CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Bestemmingsplan ‘Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat'

Raadsvergadering 19 maart 2024, gemeente MolenlandenBij agendapunt: 6c. Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan, Neptunusstraat Nieuw-Lekkerland21.208 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat

27 Invloed transport gevaarlijke stoffen, wegverkeer

Per 1 april 2015 is de Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht. Basisnet Weg moet de bereikbaarheid van de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het aangrenzende buitenland garanderen voor wat betreft het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. Met Basisnet Weg is een duurzaam evenwicht gecreëerd tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkeling en externe veiligheid. Het Basisnet Weg richt zich uitsluitend op het hoofdwegennet (Rijkswegen en verbindende wegen die van belang worden geacht voor het vervoer van gevaarlijke stoffen). In de directe omgeving van het plangebied vindt geen transport van gevaarlijke stoffen over wegen plaats. Invloed van transport gevaarlijke stoffen, spoorwegen

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig waarover transport van gevaarlijke stoffen plaats vindt. Invloed transport gevaarlijke stoffen, vaarwegen

Op circa 130 meter van het plangebied ligt de Lek. De Lek is onderdeel van de corridor Amsterdam – Rijn en is opgenomen in het Basisnet water. De volgende transporten vinden plaats op de Lek:

Het plangebied ligt echter niet binnen het invloedsgebied van de Lek. Het invloedsgebied, gebaseerd op de 1%-letaliteitafstand, bedraagt maximaal 90 meter (conform tabel 4-2 uit de HART). Dit vanwege het transport van brandbare gassen (GF3). Conform Artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (verder: Bevt) moet ingegaan worden op de hoogte van het groepsrisico, de verandering daarvan naar aanleiding van plan en eventuele maatregelen of alternatieven. Dit kan buiten beschouwing worden gelaten als aangetoond kan worden dat het groepsrisico niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde of de personendichtheid niet meer dan 10% toeneemt én het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde blijft. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van de vuistregels uit de bijlagen van de Handleiding risicoanalyse transport (verder: HART). Aangezien de Lek is ingedeeld in bevaarbaarheidsklasse 6 (CEMT), kan vuistregel 1 voor vervoer per water worden toegepast. Een overschrijding van 10% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico is alleen mogelijk wanneer binnen 200 meter van de oever aanwezigheidsdichtheden voorkomen groter dan 500 personen/ha en de vervoershoeveelheden van stofcategorieën LT2 plus GT3 groter zijn dan 1.000 transporten per jaar. Aangezien geen transporten van LT2 of GT3 plaatsvinden op de Lek, wordt 10% van de oriëntatiewaarde aantoonbaar niet overschreden. Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat

28

5.5

Geluid

Beleidskader

Bij het opstellen of herzien van een bestemmingsplan worden de regels van de Wet geluidhinder (Wgh) toegepast. De Wgh kent drie soorten geluidsbronnen: industrie, wegverkeer en spoorwegen. De wet bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van deze bronnen. Indien het bestemmingsplan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van deze bronnen, of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt, dient akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan. Bij het vaststellen van geluidbelasting voor geluidsgevoelige functies zoals ‘Wonen’ dient op grond van de Wgh iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij de weg binnen een woonerf is gelegen of voor de weg een maximum snelheidsregime geldt van 30 km/uur. Op basis van de Wro is het noodzakelijk om aan te tonen dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Er moet voldaan worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Onderzoek

Binnen onderhavig planvoornemen worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk gemaakt. Daarbij maakt het plangebied deel uit van een 30 km/ uur zone. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

5.6

Luchtkwaliteit

Beleidskader

Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). De Wet milieubeheer, met ingang van 15 november 2017, implementeert deze regelgeving. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt worden getoond in onderstaande tabel. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 µg/m3

Vanaf 11 juni 2011

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3

Vanaf 11 juni 2011

Tabel 5: Grenswaarden stikstofdioxiden en fijnstof

Om toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit “Niet In Betekenende Mate” vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenede mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit Niet in Betekenende Mate (NIBM) en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden getoetst hoeft te worden. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden:

Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat

29 • •

Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden: deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.

Huidige luchtkwaliteit

Door middel van de NSL-monitoringstool kan gekeken worden naar de huidige luchtkwaliteit in (de omgeving van) het plangebied. Op de NSL-kaart voor de luchtkwaliteit zijn metingen verricht voor het bepalen van de luchtkwaliteit in (de omgeving van) het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool (MT 2025, peiljaar 2023) blijkt dat de concentratie voor NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk 16,2, 14,7 en 8,0 μg/m³ bedragen. Deze concentraties liggen ver onder de grenswaarden. Bovendien is het aantal dagen dat de toegestane concentratie voor stikstof en fijnstof wordt overschreden minder dan 35 dagen. Toekomstige luchtkwaliteit

Met onderhavig planvoornemen neemt het aantal verkeersbewegingen af (zie paragraaf 3.2). Een luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

