Bijlage 1 Bestemmingsplan Giessenburg A.M.A. van Langeraadweg 8 Giessenburg
Tekst van het document
Toelichting bestemmingsplan ‘Giessenburg, A.M.A. van Langeraadweg 8’
Toelichting bestemmingsplan ‘Giessenburg, A.M.A. van Langeraadweg 8’
Identificatie: NL.IMRO.1978.BPlangeraadweg8GSB-VG01 Datum: 19-09-2023 Planstatus: Vastgesteld Versie: 1.0
2
Inhoud 1.
2.
3.
Inleiding ....................................................................................................................................... 5 1.1
Inleiding ..................................................................................................... 5
1.2
Kader .......................................................................................................... 7
1.3
Maatschappelijk resultaat ........................................................................... 9
1.4
Maatschappelijk draagvlak .......................................................................... 9
1.5
Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid.............................. 9
1.6
Communicatie ............................................................................................ 9
1.7
Realisatie .................................................................................................... 9
1.8
Leeswijzer................................................................................................. 10
Planbeschrijving .................................................................................................................... 11 2.1
Bestaande situatie ..................................................................................... 11
2.2
Nieuwe situatie ......................................................................................... 13
Verantwoording beleidskader ......................................................................................... 19 3.1 Rijksbeleid ................................................................................................... 19
4.
3.2
Provinciaal beleid ...................................................................................... 22
3.3
Regionaal beleid ....................................................................................... 27
3.4
Gemeentelijk beleid .................................................................................. 28
3.5
Conclusie .................................................................................................. 31
Verantwoording sectorale aspecten ............................................................................. 32 4.1
Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) .................................................. 32
4.2
Watertoets ................................................................................................ 34
4.3
Geluid ....................................................................................................... 39
4.4
Luchtkwaliteit ........................................................................................... 41
4.5
Bedrijven en milieuhinder ......................................................................... 43
4.6
Externe veiligheid ..................................................................................... 45
4.7
Kabels en leidingen................................................................................... 49
4.8
Ecologie .................................................................................................... 50
4.9
Bodem ...................................................................................................... 53
4.10 Archeologie .............................................................................................. 55 4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie ........................................................... 59 5 Juridische planbeschrijving .................................................................................................. 60 5.1
Inleiding ................................................................................................... 60
5.2
Systematiek van de regels ......................................................................... 60
5.3
Bestemmingen .......................................................................................... 60
5.4
Aanduidingen ........................................................................................... 61 3
Bijlage Omschrijving 1 Landschappelijk inpassingsplan 2 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai 3 Onderzoek externe veiligheid 4 Ecologische quickscan 5 Aanvullend onderzoek huismus 6 Verkennend bodemonderzoek 7 Verkennend archeologisch onderzoek
Auteur Referentie Lagendijk Tuin- en LTL21480 Landschapsarchitecten Voortman Ingenieurs 22.1675
Datum 26-04-2022
DGMR
08-11-2022
Blom Ecologie
M.2022.1112. 00.R001 2022-0147
Blom Ecologie
2022-0147
03-06-2022
Adromi B.V.
B202206
08-04-2022
ADC Archeoprojecten
5742
06-03-2023
03-05-2022
25-02-2022
4
1.
Inleiding
1.1 Inleiding 1.1.1 Aanleiding De A.M.A van Langeraadweg 8 betreft een voormalige agrarische bedrijfslocatie. De volwaardige agrarische bedrijfsactiviteiten zijn recentelijk beëindigd, waardoor de locatie grotendeels leeg is komen te staan. Hetgeen in het kader van een goede ruimtelijke ordening en ruimtelijke kwaliteit niet wenselijk is, én gevaar voor verpaupering tot gevolg kan hebben. Gezamenlijk hebben de initiatiefnemers de locatie opgekocht om er een uniek duurzaam en zelfvoorzienend woonconcept te creëren. Een concept waarbij meerdere huishoudens op een compact boerenerf wonen en leven. Waarbij men gezamenlijk middels kleinschalige agrarische activiteiten én met duurzame energiebronnen milieuvriendelijk en zelfvoorzienend woont. Het plan is om de agrarische bedrijfslocatie grotendeels te saneren, behoudens de bestaande woning en een tweetal schuren welke behouden blijven voor de kleinschalige agrarische activiteiten. Daarmee zelfvoorzienend te kunnen zijn en het omliggende land te onderhouden. Het grotendeel van de bedrijfsmatige agrarische opstallen, bouwwerken en verharding zal worden gesaneerd. Waarvoor in de plaats drie nieuwe woningen worden gerealiseerd ten behoeve van het woonconcept. Zie paragraaf 2.2 met bijbehorende afbeeldingen voor een meer gedetailleerde uitleg en weergave van het plan.
Het vigerende bestemmingsplan ter plaatse is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’ (onherroepelijk vanaf 11 maart 2015). De vigerende enkelbestemming ter plaatse is ‘Agrarisch’. In de huidige situatie is het daarmee niet toegestaan om de bestaande woning te bewonen als zijnde burgerwoning, deze moeten in relatie staan met een volwaardig agrarisch bedrijf. Tevens is het daarmee niet toegestaan om drie extra woningen te realiseren op het erf. De bestemming ter plaatse dient daarom te worden gewijzigd. Op 4 februari 2021 is het plan middels een principeverzoek aan de gemeente Molenlanden voorgelegd. Op 7 februari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten om in principe medewerking te verlenen aan het plan. Om het plan juridisch-planologisch mogelijk te maken wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen. 1.1.2 Plangebied Het plangebied (zie afbeelding 1) is gelegen aan de zuidkant van de A.M.A. van Langeraadweg. Langs deze weg zijn verschillende (voormalig agrarische) ruilverkavelingsbedrijven gelegen. Het plangebied wordt omringd door het open polderlandschap, waarbij de kern van Giessenburg ten westen en Schelluinen-West ten zuiden van het plangebied is gelegen. Ten noorden is het agrarische bedrijf nr. 3A gelegen en ten oosten de plattelandswoning nr. 8B (welke in het bouwvlak van het plangebied is gelegen).
