Bijl. 4 Toelichting Bestemmingsplan 'Buurtschappen Giessenburg'
Tekst van het document
54
4
Verantwoording sectorale aspecten
In het vierde hoofdstuk wordt het onderhavige plan getoetst aan diverse relevante milieuaspecten.
4.1 Milieueffectrapportage Beleidskader In de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn in bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Voor de beantwoording van de vraag of er een m.e.r.-(beoordelings)plicht bestaat voor de ruimtelijke ontwikkeling, is allereerst het bepaalde in het Besluit m.e.r. van belang. De verplichting tot het opstellen van een m.e.r. is opgenomen in artikel 7.2 Wm. Dit artikel vormt een omzetting van de EG-m.e.r-richtlijnen. Voor de beantwoording van de vraag of voor een concreet plan een m.e.r. dient te worden doorlopen, dient primair te worden beoordeeld of de activiteit valt binnen de onderdelen C en D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Onderdeel C geeft aan wanneer sprake is van een m.e.r.-plicht. Een onderscheid dient te worden gemaakt tussen een plan-m.e.r. (kolom 3 van onderdeel C) en een besluit-m.e.r (kolom 4 van onderdeel C).
Onderdeel D geeft de activiteiten en gevallen aan waarin sprake is van een m.e.r.- beoordelingsplicht (dan moet worden nagegaan of er al dan niet sprake is van significante milieugevolgen en als deze aan de orde zijn dient een m.e.r. plaats te vinden). Het totale aantal woningen dat toegevoegd wordt aan de woningvoorraad komt op 96 woningen. De activiteiten welke door middel van onderhavig bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt vallen hiermee binnen de in de bijlage D bij het Besluit m.e.r. (D11.2). Een directe m.e.r.-plicht geldt bij gevallen die voorzien in een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2.000 of meer woningen bevat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 20.000 m² of meer. Onderhavige planontwikkeling is in vergelijking hiermee zeer kleinschalig van aard en omvang, derhalve worden de grenswaarden uit het Besluit m.e.r. niet overschreden. Hierdoor kan voor het onderhavige plan gesteld worden dat geen directe m.e.r.-plicht vanuit de wet milieubeheer en vanuit het besluit m.e.r. geldt. Kenmerken van het plan Het onderhavige plan maakt het juridisch-planologisch mogelijk 96 burgerwoningen toe te voegen aan het woningbestand door de bestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’ te wijzigen in ‘Woongebied’. Het plan voorziet niet in fysieke werkzaamheden, behoudens het aanleggen van kleine parkeerplaatsen en 55
normaal/vervangend onderhoud aan de openbare ruimte. Het plan is hiermee zeer kleinschalig van aard. Er vinden geen productiewerkzaamheden plaats. Er is geen sprake van productie van afvalstoffen, anders dan regulier huishoudelijk afval. Behoudens de standaard toegestane aan-huis-gebonden beroepen/bedrijven zullen er geen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natuurnetwerk Nederland, Natura2000-gebieden, belangrijk Weidevogelgebied of Strategische reservering natuur.
3 km
3 km
400 m 1,1 km
Afbeelding 18: Afstand plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland
8,7 km
1,9 km
Afbeelding 19: Ligging plangebied t.o.v. Natura2000-gebieden
56
490 m
35 m
Afbeelding 20: Ligging plangebied t.o.v. Belangrijk Weidevogelgebied
9,5 km
9,7 km
Afbeelding 21: Ligging plangebied t.o.v. Strategische reservering natuur
Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet toenemen. Gezien de kleinschaligheid van het plan zullen geen van de toenames leiden tot significant negatieve effecten op het milieu. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieuaspecten. In de volgende hoofdstukken zijn de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Hieruit blijkt dat er door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen sprake is van nadelige milieueffecten.
57
Conclusie Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling, de ruime afstand tot beschermde natuurgebieden en er geen sprake is van een (significante) toename van het aantal verkeersbewegingen, etc. kan – met inachtneming van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, redelijkerwijs worden verwacht dat er geen sprake is van ernstige milieugevolgen gerelateerd aan de ruimtelijke ontwikkeling en kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. kan worden volstaan met een onderbouwing van de diverse milieuaspecten in de volgende hoofdstukken.
58
4.2 Water Beleidskader In het onderhavige plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel te voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Daarom heeft bij het opstellen van de Toekomstvisie De Giessenburg en De Bilderhof ook overleg en afstemming plaatsgevonden met het waterschap Rivierenland en is het waterschap betrokken bij de voorbereiding van het onderhavige bestemmingsplan. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat het waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheer zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van het waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: 1. Beschermen tegen overstromingen. 2. Water eerlijk verdelen. 3. Voorbereiden op extreem weer. 4. Schoon water. 5. Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur. 6. Zwemwater. 7. Toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit. 8. Toewerken naar circulariteit.
Verordening ‘de Keur’ Het waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de Keur is geregeld dat langs A- en Bwatergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Watergangen Voor een A- en een B-watergang gelden in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een beschermingszone van 5 en 1 meter. Werkzaamheden binnen deze beschermingszones zijn vergunnings- en/of meldingsplichting.
