CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Bestemmingsplan Hoogblokland, Bazeldijk 50 vastgesteld met verbeelding en bijlagen

Raadsvergadering 7 juli 2022, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Bazeldijk 50, Hoogblokland23.585 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Hoogblokland, Bazeldijk 50

datum projectnummer

14 juni 2022 213899

Inhoudsopgave

Toelichting

3

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging van het plangebied 1.3 De bij het plan behorende stukken 1.4 Huidige planologisch regime 1.5 Leeswijzer

4 4 4 5 5 7

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 De omgeving 2.2 Bestaande situatie 2.3 Toekomstige situatie

8 8 8 9

Hoofdstuk 3 Inventarisatie van relevant beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid

14 14 15 19

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheidsaspecten 4.1 Geluid 4.2 Bodemkwaliteit 4.3 Luchtkwaliteit 4.4 Externe veiligheid 4.5 Bedrijven en milieuzonering 4.6 Ecologie 4.7 Archeologie en Cultuurhistorie 4.8 Water 4.9 Verkeer en parkeren 4.10 Besluit m.e.r.

22 22 23 23 24 26 27 28 30 31 32

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving 5.1 Inleiding 5.2 Toelichting op de regels

34 34 34

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

37 37 37

Bijlagen toelichting

39

Bijlage 1

Memo geluideffecten overkappingen APH

40

Bijlage 2

Archeologisch bureauonderzoek

41

Bijlage 3

Omgevingsdialoog

42

Regels

43

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

44 44 47

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6

Bestemmingsregels Bedrijf Waarde - Archeologie - 1 Waarde - Archeologie - 4 Waarde - Archeologie - 8

48 48 51 53 55

Hoofdstuk 3 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Uitsluiting aanvullende werking bouwverordening Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkregels Algemene wijzigingsregels Overige regels

57 57 57 58 58 58 59 60 61

Hoofdstuk 4 Artikel 15 Artikel 16

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

62 62 62

Bijlagen regels

63

Bijlage 1

Staat van Bedrijfsactiviteiten

64

Bijlage 2

Nota Parkeernormen Molenlanden 2020

65

planstatus vastgesteld

NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01

pagina 2 van 65

Toelichting

planstatus vastgesteld

NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01

pagina 3 van 65

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1

Aanleiding

APH is voornemens om op het bedrijfsterrein aan de Bazeldijk 50 te Hoogblokland opslag van asfaltgranulaat te overkappen. De overkapping is benodigd om de benzeenemissie te reduceren. De beoogde overkapping is op grond van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’ niet toegestaan. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken moet er voor de beoogde overkapping een partiële herziening van het bestemmingsplan worden vastgesteld.

1.2

Ligging van het plangebied

De locatie van de voorgenomen overkapping is gelegen op het bedrijfsterrein van APH. In afbeelding 1.1 is de globale ligging van het bedrijventerrein met de situering van de beoogde overkapping (hierna: plangebied) weergegeven.

Afbeelding 1.1: ligging en globale begrenzing plangebied

planstatus vastgesteld

NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01

pagina 4 van 65

1.3

De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan 'Hoogblokland, Bazeldijk 50' bestaat uit de volgende stukken:   

Verbeelding; Regels (met bijbehorende bijlagen); Toelichting (met bijbehorende bijlagen).

Op de verbeelding zijn de bestemmingen binnen het plangebied aangegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en daarin wordt aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en dat wordt voldaan aan wet- en regelgeving.

1.4

Huidige planologisch regime

Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan 'Buitengebied Giessenlanden' vigerend, vastgesteld op 27 juni 2013 door de gemeenteraad Giessenlanden. Afbeelding 1.2 geeft een uitsnede van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan weer.

Afbeelding 1.2: uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan

planstatus vastgesteld

NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01

pagina 5 van 65

Ter hoogte van de beoogde overkapping gelden de volgende bestemmingen: 1. 2. 3.

Enkelbestemming 'Bedrijf' met functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf asfaltverwerkingsbedrijf' Dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie - 1', 'Waarde - Archeologie - 4' en 'Waarde Archeologie - 8' Gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie'

Bedrijf met functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - asfaltverwerkingsbedrijf' Bestemmingsomschrijving De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: j. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - asfaltverwerkingsbedrijf': uitsluitend een asfaltproductie-, -bewerkings- en -verwerkingsbedrijf; Bouwregels Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming worden gebouwd: a. b. c. d.

bedrijfsgebouwen, daaronder begrepen overkappingen; bedrijfsgebonden kantoren; bedrijfswoning met bijbehorende aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen; overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder tevens paardenbakken begrepen worden;

met dien verstande dat: e.

gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen, uitsluitend binnen het bouwvlak zijn toegestaan.