5
Afbeelding 1: Uitsnede luchtfoto plangebied (indicatief)
1.1.3 Belang De gemeente Molenlanden geeft toestemming aan een plan wanneer het plan bijdraagt aan het behalen van gemeentelijke en/of regionale doelstellingen, een bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit (of daar tenminste geen afbreuk aan doet) en/of overige belangen niet, of in ieder geval niet onevenredig nadelig worden beïnvloed. Het plan is een wenselijke ontwikkeling voor de gemeente Molenlanden, omdat: Het plan resulteert in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit (landschap). Met het plan wordt de agrarische bedrijfslocatie grotendeels gesaneerd. Ter compensatie worden drie vrijstaande woningen gerealiseerd. De bebouwing en verharding neemt hiermee aanzienlijk af en er wordt meer openheid gecreëerd. Hiermee is er sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Om tot een optimale ruimtelijke kwaliteitsverbetering te komen worden de woningen op een passende wijze in het landschap ingepast (zie paragraaf 2.2.3). Het voormalig agrarisch perceel wordt ‘opgeruimd’ en de landschappelijke kwaliteiten van het veenweidegebied kan beter worden ervaren vanaf de weg. De setting van de nieuwe woningen in een erfconstructie past bij het karakter van dit lint. De bebouwing zal zich in de nieuwe situatie concentreren op veel meer klein oppervlak dan in de bestaande situatie het geval.
6
Het verwijderen van alle betonnen opstanden en betonplaten betreft eveneens een verbetering. De opstanden die bedoeld zijn om kuilvoer in op te slaan, zijn manshoog en goed te ervaren vanaf de AMA van Langeraadweg. Door deze te saneren ontstaat een beter zicht op het achterliggende landschap. Hobbymatig gebruik van de schuren draagt bij aan het in stand houden van het karakter van het landschap. De volwaardige agrarische bedrijfsactiviteiten worden ‘wegbestemd’. Om het agrarische land achter het plangebied gelegen in stand te houden, blijven er ter plaatse wel hobbymatige activiteiten mogelijk en een tweetal schuren behouden. Hierdoor kan het onderhoud van het landschap worden geborgd en kan een toekomstbestendige situatie van de instandhouding van het landschap worden gegarandeerd. Het plan voorziet in een verbetering van het woon- en leefklimaat. Met het plan wordt de agrarische bestemming gewijzigd naar een woonbestemming (met hobbymatig agrarisch gebruik). Hiermee wordt een volwaardige agrarische bedrijfslocatie verwijderd en wordt nieuwvestiging van een (agrarisch) bedrijf in de toekomst uitgesloten. Hetgeen een verbetering van het woon- en leefklimaat tot gevolg heeft. Daarnaast het doel volgt van de overheid om agrarische bedrijven in het land terug te dringen in verband met de stikstofproblematiek.
Het plan voorziet in de concrete woningbehoefte van de initiatiefnemers. De initiatiefnemers hebben in het verleden noodgedwongen Giessenburg moeten verlaten, omdat er niet voldoende passende woonruimte beschikbaar was op de woningmarkt. De krapte op de woningmarkt houdt momenteel nog steeds aan. Met het plan kunnen de initiatiefnemers terug keren naar hun geboortedorp. Daarnaast voorziet het plan in een uniek duurzaam en zelfvoorzienend woonconcept. Van zo’n specifiek aanbod is geen sprake binnen de gemeente Molenlanden, waardoor wordt voorzien in een specifieke behoefte van de initiatiefnemers. Het plan draagt bij aan doorstroming op de woningmarkt en er is geen sprake van concurrentie door het specifieke karakter van de locatie. Het plan past binnen het VAB-beleid (Vrijkomende Agrarische Bedrijfsbebouwing) In het VAB-beleid staat de stip op de horizon beschreven. De leefomgeving bestaat uit een open, weids, agrarisch landschap, vormgegeven door de agrarische bedrijven. Dit is wat de gemeente graag door wil geven aan de volgende generatie. Wanneer agrarische bebouwing in ruilverkavelingsgebieden haar functie verliest en vrijkomt is het uitgangspunt dat de nieuwe functie moet aansluiten bij de omgeving en de bebouwing qua uitstraling moet passen binnen het landschap. Het plan sluit aan op dit streven van de gemeente Molenlanden.
1.2 Kader Bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’ Het plangebied valt binnen de contour van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’ (zie afbeelding 2), onherroepelijk vanaf 11 maart 2015. Het plangebied heeft de enkelbestemming: • Agrarisch;
7
De dubbelbestemmingen: • Waarde – Archeologie – 4; En de aanduidingen/maatvoeringen: • Bouwvlak; • Maximaal aantal wooneenheden: 2; • Specifiek vorm van wonen – plattelandswoning (ter plaatse van nr. 8B). In de huidige situatie is het daarmee niet toegestaan om de bestaande woning te bewonen als zijnde burgerwoning, deze moeten in relatie staan met een volwaardig agrarisch bedrijf. Tevens is het daarmee niet toegestaan om drie extra woningen te realiseren achter de boerderij. Ten behoeve van het plan dient een bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen. De plattelandswoning van het buurperceel zal gelijktijdig worden omgezet naar een burgerwoning.
Afbeelding 2: Uitsnede vigerende bestemmingsplankaart
Bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren’, vastgesteld op 27 oktober 2020 door de gemeenteraad van de gemeente Molenlanden. In deze parapluherziening is het parkeerbeleid van gemeente Molenlanden vastgesteld (zie paragraaf 2.2.2). ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’ Het plangebied valt binnen de contouren van het ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’, vastgesteld op 26 oktober 2021 door de gemeenteraad van de gemeente Molenlanden. In dit paraplubestemmingsplan is het beleid omtrent de huisvesting van arbeidsmigranten vastgesteld.