5.7

Natuurwetgeving

Beleidskader

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wn) in werking getreden. De Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn opgegaan in deze wet. Deze nieuwe wet bestaat uit minder regels en is overzichtelijker dan de drie vorige wetten. De uitvoering van de Wet natuurbescherming komt grotendeels in handen van de provincies. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Natura 2000-gebieden

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. In de nieuwe Wet natuurbescherming vervalt de bescherming van Beschermde Natuurmonumenten uit de Natuurbeschermingswet. Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000-gebieden of het Natuurnetwerk Nederland en worden dus indirect beschermd. De provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzonder provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Zij kunnen in een later stadium door de Minister worden toegevoegd aan de Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het Natuurnetwerk Nederland, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving die met ingang van de Wet natuurbescherming (Wnb) niet is veranderd.

Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat

30 In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grotere wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. In het Natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027, 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aaneengesloten Pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. Beschermde planten en dieren

Met de nieuwe wet wijzigt de lijst van beschermde soorten. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en met de komst van de Wnb niet meer en andersom. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes: 1. Soorten Vogelrichtlijn: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn); 2. Soorten Habitatrichtlijn: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlage van de verdragen worden tevens vogels genoemd; 3. Andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wn. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor soorten die ook niet in de bijlage van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepalingen moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te beperken. Onderzoek

Quickscan natuurwetgeving Voor onderhavig planvoornemen is binnen het plangebied een ecologische Quickscan uitgevoerd door Blom Ecologie. De Quickscan natuurwetgeving is opgenomen als bijlage van deze toelichting. Onderstaand zijn de bevindingen en aanbevelingen van de Quickscan weergeven. 1. Soortenbescherming De planlocatie vervult mogelijk een essentiële functie voor gebouwbewondende vleermuizen, huismussen en/of gierzwaluwen. Ook kan de bebouwing mogelijk een functie vervullen als nestlocatie voor de spreeuw. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli).

Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat

31 2. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, graslanden bollenstreek, belangrijke weidevogelgebieden of groene buffer. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking. Onder het kopje ‘stikstofdepositie’ zijn de resultaten opgenomen van de AERIUS-berekening, welke de stikstofdepositie meet van het planvoornemen op Natura 2000gebieden. 3. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Algemene zorgplicht De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor gebouwbewonende vleermuizen (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen.

De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Aanvullend ecologisch onderzoek Vleermuis Tijdens de onderzoeksrondes zijn in totaal een drietal soorten waargenomen in het onderzoeksgebied. Waargenomen soorten betreffen de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. De meest waargenomen soort betrof de gewone dwergvleermuis. De ruige dwergvleermuis is uitsluitend waargenomen in het najaar. Gedurende het vleermuisonderzoek zijn 7 vleermuisverblijfplaatsen vastgesteld. Hiervan zijn er 3 vleermuisverblijfplaatsen aanwezig binnen het plangebied en de overige vleermuisverblijfplaatsen zijn aanwezig buiten het plangebied.

Binnen het plangebied is sprake van 2 paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en één paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis. Gedurende het vleermuisonderzoek is geen essentiële vliegroute en/of essentieel foerageergebied vastgesteld binnen het plangebied. Op basis van het vleermuisonderzoek wordt de bomenlaan aan de Venuslaan sporadisch gebruikt als foerageergebied. Langs de bebouwing binnen het plangebied wordt tevens sporadisch gefoerageerd. De meeste vlieg- en foerageeractiviteit vond plaats boven de volkstuinen ten oosten van het plangebied en de nabij gelegen waterlichamen. Indien algemene maatregelen omtrent lichtgebruik worden getroffen hebben de werkzaamheden geen invloed op een mogelijke essentiële vliegroute of essentieel foerageergebied. De resultaten van het vleermuisonderzoek onderschrijven deze beoordeling.

Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat

32 Huismus Per veldbezoek zijn in totaal circa 50 huismussen waargenomen binnen- en buiten het plangebied. Gemiddeld waren er circa 30 individuen binnen het onderzoeksgebied. Gezien het aantal waarnemingen van huismussen is er sprake van een grote populatie binnen en in de directe omgeving van het onderzoeksgebied. Gedurende het onderzoek zijn 66 nesten van de huismus vastgesteld. Van deze nesten bevonden zich er 21 binnen het plangebied, de overige nesten zijn aangetroffen in de directe nabijheid van het plangebied. Ten gevolge van de beoogde ingreep worden de nestlocaties binnen het plangebied weggenomen. Het waargenomen functionele leefgebied van huismussen is geconcentreerd in de groenstructuren van de tuinen en de gemeentelijk groenstroken in de directe omgeving van de nestlocaties. Op deze plaats zijn een afwisseling van stofplekken, inheems groen en enkele grote bomen, groenblijvende struiken en planten, water en voedsel aanwezig. Ten gevolge van de beoogde ingreep worden enkel de delen in de directe omgeving van de planlocatie weggenomen binnen de beoogde ingreep. Deze structuren zullen echter door huismussen op het plangebied worden gebruikt gezien de nabij ligging tot de nestlocaties binnen het plangebied. Er wordt derhalve geen essentieel leefgebied van huismussen buiten het plangebied weggenomen binnen de beoogde ingreep.

