CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijl. 1a Toelichting

Raadsvergadering 21 maart 2023, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Wijngaarden, t.o. Oosteinde 4515.193 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

34

4

Milieuaspecten

Het bestemmingsplan omvat de percelen tegenover Oosteinde 45 te Wijngaarden en Botersloot 50 te Noordeloos. Op het perceel Botersloot 50 vinden geen fysieke werkzaamheden plaatst (uitsluitend een juridische wijziging). Het bouwvlak wordt verwijderd en de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ wordt toegevoegd op de kernzone van de regionale waterkering. Voor de verantwoording van de milieuaspecten is de locatie Botersloot 50, gezien het plan op deze locatie met name conserverend van karakter is, niet relevant. Het perceel Botersloot 50 is derhalve in dit hoofdstuk verder buiten beschouwing gelaten.

4.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffect- beoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Het plan voorziet in de verplaatsing van een bouwrecht van het buitengebied van Noordeloos naar de bebouwde kom van Wijngaarden, waarna een vrijstaande levensloopbestendige woning wordt gebouwd aan de locatie tegenover Oosteinde 45 in Wijngaarden. De activiteit, het realiseren van woningen, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D11.2 van het Besluit m.e.r. Het plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling bestaande uit 1 woning (maar voorziet per saldo niet in toevoeging van een wooneenheid binnen de gemeentegrenzen). Gezien de kleinschaligheid is er geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.beoordeling.

Bij dit aantal woningen, onder de grenswaarde van 2.000 woningen waarvoor een direct m.e.r-plicht geldt, geldt wel de vergewisplicht. Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Kenmerken van het plan Het plan maakt het mogelijk om een levensloopbestendige woning in Wijngaarden te bouwen. Behoudens de standaard toegestane aan-huis-gebonden beroepen en bedrijven zullen er geen andere bedrijfsactiviteiten plaatsvinden.

35

Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van Wijngaarden. Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura 2000, het Natuurnetwerk Nederland of Belangrijk weidevogelgebied. Deze gebieden zijn gelegen op een afstand van respectievelijk circa 3,3 km, 1,1 km en 1,9 km. Gezien de kleinschaligheid van het plan en de afstand tot de gebieden, zijn significante negatieve effecten op deze gebieden niet te verwachten. Conclusie Een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is niet verplicht en kan derhalve achterwege gelaten worden.

36

4.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat het waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheer zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van het waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: 1. Beschermen tegen overstromingen; 2. Water eerlijk verdelen; 3. Voorbereiden op extreem weer; 4. Schoon water; 5. Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; 6. Zwemwater; 7. Toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; 8. Toewerken naar circulariteit. Verordening ‘de Keur’ Het waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging.

In de Keur is geregeld dat langs A- en Bwatergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Peilgebied Het deelgebied is gelegen binnen het peilgebied NDW020. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -2,06 meter NAP en een winterpeil van –2,16 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.

37

Bouwlocatie

Afbeelding 17: Uitsnede peilgebiedenkaart

Watergangen Voor een A- en een B-watergang gelden in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een beschermingszone van 5 en 1 meter. Werkzaamheden binnen deze beschermingszones zijn vergunnings- en/of meldingsplichtig.

B-watergang 121611

C-watergang 072615

B-watergang 121610

B-watergang 072655

Afbeelding 18: Uitsnede legger wateren

38

In de directe omgeving van het plangebied zijn B- en C-watergangen gelegen. De nieuwe woning valt buiten de beschermingszone van de watergangen. Indien blijkt dat er toch werkzaamheden gaan plaatsvinden in de beschermingszone, dan dient – afhankelijk van de werkzaamheden – een melding gedaan te worden of een watervergunning bij het waterschap aangevraagd te worden. De initiatiefnemers van het plan hebben de wens om achter hun woning een waterplas te graven. Dit zal in een later stadium nader worden uitgewerkt. Voor het graven van de waterplas is toestemming nodig van het waterschap Rivierenland. Wanneer wordt voldaan aan de criteria en voorwaarden van algemene regel WT 9, kan er worden volstaan met een melding. Indien dit niet het geval is, zal er een watervergunning moeten worden aangevraagd. Waterkering De locatie t.o. Oosteinde 45 in Wijngaarden is niet gelegen nabij een waterkering. De locatie Botersloot 50 is gelegen aan een regionale waterkering. De kernzone wordt bestemd met de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ en de beschermingszone met de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’. Hiermee is de regionale waterkering juridisch-planologisch beschermd tegen voor de waterkering onwenselijke ontwikkelingen. Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding.