8
1.3 Maatschappelijk resultaat Met de vaststelling van het bestemmingsplan wordt een nieuwe, geactualiseerde en gedigitaliseerde juridische regeling geboden. De bestaande woning (en plattelandswoning) wordt juridisch-planologisch omgezet naar een burgerwoning en het wordt mogelijk gemaakt om, naast/achter de twee te behouden schuren, drie vrijstaande woningen te realiseren op het perceel A.M.A. van Langeraadweg 8 te Giessenburg.
1.4 Maatschappelijk draagvlak Participatie Na het positieve principebesluit van de gemeente Molenlanden op het plan (7 februari 2022) hebben de initiatiefnemers de directe buren (nr. 3a & 8b) persoonlijk op de hoogte gebracht van het plan. Het plan is in deze fase positief ontvangen door de directe buren. Ook de eigenaren van de plattelandswoning zijn akkoord met het bestemmingsplan, waarin hun woning nr. 8B gelijktijdig wordt meegenomen en wordt omgezet naar burgerwoning. Vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan opgestuurd naar de overlegpartners van de gemeente Molenlanden. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken zijn gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder in de gelegenheid is gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Desgevraagd kon ook een mondelinge zienswijze gegeven worden. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
1.5 Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan, voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemers, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente wordt een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer gesloten, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.
1.6 Communicatie Er wordt op de wettelijke manier gecommuniceerd over de te voeren procedure.
1.7 Realisatie Wanneer er geen beroep wordt ingediend, is het vastgestelde bestemmingsplan na de ter inzage termijn onherroepelijk. De omgevingsvergunningen kunnen dan worden aangevraagd.
9
1.8 Leeswijzer Deze toelichting van het bestemmingsplan bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van het plan zijn beschreven: • Hoofdstuk 2: Planbeschrijving; • Hoofdstuk 3: Verantwoording beleidskader; • Hoofdstuk 4: Verantwoording sectorale aspecten; • Hoofdstuk 5: Juridische planbeschrijving.
10
2.
Planbeschrijving
2.1 Bestaande situatie 2.1.1 Ontstaansgeschiedenis en stedenbouwkundige structuur Giessenburg is in 1957 ontstaan uit de dorpjes Peursum en Giessen-Nieuwkerk. Deze dorpjes zijn vanaf de 13de eeuw ontstaan door ontginning van het veengebied. Het gebied heeft zich door de eeuwen heen ontwikkeld, wat met name te danken was aan het slot Giessenburg met de bijbehorende heerlijkheden. Het slot is aan het begin van de vijftiende eeuw gebouwd op een eiland in de Giessen, niet ver van het dorp Giessen-Nieuwkerk. Het slot is eeuwenlang van grote betekenis geweest voor het gebied rond de Giessen. De heren van Giessenburg (later d’Ablaing van Giessenburg) waren ook erfwatergraaf van het waterschap de Overwaard. In de 17de eeuw was het slot met de bijbehorende heerlijkheden Giessenburg en Giessen-Nieuwkerk eigendom van de familie Van Marlot uit Den Haag. Rond 1800 is het slot Giessenburg afgebroken. In 1986 is de zelfstandige gemeente Giessenburg opgegaan in de gemeente Giessenlanden. Het dorp telt tot op heden circa 4900 inwoners en behoort tot een van de drie groeikernen van de voormalige gemeente Giessenlanden. In 2019 is de gemeente overgegaan in de gemeente Molenlanden. Giessenburg is gelegen langs het riviertje de Giessen. Vanuit de kleihoudende stroomrug langs dit riviertje is het oorspronkelijke dorpje ontstaan.
Deze hoger gelegen stroomruggen waren namelijk droger en beter van ondergrond om op te bouwen. Vanuit het dorp heeft men het achterliggende polderlandschap ontgonnen, iets wat goed te zien is in de huidige ligging van de slagen in het landschap. Langs de noordelijke zijde van de Giessen is geen seriematige uitbreiding van het dorp te vinden en wordt de bebouwingsstructuur nog gekenmerkt door typische lintbebouwing, waar grote boerderijen en kleine arbeidershuisjes elkaar afwisselen. Het plangebied is gelegen aan de A.M.A. van Langeraadweg ten zuidoosten van de kern van Giessenburg. De weg vormt één van de ontsluitingswegen van de kern, waaraan enkele (voormalig agrarische) ruilverkavelingsbedrijven zijn gelegen. 2.1.2 Huidige status/gebruik De A.M.A van Langeraadweg 8 betreft een voormalige agrarische bedrijfslocatie. De volwaardige agrarische bedrijfsactiviteiten zijn recentelijk beëindigd. De opstallen ter plaatse staan grotendeels leeg en/of worden hobbymatig gebruikt. Op onderstaande afbeeldingen zijn enkele beelden van het plangebied weergegeven.
11
Afbeelding 3: Vooraanzicht erf oostelijke ontsluiting
Afbeelding 4: Vooraanzicht erf westelijke ontsluiting
Afbeelding 5: Impressie erf (1)
12
Afbeelding 6: Impressie erf (2)
2.2 Nieuwe situatie 2.2.1 Plan Het plan is om een uniek duurzaam en zelfvoorzienend woonconcept te creëren aan de A.M.A. van Langeraadweg 8 te Giessenburg. Een concept waarbij meerdere huishoudens op een compact boerenerf wonen en leven. Waarbij men gezamenlijk middels kleinschalige agrarische activiteiten én met duurzame energiebronnen milieuvriendelijk en zelfvoorzienend kan leven. Hiervoor wordt de agrarische bestemming deels gewijzigd naar een woonbestemming en deels wordt het bouwvlak verwijderd. Het plan is om de agrarische bedrijfslocatie grotendeels te saneren, behoudens de bestaande woning en een tweetal schuren welke behouden blijven voor de kleinschalige agrarische activiteiten. Daarmee zelfvoorzienend te kunnen zijn en het omliggende land te onderhouden. Het grootste deel van de bedrijfsmatige agrarische opstallen, bouwwerken en verharding zal worden gesaneerd. In totaal zal er ca. 2.600 m2 aan bebouwing, ca. 3.550 m2 aan silo’s en kuilplaten, én ca. 1.400 m2 aan overtollige erfverharding worden gesaneerd. Waarvoor in de plaats drie nieuwe woningen worden gerealiseerd ten behoeve van het woonconcept. Door de sanering van de grote hoeveelheid bebouwing en verharding waarmee een aanzienlijke kwaliteitswinst wordt gehaald voor het karakter van het landschap én door het bijzondere woonconcept kan worden meegewerkt aan dit plan.