Gebouwen Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen: a.

b.

c. d. e.

f. g. h.

met de maatvoeringsaanduiding 'maximum bebouwingspercentage' is aangegeven hoeveel van de gronden binnen het bouwvlak bebouwd mag worden met bedrijfsgebouwen; indien geen maatvoeringsaanduiding is aangegeven mag het bouwvlak volledig worden bebouwd; het op de verbeelding opgenomen bebouwingspercentage mag met 10% worden verruimd, indien geen bebouwingspercentage is opgenomen mag het oppervlak van de bestaande bebouwing met 10% worden vergroot; de goothoogte mag ten hoogste 4 m bedragen, tenzij met de maatvoeringaanduiding 'maximale goothoogte' anders is aangegeven; de bouwhoogte mag ten hoogste 10 m bedragen, tenzij met de maatvoeringaanduiding 'maximale bouwhoogte' anders is aangegeven; in afwijking van het gestelde onder d is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - asfaltverwerkingsbedrijf' een asfaltmenginstallatie met een bouwhoogte van ten hoogste 40 m toegestaan; bedrijfsgebouwen dienen op een afstand van 1,5 m uit de zijerfgrens te worden gebouwd; indien de gebouwen niet aaneen gebouwd worden, dient de onderlinge afstand ten minste 3 m te bedragen; per bedrijf mag het kantooroppervlak niet meer bedragen dan 50% van het bedrijfsvloeroppervlak tot een maximum van 2.000 m².

De voorgenomen ontwikkeling is op grond van het vigerende bestemmingsplan niet toegestaan, omdat de gewenste overkappingen buiten het bouwvlak worden gesitueerd.

planstatus vastgesteld

NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01

pagina 6 van 65

Gelet op bovengenoemde dient ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling een partiële herziening van het bestemmingsplan worden opgesteld, waarmee de beoogde overkapping mogelijk wordt gemaakt. Op de archeologische dubbelbestemmingen ter hoogte van het plangebied wordt ingegaan in paragraaf 4.7. De gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie' komt aan bod in paragraaf 4.1. In de regels en verbeelding is de gehele bedrijfsbestemming meegenomen (Bazeldijk 50 in afbeelding 1.2), waar ter hoogte van de overkapping een bouwvlak is opgenomen met de daarbij behorende bouw- en goothoogtes.

1.5

Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en beoogde situatie in en rondom het plangebied. Hoofdstuk 3 behandelt het relevante beleid. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 ingegaan op de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 gaat in op bestemmingsplansystematiek en licht de bestemmingen toe. In hoofdstuk 6 wordt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan toegelicht.

planstatus vastgesteld

NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01

pagina 7 van 65

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1

De omgeving

Het plangebied is gelegen op het bedrijventerrein van APH aan de Bazeldijk 50 in Hoogblokland. Het bedrijventerrein is gelegen in het buitengebied ten zuiden van Meerkerk en ten noorden van Hoogblokland en Arkel. De locatie is direct gelegen aan het Merwedekanaal. In onderstaande afbeelding is het plangebied en de omgeving weergegeven.

Afbeelding 2.1: plangebied en omgeving

2.2

Bestaande situatie

APH is een asfaltverwerkingsbedrijf dat is gespecialiseerd in de productie van warm- en koudasfalt. Sinds 1969 is het asfaltverwerkingsbedrijf gevestigd aan de Bazeldijk 50 te Hoogblokland. Toen de eerdere asfaltcentrale in 1999 werd vernieuwd, is vanwege de landschappelijke inpassing de groene zoom rondom het opslagterrein aangelegd. In de onderstaande afbeelding is de bestaande situatie van het bedrijventerrein weergegeven, met de locatie van de voorgenomen overkappingen.

planstatus vastgesteld

NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01

pagina 8 van 65

Afbeelding 2.2: Bestaande situatie met locatie beoogde overkappingen Ter hoogte van de voorgenomen overkapping zijn nu reeds zes opslagvakken voor recyclingasfalt aanwezig. De bestaande keerwanden van deze opslagvakken zijn 3,2 meter hoog. De totale oppervlakte van deze zes opslagvakken bedraagt nu circa 4.300 m 2. Benzeen In het Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.5, lid 1, 4, 7) is een norm (emissiegrenswaarde) opgenomen voor benzeen, deze bedraagt 1 mg/Nm 3. In april 2021 zijn er metingen verricht bij APH naar onder meer stof benzeen. Gebleken is dat de norm van 1 mg/Nm3 voor benzeen werd overschreden. Naast de meting in april 2021 heeft in het voorjaar van 2021 nader onderzoek naar benzeen plaatsgevonden in opdracht van de Vakgroep Bitumineuze Werken van Koninklijke Bouwend Nederland (VBW). Dit onderzoek met continue metingen had het doel inzicht te krijgen welke parameters invloed hebben op de benzeenemissie. Door de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid is aan APH gevraagd oplossingsrichtingen te beschrijven om de benzeenemissie zo spoedig mogelijk binnen de wettelijke norm te krijgen. Op 21 juni 2021 heeft APH een plan gepresenteerd dat bestaat uit maatregelen om de benzeenemissie te beheersen. Eén van de maatregelen is het overkappen van de opslagvakken voor recyclingasfalt.

2.3

Toekomstige situatie

Het voornemen bestaat uit het realiseren van een zestal overkappingen over de reeds aanwezig opslagvakken voor recyclingasfalt.

planstatus vastgesteld

NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01

pagina 9 van 65

Tot nu toe wordt dit 'asfalt geschikt voor warm hergebruik' in de open lucht opgeslagen. Echter, voor de productie van recyclingasfalt moeten de grondstoffen, waaronder het asfaltgranulaat, droog zijn. Het droog opslaan van recyclingasfalt heeft twee voordelen, het is namelijk duurzaam en het zorgt voor het reduceren van benzeenemissie. Reduceren benzeenemissie (bron: rapportage VBW onderzoeksprogramma reductie benzeenemissie bij asfaltproductie, d.d. 29 juni 2021) De benzeenemissie ontstaat in de zwarte trommel waar asfaltgranulaat wordt gedroogd en verwarmd. Toename van het vochtpercentage heeft tot gevolg dat meer energie per eenheid asfaltgranulaat moet worden toegevoerd maar dat de asfaltgranulaatdeeltjes minder snel opwarmen omdat het verdampen van water (bij 100°C) veel energie vergt. Als het asfaltgranulaat met meer vocht, dus natter, in de recyclingtrommel komt, wordt met een hogere branderstand het asfaltgranulaat op temperatuur gebracht. Door deze hogere branderstand wordt er meer stralingswarmte geproduceerd, waardoor er ook meer benzeen ontstaat. Door asfaltgranulaat onder de overkapping op voorraad te leggen blijft het vochtgehalte zo laag mogelijk.