Daarbij zijn er diverse mitigerende maatregelen genomen zoals het plaatsen van huismuskasten en vleermuiskasten. Deze worden eveneens aangebracht in de nieuwe muren. Ook zijn de woningen en goten die gesloopt worden ongeschikt gemaakt. Gierzwaluw Tijdens de veldbezoeken zijn er in of in de directe omgeving van het plangebied geen gierzwaluwnesten vastgesteld. Tevens zijn gedurende het onderzoek weinig tot geen foeragerende gierzwaluwen waargenomen. Het functioneel leefgebied van gierzwaluwen laat zich vrijwel niet definiëren. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

• De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.

Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat

33 •

•

•

Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

In het kader van de algemene zorgplicht wordt geadviseerd de waterstand tussen de nieuw te gegraven watergang en de reeds bestaande watergang gelijk te maken alvorens de wateren verbonden worden, om negatieve effecten m.b.t. stroming op fauna te voorkomen.

In de bijlage van deze toelichting is een werkprotocol opgenomen ten behoeve van de huismus en de vleermuis. Het rapport is opgesteld om negatieve effecten ten aanzien van de huismus en vleermuis, zoveel mogelijk te voorkomen alsmede om verdere overtreding van wetgeving en het vigerende beleid te ondervangen. Stikstofdepositie Met de uitspraak van de Raad van State (29 mei 2019) is het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen. Ieder plan en project zal daarom moeten aantonen dat er geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende soorten en habitattypen uit de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige delen van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden middels de AERIUS Calculator. Projecten waarvan (met behulp van deze rekenmethode) kan worden bewezen dat de projecten de natuur niet raken, komen in aanmerking voor een vergunning. De natuur wordt niet geraakt zolang de depositie van stikstof op beschermde natuurgebieden niet hoger bedraagt dan 0,00 mol/ha/jaar. Voor het planvoornemen is een berekening gemaakt met behulp van AERIUS Calculator 2022 (versie 2022.1). Deze berekening maakt inzichtelijk wat de stikstofdepositie is gedurende de aanleg- en gebruiksfase. Het volledige rapport is opgenomen in de bijlage van deze toelichting.

Uit de berekening blijkt dat -met de uitgangspunten die in dit onderzoek zijn gedaan- zowel gedurende de aanleg- als de gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar is berekend. Conclusie

Het aspect natuurwetgeving vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen, mits de mitigerende maatregelen worden gehandhaafd.

Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat

34

5.8

Water

Beleidskader

Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal water programma 2022-2027 In het Nationaal Water Programma 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Dit doet het Rijk voor de periode 2022 – 2027, maar men kijkt ook verder vooruit. Het Rijk werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.

De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Dit ontwikkelen zij samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Bestuursakkoord Water Het Bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: • Heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; • Beheersbaar programma voor de waterkeringen; • Doelmatig beheer van de waterketen; • Werkzaamheden slim combineren; • Het waterschapsbestuur; De doelstellingen van het ‘oude’ Nationaal Bestuursakkoord blijven van kracht. Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 Op 9 maart 2022 is het Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022 – 2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. Hierin staat hoe we samen met onze partners werken aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. Voorheen gold het Regionaal Waterplan Zuid-Holland 2016-2021.

Op hoofdlijnen wordt het beleid uit het regionale waterplan voortgezet in het regionaal waterprogramma, maar op punten is het ook aangepast. Aanleidingen daartoe waren: 1. Kwaliteitsverbetering; 2. Klimaatadaptatie; 3. Verandering van wetgeving;

Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat

35 Er zijn diverse Europese richtlijnen rondom water, zoals de Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn, de Richtlijn Overstromingsrisico's en de Zwemwaterrichtlijn. In de Waterwet is bepaald wat de provincie moet doen om uitvoering te geven aan deze richtlijnen. Dit is opgenomen in het regionaal waterprogramma van de provincie. De provincie Zuid-Holland gaat in het regionaal waterprogramma - naast deze verplichte onderwerpen - ook in op onderwerpen zoals zoetwatervoorziening, waterrecreatie, vaarwegen en wateroverlast. Op deze manier komt al het beleid dat te maken heeft met water samen in één document.