In onderstaande afbeeldingen is de sanering en de nieuwe situatie indicatief inzichtelijk gemaakt. Zie voor de nieuwe situatie ook het landschappelijk inpassingsplan in de bijlage van deze toelichting en paragraaf 2.2.3.
13
Te behouden woning met schuur
Te behouden schuur
Te saneren erfverharding
Te saneren sleufsilo’s, kuilplaten etc.
Te saneren schuren
Afbeelding 7: Overzicht sanering bestaande situatie (indicatief)
Afbeelding 8: Nieuwe situatie (indicatief)
14
2.2.2 Verkeer en parkeren Ontsluiting De A.M.A. van Langeraadweg 8 te Giessenburg wordt in de bestaande situatie ontsloten middels twee inritten. Eén langs de oost- en één langs de westkant van de bestaande woning. Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd, het erf blijft bereikbaar over deze inritten. Parkeren Voor de vaststelling van de parkeernormering is gebruik gemaakt van de Nota Parkeernormen Molenlanden 2020. Voor het vaststellen van de parkeerbehoefte gaat de nota uit van de stedelijkheidsgraad ‘niet stedelijk’ en de stedelijke zone ‘Buitengebied’. In onderstaande tabel is de parkeerbalans weergegeven. Tabel 1: Parkeren Woning Koop vrijstaand
Parkeernorm 2,4
Aantal 4
Parkeerbehoefte 9,6
Totaal
10 parkeerplaatsen
Per vrijstaande woning betreft de parkeernorm 2,4 parkeerplaatsen in het buitengebied, waardoor de parkeerbehoefte van het gehele plan uitkomt op 10 parkeerplaatsen. Hetgeen wordt volledig binnen het plangebied opgelost. Bij elke woning is er meer dan voldoende ruimte om minimaal 3 auto’s te parkeren, zie onderstaande afbeelding indicatief het parkeren uitgelicht in het rood omkaderd.
Afbeelding 9: Nieuwe situatie parkeren op eigen terrein
15
2.2.3 Molenwaards Kookboek / Landschappelijke inrichting Om in een optimale kwaliteitsverbetering te voorzien is het plan om het plangebied op een verantwoorde wijze landschappelijk in te passen. Bij de uitwerking van de landschappelijke inpassing is rekening gehouden met het ruimtelijk kwaliteitskader van de gemeente, het ‘Molenwaards Kookboek’. De stappen van het Kookboek zijn hieronder globaal uiteengezet. Geschiedenis Op onderstaande afbeelding is de geschiedenis van het plangebied in beeld gebracht. In 1950 is de A.M.A. van Langeraadweg nog niet aanwezig ter plaatse. In 1975 is de weg wel zichtbaar geworden en hebben zich een drietal agrarische bedrijven gevestigd in de directe omgeving, waaronder een agrarisch bedrijf ter plaatse van het plangebied. In 2000 is te zien dat de agrarische bedrijven zich verder hebben geïntensiveerd en zijn deze groter geworden. Daarnaast is vlak ten noorden van het plangebied een nieuw agrarisch bedrijf gevestigd. In 2021 blijft de situatie grotendeels ongewijzigd, behalve dat enkele van de agrarisch bedrijven zijn omgezet naar een andere functie. Daarnaast is opvallend dat de smalle agrarische kavels die zichtbaar waren in de polder in 2000 zijn samengevoegd tot bredere kavels in 2021. 1950
1975
2000
2021
Afbeelding 10: Geschiedenis in beeld (topotijdreis)
16
Kenmerken omgeving Het plangebied is gelegen langs het ruilverkavelingslint, één van de toegangswegen tot de kern van Giessenburg. Langs deze weg zijn verschillende (voormalig agrarische) ruilverkavelingsbedrijven gelegen. Het plangebied wordt omringd door het open polderlandschap, waarbij de kern van Giessenburg ten westen en Schelluinen-West ten zuiden van het plangebied is gelegen. Het voornaamste karakter van deze omgeving is de openheid van het polderlandschap en om de enkele honderden meters voormalige agrarische bedrijfslocaties/eilanden. Op deze locaties zijn doorgaans een bedrijfswoning gelegen in de eerste lijn en daarachter de bedrijfsopstallen op het achtererf.
Afbeelding 11: Landschappelijk inpassingsplan (indicatief)
Landschappelijke inpassing De geschiedenis van het plangebied en de kenmerken van de omgeving zijn tesamen met de genoemde kwaliteiten van het landschap in het Molenwaards Kookboek als basis gebruikt voor de landschappelijke inpassing van het plan. Het landschappelijke inpassingsplan is in de bijlage van deze toelichting toegevoegd. Een uitsnede ervan is weergegeven op bovenstaande afbeelding. Het uitgangspunt van het plan is het versterken van de waardevolle landschappelijke elementen en het karakter van de locatie. Het verkavelingspatroon, de verkavelingsrichting en ook de poldersloten blijven behouden. Ten zuidwesten kan een waterplas worden ingepast om hetgeen te versterken. Er wordt meer openheid gecreëerd met het slopen van de agrarische bedrijfsbebouwing en opstallen. De nieuwe woningen worden gepositioneerd op één ‘boerenerf’, hetgeen aansluit op het karakter van de locatie. Essentiele landschapselementen worden niet geblokkeerd, maar juist zichtbaar gemaakt en de vorm van het plangebied, de kavels, sluiten aan op de bestaande
17
verkaveling. Op het erf zullen streekeigen plantensoorten worden gebruikt, naast het verbouwen van bijvoorbeeld eigen groente en fruit. Er wordt getracht het boerenerf groen in te passen en een ‘groeneiland’ te creëren langs het ruilverkavelingslint. Het parkeren wordt volledig op eigen terrein opgelost, zoveel mogelijk achter de bebouwing uit het zicht. De inritten blijven ongewijzigd. Hiermee is sprake van een goede landschappelijke inpassing van het boerenerf en de nieuwe woningen. Met een optimale verbetering van de ruimtelijke kwaliteit tot gevolg.