Duurzaam Naast het reduceren van benzeen heeft de overkapping ook een positieve uitwerking op het oogpunt van duurzaamheid, doordat er minder aardgas gestookt hoeft te worden dan wanneer de asfaltgranulaat vochtig in de recyclingtrommel gaat. Het dak van de overkapping wordt daarnaast voorzien van een zonne-energiesysteem (PV-panelen). De opgewekte energie wordt gebruikt binnen de eigen inrichting voor de asfaltproductie en de ondersteunende processen. Door het besparen van gas en het opwekken van eigen duurzame elektrische energie wordt een reductie voor CO2-emissie gerealiseerd. Landschappelijke inpassing In navolgende afbeeldingen zijn de locatie en de aanzichten van de voorgenomen overkappingen weergegeven (afbeelding 2.4 en 2.5). Toen de eerdere asfaltinstallatie in 1999 werd vernieuwd, is vanwege de landschappelijke inpassing de groene zoom rondom het opslagterrein aangelegd. Verder is destijds, vanwege de zichtbaarheid, het bouwvolume van de asfaltinstallatie uitgevoerd in twee neutrale kleuren. De onderzijde tot "boomhoogte" is toen uitgevoerd in donker grijs en het bouwvolume boven de bomen in lichtgrijs. Op afbeelding 2.3 is te zien dat de boomhoogte gelijk is aan de toegepaste donker grijze kleur bij de asfaltinstallatie.

Omdat de hoogte van de overkapping ongeveer gelijk is aan de hoogte van de omringende bomen van de groene zoom, wordt de overkapping uitgevoerd in donker grijs, zoals de onderzijde van het bestaande bouwvolume. Op deze wijze wordt het landschappelijk ingepast. Zie hiervoor afbeelding 2.5.

planstatus vastgesteld

NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01

pagina 10 van 65

Afbeelding 2.3: boomhoogte gelijk aan donker grijze kleur asfaltinstallatie

Afbeelding 2.4: Locatie overkapping

planstatus vastgesteld

NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01

pagina 11 van 65

planstatus vastgesteld

NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01

pagina 12 van 65

Afbeelding 2.5: aanzichten De gehele overkapping heeft een hoogte van circa 16,8 m (inclusief PV-panelen) en een breedte en diepte van circa 159 meter en 31 meter. Deze is opgedeeld in zes vakken van ieder circa 26,4 meter breed. De hoogte van circa 16,8 m is benodigd, omdat er een vrije hoogte van 14 meter moet zijn. De vrije hoogte van 14 meter is benodigd voor de kiephoogte van trailers. De hoogte van de keerwanden van 3,2 meter blijft in de nieuwe situatie gehandhaafd. De oppervlakte van de opslagvlakken blijft in de nieuwe situatie ook circa 4.300 m 2. Het dak heeft een overstek aan de voorzijde wat er voor zorgt dat het bebouwd oppervlak circa 4.900 m 2 bedraagt. De andere bouwwerken op het bedrijventerrein blijven ongewijzigd.

planstatus vastgesteld

NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01

pagina 13 van 65

Hoofdstuk 3 Inventarisatie van relevant beleid In dit hoofdstuk komt het relevante beleid van verschillende overheden aan bod.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomst- perspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten:    

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat er zowel maatregelen op korte termijn als maatregelen op lange termijn nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond. 3.1.1.1 Toetsing voornemen aan NOVI Het plan is kleinschalig van aard en er worden daarmee geen Rijksbelangen geschaad. 3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen.

planstatus vastgesteld

NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01

pagina 14 van 65

3.1.2.1 Toetsing voornemen aan Barro Het plan maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke Rijksbelangen in het Barro. 3.1.3

Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting van een bestemmingsplan waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, een beschrijving op te nemen over de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt.

In artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro is de volgende definitie van stedelijke ontwikkeling opgenomen: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. 3.1.3.1 Toetsing voornemen aan Ladder voor duurzame verstedelijking Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt er een overkapping mogelijk gemaakt op een bestaand bedrijfsterrein. Bij de voorgenomen ontwikkeling is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is toetsing van het plan aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' niet noodzakelijk.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie ZuidHolland. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie ZuidHolland. Het Omgevingsbeleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. Op 7 augustus 2021 is een herziening van de Omgevingsvisie Zuid-Holland Koers 2020 in werking getreden (Omgevingsvisie Zuid-Holland inzake Koers 2020). De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zeven richtinggevende ambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. 2.

Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor.

planstatus vastgesteld

NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01

pagina 15 van 65

3. 4. 5. 6. 7.

Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van ZuidHolland. Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving.