59
B-watergang 047150
A-watergang 202037
B-watergang 147341
B-watergang 147343
Afbeelding 22: Uitsnede legger wateren – recreatiepark ‘De Giessenburg’
A-watergang 0000943
A-watergang 001010
A-watergang 140340 Afbeelding 23: Uitsnede legger wateren – recreatiepark 'De Bilderhof'
In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere watergangen gelegen met beschermingszones. Indien werkzaamheden plaatsvinden in een beschermingszone van een watergang is het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Rivierenland noodzakelijk. De waterbestemming vanwege A-watergang 140340 en bijbehorende regels worden overgenomen uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’. Onderzoek Voor het onderhavige plan zijn twee digitale watertoetsen doorlopen (20190128-919730 en 20190128-9-19731). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt.
60
Waterberging en -compensatie Een deel van het plangebied is gelegen binnen het peilgebied OVW042. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,43 meter NAP en een winterpeil van -1,43 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.
Plangebied
Plangebied
Afbeelding 24: Uitsnede peilgebiedenkaart
Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond en buiten het boezemgebied heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren. In het landelijk en stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2 respectievelijk 500 m2. Het andere deel van het plangebied is gelegen in het boezemgebied van de Giessen. Boezemgebieden zijn de gebieden in de Alblasserwaard die liggen tussen de boezemkades.
De Giessen behoort tot de Boezem van de Overwaard en heeft een boezempeil (streefpeil) van -0,75 m NAP en een maalpeil (maximumpeil) van -0,25 m NAP. De bebouwing dient ten minste 0,25 m boven het maximumpeil te staan, dat is 61
dus op 0 m NAP-hoogte. Voor boezemgebieden geldt uitsluitend een plicht tot volumecompensatie. Eventuele ophogingen en andere wijzigingen beneden het niveau van 0 m NAP dienen gecompenseerd te worden. Het plan voorziet niet in de juridisch-planologische mogelijkheid om extra verharding toe te voegen. De berging in de boezem wordt middels het plan niet negatief beïnvloed en er vindt geen toename aan verharding plaats buiten het boezemgebied. Watercompensatie is hiermee niet noodzakelijk. Wanneer werkzaamheden plaatsvinden waardoor de verharding wel toeneemt, dient aan de hand van de vergunningsaanvraag de watercompensatie berekend te worden. Ter bescherming van het boezemgebied wordt de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterberging’ overgenomen in het onderhavige bestemmingsplan. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het wetenschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.
Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren.
In de statuten van de parken worden daarnaast bepalingen opgenomen over een maximaal te verharden (niet waterdoorlatend) oppervlak en/of percentage van de percelen, zodat bij (hevige) regenbuien het water gemakkelijker kan infiltreren in de bodem en de parken de groene uitstraling behouden dan wel versterken. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de Vereniging van Eigenaren van beide parken. Op de parken ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Om in te spelen op de verwachting dat in de toekomst extremere weersomstandigheden zullen zijn worden eigenaren door de VvE’s van beide locaties gestimuleerd om hemelwater niet op het riool af te laten wateren, maar het hemelwater zoveel
62
mogelijk op te vangen en te gebruiken, het hemelwater te laten infiltreren in de bodem of het overtollig hemelwater af te laten voeren naar watergangen. Waterkering Het plangebied is deels gelegen in de kern- en beschermingszone van een regionale waterkering. De waterkering en de zogeheten beschermingszones aan weerszijden van de dijk zijn door de verordening Keur beschermd. In principe geldt dat er geen bebouwing op de waterkering aanwezig mag zijn. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe van ‘ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering’.
Afbeelding 25: Uitsnede legger waterkeringen – recreatiepark ‘De Giessenburg’
Afbeelding 26: Uitsnede legger waterkeringen – recreatiepark 'De Bilderhof'
63
Wanneer werkzaamheden plaatsvinden binnen de kern- en beschermingszone van de waterkering dient een watervergunning aangevraagd te worden bij het waterschap Rivierenland. Ter bescherming van de regionale waterkering zal ter plaatse van de kernzone de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ en ter plaatse van de beschermingszone de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’ worden overgenomen uit het vigerend bestemmingsplan. Wegbeheer Op de recreatieparken zijn de Vereniging van Eigenaren (VvE) verantwoordelijk voor het onderhoud van de wegen. De kavels worden ontsloten door een wandelpad of een gemeenschappelijke weg. De parken worden ontsloten op de Neerpolderseweg die onder de verantwoordelijkheid van Waterschap Rivierenland valt. Conclusie Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Indien werkzaamheden plaatsvinden binnen de beschermingszone van een watergang of in de kern- of beschermingszone van de waterkering dient een watervergunning aangevraagd te worden bij het waterschap.
64
4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige objecten en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. De Wgh stelt dat alle wegen een geluidszone hebben, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-wegen. Conform artikel 74 lid 2 van de Wgh hoeft geen akoestisch onderzoek te worden verricht voor 30 km/h wegen. De wettelijke voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige objecten binnen de geluidszone van wegen bedraagt 48 dB, de maximaal te ontheffen geluidsbelasting bedraagt 53 dB in landelijk gebied en 63 dB in stedelijk gebied. Het plangebied ligt binnen de invloedsfeer van enkele wegen. Tevens is het recreatiepark ‘De Bilderhof’ gelegen in de invloedssfeer van een spoorwegtraject. De recreatieparken zijn niet gelegen binnen de invloedssfeer van een gezoneerd industrieterrein en kan hierdoor buiten beschouwing worden gelaten.