In het Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 komen de volgende beleidskeuzes aan de orde: • Waterveiligheid: De provincie kiest voor een duurzaam en toekomstbestendig waterveiligheidsbeleid; • Mooi en schoon water: De provincie wil een goede kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater; • Bodemdaling: De provincie wil, samen met alle belanghebbende partners en partijen, de directe en indirecte maatschappelijke kosten door bodemdaling beperken; • Sport, recreatie, water- en groenbeleving: De provincie streeft naar behoud en versterking van de sportieve en recreatieve belevingswaarde van landschap, water en erfgoed en ontwikkelt en verbindt hiervoor onder meer met name de uit oogpunt van belevingswaarde bijzonder waardevolle gebieden inzake landschap, water en natuur en verbindt sportief en recreatief de groenblauwe netwerken in en om de stad; • Goed functionerende provinciale infrastructuur: De provincie zorgt voor een vlotte en veilige afwikkeling van het verkeer in Zuid-Holland en voor een zo efficiënt en duurzaam mogelijk onderhoud van de provinciale infrastructuur; • Toekomstbestendige infrastructuur: De provincie werkt aan duurzame en toekomstbestendige infrastructuur ten behoeve van bereikbaarheid en veiligheid.

Daarnaast draagt de provincie bij aan het behalen van andere maatschappelijke opgaven en doelstellingen, zoals energie transitie, CO2-reductie, circulariteit, klimaat adaptatie en biodiversiteit. Waterbeheerprogramma 2022-2027 (Waterschap Rivierenland) Het waterbeheerprogramma (WMP) beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode (2022-2027) wil bereiken en hoe ze dat willen doen en waarom. In de watervisie 2050 beschrijft Waterschap het gewenste toekomstbeeld: een toekomstbestendig rivierengebied. De principes zijn als volgt: 1. De natuurlijke kenmerken van de ondergrond vormen het uitgangspunt voor het werk van Waterschap Rivierenland; 2. Water is bepalend voor de inrichting van het gebied; 3. Zuinig op water en grondstoffen; 4. Bescherming van het gebied tegen overstromingen; 5. Pakken uitdagingen op binnen de generatie en wentelen het niet af; 6. Waterbeheer van de toekomst: Waterschap maakt maatschappelijke verantwoorde keuzes; 7. Met elkaar zorgen voor een toekomstbestendig rivierengebied.

Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat

36 Verordening ‘’de Keur’’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening “de Keur”. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening “de Keur” is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-waterloop niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Watertoets

Oppervlakte water Rond het plangebied lopen zowel A- B- en C- watergangen. Geen van deze watergangen dienen aangepast te worden voor onderhavig planvoornemen.

Figuur 11: Uitsnede Legger Waterschap Rivierenland (plangebied rood omkaderd, globaal)

Waterkwantiteit In de Keur heeft het waterschap een vuistregel opgenomen voor de watercompensatie bij een toename van verhard oppervlak. Deze vuistregel houdt in dat voor elke hectare nieuw verhard oppervlak, er 436 m³ waterberging gerealiseerd moet worden. Daarbij mag het waterpeil niet meer dan 0,20 meter stijgen.

Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat

37 Onderhavig planvoornemen voorziet in de sloop van 20 woningen. De gronden ter hoogte van de panden aan de Marslaan 159 t/m 163 (oneven) krijgen een maatschappelijke functie. Met de functiewijziging van wonen naar maatschappelijk wordt er geen verharding toegevoegd aan het plangebied. Ter plaatse van Marslaan 157 wordt de bestaande woning gesloopt en vervangen door een parkeerkoffer. De panden 159 t/m 163 (oneven) worden mogelijk gesloopt of getransformeerd ten dienste van een huisartsenpraktijk. De totale hoeveelheid verharding in het plangebied zal afnemen. Watercompensatie is derhalve niet noodzakelijk. Ter hoogte van de gronden van Marslaan 145 wordt een watergang aangelegd met een breedte van 1,80 meter over de lengte van het woonperceel. De watergang sluit aan op de bestaande watergang achter de woonpercelen. Afvalwater en riolering Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Er mogen hierbij geen uitlogende bouwmaterialen worden gebruikt. Met de inwerkingtreding van het ‘Besluit lozen buiten inrichtingen’ per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van het afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is lozen van hemelwater op oppervlaktewater toegestaan.

Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan wel maatwerk door Waterschap Rivierenland mogelijk blijven. Met de functiewijziging van wonen naar maatschappelijk vindt een kleine wijziging plaats met betrekking tot de afval- en hemelwaterafvoer. Ter plaatse van Marslaan 157 zal er geen afvalwater worden afgevoerd middels het gemeentelijk rioolstelsel aangezien de woning ter plaatse wordt gesloopt. Hemelwater ter plaatse van Marslaan 157 zal niet worden afgevoerd op het rioolstelsel. Voor de nieuwe functie ter hoogte van de panden 159 t/m 163 (oneven) vindt er feitelijk geen verandering plaats aan de afvoer van afval- en hemelwater op het gemeentelijk rioolstelsel. Waterkering Het noordelijke gedeelte van het plangebied, vanaf (gedeeltelijk) Marslaan 147, is het plangebied gelegen in de gebiedsaanduiding ‘Vrijwaringszone – dijk – 2’. De gronden zijn naast de voor de gronden aangewezen bestemmingen, mede bestemd als buitenbeschermingszone van de primaire waterkering. Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