De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren. In het landelijk en stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m² respectievelijk 500 m². Indien de toename aan verhard oppervlak groter is dan de vrijstelling, mag het vrijgestelde oppervlak in mindering worden gebracht. De afdeling Vergunningen van het waterschap Rivierenland zal uiteindelijk bepalen of gebruik kan worden gemaakt van deze vrijstelling. Op het perceel Botersloot 50 vinden geen fysieke werkzaamheden plaats (uitsluitend een juridische wijziging).

Het waterschap Rivierenland hanteert als leidraad bij vrijstaande woningen in landelijk gebied dat ongeveer 70% van de kavel verhard word. Deze richtlijn past het waterschap toe voor kavels tot 750 m². Bij grotere kavels wordt maatwerk toegepast.

39

Het perceel tegenover Oosteinde 45 te Wijngaarden is 1.100 m² groot. Om te toekomstige verharding te berekenen, is uitgegaan van een verhardingspercentage van 70% voor de ‘eerste’ 750 m² en voor het overige deel van het perceel (350 m²) wordt uitgegaan van een verhardingspercentage van 25%. Daarmee is sprake van een verhardingstoename van 612,5 m². Binnen het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 500 m². Indien de initiatiefnemer deze vrijstelling inzet, is er nog sprake van een toename van 112,5 m² aan verharding. In dat geval zal (112,5 × 0,0436 =) 5,0 m³ aan water gerealiseerd moeten worden. Uitgaande van een peil van 0,2 meter, betekent dit een oppervlakte van 25,0 m² aan watercompensatie. Uiteindelijk beslist de afdeling vergunningen van het waterschap of gebruik kan worden gemaakt van de eenmalige particuliere vrijstelling. Indien geen gebruik kan worden gemaakt van de vrijstelling of de initiatiefnemer wenst geen gebruik te maken van de vrijstelling, dan dient (612,5 × 0,0436 =) 26,8 m³ aan water gerealiseerd moeten worden. Uitgaande van een peil van 0,2 meter, betekent dit een oppervlakte van 134,0 m² aan watercompensatie. Op het achtererf van de nieuwe woning is voldoende ruimte voor het realiseren van het water. In dat geval wordt een waterplas gegraven dat in verbinding staat met het omliggende watersysteem.

Omdat de waterplas dient als watercompensatie, zal de waterplas een B-status krijgen. De waterplas dient daarmee te voldoen aan de minimale afmetingen voor B-watergangen zoals in de Keur is aangegeven. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen.

Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven.

40

Hemelwaterafvoer De initiatiefnemer is geïnformeerd over de nut en noodzaak van een regenton. Zodoende kan het hemelwater opgevangen, vastgehouden en gebruikt worden. Het hemelwater zal in ieder geval zoveel als mogelijk worden geïnfiltreerd in de bodem. In de directe omgeving van het plangebied is daarnaast voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Afvalwaterafvoer Vuil water wordt afgevoerd via de aanwezige vrijvervalriolering. In overleg met rioolbeheerder kan de woning aangesloten worden op dit riool. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het waterschap. Wegbeheer De locatie Botersloot 50 wordt ontsloten middels een in- en uitrit op de Botersloot. Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. Voor de nieuwe woning aan het Oosteinde te Wijngaarden wordt een verharde inrit gerealiseerd. De locatie is gelegen binnen de verkeerskundige bebouwde kom van Wijngaarden. De gemeente Molenlanden is ter plaatse de wegbeheerder. De wegen rondom Wijngaarden (Westeinde, Oosteinde, Wijngaardsesteeg en Tolsteeg) zijn opgenomen als 15T-wegen. Dat wil zeggen dat deze wegen gesloten zijn voor verkeer zwaarder dan 15 ton.