Onderzoek Het onderhavige plan betreft het functioneel wijzigen van recreatiewoningen in burgerwoningen. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van een functiewijziging naar geluidsgevoelige objecten. Op basis hiervan is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai vereist. Door Voortman Ingenieurs is een akoestisch onderzoek naar weg- en railverkeerslawaai opgesteld. De conclusies van dit onderzoek luiden: ‘Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat: Wegverkeerslawaai • De berekende geluidbelasting ten gevolge van de (maatgevende) Neerpolderseweg (incl. extra verkeersgeneratie) ten hoogste 48 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelasting is niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer; • De berekende gecumuleerde geluidbelasting LCUM* ten gevolge van alle wegen (incl.30 km/h wegen) ten hoogst 48 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Railverkeerslawaai • De berekende geluidbelasting ten gevolge van railverkeerslawaai van de Betuwelijn ten hoogste 53 dB bedraagt. Deze geluidbelasting is niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB voor railverkeer. Algemeen Alle woningen beschikken over een geluidluwe gevel en buitenruimte waarmee aan het streven uit het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan. 65
Er hoeven geen hogere grenswaarden te worden aangevraagd omdat de voorkeursgrenswaarden niet worden overschreden.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.
66
4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit Luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit Luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. Tabel 2: Grenswaarden Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide Jaargemiddelde 40 µg/m3 (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde 40 µg/m3 concentratie 24-uurgemiddelde Max. 35 keer p.j. concentratie meer dan 50 µg/m3 Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde 25 µg/m3 concentratie Voor roet gelden thans nog geen grenswaarden.
Geldig Vanaf 2015 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015
Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2021 het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie tussen 14 en 17 µg/m³ NO2; • Een fijnstofconcentratie tussen 15 en 17 µg/m³ PM10, met niet meer dan 6 overschrijdingsdagen; • Een fijnstofconcentratie tussen 8 en 10 µg/m³ PM2,5. Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de Grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
67
Conclusie Het onderhavige plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
68
4.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader Bij realisering van nieuwe hindergevoelige functies (bedrijf) dient te worden onderzocht of er zich in de omgeving hindergevoelige objecten bevinden die hinder kunnen ondervinden. Uitgangspunt daarbij is dat er ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Voor een goede ruimtelijke ordening wordt in het algemeen gebruik gemaakt van het VNG-Handboek Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009). Deze publicatie is bedoeld voor het ruimtelijk scheiden van bedrijven in relatie tot woningen en omgekeerd, zodat in geen van beide situaties een belemmering voor één van beiden optreedt. In de publicatie staan richtafstanden vermeld voor geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Het is wel aan te bevelen eventuele afwijkingen te benoemen en te motiveren. Onderzoek Het onderhavige plan betreft de functiewijziging van de recreatiewoningen naar burgerwoningen.
Hiermee is sprake van het ‘toevoegen’ van milieugevoelige objecten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden of er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat relevante bedrijven in de omgeving niet worden belemmerd. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Conform het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) valt onder een gemengd gebied ‘een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd’. Gezien de ligging van het plangebied aan het lint (Neerpolderseweg) in het buitengebied en het feit dat direct naast (burger)woningen volwaardige agrarische bedrijven voorkomen kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een ‘gemengd gebied’. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar worden gerechtvaardigd. De richtafstanden voor de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied mogen één afstandstrap worden verlaagd.
Daarnaast heeft de voormalige gemeente Giessenlanden voor agrarische bedrijven in relatie tot omliggende woningen (geurgevoelige objecten) de ‘Geurverordening gemeente Giessenlanden’ vastgesteld. Dit beleid is nog altijd van kracht in de nieuwe gemeente Molenlanden. In dit beleid is geregeld dat de richtafstand voor geur gereduceerd kan worden naar 25 meter voor veehouderijen in het buitengebied die dieren houden waarvoor conform Bijlage 1 van de Regeling geurhinder en veehouderij bij ministeriële regeling geen geuremissiefactor is vastgesteld.
69
In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende relevante bedrijven gevestigd.
Oudkerkseweg 3a: 34 meter
Neerpolderseweg 61: 229 meter
Oudkerkseweg 25: 35 meter Neerpolderseweg 71: 82 meter Neerpolderseweg 74: 9 meter
Neerpolderseweg 73: 147 meter Afbeelding 27: Afstand deelgebied 'De Giessenburg' t.o.v. omliggende bedrijven
Tabel 3: Bedrijf- en milieuhinder omliggende bedrijven ‘De Giessenburg’ Adres Functie Richtafstand Afstand tot dichtstbijzijnde woning Neerpolderseweg 61 Agrarisch bedrijf 25 meter (geur) 229 meter Neerpolderseweg 71 Agrarisch bedrijf 25 meter (geur) 82 meter Neerpolderseweg 73 Fokken en houden 30 meter (geur) 147 meter van paarden Neerpolderseweg 74 Fokken en houden 30 meter (geur) 9 meter van paarden Oudkerkseweg 3a Tijdschriftenwinkel 0 meter 34 meter Oudkerkseweg 25 Horeca/café 0 meter 35 meter
70
Neerpolderseweg 79a: 223 meter
Binnendamseweg 18: 216 meter
Binnendamseweg 2a: 141 meter Afbeelding 28: Afstand deelgebied 'De Bilderhof' t.o.v. omliggende bedrijven
Tabel 4: Bedrijf- en milieuhinder omliggende bedrijven ‘De Bilderhof’ Adres Functie Richtafstand Afstand tot dichtstbijzijnde woning Binnendamseweg 2a Autobedrijf 30 meter (geluid) 141 meter Binnendamseweg 18 Fokken en houden 30 meter (geur) 216 meter van paarden Neerpolderseweg 79a Agrarisch bedrijf 25 meter (geur) 223 meter Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat, behoudens voor de paardenhouderij op de locatie Neerpolderseweg 74, voldaan wordt aan de gestelde richtafstanden. Paardenhouderij Neerpolderseweg 74 Voor een paardenhouderij zijn richtafstanden opgenomen van 30 meter (geur), 10 meter (geluid en stof) en 0 meter (gevaar) in een gemengd gebied. De afstand van het bestemmingsvlak van de paardenhouderij tot de dichtstbijzijnde woning voldoet niet aan deze richtafstanden. De afstand van de daadwerkelijke inrichting en activiteiten van de paardenhouderij tot de dichtstbijzijnde woningen is echter groter, waarmee wel wordt voldaan aan de richtafstanden voor geluid en stof.