5.9

M.e.r.- beoordeling

Beleidskader

Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarbij is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarde in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarde ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r-beoordelingsplichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat

38 In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarde liggen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies komen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-beoordelingsplichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Onderzoek

Drempelwaarde D-lijst In D.11.2 in bijlage II van het Besluit m.e.r. is de activiteit “stedelijke ontwikkeling” opgenomen. Dit betreft de aanleg, de wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordelingplichtige activiteit van D.11.2. bedragen • Een oppervlakte van 100 hectare of meer; • Een aaneengesloten gebied van 2.000 of meer woningen. Gelet op de kenmerken van het plan (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarde), de locatie en de kenmerken van potentiële effecten, kan worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van dusdanige omvang dat sprake is van ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’. Dit blijkt ook uit de onderzoeken naar de verschillen milieuaspecten zoals deze in voorgaande paragrafen zijn opgenomen. Voor het bestemmingsplan is dan ook geen m.e.r.beoordelingsprocedure noodzakelijk. Conclusie

Gelet op het inzicht in de milieugevolgen van het project op basis van de plantoelichting kan gesteld worden te beslissen af te zien van het opstellen van een milieueffectrapport. Dit is als een afzonderlijk beslispunt in het collegevoorstel opgenomen.

Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat

39

6.

JURIDISCHE REGELGEVING

6.1

Inleiding

In dit hoofdstuk is uiteengezet welke gedachten aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen en hoe de juridische regeling is vormgegeven.

6.2

Systematiek van de regels

Voor wat betreft de regels wordt voor het onderhavige bestemmingsplan aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan “Bebouwde kom Nieuw-Lekkerland en Kinderdijk” van de gemeente Molenlanden (vastgesteld op 28 juni 2012). Hier is voor gekozen, omdat het plangebied gelegen is binnen de plangrenzen van dit bestemmingsplan. De opzet van de regels is gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). Uiteraard is de mogelijkheid tot het leveren van maatwerk opgenomen, om de specifieke eisen die een gebied stelt aan de bestemmingsregeling te kunnen verwerken. Daarnaast is in landelijke standaarden (SVBP 2012 en IMRO 2012) vastgesteld welke kleuren, lijnen, symbolen, e.d. toegepast worden bij het opstellen van de verbeelding. In de volgende paragraaf worden de gebruikte bestemmingen nader toegelicht. Hieronder wordt een toelichting gegeven op welke wijze één en ander in de regels is vastgelegd. De regels zijn als volgt ingedeeld: Hoofdstuk 1: Inleidende bepalingen

Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begripsomschrijvingen opgenomen, het tweede artikel bevat de wijze van meten. Hoofdstuk 2: Regels met betrekking tot de bestemmingen

Dit hoofdstuk bestaat uit een beschrijving van de bestemmingen. Deze kennen per bestemming globaal de volgende opzet: • • • • • • •

Bestemmingsomschrijving; Bouwregels voor gebouwen; Bouwregels voor aan-, uit- en bijgebouwen; Bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde; Eventuele afwijking van de bouwregels; Eventuele specifieke gebruiksregels; Eventuele afwijking van de gebruiksregels.

In dit hoofdstuk worden de bestemmingen van gronden als eerste beschreven en daarna gevolgd door eventuele dubbelbestemmingen voor leidingen, waarden en waterstaatsdoelen.

Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat

40 Hoofdstuk 3: Algemene regels

Dit hoofdstuk bevat de regels die op het hele plangebied betrekking hebben en regelt de volgende onderwerpen: • • • • • •

Anti-dubbeltelregel; Algemene bouwregels; Algemene aanduidingsregels; Algemene afwijkingsregels; Algemene wijzigingsregels; Overige regels.

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregel

Dit hoofdstuk bevat regels die op het hele plangebied betrekking hebben en regelt de volgende onderwerpen: •

•

6.3

Overgangsregeling: bouwwerken welke op het moment van tervisielegging van het plan aanwezig zijn, mogen blijven bestaan, ook al is het in strijd met de bebouwingsregels. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment waarop het plan rechtskracht verkrijgt, mag gehandhaafd blijven; Titel: in deze regel wordt aangegeven onder welke naam de regels aangehaald kunnen worden.

