wordt voldaan aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Op het terrein worden in totaal 16 parkeerplaatsen gerealiseerd (zie afbeelding 13).

13 parkeerplaatsen

3 parkeerplaatsen

Afbeelding 13: Parkeren

30

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft verkeer en parkeren geen belemmeringen.

4.3 Geluid Beleidskader Op grond van paragraaf 22.3.4 Omgevingswet en paragraaf 3.5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet rekening worden gehouden met geluid dat door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en locaties wordt afgewenteld. Daarom moet rekening worden gehouden met de geluiduitstraling door individuele activiteiten, activiteiten op een industrieterrein en de geluiduitstraling door wegen en spoorwegen. Als geluidgevoelige gebouwen zijn woon-, onderwijsen gezondheidsfuncties en bijeenkomstfunctie voor kinderopvang aangewezen. Hieronder vallen niet alleen gebouwen die al gebouwd zijn, maar ook gebouwen die nog niet aanwezig zijn maar wel planologisch zijn toegestaan. Ten aanzien van wegverkeerslawaai richt de instructieregel zich op wegen waarop de intensiteit van het wegverkeer gemiddeld over een jaar, groter is dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal. Onderzoek Het plangebied ligt niet in het geluidsaandachtsgebied van een gezoneerd industrieterrein dus dit kan buiten beschouwing worden gelaten. Door K+ Adviesgroep is een akoestisch onderzoek weg- en railverkeerlawaai uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd in de bijlage. A15 •

• •

•

•

De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de A15 is maximaal 53 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Bij de gemeente Molenlanden kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat het om een bestaand pand gaat dat gelegen is naast een bestaande woonfunctie. De A15 is al voorzien van 1-laags ZOAB. Het aanbrengen van een ander stiller wegdek of hoger scherm om de geluidbelasting ten gevolge van de A15 terug te dringen is uit het oogpunt van financiële aard, praktische uitvoerbaarheid, esthetica, beheer en onderhoud niet wenselijk. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Dit kan betekenen dat het bouwplan dient te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor elk van de te onderscheiden geluidbronnen. Alle woningen beschikken over tenminste één geluidluwe gevel.

N216 31

•

De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 39 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan.

Railverkeerslawaai spoorweg Dordrecht-Gorinchem • De voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt overschreden ter plaatse van de voorgevel. • De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 56 dB, daarmee wordt de maximale ontheffingswaarde niet overschreden. • Bij de gemeente Molenlanden kan een verzoek worden ingediend tot het vaststellen van een hogere waarde. Het betreft de transformatie van een bestaand school naar wonen. De woningen worden gesitueerd in de bestaande bebouwing. • Gezien de beperkte omvang van het project is het niet reëel om maatregelen aan de bron of in het overdrachtsgebied te treffen, met als doel om de geluidbelasting te reduceren. De kosten van dergelijke maatregelen zullen na verwachting rond de 1 miljoen euro bedragen en stuiten daarmee op overwegende bezwaren van financiële aard. • Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen, bijvoorbeeld in de vorm van de aanwezigheid van een geluidluwe gevel. Dit kan betekenen dat de geluidbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. In de voorliggende situatie heeft elke woning minimaal één geluidluwe gevel. Niet gezoneerde wegen Voordijk • Er is sprake van een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. • De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 46 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 41 dB (incl. art. 110g) waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. • Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Doctor van Linden-Tolstraat • Er is sprake van een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. • De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 53 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 48 dB (incl. art. 110g) waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. • Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

32

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.

33

4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 2.1 van de Omgevingswet moeten bij een ruimtelijke procedure een veilige en gezonde fysieke leefomgeving geborgd worden. Op grond van paragraaf 2.2.1.1, de artikelen 5.50 en 5.51, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de daarin opgenomen omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht van toepassing op die gevallen waarin op grond van het omgevingsplan de aanleg van een autoweg, een autosnelweg of een tunnelbuis voor het wegverkeer mogelijk wordt gemaakt, of voorzien wordt in activiteiten die een toename in de verkeersintensiteiten veroorzaken. In onderstaande tabel zijn de omgevingswaarden opgenomen. Tabel 1: Omgevingswaarden luchtkwaliteit (artikel 5.50 lid 2 Bkl) Artikel Bkl Stof Toetsing van Grenswaarde 2.4 lid 1 sub b Stikstofdioxide (NO2) kalenderjaar40 µg/m3 gemiddelde 2.5 lid 1 sub a Fijnstof (PM10) 24Max. 35 keer per jaar uurgemiddelde meer dan 50 µg/m³ 2.5 lid 1 sub b Fijnstof (PM10) kalenderjaar40 µg/m³ gemiddelde Onderzoek Het plan voorziet in de realisatie acht woningen in een bestaand schoolgebouw.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=58cf5336-f7b1-4c04-a0f7-68b45e0570b2