Echter, in overleg met de eigenaar van de paardenhouderij is besloten om een deel van de bedrijfsbestemming te wijzigen naar ‘Tuin’, zodat bestemmingstechnisch (de afstand tussen het bouwvlak voor de woningen en de bedrijfsbestemming) wordt voldaan aan de richtafstanden voor geluid en geur en waarmee in de toekomst wordt gewaarborgd dat de afstand tot de woningen voldoet aan de richtafstanden voor geluid en stof.
71
Afbeelding 29: Afstand woning tot bedrijfsbestemming paardenhouderij
Omdat enkele woningen nog wel zijn gelegen binnen de richtafstanden voor geur van de paardenhouderij is door De Roever Omgevingsadvies een geurnotitie opgesteld. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘In het rapport is toegelicht dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat en dat veehouderijen niet in hun belangen worden geschaad. Ook ten aanzien van de achtergrondbelasting kan worden gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. Geurhinder van veehouderijen vormt geen belemmering voor het plan.’ Hiermee kan gesteld worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.
72
4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij de invloed van de externe veiligheid wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico’s door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico’s door stationaire (inrichtingsgebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico’s door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de wet milieubeheer. Naast het plaatsgebonden risico wordt ook gekeken naar het groepsrisico. De normen worden weergegeven door middel van risicocontouren. Onderzoek Het plangebied is gelegen nabij een gasleiding, twee LPG-tankstations, de Betuwelijn en rijksweg A15. Om de invloed van de stationaire inrichtingen en de transportroutes voor gevaarlijke stoffen te inventariseren is door adviesbureau DGMR een onderzoek naar externe veiligheid uitgevoerd. De conclusie van het rapport luidt als volgt: ‘Binnen een kilometer van het plangebied liggen de Betuwelijn, de A15, twee LPG tankstations en een hogedruk aardgasleiding.
Alleen de Betuwelijn en de A15 vormen een extern risico voor de planlocatie. Voor de Betuwelijn en de A15 wordt voldaan aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico. Voor de Betuwelijn is het groepsrisico 0,015 keer de oriëntatiewaarde en dit risico verandert niet als gevolg van het plan. Voor de A15 is de bijdrage aan het groepsrisico vanwege de afstand van 650 m tot het plangebied te verwaarlozen en niet bepaald. De relevante risico’s voor de planlocatie betreffen een BLEVE, een fakkel en een gifwolk als gevolg van transporten over de Betuwelijn. Ook een gifwolk vanaf de A15 kan tot het plangebied reiken. De gemeente Molenlanden dient het groepsrisico als gevolg van deze transportroutes te verantwoorden.’ Verantwoording groepsrisico De gemeente Molenlanden dient als bevoegd gezag de vastgestelde groepsrisico’s als gevolg van transport van geklasseerde stoffen over het spoor en de snelweg conform het Bevt te verantwoorden. Voor de Betuwelijn is het groepsrisico kleiner dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde en voor de A15 is de bijdrage als gevolg van het plan op minstens 650 m afstand verwaarloosbaar. Bij deze verantwoordingsplicht moeten naast de resultaten van de risicoanalyse (criteria 1 en 2) de volgende criteria aan de orde komen: a. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op het spoor, en b.
De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op het spoor een ramp voordoet. 73
1. Bestrijding van een ramp De voorgenomen ontwikkeling betreft zelf geen externe risicobron. Het plan ligt ook op een zodanige locatie dat het geen belemmering voor hulpdiensten vormt om het spoor of de snelweg te bereiken. In 2016 heeft de VRZHZ beide recreatieparken geïnspecteerd en hierover een brief aan de gemeente Giessenlanden (inmiddels opgegaan in de gemeente Molenlanden) geschreven. Hierin stelt de veiligheidsregio onder meer: • De bereikbaarheid en bluswatervoorziening van recreatiepark De Giessenburg moet, op grond van het Bouwbesluit 2012 artikel 6.30 lid 1, worden geregeld als voorgesteld in de bijlage van de betreffende brief. • De bereikbaarheid en bluswatervoorziening van recreatiepark De Bilderhof is voldoende. • Voor beide parken moet aandacht worden besteed aan de inrichting en de afwezigheid van brand bevorderende materialen tussen de woningen. Daarnaast adviseert de VRZHZ om een bewustwordingstraject met betrekking tot brandveiligheid voor de beide parken op te starten. De gemeente heeft de aanwijzingen uit deze brief opgevolgd. De gemeente heeft aangegeven “aanvullende maatregelen te treffen door de brandveiligheid op het buurtschap te verbeteren. Dit vertaalt zich in het aanleggen van blusleidingen, inclusief brandput en brandkraan”.