Indien het voor de werkzaamheden noodzakelijk is om verkeer zwaarder dan 15 ton over deze wegen te laten plaatsvinden, dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenlanden. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Voor het plan dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap.

41

4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen.

Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Het plangebied ligt binnen de invloedsfeer van enkele wegen. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, waardoor deze bronnen buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Onderzoek Door Voortman Ingenieurs een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage bij deze toelichting.

Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat: • De berekende geluidbelasting op de woning ten gevolge van het Oosteinde ten hoogste 29 dB, inclusief aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt en niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer; • De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen (incl. 30 km/h wegen) ten hoogste 41 dB, inclusief aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt;

42

•

Er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat omdat de woning alzijdig over geluidluwe gevels én een geluidluwe buitenruimte beschikt waarmee aan het gemeentelijk beleid wordt voldaan.

Aan te vragen hogere grenswaarden wegverkeerslawaai Voor de onderzochte woning hoeft geen hogere waarden te worden vastgesteld. Geluidwering van de gevel Algemeen geldt dat voor verblijfsruimten met een geluidbelasting tot 53 dB, excl. aftrek art. 110g Wgh zonder aanvullende geluidwerende voorzieningen en bij toepassing van gebruikelijke bouwconstructies/materialen (spouwmuren, standaard dubbel glas, enkele kierdichting, ventilatieroosters etc.) een minimale geluidwering van 20 dB wordt bereikt. Een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevel is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.

43

4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 1: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 µg/m3

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3

Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2021 het volgende overzicht voor het jaar 2020 (rekenpunt 16002474): • Een stikstofconcentratie van 16,7 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 16,0 µg PM10/m3 met niet meer dan 6 overschrijdingsdagen per jaar; • Een fijnstofconcentratie van 8,7 µg PM2,5/m3. 44

Op basis van bovenstaande kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan alle grenswaarden wordt voldaan. Gesteld kan worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Tevens wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

45

4.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.

Tabel 2: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) Milieucategorie Rustige woonwijk en Gemengd gebied rustig buitengebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Het plan betreft de realisatie van een burgerwoning in Wijngaarden. Hiermee is sprake van het toevoegen van een milieugevoelig object. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is gekeken naar de eventuele belemmeringen in de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven en instellingen als gevolg van het plan. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Omgevingstype Ter plaatse van het plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. In de omgeving van de locatie in Wijngaarden komen agrarische bedrijfslocaties direct naast woonpercelen voor. Ook bedrijfsbestemmingen, maatschappelijke bestemmingen en cultuurbestemmingen komen direct naast woonbestemmingen voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Naast woningen zijn andere functies als agrarische en kleinschalige bedrijvigheid aanwezig. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden worden gerechtvaardigd.

46

De richtafstanden uit de VNG Handreiking dienen normaliter gemeten te worden vanaf de grens van de bestemming die een milieubelastende functie toelaat tot de uiterste situering van de gevel van de woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De VNG-afstanden betreffen echter richtafstanden. Deze generieke afstanden zijn niet op elke situatie toepasbaar. Er kunnen bijzondere omstandigheden zijn waarom in het specifieke geval de richtafstanden niet representatief zijn. Onder bepaalde omstandigheden is het gerechtvaardigd om een kleinere richtafstand aan te houden. Dit is echter alleen toegestaan indien ondanks de afwijking alsnog een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. In de regels van dit bestemmingsplan is geborgd dat de nieuwe woning uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd kan worden. Eventuele vergunningsvrije delen van het milieugevoelig object kunnen uitsluitend in het achtererf plaatsvinden. In de directe omgeving van de nieuwe woning zijn de volgende relevante bedrijven gelegen. Tabel 3: Omliggende bedrijven # Adres Functie 1

Oosteinde 47a

2 3 4 5 6 7 8

Dorpsstraat 13 Dorpsstraat 3 Oosteinde 45 Oosteinde 42 Oosteinde 43 Oosteinde ong. Oosteinde ong.