Beschrijving van de bestemmingen

Artikel 3 Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor bermbeplanting en andere groenvoorzieningen, picknickplaatsen en speelvoorzieningen, wegen, paden, parkeervoorzieningen, ontsluitingen van percelen en verhardingen en bij de bestemming behorende voorzieningen zoals nutsvoorzieningen, bruggen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Artikel 4 Maatschappelijk De voor ‘Maatschappelijk’ aangewezen gronden zijn ter plaatse van de aanduiding ‘Specifieke vorm van maatschappelijk - huisartsenpraktijk’ bestemd voor voorzieningen ten behoeve van een huisartsenpraktijk. Wat betreft de bouwregels wordt aangesloten bij een maximale maatvoeringen die op de verbeelding zijn aangegeven, met uitzondering van bijgebouwen. Bijgebouwen mogen maximaal 6 m² bedragen. Artikel 5 Tuin De gronden met de bestemming ‘Tuin’ zijn bestemd voor tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. Bij de bestemming behorende voorzieningen zoals nutsvoorzieningen, groen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, worden gebouwd. Artikel 6 Verkeer De gronden voor ‘Verkeer’ zijn bestemd voor verkeersvoorzieningen waaronder parkeervoorzieningen, in- en uitritten en groenvoorzieningen. De gronden zijn eveneens bestemd voor eventuele nutsvoorzieningen en zitgelegenheden.

Op de gronden binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan die ten dienste staan van deze bestemming.

Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat

41 Artikel 7 Water De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn bestemd voor water en ontvangst, berging en/of afvoer van water. De gronden zijn eveneens bestemd voor waterhuishoudkundige voorzieningen, taluds en natuurvriendelijke oevers. Op de gronden binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan die ten dienste staan van deze bestemming. Artikel 8 Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals kunstwerken en andere waterstaatswerken, ten behoeve van de waterafvoer en waterberging. Daarbij is een aan huis gebonden beroep onder voorwaarden toegestaan. Hoofdgebouwen kennen, afhankelijk van het type bebouwing, de bouwaanduiding ‘twee-aaneen’ of ‘vrijstaand’. Artikel 9 Leiding-Hoogspanningsverbinding De voor 'Leiding-Hoogspanningsverbinding' bestemde gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) mede bestemd voor aanleg, het beheer en instandhouding van een hoogspanningsverbinding; met de daarbij behorende masten en (veiligheids)voorzieningen. In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de regels van dit artikel vóór de bepalingen die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn. Artikel 10 Waarde – Archeologie 4 In dit artikel is de bescherming van de archeologische waarde van gronden in het plangebied geregeld.

De voor 'Waarde - Archeologie - 4' aangewezen gronden zijn -behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en)- mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Artikel 11 Waarde – Archeologie 5 In dit artikel is de bescherming van de archeologische waarde van gronden in het plangebied geregeld. De voor 'Waarde - Archeologie - 5' aangewezen gronden zijn -behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en)- mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat

42

7.

UITVOERBAARHEID

7.1

Economische uitvoerbaarheid

De grond is in eigendom van de gemeente Molenlanden. De exploitatieopzet, waarin onderzoek is uitgevoerd naar de financieel-economische haalbaarheid van het plan, heeft uitgewezen dat een positief exploitatieresultaat is te verwachten. Het kostenverhaal wordt middels de gronduitgifte zeker gesteld. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van voorliggend plan voldoende aangetoond.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Wettelijk vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met belanghebbende overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan voorgelegd aan de volgende partijen: • Provincie Zuid-Holland; • Waterschap Rivierenland; • TenneT. De reacties van de overlegpartners Waterschap Rivierenland en TenneT zijn positief. De Provincie Zuid-Holland heeft nog niet gereageerd. De ambtelijke opmerkingen zijn verwerkt in voorliggende toelichting. Zienswijze Op de voorbereiding van een ruimtelijke planprocedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 15 december 2023 tot en met 26 januari 2024 ter inzage gelegen. Tijdens de terinzagelegging zijn geen zienswijzen ingediend.

Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat

REGELS

|1

1 Inleidende regels

2

Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten

2 4

2 Bestemmingsregels

5

Artikel 3 Groen Artikel 4 Maatschappelijk Artikel 5 Tuin Artikel 6 Verkeer Artikel 7 Water Artikel 8 Wonen Artikel 9 Leiding - Hoogspanningsverbinding Artikel 10 Waarde - Archeologie 4 Artikel 11 Waarde - Archeologie 5

5 6 8 9 10 11 15 17 19

3 Algemene regels

21

Artikel 12 Anti-dubbeltelregel Artikel 13 Algemene bouwregels Artikel 14 Algemene gebruiksregels Artikel 15 Algemene aanduidingsregels Artikel 16 Algemene afwijkingsregels Artikel 17 Overige regels

21 22 23 24 25 26

4 Overgangs- en slotregels

27

Artikel 18 Overgangsrecht Artikel 19 Slotregel

27 28

NL.IMRO.1978.BPUitkMarVenNeLKL-VG01 Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat

|2

1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1 Begrippen 1.1 plan het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat' van de gemeente Molenlanden; 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GMLbestand ''NL.IMRO.1978.BPUitkMarVenNeLKL-VG01'' met de bijbehorende regels en bijlagen; 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.6 begane grondbouwlaag de onderste bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een kelder; 1.7 beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlak het totale vloeroppervlak van de ruimte binnen een bouwwerk en/of op een terrein dat wordt gebruikt voor de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep c.q.