Ook heeft de gemeente met de VvE’s van beide parken een anterieure overeenkomst opgesteld waarin is geregeld dat de VvE’s periodiek een cursus van de brandweer moeten organiseren op de buurtschappen, om zo de inwoners bewust te maken over brandoverslag. 2. Zelfredzaamheid In hoofdstuk 4 zijn als relevante externe risicoscenario’s aangegeven: • BLEVE of fakkel ter plaatse van de Betuwelijn • Gifwolk als gevolg van een transport over de Betuwelijn of A15 Een BLEVE heeft een effectafstand tot 400 m en een fakkel heeft een effectafstand tot 200 m. Daarmee zijn deze scenario’s alleen voor De Bilderhof relevant en niet voor De Giessenburg. De Bilderhof ligt op minstens 70 m van het spoor en wordt deels afgeschermd omdat de tunnel verdiept ligt. Effecten zijn daardoor kleiner dan in het vrije veld. In geval van een warme BLEVE heeft men circa een half uur om het gebied te ontvluchten. Alarmeringsmogelijkheden en ontruimingsmogelijkheden zijn hiervoor van belang. Een koude BLEVE en een fakkel ontstaan zodanig snel dat vluchten niet mogelijk is. Wel wordt de kans op secundaire branden beperkt alsook de kans op brandoverslag door de hoeveelheid brand bevorderend materiaal in het gebied te beperken. In geval van een gifwolk dient men binnen te blijven, ramen en deuren te sluiten en de ventilatie uit te schakelen. 3.
Bouwkundige eisen Voor recreatiewoningen stelt het Bouwbesluit voor sommige aspecten andere eisen dan voor burgerwoningen. In deze paragraaf gaan wij na dat dit niet of nauwelijks gevolgen heeft voor de externe veiligheid in het plangebied. De externe risico’s ontstaan als gevolg van een BLEVE, een fakkel of een gifwolk. Uit onderstaande paragrafen volgt dat de voorgenomen situatie net zo veilig of zelfs veiliger is dan de bestaande situatie.
74
o
o
BLEVE Voor een BLEVE is de drukgolf maatgevend. Afdeling 2.1 van het bouwbesluit geeft voorschriften voor de sterkte van Bouwconstructies. Deze voorschriften zijn gelijk voor woningen en logiesfuncties. Een drukgolf kan ook tot scherfvorming leiden. Aan het voorkomen van scherfvorming door glas zijn geen specifieke eisen gesteld in het Bouwbesluit. Wel kan men denken aan het aanvullend plaatsen van splinterwerend glas of folie. Fakkel Een fakkel leidt tot een warmtebelasting en secundaire branden. Inherent aan het karakter van het terrein is een aantal objecten van brandbare materialen, zoals hout en riet. Door de onder punt 1 aangegeven maatregelen te treffen wordt de hoeveelheid brandbare materialen in de buurtschappen beperkt en daarmee de kans op brandoverslag, waardoor mogelijke branden beheersbaar blijven. Voor recreatiewoningen gelden vergelijkbare eisen als voor burgerwoningen: Afdeling 2.2 van het bouwbesluit beschrijft de sterkte bij brand. Voor woningen is artikelen 2.14 lid 2 van toepassing, voor logiesfuncties de leden 4 en 5. Omdat deze artikelen over hoogten boven 7 respectievelijk 5 m gaan, is dit niet relevant voor het plangebied. Alle woningen zijn hier maximaal 5 m.
Ook de relevante voorschriften uit de afdelingen 2.8 (beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie), afdeling 2.9 (Beperking van het ontwikkelen van brand en rook) en afdeling 2.10 (Beperking van uitbreiding van brand) zijn gelijk of gelijkwaardig voor woonfuncties en logiesfuncties.
o
Gifwolk In geval van een gifwolk dient men naar binnen te vluchten, ramen en deuren te sluiten en automatische ventilatie uit te schakelen. De bestaande recreatiewoningen dienen voor ventilatie aan dezelfde eisen uit het Bouwbesluit te voldoen als burgerwoningen. Daarmee is het veiligheidsniveau ten aanzien van gifwolken gelijkwaardig voor het plan ten opzichte van de huidige situatie.
4. Afweging maatregel De recreatiewoningen dienen volgens het Bouwbesluit aan dezelfde eisen te voldoen als burgerwoningen voor sterkte van de bouwconstructie, voorkomen van brandgevaar, brandoverslag en (het kunnen afsluiten van) ventilatie. Daarom worden vanuit externe veiligheid aan de woningen geen nieuwe eisen opgelegd. De terreinen dienen zoveel mogelijk vrij te worden gemaakt van materiaal dat brandoverslag kan veroorzaken, zodat uitbreiding van brand wordt voorkomen en een eventuele ontruiming zo veilig mogelijk kan verlopen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
75
4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek Het onderhavige plan voorziet niet in ongewenste werkzaamheden voor planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen of waterleidingen. Verder is op advies van de brandweer op De Bilderhof enkele jaren geleden een blusleiding aangelegd. Op enige afstand is een bovengrondse hoogspanningslijn (150 kV) gelegen. De sterkte van het magnetische veld in de buurt van een hoogspanningslijn hangt af van de stroom door de draden, de afstand tot de draden en de fasevolgorde van de draden. De magnetische veldsterkte wordt uitgedrukt in tesla of microtesla (één miljoenste deel van een tesla). Het voormalige ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft geadviseerd om in situaties waarin kinderen langdurig worden blootgesteld aan een veldsterkte die (jaargemiddeld) hoger is dan 0,4 microtesla te voorkomen. Op basis hiervan is door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) indicatieve magneetveldzones bij bovengrondse hoogspanningslijnen opgenomen in de Netkaart.