De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Bevorderen energietransitie De provincie werkt mee aan Europese en nationale energiedoelen om de CO2-uitstoot te verminderen en het energieverbruik te reduceren. Het gaat om een CO2-reductie van 85 -95% in 2050 ten opzichte van 1990. Zuid-Holland hanteert als ambitie om in 2020 minimaal 9% van de energieconsumptie duurzaam op te wekken. De beste manier om het gebruik van fossiele bronnen terug te dringen, is het volgen van de trias energetica. Op de eerste plaats door besparen. Op de tweede plaats hernieuwbare bronnen benutten. Op de derde plaats onvermijdbare koolstofbronnen zó gebruiken zodat ze tot een zo min mogelijk CO2-uitstoot leiden. Om een substantiële verhoging van het aandeel duurzame energie in 2020 in Zuid-Holland te realiseren wordt rekening gehouden met de (omgevings)kenmerken van Zuid-Holland, zoals relatief veel industrie, weinig onbebouwde ruimte en veel windvermogen.

De provincie spant zich daarnaast in om Europese en nationale energiedoelen in de breedte te bereiken, namelijk het realiseren van de reductie van energiegebruik en uitstoot van broeikasgassen (met name CO2), energiebesparing is de voordeligste manier van CO2 –reductie. De provincie werkt op een integrale manier aan het bevorderen van de energietransitie, waarbij de mainport, de greenports, het stedelijk gebied en mobiliteit alle van belang zijn. Vijf hoofdthema’s zijn van belang: warmte, wind, zon, energie-efficiëntie en mobiliteit. Naast deze vijf prioriteiten zet de provincie, daar waar zich kansen aandienen, ook in op andere energie-oplossingen, zoals bij de getijdencentrale in de Brouwersdam. Door samen met de regionale partners ruimtelijke energie-actieagenda’s op te stellen, beoogt de provincie een meer integrale en resultaatgerichte benadering van besparing, opwekking en CO2-reductie te bereiken. Ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke kwaliteit speelt op verschillende niveaus: veelal plek gebonden, maar ook op het niveau van de gehele provincie en soms daarbuiten.

In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Concurrerende en toekomstbestendige bedrijventerreinen De provincie streeft naar een kwantitatief en kwalitatief evenwicht in vraag en aanbod van bedrijventerreinen op regionaal en bovenregionaal schaalniveau. Daarbij wordt ingezet op beter

planstatus vastgesteld

NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01

pagina 16 van 65

benutten en duurzaam functioneren van bestaande bedrijventerreinen en op het behoud van voldoende ruimte voor bedrijven in hogere milieucategorieën en watergebonden bedrijven. Bedrijventerreinen vormen een belangrijke voorwaarde voor de Zuid-Hollandse economie. De schaarse ruimte moet zo efficiënt mogelijk worden benut met aandacht voor kwaliteit. Kwalitatief goede bedrijventerreinen zijn nodig voor een optimaal vestigingsklimaat voor het gehele Zuid-Hollandse bedrijfsleven. Met het bedrijventerreinenbeleid wordt een bijdrage geleverd om te komen tot een economisch concurrerend Zuid-Holland. Om dit te realiseren worden drie beleidslijnen aangehouden: 1. 2.

3.

Het op lange termijn in evenwicht brengen van de vraag naar en het aanbod van bedrijventerreinen. Het beter benutten van bestaande, kwalitatief goede bedrijventerreinen en het ontwikkelen van nieuwe locaties die kwalitatief toegevoegde waarde hebben ten opzichte van de bestaande voorraad. Het verduurzamen van bedrijventerreinen waarbij ze zich tevens voorbereiden op toekomstige ontwikkelingen.

3.2.1.1 Toetsing voornemen aan Omgevingsvisie Zuid-Holland Naast het reduceren van benzeen heeft de overkapping ook een positieve uitwerking op het oogpunt van duurzaamheid, doordat er minder aardgas gestookt hoeft te worden dan wanneer de asfaltgranulaat vochtig in de recyclingtrommel gaat. Het dak van de overkapping wordt daarnaast voorzien van een zonne-energiesysteem (PV-panelen). De opgewekte energie wordt gebruikt binnen de eigen inrichting voor de asfaltproductie en de ondersteunende processen. Door het besparen van gas en het opwekken van eigen duurzame elektrische energie wordt een reductie voor CO2-emissie gerealiseerd. Op deze wijze vindt er op het bestaande bedrijfsterrein verduurzaming plaats. De ruimtelijke kwaliteit blijft gewaarborgd door de overkappingen landschappelijk in te passen. Omdat de hoogte van de overkapping ongeveer gelijk is aan de hoogte van de omringende bomen van de groene zoom, wordt de overkapping uitgevoerd in donker grijs, zoals de onderzijde van het bestaande bouwvolume. Op deze wijze wordt het landschappelijk ingepast. Het voornemen is in overeenstemming met de provinciale ambities en beleidskeuzes uit de omgevingsvisie. 3.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Stedelijke ontwikkeling bedrijven In artikel 6.12 zijn regels opgenomen inzake bedrijven. 1.

Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein laat bedrijven toe uit de hoogst mogelijke milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten passend bij de omgeving van het bedrijventerrein, waarbij rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen die zijn opgenomen in een onherroepelijk bestemmingsplan of het Programma ruimte.

planstatus vastgesteld

NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01

pagina 17 van 65

2. 3.

4.

5.

Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een watergebonden bedrijventerrein laat in hoofdzaak watergebonden bedrijven toe. Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan in beperkte mate voorzien in nieuwe woningen, bedrijfswoningen en andere functies op delen van een bedrijventerrein, voor zover dit niet in strijd is met het eerste lid. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bestaand bedrijventerrein als bedoeld in het eerste lid of het tweede lid en dat gehele of gedeeltelijke transformatie naar een andere bestemming dan bedrijven mogelijk maakt, verantwoordt in de toelichting op welke wijze binnen de regio compensatie van bedrijventerrein zal plaatsvinden. Compensatie als bedoeld in het vierde lid, kan achterwege blijven, indien: a. het een bestaand niet-watergebonden bedrijventerrein met ten hoogste milieucategorie 3 en een oppervlakte van minder dan 1 hectare betreft; of b. regionale afstemming heeft plaatsgevonden en hieruit is gebleken dat na transformatie voldoende bedrijventerrein in de regio beschikbaar zal blijven afgezet tegen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte.

Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën In artikel 6.9 zijn regels opgenomen voor de ruimtelijke kwaliteit. Het plangebied en de overkapping is gelegen binnen de beschermingscategorie 2, belangrijk weidevogelgebied. 1.

2.

Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door  zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en  het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; c. Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:  Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en  Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen.

Uitzonderingen vanwege beschermingscategorieën zijn: a. een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder c gestelde voorwaarden.

Archeologie Het plangebied is gelegen binnen een gebied met (zeer) hoge archeologische waarde. In artikel 6.27 zijn regels opgenomen voor gebieden met (zeer) hoge archeologische waarde. 1.

Een bestemmingsplan voor gronden met een hoge of zeer hoge bekende archeologische waarde, bevat bestemmingen en de daarbij behorende regels die de bekende archeologische waarden beschermen.

planstatus vastgesteld

NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01

pagina 18 van 65

2.

3.

De regels, bedoeld in het eerste lid, voorzien in elk geval in een verbod op werken of werkzaamheden waarbij de bodem tot meer dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd, tenzij: a. door middel van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast, of b. het werken of werkzaamheden betreffen die naar hun aard de archeologische waarden niet aantasten. In afwijking van het tweede lid kan het bevoegd gezag bij uitzondering besluiten tot behoud van de archeologische waarden ‘ex situ’, als andere belangen prevaleren.

3.2.2.1 Toetsing voornemen aan Omgevingsverordening Zuid-Holland Binnen een bestaand bedrijfsterrein wordt het middels dit bestemmingsplan mogelijk om de bestaande opslag van asfaltgranulaat te overkappen. Met het plaatsen van de overkapping vindt er geen functie- of bestemmingswijziging plaats. Het plangebied blijft in gebruik voor de opslag van grondstoffen ten behoeve van de asfaltproductie. Gezien de schaal en aard kan het plan worden geschaard in de categorie ‘inpassen’. Het plan voorziet in de mogelijkheid tot het realiseren van een overkapping op een bestaand bedrijventerrein. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van een kavel. Hierbij is geen sprake van wijzigingen op structuurniveau. De bestaande gebiedsidentiteit blijft ongewijzigd. Het plan is qua aard en schaal passend in dit gebied. Binnen dit bestemmingsplan zijn ter hoogte van het plangebied dubbelbestemmingen archeologie opgenomen om de archeologische waarden te beschermen. In paragraaf 4.7 wordt verder ingegaan op het aspect archeologie ter plaatse van het plangebied. Het voornemen is in overeenstemming met de provinciale regels uit de omgevingsverordening.

3.3

Gemeentelijk beleid

Gemeente Molenlanden is op 1 januari 2019 ontstaan uit een fusie van de gemeenten Molenwaard en Giessenlanden. Het plangebied maakte onderdeel uit van de gemeente Giessenlanden. 3.3.1

Omgevingsvisie Giessenlanden

In 2017 is de Omgevingsvisie Giessenlanden vastgesteld. In de visie staan 8 omgevingskwaliteiten voor duurzame ontwikkeling centraal: 1. 2.

3. 4. 5. 6. 7.

Koesteren, versterken en stimuleren van de identiteit van dorpen en hun ommeland. Onder andere door te bewaken dat het karakter van ieder dorp behouden blijft; De ondergrond, cultuurhistorie en ontstaansgeschiedenis van een dorp en zijn ommeland dragen in belangrijke mate bij aan de huidige kwaliteit, karakteristieken identiteit van dat dorp. Deze aspecten zijn een belangrijk vertrekpunt bij toekomstige ontwikkelingen. Zorgvuldig ruimtegebruik is uitgangspunt. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan bij de huidige en toekomstige vraag; De kwaliteiten van de onderlinge samenhang tussen de dorpen, het landschap en het water worden beschermd, benut en versterkt. De fysieke leefomgeving van de dorpen dient niet alleen functioneel te zijn, maar ook kwaliteit te bieden in beleving, veilig te zijn en bij te dragen aan de gezondheid van haar inwoners. Stimuleren van duurzame maatregelen welke een positieve bijdrage leveren aan het milieu. Ruimte bieden aan innovatie, zolang deze geen afbreuk doet aan de overige omgevingskwaliteiten.

planstatus vastgesteld

NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01

pagina 19 van 65

8.

Het evenwicht behouden tussen een doeltreffende waterhuishouding en het het karakteristieke slagenlandschap. Het landschap dankt haar karakteristiek mede aan het water en staat daar tegelijkertijd door onder druk.