een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.8 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.9 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.10 bevoegd gezag bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; 1.11 bijgebouw een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en dat in functioneel en architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.12 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.13 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.14 cultuurhistorische waarde de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de beplanting, het reliëf, de verkaveling,

het sloten- of wegenpatroon en/of de architectuur; 1.15 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

NL.IMRO.1978.BPUitkMarVenNeLKL-VG01 Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat

|3 1.16 hoofdgebouw een gebouw, dat door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste gebouw op een bouwperceel kan worden aangemerkt; 1.17 ondergeschikte bouwdelen ondergeschikte delen aan een gebouw zoals, trappen, bordessen, funderingen, kelderingangen, overstekende daken, goten, luifels, balkons, balkonhekken, schoorstenen, liftopbouwen en andere ondergeschikte (dak)opbouwen; 1.18 seksinrichting een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een (raam)prostitutiebedrijf en een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.19 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Wet van 6 november 2008 (Stb. 496), houdende regels inzake een vergunningstelsel met betrekking tot activiteiten die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving en inzake handhaving van regelingen op het gebied van de fysieke leefomgeving (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht), zoals deze luidt op het moment van de terinzagelegging van dit plan;

NL.IMRO.1978.BPUitkMarVenNeLKL-VG01 Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat

|4

Artikel 2 Wijze van meten 2.1 bebouwingspercentage het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming, of binnen een in de planregels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming 2.2 de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak 2.3 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel 2.4 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen 2.5 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen 2.6 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk 2.7 peil a. b.

c.

het peil overeenkomstig de bouwverordening, dan wel indien geen peil overeenkomstig de bouwverordening is vast te stellen, de hoogte van het afgewerkte bouwterrein; indien de voorgevel van een gebouw of de uitbreiding daarvan gelegen is binnen een afstand van ten hoogste 5 m uit de grens van een bestemming verkeersdoeleinden, gelegen op een dijk, wordt de kruin van de dijk als peil beschouwd voor het betreffende gebouw en alle (bestaande) aangebouwde bijgebouwen; in alle andere gevallen, waarin aan een dijk wordt gebouwd, wordt als peil beschouwd de gemiddelde hoogte van het aanliggend afgewerkt terrein.

NL.IMRO.1978.BPUitkMarVenNeLKL-VG01 Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat

|5

2 BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 Groen 3.1 Bestemmingsomschrijving 3.1.1 Algemeen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.

groenvoorzieningen; plantsoenen; speelplekken en speeltoestellen; voet- en fietspaden; water, waterberging, waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals kunstwerken en andere waterstaatwerken, ten behoeve van de waterafvoer en waterberging;

één en ander met de bijbehorende bouwwerken en voorzieningen en overeenkomstig in de artikel 3 lid 1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving. 3.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in artikel 3 lid 1.1 3.1.2.1 a Waterberging Het oppervlak, en daarmee het waterbergend vermogen, van de binnen deze bestemming aanwezige waterpartijen mag niet worden aangetast. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Algemeen Op de gronden binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan die ten dienste staan van deze bestemming. 3.2.2 Bouwregels, geen gebouwen zijnde Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b. c.

de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen; de bouwhoogte van palen, masten en portalen voor geleiding, beveiliging en regeling van het (scheepvaart)verkeer mag niet meer bedragen dan 5 m; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijde, mag niet meer bedragen dan 4 m.

NL.IMRO.1978.BPUitkMarVenNeLKL-VG01 Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat

|6

Artikel 4 Maatschappelijk 4.1 Bestemmingsomschrijving 4.1.1 Algemeen De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c.

voorzieningen ten behoeve van een huisartsenpraktijk ter plaatse van de aanduiding 'Specifieke vorm van maatschappelijk - huisartsenpraktijk'; parkeervoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals kunstwerken en andere waterstaatwerken, ten behoeve van de waterafvoer en waterberging;

Met dien verstande dat: d.

bewoning niet is toegestaan.

4.2 Bouwregels 4.2.1 Algemeen Uitsluitend zijn toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming. 4.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. b.

gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen een bouwvlak, met dien verstande dat ondergeschikte bouwdelen tevens buiten het bouwvlak zijn toegestaan; ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte (m)' mag de goothoogte van gebouwen niet meer bedragen dan in het bouwvlak is aangegeven; de bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte (m)' niet meer bedragen dan de aangegeven goothoogte vermeerderd met maximaal 6 m.