De indicatieve magneetveldzone geeft de zone weer waar het jaargemiddelde magnetische veld hoger dan 0,4 microtesla is of in de toekomst kan worden. Voor de bovengrondse hoogspanningslijn nabij het plangebied geldt een indicatieve magneetveldzone van 70 meter aan weerszijde van de hoogspanningslijn, gerekend over de grond vanuit het hart van de hoogspanningslijn. Het plangebied is gelegen op een minimale afstand van 218 meter vanuit het hart van de hoogspanningslijn, waarmee gesteld kan worden dat het plangebied ruim buiten de indicatieve magneetveldzone van de hoogspanningslijn is gelegen.
Afbeelding 30: Uitsnede Netkaart
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat. 76
4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen (Natura2000-gebieden). Hierom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten waar stikstof bij vrij komt. Voorheen was toestemming hiervoor gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof (PAS), waarbij de drempelwaarde van 0,05 mol per hectare per jaar werd gehanteerd om effecten van ontwikkelingen te toetsen. De Raad van State heeft op 29 mei 2019 beoordeeld dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt.
Op basis van het PAS werd namelijk vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Een dergelijke toestemming ‘vooraf’ mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunningplichtig en dient aangetoond te worden dat een ontwikkeling niet voorziet in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Onderzoek Het plan voorziet niet in werkzaamheden die in het kader van ecologie bedreigend kunnen zijn voor verblijfplaatsen van beschermde plant- en diersoorten. Het onderhavige plan leidt verder niet tot een toename in de stikstofdepositie op beschermde gebieden. Het plangebied is daarnaast niet gelegen in een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natuurnetwerk Nederland, Natura2000-gebieden, belangrijk Weidevogelgebied of Strategische reservering natuur. Tenslotte voorziet het plan niet in werkzaamheden en/of gebruik die kunnen leiden tot extra stikstofdepositie op beschermde natuurgebieden. Het onderhavige plan voorziet wel in werkzaamheden die de ecologische waarden op beide locaties versterkt. Vanwege het groene en lommerrijke karakter van De Giessenburg is de locatie landschappelijk en ecologisch gezien al uniek in de omgeving.
Met het treffen van een aantal eenvoudige maatregelen wordt de ecologische waarde van het park nog verder verhoogd. De VvE is voornemens om aan te haken bij ‘Prachtlint’, een lokaal initiatief waar particulieren en bedrijven zich kunnen aanmelden om zo bij te kunnen dragen aan het realiseren en beheren van natuur in de eigen leefomgeving. Door het aanplanten van waardplanten worden diverse soorten insecten aangetrokken en middels het aanbrengen van kleine aanpassingen in vegetatie en bebouwing wordt bijgedragen aan het stimuleren van de (bedreigde) vogelpopulatie aangetrokken. De egel- en vleermuisbestand wordt bevorderd door het aanbrengen van beplanting, het inperken van bestrijdingsmiddelengebruik en door het creëren van schuilplaatsen. 77
De Bilderhof kenmerkt zich tevens als een groen park. De vele bomen op het gehele park en de gevarieerde begroeiing langs de paden is al uniek, maar met een aantal eenvoudige maatregelen kan de ecologische waarde van het park nog verder verhoogd worden. Het groene karakter wordt verder versterkt door onder andere het aanplanten van afschermend groen rond de nieuw te creëren parkeerplaatsen en het plaatsen van bomen in de bestaande haag bij de entree voor het verbeteren van de uitstraling bij de entree. Teneinde de ecologische waarden op het park te verbeteren wordt geïnvesteerd in maatregelen om het aantal soorten insecten, de diversiteit in de vogelpopulatie en het egel- en vleermuisbestand te bevorderen door het aanplanten van waardplanten, kleine aanpassingen in de vegetatie, het plaatsen van een ooievaarsbroedplaats en het creëren van schuilplaatsen. Stikstofdepositie Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 2 kilometer tot een stikstofgevoelige habitat binnen een Natura 2000-gebied. Het betreffen habitats binnen het Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’.
Afbeelding 31: Afstand plangebied tot stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000
Het plan voorziet slechts in een functiewijziging. De emissies vanwege de woningen en het af- en aanrijdend verkeer blijft ongewijzigd. Indien een inwoner een omgevingsvergunning zal aanvragen voor de herbouw van een woning, dan zal voldaan moeten worden aan de BENG-normen, waardoor de woning tijdens de gebruiksfase minder stikstof zal uitstoten. Wel zal de emissie tijdens de bouwfase inzichtelijk gemaakt moeten worden. Dit zal per vergunningsaanvraag beoordeeld worden. 78
Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft ecologie geen belemmeringen en voorziet in het versterken van de ecologische waarden. Het plan voorziet niet in stikstofdepositie op Natura2000-gebieden. Bij een omgevingsvergunningaanvraag voor de herbouw van een woning zal de stikstofemissies vanwege de bouw- en gebruiksfase inzichtelijk gemaakt worden.
79
4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Binnen het plangebied kan worden aangenomen dat er geen bodemverontreinigende activiteiten hebben plaatsgevonden en derhalve een bodemonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Een verkennend bodemonderzoek zal wel als voorwaarde worden opgenomen bij een omgevingsvergunningaanvraag voor (vervangende) nieuwbouw. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen. Een verkennend bodemonderzoek zal wel als voorwaarde worden opgenomen bij een omgevingsvergunningaanvraag voor (vervangende) nieuwbouw.