3.3.1.1 Toetsing voornemen aan Omgevingsvisie Giessenlanden De omgevingskwaliteit 'stimuleren van duurzame maatregelen' heeft het meest betrekking op de voorgenomen ontwikkeling. Giessenlanden wil namelijk een duurzame gemeente zijn. Denk hierbij aan het terugdringen van uitstoten zoals CO2, fijnstof ed. en hierdoor het verbeteren van de luchtkwaliteit, het opwekken, opslag en besparen van energie. Daarom worden maatregelen gestimuleerd die de kwaliteit van het leefmilieu verbeteren. Voor de productie van recyclingasfalt moeten de grondstoffen, waaronder het asfaltgranulaat, droog zijn. Het drogen en verwarmen van het asfaltgranulaat vindt plaats in een aardgas gestookte recyclingtrommel. Om aardgas te besparen en de benzeenemissie te reduceren wil APH het asfaltgranulaat droog opslaan. Het dak van de overkapping zal worden voorzien van een zonne-energiesysteem (PV-panelen). De opgewekte energie wordt gebruikt binnen de eigen inrichting voor de asfaltproductie en de ondersteunende processen. Door het besparen van gas en het opwekken van eigen elektrische energie wordt een reductie voor CO2-emissie gerealiseerd. 3.3.2

Welstandsnota gemeente Molenlanden 2019

Het uitgangspunt voor deze welstandsnota is dat voor alle gebieden, met uitzondering van de beschermde stads- en dorpsgezichten van Nieuwpoort, Noordeloos en Kinderdijk, in de gemeente Molenlanden een welstandsvrij beleid geldt. In de van toepassing zijnde wetgeving betekent dit dat in hoofdzaak geen ‘redelijke eisen van welstand’ worden toegepast op een aanvraag omgevingsvergunning. Dit heeft de volgende voordelen:     

deregulering: minder regels en dus makkelijker voor de aanvrager; zelfsturing: burgers zijn zelf verantwoordelijk voor het uiterlijk van hun bouwplan; diversiteit: meer ruimte voor individuele verantwoordelijkheid, vrijheid en creativiteit; lagere lastendruk doordat welstandsleges komen te vervallen; kortere behandeltijd (in voorkomende situaties);

3.3.2.1 Toetsing van voornemen aan Welstandsnota Het plangebied valt binnen het regime ‘welstandsvrij’. Voor deze gebieden geldt geen beoordeling door de welstandscommissie of stadsbouwmeester. 3.3.3

Nota Parkeernormen Molenlanden 2020

De Nota Parkeernormen Molenlanden 2020 geeft een overzicht van de parkeernormen die door de gemeente Molenlanden worden gehanteerd. Deze normen dienen in acht te worden gehouden bij alle ruimtelijke initiatieven binnen de grenzen van de gemeente. De in de nota opgenomen normen gelden vanaf 1 januari 2020. Op basis van publicatie 381 van het CROW ('Toekomstbestendig parkeren' d.d. december 2018) is een lijst met parkeernormen voor de gemeente Molenlanden opgesteld. De gemeente werkt binnen de kaders van het verkeer en vervoerbeleid met ‘vaste parkeernormen’ (zonder bandbreedte). Dit biedt duidelijkheid voor alle betrokkenen. In de regels van dit bestemmingsplan is verankerd dat voldaan moet worden aan de parkeernormen van de gemeente.

planstatus vastgesteld

NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01

pagina 20 van 65

Een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en/of het wijzigen van de functie van gebouwen en/of gronden wordt slechts verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw en/of gronden in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van motorvoertuigen in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Hierbij gelden de parkeernormen, zoals vastgelegd in de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020'. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, dient getoetst te worden aan diens rechtsopvolger. 3.3.3.1 Toetsing van voornemen aan Nota Parkeernormen Molenlanden 2020 In paragraaf 4.9 wordt ingegaan op het verkeer en parkeren.

planstatus vastgesteld

NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01

pagina 21 van 65

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheidsaspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bedrijven en milieuzonering, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, water en verkeer en parkeren.

4.1

Geluid

4.1.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. 4.1.2

Situatie plangebied

Met voorgenomen ontwikkeling wordt er geen geluidsgevoelige bestemming gerealiseerd, er hoeft geen toetsing plaats te vinden van de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai op de inrichting. De inrichting bevindt zich wel op het geluidgezoneerd industrieterrein 'Bazeldijk'. De wijzigingen die plaatsvinden binnen de inrichting moeten worden getoetst aan de geluidvoorschriften in de vigerende vergunning. Daarnaast dient de zonebeheerder, de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, te toetsen of de wijzigingen binnen de inrichtingen akoestisch inpasbaar zijn. Door Aveco de Bondt is er een memo 'geluideffecten overkappingen APH' opgesteld. De conclusie van de memo wordt hierna behandeld. Voor de memo wordt verwezen naar bijlage 1 van deze toelichting. De overkappingen van asfaltgranulaat zorgen voor afscherming richting een aantal toetspunten, waardoor de geluidbelastingen lager is. Met de overkappingen wordt voldaan aan de vergunde waarden. Ten aanzien van het aspect geluid is sprake van een milieuneutrale verandering. De zonebeheerder heeft aangegeven dat de wijzigingen akoestisch inpasbaar zijn. 4.1.3

Conclusie

Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

planstatus vastgesteld

NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01

pagina 22 van 65

4.2

Bodemkwaliteit

4.2.1

Algemeen

Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovendien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf. Bij bestemmingsplannen wordt beoordeeld of de kwaliteit van de bodem voldoende geschikt is voor het nieuwe beoogde gebruik. 4.2.2

Situatie plangebied

De overkappingen zijn geen bouwwerken als bedoeld in artikel 8 lid 2 van de Woningwet omdat er niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven. Met het plaatsen van de overkapping vindt er geen functie- of bestemmingswijziging plaats. Het plangebied blijft in gebruik voor de opslag van grondstoffen ten behoeve van de asfaltproductie. Bij het realiseren van de overkapping komt geen grond vrij welke afgevoerd dient te worden. Daarnaast is de verharding ter hoogte van de opslagvakken reeds uitgevoerd in asfalt. Gelet op het voorgaande is geen bodemonderzoek benodigd. 4.2.3

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de realisatie van voorgenomen ontwikkeling.