18
3.
Verantwoording beleidskader
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio's; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat er zowel maatregelen op korte termijn als maatregelen op lange termijn nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven als de ondergrond. Het plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het plan is kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro.
3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting van een bestemmingsplan waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, een beschrijving op te nemen over de behoefte aan de voorgenomen 19
stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. In artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro is de volgende definitie van stedelijke ontwikkeling opgenomen: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Het Bro biedt geen verdere definitie van het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’.
Inmiddels is door jurisprudentie wel een verder beoordelingskader van dit begrip ontstaan: De bouw van één woning is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder (ABRvS 14 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:156). Ook een plan dat voorziet in de planologische inpassing van drie woningen is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS: 2014:3929). De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is tevens niet van toepassing op een ontwikkeling waarbij zes woningen mogelijk worden gemaakt (ABRVS 18 december 2013, ECLI: NL:RVS:2013: 2471). Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3). Toetsing aan ladder voor duurzame verstedelijking Middels het plan worden drie wooneenheden toegevoegd. Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is toetsing van het plan aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk.
3.1.4 Voorbereidingsbesluit hyperscale datacenters Middels het Voorbereidingsbesluit hyperscale datacenters verklaart de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke ordening dat voor het werkingsgebied van het voorbereidingsbesluit een algemene maatregel van bestuur wordt voorbereid over de inhoud van bestemmingsplannen en andere ruimtelijke besluiten op decentraal niveau voor de bouw van hyperscale datacenters. In het coalitieakkoord is aangegeven dat hyperscale datacenters een onevenredig groot beslag leggen op de beschikbare duurzame energie in verhouding tot de maatschappelijke en/of economische meerwaarde. Daarom wil het kabinet de landelijke regie en de toelatingscriteria bij de vergunningverlening aanscherpen. Het kabinet wil daarom op nationaal niveau in overleg met medeoverheden aanvullend aan de Nationale Omgevingsvisie nadere ruimtelijke keuzes maken waar deze 20
hyperscale datacenters in Nederland gevestigd kunnen worden waarna deze keuzes in instructieregels worden vastgelegd. Het is daarom wenselijk te voorkomen dat voordat deze instructieregels zijn opgesteld en de criteria wettelijk zijn vastgelegd nieuwe hyperscale datacenters in Nederland worden vergund, opgericht en gevestigd. Het plan is kleinschalig van aard en heeft geen raakvlak met de inhoud van het voorbereidingsbesluit.
21
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid Holland. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie Zuid Holland. Het Omgevingsbeleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. Op 10 oktober 2020 is een herziening van de Omgevingsvisie Zuid-Holland Koers 2020 gepubliceerd (ontwerp Omgevingsvisie Zuid-Holland - Koers 2020). De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zeven richtinggevende ambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van ZuidHolland. 5.
Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied De provincie Zuid-Holland zet in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Onder ‘bebouwde ruimte’ wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiek-industrieel systeem. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD.
Stedelijke ontwikkelingen die niet binnen BSD gerealiseerd kunnen worden en kleinschalige stedelijke ontwikkelingen, kunnen in het landelijk gebied plaatsvinden 22
in aansluiting op BSD of in bebouwingslinten. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen buiten BSD dient het plan te voldoen aan het provinciaal beleid voor ruimtelijke kwaliteit. Stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 hectare buiten BSD dienen eerst door Provinciale Staten worden afgewogen en worden op de kaart ‘woningbouwlocaties, bedrijventerreinen en andere stedelijke ontwikkelingen’ (ook wel genoemd: ‘3 ha kaart’) gezet. Het plangebied is gelegen langs het ruilverkavelingslint langs de A.M.A. van Langeraadweg in het buitengebied. Het plan betreft de sanering van een groot agrarisch bedrijf en ter compensatie de realisatie van drie woningen. Daarmee een inbreiding in dit lint en het aanzienlijk verkleinen van de bebouwingscontour en het erf. Er is daarmee sprake van de realisatie van meer openheid in het buitengebied. Er is sprake van een compacter ruimte gebruik na vrijkomende agrarische bebouwing. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Verbeteren Ruimtelijke kwaliteit Gezien het sterke contrast tussen een dynamische stedelijke omgeving en open deltalandschappen in Zuid-Holland, is zorg voor de ruimtelijke kwaliteit in het bijzonder van belang. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde.
Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De essentie van het ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten toevoegen aan het gebied en de samenleving. Kwaliteitskaart De kwaliteitskaart is voor de provincie Zuid-Holland een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen. De kwaliteitskaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De kwaliteitskaart biedt een middel om vroeg in het planproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. Het verbinden van nieuwe ontwikkelingen aan de bestaande gebiedskenmerken vormt hierbij uitgangspunt.
Het plangebied is in de laag van cultuur- en natuurlandschappen gelegen in het ‘veenweidelandschap’ (zie afbeelding 12). Veenweidegebied De ruimtelijke structuur in het veen(weide)gebied wordt sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Haaks hierop staan de verkavelingspatronen. Kenmerkend voor het veen(weide)landschap is de openheid van het gebied met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels omringd door sloten. Voor ontwikkelingen in het veen(weide)landschap heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld:
23
• • • • •
Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders; Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar.