80
4.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Molenlanden is te zien dat het plangebied is gelegen op: • Terrein met een bepaalde archeologische waarde (overige AMK-terreinen). Streven naar behoud in situ. Indien dat niet mogelijk is dient archeologisch onderzoek plaats te vinden. Ingrepen met een oppervlakte kleiner dan 30 m² of tot 30 cm beneden maaiveld zijn vrijgesteld van onderzoek; • Gronden met een zeer hoge verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd (paars).
Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 30 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Gronden met een hoge verwachting aan of nabij het oppervlak (bruin). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
81
Recreatiepark ‘De Giessenburg’
Recreatiepark ‘De Bilderhof’
Afbeelding 32: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidskaart
Indien op ‘De Giessenburg’ graafwerkzaamheden plaatsvinden dieper dan 30 cm of groter dan 30 m² is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Voor ‘De Bilderhof’ geldt de verplichting tot een archeologisch onderzoek voor graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm of groter dan 250 m². De archeologische dubbelbestemmingen worden uit het moederplan overgenomen. Verder is op De Giessenburg een historisch archeologisch moment gelegen, te weten de restanten/fundering van de Giessenburcht. Middels de functionele wijziging van de recreatieparken naar een buurtschappen zullen er geen wijzigingen aangebracht worden ten aanzien van dit archeologisch monument. Het monument is middels de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – kasteelbiotoop’ juridischplanologisch beschermd. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft archeologie geen belemmeringen. Ter bescherming van de archeologische en cultuurhistorische waarden wordt de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie – 1 en 4’ overgenomen uit het moederplan. De aanduiding ‘karakteristiek’ wordt gewijzigd naar ‘specifieke bouwaanduiding – kasteelbiotoop’, zodat duidelijker wordt om welke waarde/karakteristiek het gaat.
Bij een omgevingsvergunning welke voorziet in graafwerkzaamheden dieper en/of groter dan in de regels opgenomen diepte en/of oppervlakte, dient een archeologisch onderzoek onderdeel uit te maken van de omgevingsvergunningaanvraag.
82
4.11 Verkeer Normaliter wordt de parkeerregeling uit het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’ overgenomen bij bestemmingsplanherzieningen. Op deze manier moet bij een omgevingsvergunningaanvraag getoetst te worden aan de Nota Parkeernormen Molenlanden. Voor deze casus is dat echter niet de juiste manier, omdat op deze manier niet een juiste uitvoering kan worden gegeven aan de Toekomstvisie ‘De Giessenburg en De Bilderhof’. In deze Toekomstvisie is namelijk opgenomen dat de gemeente, vanwege het relatief hoge autobezit in de gemeente, uitgaat van een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per vrijstaande woning bij de inrichting van nieuwe woongebieden. Op de buurtschappen wordt deze norm niet gehaald. Echter is er in de huidige situatie geen parkeerproblematiek. Er is voor de gemeente geen reden om de parkeernorm dwingend op te leggen. Daarnaast is in de parkeerregeling opgenomen dat de parkeerbehoefte op het eigen terrein gerealiseerd moet worden. Dit is bij dit plan niet mogelijk, omdat op de woonpercelen vaak niet genoeg ruimte is voor het parkeren op eigen en het parkeren op een gezamenlijk terrein binnen de parken wordt opgelost. Tevens zijn sommige percelen niet bereikbaar voor personenauto’s, omdat enkele percelen worden ontsloten door een loopbruggetje of wandelpad. Ook vanuit dit oogpunt is toetsing aan de parkeerregeling niet wenselijk.
De parkeerregeling biedt wel een regel om van de regeling af te wijken. Echter zou dat zorgen voor een onevenredige druk bij de aanvragers, omdat zij in dat geval bij iedere aanvraag een parkeeronderzoek moeten aanleveren waarbij het hele park beschouwd moet worden. Tevens komt men dan niet uit met de parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per woning, welke is opgenomen in de Nota Parkeernormen Molenlanden. In die zin is het plan dan slecht uitvoerbaar in de praktijk. Zodoende is de parkeerregeling niet overgenomen in de regels van dit plan. Dat betekent overigens niet dat er vanuit de gemeente helemaal geen regie meer heeft op het parkeeraspect. In de anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemers is opgenomen dat de gemeente parkeeroverlast kan constateren en de initiatiefnemer kan aanwijzen daar iets aan te doen. Dat weerhoudt de buurtschappen echter niet om te investeren in het parkeren en bereikbaarheid. De Giessenburg Het verblijfscomfort op De Giessenburg zal verbeterd worden door verkeerstechnisch de toegang te herinrichten en 8 tot 12 extra parkeerplaatsen achter de entree te realiseren. Verder gaat de VvE van De Giessenburg onderzoek doen naar de mogelijkheid om ontwikkelingen op het gebied van mobiliteit toe te passen (bijvoorbeeld autodelen, green wheels, etc.).
De Bilderhof Ten behoeve van het verbeteren van de toegankelijkheid op De Bilderhof worden bestaande bruggen verbreed. Ook worden 11 extra parkeerplaatsen gerealiseerd en wordt onderzocht of het realiseren van garageboxen tot de mogelijkheid behoort 83
(de garageboxen zijn inmiddels gerealiseerd). Tevens wordt de parkeerruimte voor bezoekers aan de weg opnieuw ingericht en bestraat. Het is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van de VvE’s van beide locaties om toe te zien op voldoende parkeerruimte, zodat geen parkeeroverlast op de Neerpolderseweg ontstaat. In een anterieure overeenkomst tussen de VvE’s en de gemeente Molenlanden is deze afspraak vastgelegd. Dit betekent dat de gemeente nog steeds regie kan voeren op het parkeeraspect.