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1

Algemeen

4.3.1.1 Wet Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet Luchtkwaliteit. De Wet Luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden en vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005'. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om:  

negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken; mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.

De wet voorziet ondermeer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL bevat enerzijds alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren en anderzijds alle ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren. De positieve effecten (maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren) overtreffen de negatieve effecten (ruimtelijke projecten die de luchtkwaliteit verslechteren). Het doel van het NSL is te voldoen aan de Europese grenswaarden voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2).

planstatus vastgesteld

NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01

pagina 23 van 65

Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe wet geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:    

er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3%) ten opzichte van de grenswaarde (een grenswaarde van 3% staat gelijk aan de bouw van circa 1.500 woningen of 100.000 m² kantoorruimte met één ontsluitingsweg); een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.

Bij ieder ruimtelijke ontwikkeling moet toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaatsvinden, met andere woorden het moet duidelijk zijn welke gevolgen het project heeft voor de luchtkwaliteit. Uitgangspunt is dat de luchtkwaliteit niet verslechtert c.q. dat het project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 4.3.2

Situatie plangebied

De vergunde productiecapaciteit en de daarmee samenhangende emissie naar de omgeving wijzigen niet. Gelet op de aard en omvang van voorgenomen ontwikkeling in vergelijking met de grenswaarde 3%, kan worden aangenomen dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. 4.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van voorgenomen ontwikkeling.

4.4

Externe veiligheid

4.4.1

Algemeen

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij productie, gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit). Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd:  

het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

Kwetsbare objecten, zoals woningen en functies met veel bezoekers, zijn niet toegestaan binnen de 10-6-contour van het PR rond inrichtingen waarin opslag en productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

planstatus vastgesteld

NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01

pagina 24 van 65

4.4.2

Situatie plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde.

Afbeelding 4.1: uitsnede risicokaart Binnen een straal van 1 kilometer van het plangebied is de volgende risicobron aanwezig: 

Ten zuiden op circa 880 meter van het plangebied is een buisleiding gelegen.

Bij nieuwe ontwikkelingen in het invloedsgebied van de leidingen, waarbij de personendichtheid in redelijke mate toeneemt, dient een toets aan groepsrisico plaats te vinden. Door het plaatsen van de overkapping veranderen de bestaande activiteiten niet. De personendichtheid zal niet toenemen, waardoor er geen sprake is van een noodzaak tot verantwoording van het groepsrisico. Bovendien kan APH niet worden aangemerkt als een (beperkt) kwetsbare inrichting. In het kader van de procedure wordt zowel de Gasunie als de Veiligheidsregio om advies gevraagd. 4.4.3

Conclusie

Gelet op het voorgaande is er geen belemmering op het gebied van externe veiligheid voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling. Er wordt voldaan aan wet- en regelgeving en er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.

planstatus vastgesteld

NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01

pagina 25 van 65

4.5

Bedrijven en milieuzonering

4.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door bedrijf- en milieuzonering. Onder bedrijf- en milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Bedrijf- en milieuzonering heeft twee doelen:  

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

4.5.2

VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'

Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieugevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. 4.5.3

Situatie plangebied

Binnen het bedrijfsterrein van APH worden milieubelastende activiteiten uitgeoefend die van invloed kunnen zijn op omliggende percelen. De activiteiten vallen in categorie 4.2 (sbi 2008: 2399 D1 asfaltcentrales, p.c. >= 100 ton/uur). Een dergelijke categorie kent een richtafstand van 300 meter, veroorzaakt door het aspect geluid. Het aspect geluid is geregeld in de geluidzone rondom het industrieterrein 'Bazeldijk' waarvan onderhavig perceel deel uitmaakt. Voor de akoestische gevolgen van de overkapping wordt verwezen naar paragraaf 4.1. Geconcludeerd wordt in deze paragraaf dat aan de wettelijke normen voldaan wordt en de overkappingen zelfs een positief effect hebben op deze geluidwaarden. Het aspect geur kent in deze een richtafstand van 200 meter. Binnen deze richtafstand zijn meerdere gevoelige functies gelegen. Aangezien het plaatsen van de overkapping niet tot gevolg heeft dat de productiecapaciteit wordt vergroot, is geen sprake van een wijziging in het woon- en leefklimaat ten gevolge van dit aspect. Voor stof (richtafstand van 100 meter) geldt eveneens dat er geen sprake is van een wijziging in het woon- en leefklimaat, aangezien ter plaatse van de uitbreiding geen stuifgevoelige stoffen worden opgeslagen. Voor gevaar (richtafstand van 50 meter) geldt dat ook geen sprake is van wijzigingen.

planstatus vastgesteld

NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01

pagina 26 van 65

4.5.4

Conclusie

Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de functies in de omgeving geen belemmering vormen voor het realiseren van voorgenomen ontwikkeling en dat voorgenomen ontwikkeling geen belemmering vormt voor de functies in de omgeving.