4.2.3 Bijgebouwen en aan-/uitbouwen Voor bijgebouwen en aan-/uitbouwen gelden de volgende regels: a.

b. c.

d.

e.

bijgebouwen en aan-/ uitbouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen', behoudens het bepaalde onder c; de bouwhoogte van bijgebouwen en aan-/uitbouwen mag ten hoogste 3 m bedragen, behoudens het bepaalde onder c; in afwijking van het bepaalde onder a. en b. mag een portiek of erker buiten het bouwvlak en buiten de aanduiding 'bijgebouwen' worden gesitueerd, met dien verstande dat de hoogte van het portiek of de erker ten hoogste gelijk mag zijn aan de hoogte van de eerste bouwlaag; de gezamenlijke oppervlakte van portieken en erkers buiten het bouwvlak en buiten de aanduiding 'bijgebouwen' mag niet meer bedragen dan 3 m². De gezamenlijke oppervlakte van bij het pand behorende bouwwerken en aan-/uitbouwen mag ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' niet meer dan 6 m² bedragen, met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' die is gelegen vóór de voorgevelrooilijn niet meetelt; ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' mag maximaal 50% van de gronden worden bebouwd, mits ten minste 40 m² van dit vlak onbebouwd blijft. Deze bepaling geldt niet: 1. ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' voor zover deze is gelegen vóór de voorgevelrooilijn.

NL.IMRO.1978.BPUitkMarVenNeLKL-VG01 Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat

|7 4.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b.

de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.

4.3 Afwijken van de bouwregels 4.3.1 Bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4 lid 2.4, ten behoeve van het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een bouwhoogte van 6 m, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden en de bezonning van de belendende percelen. Deze bepaling is niet van toepassing op erf- en terreinafscheidingen. 4.4 Specifieke gebruiksregels 4.4.1 Strijdig gebruik Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt in ieder geval begrepen het gebruiken van gronden of bouwweken ten behoeve van: a.

een asielzoekerscentrum, crematorium, opvang van dieren, justitiële inrichtingen of militaire zaken.

NL.IMRO.1978.BPUitkMarVenNeLKL-VG01 Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat

|8

Artikel 5 Tuin 5.1 Bestemmingsomschrijving 1. 2.

tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen; bij de bestemming behorende voorzieningen zoals nutsvoorzieningen, groen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

5.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. b. c. d.

op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, worden gebouwd; de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn bedraagt ten hoogste 1 m; de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m;

NL.IMRO.1978.BPUitkMarVenNeLKL-VG01 Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat

|9

Artikel 6 Verkeer 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.

verkeersvoorzieningen waaronder parkeervoorzieningen en in- en uitritten; groenvoorzieningen; zitgelegenheden; nutsvoorzieningen.

6.2 Bouwregels 6.2.1 Algemeen Op de gronden binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan die ten dienste staan van deze bestemming. 6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b. c. d.

de bouwhoogte van palen, masten en portalen voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer mag niet meer bedragen dan 12 m; de bouwhoogte van signalerings- en telecommunicatiemasten mag niet meer bedragen dan 40 m; de bouwhoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 12 m; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.

NL.IMRO.1978.BPUitkMarVenNeLKL-VG01 Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat

|10

Artikel 7 Water 7.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c.

water; ontvangst, berging en/of afvoer van water; waterhuishoudkundige voorzieningen, taluds en natuurvriendelijke oevers.

7.2 Bouwregels 7.2.1 Algemeen Op de gronden binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan die ten dienste staan van deze bestemming. 7.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b.

de bouwhoogte van palen, masten en portalen voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer mag niet meer bedragen dan 5 m; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 2 m.

NL.IMRO.1978.BPUitkMarVenNeLKL-VG01 Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat

|11

Artikel 8 Wonen 8.1 Bestemmingsomschrijving 8.1.1 Algemeen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b.

wonen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals kunstwerken en andere waterstaatswerken, ten behoeve van de waterafvoer en waterberging;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen en overeenkomstig de in artikel 8 lid 1.2 opgenomen nader detaillering van de bestemmingsomschrijving. 8.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in artikel 8 lid 1.1: Aan huis verbonden beroep Het gebruik van ruimten binnen een woning en bijbehorende aanbouwen en bijgebouwen voor de uitoefening van een aan huis gebonden beroep is toegestaan, mits: a.

b. c. d.

de gezamenlijke vloeroppervlakte van die ruimten niet meer bedraagt dan 30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woning en de bijbehorende aanbouwen en bijgebouwen, en niet meer dan 45 m²; de bedrijfsactiviteiten niet milieuvergunningplichtig zijn in de zin van de Wet milieubeheer en/of andere milieuwetgeving; de bedrijfsactiviteiten geen detailhandel betreffen; en de bedrijfsactiviteiten worden uitgeoefend door de bewoner.

8.2 Bouwregels 8.2.1 Algemeen Uitsluitend ten dienste aan de bestemming zijn gronden toegelaten: a.

b. c. d.

hoofdgebouwen overeenkomstig met het woningtype zoals deze hieronder en binnen het bouwvlak zijn aangegeven: 1. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' zijn uitsluitend twee aaneengebouwde woningen toegestaan; 2. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan; aan-/uitbouwen; bijgebouwen; bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zend-, ontvangst- en lichtmasten uitgezonderd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=cf3e59f6-d99e-47a8-a54d-2a8af1d8114d