Afbeelding 12: Uitsnede kwaliteitskaart laag cultuur en natuurlandschappen
Het karakter van het veenweidegebied blijft met het plan behouden, zie paragraaf 2.2.3 en het landschappelijk inpassingsplan in de bijlage van deze toelichting. De diversiteit aan verkavelingspatronen blijft behouden en beeldbepalend. Kenmerkende landschapselementen worden niet aangetast en het plan draagt bij aan de weidsheid en openheid van de polder. Het bouwvlak wordt aanzienlijk verkleind en de nieuwe woningen worden meer compact gerealiseerd op het erf, waardoor meer openheid ontstaat. Het nieuwe erf vormt evenals agrarische bedrijven een visueel groen eiland. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen 24
van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9). Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a) De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b) Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: ▪ zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; c) Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: ▪ Een integraal ontwerp, waarin
behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. Inpassen In dit licht kan het plan kan worden geschaard in de categorie ‘inpassen’. De toelichting op de provinciale verordening noemt als voorbeeld van een ontwikkeling op het niveau van ‘inpassen’ een ontwikkeling die zich afspeelt op het niveau van een kavel. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van een kavel / boerenerf. Een agrarische bedrijf in het lint wordt vervangen door een uniek kleinschalig woonconcept, waarbij het erf wordt verkleind. Er is hiermee geen sprake van een wijziging op structuurniveau, waardoor kan worden geconcludeerd dat het plan niet valt binnen de categorieën ‘aanpassen’ of ‘transformeren’. Gebiedsidentiteit Het plan betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De gebiedsidentiteit is de aard of karakteristiek van een gebied dat is ontstaan in de loop der jaren. In die tijd zijn gemeenschappelijke kernwaarden in het gebied ontstaan die gekoppeld zijn aan gebruik en de verschijningsvorm.
De gebiedsidentiteit van een plek is verbonden met de mensen die er wonen, werken en er zich thuis voelen. De samenhang tussen de onderdelen maakt de identiteit van een gebied. Het plan speelt zich af op het niveau van één kavel / boerenerf. Er vinden geen wijziging plaats in de verkeersstructuur of de leefbaarheid van het gebied. In deze toelichting is 25
beschreven wat het effect is van deze ontwikkeling passend is binnen de gebiedsidentiteit. Gebiedseigen De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. Het plan betreft een gebiedseigen ontwikkeling of functie dat naadloos aansluit op de bestaande kenmerken en gebruikswaarden van het gebied. Een gebiedseigen ontwikkeling draagt bij aan behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving en heeft daarmee geen negatieve invloed op de (kenmerken) van de omgeving. De woningen worden op een passende wijze in het lint ingepast. Het plan is in overeenstemming met de kwaliteitskaart en daarmee richtpunten voor ontwikkelingen in het gebied ‘veenweidelandschap’ (zie par. 4.2.1). Structuur Onder structuur worden de samenhangende ruimtelijke elementen die in het gebied aanwezig zijn die het gebruik van functies in het gebied mogelijk maken. Een landschapsarchitect is gevraagd een landschappelijk inpassingsplan op te stellen. Er is middels het Molenwaards Kookboek een analyse gedaan naar de huidige landschappelijke kernkwaliteiten van de locatie en omgeving. De bestaande landschappelijke kernkwaliteiten op de locatie blijven behouden en/of worden versterkt. Het verkavelings- en slotenpatroon blijven ongewijzigd. De sloten zijn beeldbepalend voor het kavel en van ecologische waarde.
De bestaande streekeigen beplanting blijft behouden. Het landschappelijk doorzicht naar het achtergelegen landschap blijft behouden en wordt vergroot aan de westzijde. Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: • De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; • Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma Ruimte. Middels het plan worden drie wooneenheden toegevoegd. Vanuit jurisprudentie (zie paragraaf 3.1.3) is in dit geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is toetsing van het plan aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk.
26
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. De opvolgende visie ‘open voor elkaar’ benadrukt het bijzondere cultuurhistorische landschap, de grote sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden. Middels het plan wordt een agrarisch bedrijf gesaneerd. Ter compensatie worden drie vrijstaande woningen gerealiseerd. De bebouwing en verharding neemt hiermee aanzienlijk af en er wordt meer openheid gecreëerd. Hiermee wordt het landelijk gebied duurzaam vernieuwd én wordt het open, rustige en authentieke karakter van het bijzondere cultuurhistorische landschap versterkt.
3.3.2 Regionale woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een actualisatie van de Regionale woonvisie 2020 (2013) vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn. De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied en een dynamische stedelijke zone. Elke gemeente en kern heeft kwaliteiten en weet sommige groepen te binden, maar andere weer minder. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau. Om die goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld. Door een jaarlijkse woonmonitor worden bereikte resultaten en de planning voor volgende jaren geregistreerd. In de actualisatie van de woonvisie zijn de afspraken rond het afstemmen opgenomen. Daarbij is gebruik gemaakt van de jongste demografische cijfers van de provincie Zuid-Holland. Van belang is dat er voldoende flexibel geprogrammeerd wordt.
Ook is besloten gebruik te blijven maken van de benadering waarbij woonmilieus en mentality milieus als handreiking. Giessenburg is aangeduid als een voorzieningendorp. Een voorzieningendorp heeft een bovenlokale functie in wonen en voorzieningen. Nieuwbouw bedient hier de lokale vraag, aangevuld met toestroom uit omliggende dorpen. Zowel starters, doorstromers als senioren zijn allen een doelgroep in deze dorpen. Naar het plan is specifiek behoefte door enkele geboren en getogen Giessenburgers, die graag terug willen naar het dorp en/of er willen blijven wonen. Het plan voorziet in een welkom kwalitatief en uniek aanbod op de woningmarkt.