4.6

Ecologie

4.6.1

Algemeen

De Wet natuurbescherming vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de ecologische soortenbescherming en ecologische gebiedsbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Bij een ruimtelijke ingreep moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de op grond van de Wet natuurbescherming gestelde regels. 4.6.1.1 Soorten bescherming Soortenbescherming is onder de Wet natuurbescherming geregeld op basis van een drietal verschillende beschermingsregimes, namelijk voor vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten. Voor al deze soorten geldt dat het verboden is ze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eventuele eieren opzettelijk te vernielen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om beschermde plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Hiervan kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden.

4.6.1.2 Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten of andere handelingen en plannen die negatieve effecten op deze beschermde gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel (zonder vergunning) niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). Natuur Netwerk Nederland De Wet Natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op om te zorgen voor de instandhouding van het binnen de eigen provincie gelegen deel van een landelijk ecologisch netwerk; het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen ook wel Ecologische Hoofdstructuur genoemd. Het NNN is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.

De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN is voor Zuid-Holland uitgewerkt in de Omgevingsverordening Zuid-Holland In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

planstatus vastgesteld

NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01

pagina 27 van 65

4.6.2

Situatie plangebied

4.6.2.1 Soorten bescherming Binnen het plangebied zijn geen beschermde flora en fauna te verwachten, aangezien de verharding ter hoogte van de opslagvakken reeds is uitgevoerd in asfalt en de werkzaamheden binnen het plangebied bestaan uit het opslaan van asfalt binnen deze opslagvakken. Om de overkappingen mogelijk te maken hoeven er geen bomen gekapt te worden. Het uitvoeren van een quickscan flora en fauna wordt niet noodzakelijk geacht. 4.6.2.2 Gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Zuid-Holland. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn Lingegebied & Diefduik-Zuid en Zouweboezem op circa 3 en 3,5 km afstand van het plangebied. Gelet op afstand van het plangebied tot Natura 2000-gebieden en de beperkte impact van de ingreep, kan een significante verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden oppervlakteverlies, optische verstoring, licht, geluid en stikstof op voorhand worden uitgesloten. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000-gebieden.

Verdere toetsing in de vorm van een verslechteringstoets of een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. 4.6.3

Conclusie

Het aspect ecologie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.7

Archeologie en Cultuurhistorie

4.7.1

Algemeen

De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.

planstatus vastgesteld

NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01

pagina 28 van 65

4.7.2

Situatie plangebied

4.7.2.1 Archeologie In opdracht van acht gemeenten in de regio Alblasserwaard/Vijfheerenlanden heeft BAAC bv in 2009 voor het gehele grondgebied van deze gemeenten een archeologische inventarisatie uitgevoerd en vervolgens een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart opgesteld. De verschillende archeologische verwachtingswaarden hebben geleid tot verschillende dubbelbestemmingen archeologie in het bestemmingsplan 'Buitengebied Giessenlanden', met bijbehorend vergunningenstelsel. Ter hoogte van de te plaatsen overkapping gelden drie dubbelbestemmingen.

Afbeelding 4.2: archeologische dubbelbestemmingen Het grootste gedeelte van het plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 1', waarvoor tevens de strengste eisen gelden. Indien het bouwwerk of activiteit een grotere oppervlakte heeft dan 250 m 2 en dieper gaat dan 30 cm gaat dient een rapport overgelegd te worden waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld of indien het bevoegd gezag van oordeel is dat anderzijds in voldoende mate is aangetoond dat de archeologische verwachtingswaarde voor de betrokken locatie niet meer reëel is. Ter hoogte van de beoogde overkapping is een archeologisch bureauonderzoek (zie bijlage 2) uitgevoerd. Uit dit bureauonderzoek is het volgende gebleken:

planstatus vastgesteld

NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01

pagina 29 van 65

Op basis van onderhavig archeologisch onderzoek geldt voor het plangebied een archeologische waarde op een diepte van 1,1 tot 1,8 m -NAP (uitgaande van het maaiveld op 0,7 m geldt een diepte van 1,8 tot 2,5 m -Mv). Het voornemen is om in het plangebied een overkapping te plaatsen. Om dit mogelijk te maken worden betonnen poeren aangelegd op circa 50 cm -Mv. De poeren worden geheel in de recente ophoging aangelegd en hierbij vinden dus geen verstoringen plaats in het archeologisch relevante niveau. De heipalen worden wel dieper geslagen en raken het archeologisch relevante niveau. De heipalen worden echter op een rij geplaatst met een onderlinge afstand van ruim 5,0 m. Gezien de grote tussenafstand blijft het archeologisch relevante niveau in voldoende mate beschikbaar voor eventueel toekomstig onderzoek. Er is in onze optiek geen sprake van een onevenredige verstoring. Ook worden er geen nieuwe verstoringen verwacht door het opbrengen van grond en/of het aanleggen van verharding, aangezien er al sprake is van een aanzienlijke ophoging en geheel gesloten verharding op het terrein. Samenvattend vindt er in onze optiek geen onevenredige verstoring plaats bij het realiseren van de overkapping en adviseren wij om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=fcd59dc1-5688-4235-9adc-8e8b3ac3dae6