84
4.12 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De Vereniging van Eigenaren van beide locaties delen deze ambitie en zijn voornemens om de buurtschappen te verduurzamen. De VvE’s (en daarmee ook de inwoners van de parken) streven naar zo groen en duurzaam mogelijke buurtschappen. In de statuten van de parken worden bepalingen opgenomen over een maximaal te verharden (niet waterdoorlatend) oppervlak en/of percentage van de percelen, zodat bij (hevige) regenbuien het water gemakkelijker kan infiltreren in de bodem en de parken de groene uitstraling behouden dan wel versterken. Verder worden investeringen gedaan in het opwekken van groene energie in de vorm van het plaatsen van zonnepanelen en wordt onderzoek gedaan naar het toepassen van zonnecollectoren en andere duurzame toepassingen in het openbaar gebied. Verder worden bestaande verlichting vervangen door energiezuinigere openbare verlichting op beide locaties. Tenslotte is het wijzigen van de huidige recreatiewoningen zonder toekomstperspectief naar woningen op een locatie die passend en geschikt is voor wonen een vorm van duurzaamheid.
Er wordt namelijk een toekomstbestendige oplossing geboden voor een potentieel probleem en worden woningen in een aantrekkelijk woonmilieu toegevoegd aan de bestaande woningvoorraad binnen de gemeente zonder de fysieke toevoeging van bebouwing. Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. Wateroverlast door overvloedige neerslag Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien op te kunnen vangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem. Het plan voorziet niet in ingrepen aan de watergangen. Een groot deel van het plangebied blijft groen waarmee hemelwater in de bodem kan infiltreren. Hiermee is voldoende waterberging aanwezig om zware regenbuiten te kunnen opvangen.
Daarnaast kan het water afstromen op de Giessen. Om in te spelen op de verwachting dat in de toekomst extremere weersomstandigheden zullen zijn worden eigenaren door de VvE’s van beide locaties gestimuleerd om hemelwater niet op het riool af te laten wateren, maar het 85
hemelwater zoveel mogelijk op te vangen en te gebruiken, het hemelwater te laten infiltreren in de bodem of het overtollig hemelwater af te laten voeren naar watergangen. Overstroming Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. Het plan voorziet niet in de fysieke toevoeging van wooneenheden en de aanwezige waterkeringen worden juridisch-planologisch beschermd door het opnemen van de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ en de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’. Hitte Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van ruimtelijke plannen rekening gehouden met de accumulatie van warmte. De VvE van De Giessenburg heeft €30.000 begroot voor de verdere vergroening van de locatie. Dit zal zich onder andere vertalen in het aanplanten van planten en bomen en het verder vergroenen van de locatie. Ook de VvE van De Bilderhof gaat investeren in het versterken van het huidige groene karakter. Dit wordt gerealiseerd door onder andere het aanplanten van afschermend groen en bomen. Hierdoor wordt bijgedragen aan schaduwwerking en wordt hittestress tegengegaan. Droogte Omdat het steeds droger wordt, zal de bodem sneller verdroogt raken. De eigenaren worden door de VvE’s gestimuleerd om het hemelwater zoveel mogelijk op te vangen en te gebruiken.
Indien houtstructuren of planten door droogte een gebrek aan water hebben, kan het opgevangen hemelwater gebruikt worden om de bodem te hydrateren. De beplanting kan daardoor blijven voorzien in het afbreken van CO2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier.
86
5
Juridische planbeschrijving
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Buurtschappen Giessenburg’ bestaat uit twee delen: de verbeelding en de regels. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Buurtschappen Giessenburg’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Buurtschappen Giessenburg’ is aangesloten bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’, ‘Parapluherziening Parkeren’ en ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’. De bouwregels zijn aangepast zodat het kleinschalige karakter qua aard en omvang van de locaties behouden blijven. De regels bestaan uit 4 hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
5.3 Bestemmingen Tuin De tuinbestemming zal op een deel van de naastgelegen paardenhouderij gelegd worden. Dit deel mag niet gebruikt worden voor bedrijfsdoeleinden. Water Voor de A-watergang in het recreatiepark ‘De Bilderhof’ wordt de waterbestemming overgenomen. Woongebied Teneinde de functionele wijziging van de recreatieparken naar buurtschappen te realiseren wordt de recreatieve bestemming omgezet in de bestemming ‘Woongebied’. Hierin worden regels opgenomen die aansluiten bij de Toekomstvisie De Giessenburg en De Bilderhof. 87
Waarde – Archeologie – 1 en 4 De dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie – 1 en 4' hebben als doel de archeologische waarden in de bodem te beschermen en veilig te stellen. Waterstaat – Waterbergingsgebied De gronden welke mede bestemd zijn voor de waterberging worden voorzien van de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterbergingsgebied’. Waterstaat – Waterkering Ten behoeve van de bescherming van de waterkering wordt de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ gelegd.
5.4 Aanduidingen • • • • • • • • •
Bouwvlak; Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – kasteelbiotoop’; Functieaanduiding ‘garageboxen’; Gebiedsaanduiding ‘overige zone – ondergronds railverkeer’; Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 8’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 9’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 34’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 45’.
88