27
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Toekomstvisie Molenlanden De Toekomstvisie Molenlanden 2030 ‘Eigenheid in verbondenheid’ houdt de gemeente op koers tot 2030 door dialoog, nabijheid en ambitie. Op zes onderwerpen beschrijft de visie de landelijke en lokale trends en de wensen van de gemeente. Deze trends die de gemeente ziet, gebruikt de gemeente om de wensen mogelijk te maken. Per onderwerp schetst de gemeente het beeld voor het jaar 2030. Deze zes beelden samen bepalen het integrale beeld voor wat de gemeente in 2030 wil zijn: • Inclusieve samenleving: in onze samenleving staat gezondheid voorop en zijn alle inwoners even belangrijk; • Leefomgeving: de omgeving waarin we wonen voelt veilig en is zo ingericht dat we grote gevolgen van klimaat op kunnen vangen. Er staan genoeg woningen in onze gemeente waar vraag naar is; • Economie: Molenlanden is een gemeente waar innovatie een belangrijke plek heeft en ondernemen vanzelfsprekend is; • Recreatie en Toerisme: het toerisme in Molenlanden is in balans; • Klimaat en energie: we werken samen aan een circulair, energieneutraal, klimaatbestendig en schoon Molenlanden met aandacht voor een eerlijke voedselketen waarin afval wordt gezien als grondstof; • Bereikbaarheid: Inwoners van Molenlanden ervaren met verschillende vervoersmiddelen dat onze dorpen, de vestingstad en de regio veilig en goed bereikbaar zijn.
Het plan heeft voornamelijk betrekking op het onderwerp leefomgeving en in mindere mate klimaat. Een agrarisch bedrijf wordt beëindigd en er wordt op een duurzame wijze een nieuwe bestemming gerealiseerd ter plaatse. Leegstand van agrarische bedrijfsbebouwing wordt voorkomen en de nieuwe woningen worden conform de huidige bouweisen geïsoleerd en duurzaam gerealiseerd. Het idee is om een uniek duurzaam en zelfvoorzienend woonconcept te creëren. De bewoners verbouwen hun eigen voedsel en wekken hun eigen energie op. De gemeente wenst de identiteit van de dorpen in stand te houden. Door een stoppende agrarische bedrijfslocatie op een karakteristieke wijze om te zetten ten behoeve van een uniek woonconcept wordt hieraan bijgedragen. Het plan is in overeenstemming met de toekomstvisie. 3.4.2 Omgevingsvisie Giessenlanden Op 14 december 2017 heeft de voormalige gemeente Giessenlanden de Omgevingsvisie Giessenlanden vastgesteld. De Omgevingsvisie Giessenlanden is inmiddels ingehaald door de toekomstvisie Molenlanden, maar biedt nog een gedegen ruimtelijk kader. Deze omgevingsvisie beschrijft de visie hoe de gemeente in samenwerking met de inwoners willen zorgen voor het gemeentelijk grondgebied. De visie geeft aan: 1. Waar bestaande kwaliteiten liggen en waar ruimte ligt voor nieuwe ontwikkelingen (behoud bestaande omgevingswaarden en –kwaliteiten en versterken identiteit); 2.
Op welke wijze het gemeentebestuur als partner, bij wil en bij kan dragen aan plannen en wensen van inwoners en ondernemers, passend bij de visie.
28
In totaal zijn er acht omgevingskwaliteiten geformuleerd: 1. Wij koesteren, versterken en stimuleren de identiteit van onze dorpen en hun ommeland. Dit door o.a. te bewaken dat het karakter van ieder dorp behouden blijft. 2. De ondergrond, cultuurhistorie en ontstaansgeschiedenis van een dorp en zijn ommeland dragen in belangrijke mate bij aan de huidige kwaliteit, karakteristiek en identiteit van dat dorp. Deze aspecten zijn een belangrijk vertrekpunt bij toekomstige ontwikkelingen. 3. Zorgvuldig ruimtegebruik is uitgangspunt. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan bij de huidige en toekomstige vraag; 4. De kwaliteiten van de onderlinge samenhang tussen de dorpen, het landschap en het water worden beschermd, benut en versterkt. 5. De fysieke leefomgeving van de dorpen dient niet alleen functioneel te zijn, maar ook kwaliteit te bieden in beleving, veilig te zijn en bij te dragen aan de gezondheid van haar inwoners. 6. Wij stimuleren duurzame maatregelen welke een positieve bijdrage leveren aan het milieu. 7. Wij bieden ruimte aan innovatie, zolang deze geen afbreuk doet aan de overige omgevingskwaliteiten. 8. Wij behouden het evenwicht tussen een doeltreffende waterhuishouding en het karakteristieke slagenlandschap. Het landschap dankt haar karakteristiek mede aan het water en staat daar tegelijkertijd door onder druk.
Het plan betreft een agrarisch bedrijf die wordt beëindigd en de realisatie van nieuwe woningen. Het plan sluit zoveel als mogelijk aan bij de bovengenoemde omgevingskwaliteiten. De identiteit van het dorp wordt gekoesterd, versterkt en gestimuleerd, waarbij het karakter van het dorp wordt behouden. Er wordt door de sanering van het bedrijf zorgvuldig omgegaan met het ruimtegebruik. De ontwikkeling sluit aan op de vraag, stimuleert duurzame maatregelen en levert een positieve bijdrage aan het milieu. Het karakteristieke slagenlandschap blijft behouden en het plan levert een positieve bijdrage aan de waterhuishouding ter plaatse. 3.4.3 Woonvisie Molenlanden 2020-2024 In oktober 2020 heeft de gemeente Molenlanden de Woonvisie 2020 - 2024 vastgesteld. Relevant voor het plan is het gemeentelijk beleid ten aanzien van woningbouw. Op het vlak van woningbouw luidt de visie als volgt: •
•
•
Er worden voldoende woningen gebouwd om te voorzien in de lokale woningvraag, het gaat daarbij om de realisatie van +1.460 woningen in de periode 2020 t/m 2029. De focus in de nieuwbouw gaat uit naar het bouwen van betaalbare woningen voor starters, jonge doorstromers en nultredenwoningen voor senioren. Daarbij gaat het met name om een vraag naar betaalbare koopwoningen. De gemeente stuurt meer op de juiste prijs-kwaliteit van woningen, gericht op die doelgroepen waar de grootste vraag zit. Tegelijkertijd versnel de gemeente de woningproductie, zodat voorkomen wordt dat woningzoekenden naar andere gemeenten uitwijken.
29
•
•
•
Nieuwbouw voldoet minimaal aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. Dit betekent dat woningen bijna energieneutraal zijn (BENG) en aardgasloos. Bij de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties en herstructurering van bestaande wijken is het belangrijk om voldoende aandacht te hebben voor klimaatadaptatie, om de gevolgen van droogte en wateroverlast op te kunnen vangen. Nieuwbouw wordt primair gerealiseerd op transformatieplekken binnen de kernen (sloop / nieuwbouw of herbestemming leegstaand vastgoed).
De Woonvisie geeft aan dat er tot 2030 voldoende woningen gebouwd worden om in de concrete behoefte te voorzien. De afweging om medewerking te verlenen aan dit plan heeft voornamelijk een ruimtelijke argumentatie. Een stoppende agrarische bedrijfslocatie, asbesthoudende in slechte bouwkundige staat zijnde bebouwing en opstallen, worden gesloopt. Hiermee wordt leegstand voorkomen. Toch sluit het plan aan op aspecten van de woonvisie. Zo wordt doorstroming gestimuleerd, de initiatiefnemers stromen door en terug naar hun geboortedorp. Tevens wordt privaatrechtelijk bij de verkoop vastgelegd dat de woning niet zomaar aan een ieder doorverkocht mag worden, zodat de woningen beschikbaar blijven voor de specifieke doelgroep en niet zomaar op de reguliere markt terecht komen. De nieuwe woningen voldoen aan de landelijke eisen wat betreft duurzaamheid en energiegebruik. Er wordt veel aandacht besteed aan klimaatadaptatie, zo neemt de verharding aanzienlijk af en ontstaat een zachtere en groenere locatie. De locatie komt ook overeen met de visie van de gemeente, het betreft een herbestemming van leegstaand vastgoed. 3.4.4 Beleid Vrijkomende Agrarische Bebouwing aan ruilverkavelingslinten Op 19 november 2020 heeft de gemeente Molenlanden het Beleid Vrijkomende Agrarische Bebouwing aan ruilverkavelingslinten (VAB-beleid) vastgesteld.
Doel van dit beleid is om de vitalisering van het buitengebied in de ruilverkavelingslinten te stimuleren. Het gaat dan om het behouden en versterken van de karakteristieken van het landschap, de leefbaarheid, de draagkracht en kwaliteit van het Molenlandse buitengebied. Uitgangspunt van het VAB-beleid is een bijdrage te leveren aan een vitaal buitengebied en aan de versterking van de omgevingskwaliteit van het buitengebied. Die versterking kan bijvoorbeeld bestaan uit het slopen van overtollige gebouwen, sanering van asbestdaken, landschappelijke inpassing, aanleg van recreatieve routes, versterken van de biodiversiteit. Hierbij blijft de agrarische sector centraal staan in het gebied, maar zal tegelijkertijd aandacht nodig zijn voor onder meer een aantrekkelijk landschap en biodiversiteit. Dit beleid geeft de ontwikkelingsmogelijkheden aan voor met name de vrijkomende agrarische bebouwing in de ruilverkavelingslinten. In het VAB-beleid staat de stip op de horizon beschreven. De leefomgeving bestaat uit een open, weids, agrarisch landschap, vormgegeven door de agrarische bedrijven. Dit is wat de gemeente graag door wil geven aan de volgende generatie.
Wanneer agrarische bebouwing in ruilverkavelingsgebieden haar functie verliest en vrijkomt is het uitgangspunt dat de nieuwe functie moet aansluiten bij de omgeving en de bebouwing qua uitstraling moet passen binnen het landschap. Het plan sluit aan op dit streven van de gemeente Molenlanden.
30
3.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • Het plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders; • Vanuit jurisprudentie is met het plan geen sprake van een 'stedelijke ontwikkeling' en is toetsing aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' niet van toepassing; • De extra woningen worden meegenomen in de herijking van de woningbouwmonitor Alblasserwaard-Vijfheerenlanden 2020-2030; • Het plan zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.
31
4.
Verantwoording sectorale aspecten
4.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Het plan betreft het verwijderen van een agrarisch bedrijf en de realisatie van drie woningen. Het plan betreft geen ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Het ruimtebeslag, de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is zeer beperkt. De omvang van het bebouwde gebied neemt juist af middels het plan. Het realisatie van drie nieuwe woningen op de bestaande bebouwde locatie blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen en/of 25 hectare. Dit betekent dat er geen sprake is van een zogenaamd kaderstellend plan waarvoor een milieueffectrapport moet worden opgesteld op basis van artikel 7.2, tweede lid van de Wet milieubeheer. Er is daarmee geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. Wel geldt de vergewisplicht.
Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd, onderstaand in het kort de kenmerken van het plan. Kenmerken van het plan Het plan maakt het juridisch-planologisch mogelijk om een agrarische bedrijfslocatie te wijzigen naar een woonbestemming. Volwaardig agrarische bedrijfsactiviteiten worden uitgesloten. Er zullen enkel nog hobbymatige agrarische activiteiten en de standaard toegestane aan-huis-gebonden beroepen en bedrijven zijn toegestaan. Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park of Natuurnetwerk Nederland. Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling zal het aantal zwaar (landbouw) verkeersbewegingen afnemen. Het aantal motorvoertuigbewegingen als gevolg van het plan kan in voldoende mate worden afgewikkeld via de bestaande wegen. Als gevolg van het plan neemt de hoeveelheid (bedrijfsmatige) afvalstoffen en uitstoot aanzienlijk af.