Agrarisch bouwvlak (geen agrarisch bedrijf meer)* Agrarisch bedrijf Goederenwegvervoer Agrarisch bedrijf Agrarisch bedrijf Kinderdagverblijf Begraafplaats Speeltuin

Milieucat. N.v.t.

Zwaarste richtafstand N.v.t.

Werkelijke afstand N.v.t.

3.2 3.1 3.2 3.2 2 1 2****

50 meter** 30 meter 50 meter** 50 meter** 10 meter 0 meter 10 meter

250 meter 117 meter 50,4 meter*** 68 meter 42 meter 120 meter 165 meter

* Ter plaatse van de locatie Oosteinde 47a wordt geen bedrijfsmatig agrarisch gebruik gepleegd. Door de geringe oppervlakte van het bouwvlak en het perceel is het uitoefenen van een agrarisch bedrijf op deze locatie niet meer mogelijk. ** De gemeenteraad van de gemeente Molenlanden heeft de ‘Geurverordening Gemeente Molenlanden 2020’ vastgesteld. In artikel 4 lid 2 van deze Verordening is vastgelegd dat, in afwijking van de Wet geurhinder en veehouderij, de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object mag worden verlaagd naar 50 meter. *** Voor een agrarisch bedrijf is ‘geur’ de bepalende factor. Wat betreft de geuruitstraling van een agrarisch veeteeltbedrijf zijn de stal, gierkelder, mestsilo’s, kuilplaten en gelijksoortige voorzieningen de maatgevende geurfactoren. Deze activiteiten dienen conform het vigerende bestemmingsplan binnen het bouwvlak plaats te vinden. In het voorste deel van het bouwvlak op het perceel Oosteinde 45 is de boerderij/bedrijfswoning gesitueerd. Rondom de boerderij is het erf ingericht als tuin. De afstand van de nieuwe woning tot de dichtstbijzijnde geurfactor, de melkveestal, bedraagt 50,4 meter (zie afbeelding 20). Het voorerf van het perceel 47

heeft de bestemming ‘Agrarisch’, maar is en zal in de toekomst niet als zodanig worden gebruikt (mede vanwege het ontbreken van een bouwvlak). Derhalve is het in dit geval aanvaardbaar om te meten van de voorgevel van de nieuwe woning tot de melkveestal. Gezien de afstand tussen de voorgevel van de nieuwe woning en de melkveestal > 50 meter bedraagt, kan worden gesteld dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en het agrarisch bedrijf niet in de activiteiten wordt beperkt als gevolg van dit bouwplan. **** Een speeltuin is niet opgenomen in de VNG Handreiking. Omdat het voorstelbaar is dat er ook enige mate van hinder kan ontstaan als gevolg van spelende kinderen, is aangesloten bij de categorie ‘kinderboerderijen’.

5

4 2

3 1

6

7

8

Afbeelding 19: Afstanden omliggende bedrijven t.o.v. plangebied

48

Afbeelding 20: Nieuwe woning t.o.v. agrarisch bedrijf Oosteinde 45a Wijngaarden

Op basis van bovenstaand kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en omliggende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.

49

4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien men zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR 10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten bevinden (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.

Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Onderzoek Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvinden en/of inrichtingen waar werkzaamheden met gevaarlijke stoffen plaatsvinden die een bedreiging kunnen vormen voor het plan.

50

Plangebied

Afbeelding 21: Uitsnede Risicokaart

Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen welke in het kader van de externe veiligheid relevant zijn. Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen en/of voor de beroepsvaart relevante vaarwegen aanwezig. Tevens vindt er in de directe omgeving van het plangebied geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

51

4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Voorafgaand de werkzaamheden zal een Klic-melding worden gedaan.

52

4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Soortenbescherming Het plan voorziet in het realiseren van een woning, de aanplant van groen en realisatie van water. Hiermee is sprake van werkzaamheden die in het kader van ecologie bedreigend kunnen zijn voor verblijfplaatsen van beschermde plant- en diersoorten. Om de gevolgen hiervan in kaart te brengen is door Blom Ecologie een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. De quickscan is toegevoegd als bijlage bij deze toelichting. De conclusies van het onderzoek luiden: De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt.

Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie De realisatie van een woning en de aanleg van een waterberging aan de Oosteinde ong. te Wijngaarden is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, kolonisatie door rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van 53

algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes).

Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. Zie voor meer instructies bijlage 2. • De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.

Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect ecologie en stikstofdepositie geen belemmeringen.

54

4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het nieuwe beoogde woongebruik is door Linge Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage bij deze toelichting. De conclusie van het onderzoek luidt: De bodem ter plaatse bestaat uit siltige en humeuze klei, overgaand in veen tussen 0.5 en 1.5 m-mv. In enkele boringen is wat puin aangetroffen, tot een diepte van maximaal 0.5 m-mv. Het bestaat uit onverdacht, steenachtig materiaal zoals baksteen. Het gehalte is als licht of sporen van gekwalificeerd. Het puin, de halfverharding aan de kant van de weg bestaat voor 100% uit bodemvreemd materiaal en is geen onderdeel van de bodem.

Deze strook wordt ook niet betrokken bij de ontwikkeling van het perceel. Er is nergens asbestverdacht materiaal waargenomen. Grond In de boven- en ondergrond van de te ontwikkelen locatie aan de Oosteinde zijn metalen en PAK licht verhoogd. De gehaltes liggen onder het wonen-criterium. De grond tot 1.0 m-mv is op basis van de stoffen uit het NEN 5740-pakket indicatief wonen-kwaliteit. Van de bestrijdingsmiddelen is er niet één meetbaar verhoogd in de humeuze grond tot 0.3 m-mv. Van de PFAS-componenten is de som PFOA verhoogd in de bovengrond. Het gehalte ligt met 33 µg ruim boven het industrie-criterium van 1.9 µg/kg ds. Dit soort gehaltes worden vaker aangetroffen in Wijngaarden en omgeving. De verontreiniging met PFOA beperkt zich niet tot het perceel zelf, maar zal in de hele omgeving aangetroffen kunnen worden. Bron van de verontreiniging met PFOA is de DuPontfabriek, Chemour BV, in Dordrecht. Grondwater Het grondwater stond eind mei op 0.8 m-mv. In het grondwater is barium als enige licht verhoogd. Dat is landelijk het geval. Asbest Asbest is zowel visueel als analytisch niet aantoonbaar in of op de bodem van het te ontwikkelen terrein.

55

Conclusie, aanbevelingen De bodemkwaliteit van het te ontwikkelen terrein aan de Oosteinde past wat de stoffen uit het NEN 5740-pakket betreft binnen de bodemkwaliteitskaart voor Wijngaarden. Het hoge PFOA-gehalte in de bovengrond heeft geen consequenties voor de nieuwbouw en vergunning daarvoor, maar wel voor de eventuele afvoer van bovengrond. Er zijn tegenwoordig wat meer mogelijkheden voor reiniging van deze grond, maar relatief kostbaar is het nog steeds. Hergebruik van bovengrond op locatie zelf is een alternatief voor afvoer. Conclusie Het bodemonderzoek is naar behoren en conform de NEN-5740 richtlijnen uitgevoerd. Het asbestonderzoek is niet conform de NEN-5707 richtlijnen uitgevoerd. De locatie is op basis van het vooronderzoek onverdacht op het aantreffen van asbest. Ter verificatie is er een indicatief onderzoek naar asbest uitgevoerd. Hierbij is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond. Op grond van de resultaten vormt de kwaliteit van de bodem geen bezwaar voor de geplande bestemmingsplanwijziging..

56

4.10 Archeologie en cultuurhistorie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. De Erfgoedwet maakt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument. Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden.

Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Molenlanden is te zien dat de locatie t.o. Oosteinde 45 is gelegen op gronden met een: • Hoge verwachting aan of nabij het oppervlak (bruin). Bij ingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 30 is archeologisch onderzoek noodzakelijk. • Middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd (roze, heel klein deel). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

57

Afbeelding 22: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Het plan op de locatie t.o. Oosteinde 45 Wijngaarden voorziet niet in bodemingrepen groter dan 250 m². Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is daardoor niet noodzakelijk. Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie geen belemmeringen. Cultuurhistorie/beschermd dorpsgezicht Het perceel Botersloot 50 ligt binnen het beschermd dorpsgezicht van Noordeloos. Beschermd dorpsgezicht is een kwalificatie van een gebouw of een groep gebouwen die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang. In het beschermde dorpsgezicht van Noordeloos staan enkele historische boerderijen uit de 17e en 18e eeuw. Wanneer deze gebouwen aangemerkt zijn als 'beschermd dorpsgezicht' mogen deze niet worden afgebroken of worden gewijzigd zonder een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders. Ook gebouwen die niet worden aangemerkt als monument kunnen hieronder vallen. Vaak bepalen een aantal gebouwen samen, of de ruimtelijke structuur en de onderlinge samenhang van de gebouwen, het historisch karakter van een dorp. Het beschermd dorpsgezicht is als zodanig aangewezen ingevolge de toepassing van artikel 35 van de Monumentenwet 1988 (thans vervangen door de Erfgoedwet), en daarmee een rijksmonument. Op de locatie Botersloot 50 te Noordeloos vinden geen fysieke ingrepen plaats.

Het plan voorziet op de locatie in Noordeloos slechts in het verwijderen van een bouwvlak (juridische wijziging). Daarmee wordt het cultuurhistorisch karakter van het beschermd dorpsgezicht niet aangetast. Ten behoeve van de instandhouding van de cultuurhistorische waarde is de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ overgenomen uit het vigerend bestemmingsplan.

58

Deelgebied

Afbeelding 23: Uitsnede kaart Beschermde Stads- en Dorpsgezichten

De locatie t.o. Oosteinde 45 te Wijngaarden maakt onderdeel uit van de cultuurhistorisch waardevolle lintbebouwing. De nieuwe woning sluit qua situering en architectuur aan bij het dorpse karakter van het lint. Het plan draagt bij aan het behoud van de cultuurhistorische karakteristieken van het lint. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk eventuele archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag. In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden de archeologische dubbelbestemmingen en de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ overgenomen uit het moederplan.

59

5

Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Wijngaarden, t.o. Oosteinde 45’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Wijngaarden, t.o. Oosteinde 45’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Wijngaarden, t.o. Oosteinde 45’ is aangesloten bij het bestemmingsplan ‘Dorpskernen’, ‘Botersloot 50 Noordeloos’, ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’ en ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’. De regels bestaan uit 4 hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

5.3 Bestemmingen Tuin Het voorerf van de nieuwe woning tegenover Oosteinde 45 Wijngaarden wordt in het verlengde van de voortuinen van de aangrenzende woonpercelen bestemd als ‘Tuin’. Binnen deze bestemming zijn tuinen bij de woning toegestaan, alsmede bijbehorende voorzieningen. Op deze gronden zijn de bouwmogelijkheden beperkt. Agrarisch Ter bescherming van het landschappelijk doorzicht over het oostelijk deel van het perceel aan het Oosteinde te Wijngaarden blijft de strook aan de oostzijde van het perceel bestemd als ‘Agrarisch’. Wonen De woonbestemming ter plaatse van het perceel Botersloot 50 blijft ongewijzigd. De regels van de bestemming ‘Wonen’ worden herschreven, omdat er een omissie in het vigerend bestemmingsplan staat. Wonen – 1 Voor het nieuwe woonperceel met woning in Wijngaarden wordt een separate woonbestemming opgenomen, omdat in het onderliggende bestemmingsplan 60

andere regels zijn opgesteld voor de bestemming ‘Wonen’ dan de locatie Botersloot 50 Noordeloos. Waarde – Archeologie 1 en 4 De dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie 1 en 4' zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in de bodem. Deze dubbelbestemmingen worden toegevoegd aan de locatie in Noordeloos. Daarmee wordt aangesloten bij het onderliggende bestemmingsplan. Waarde – Archeologie – 2 en – 4 De dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie – 2 en 4' zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in de bodem. Deze dubbelbestemmingen worden toegevoegd aan de locatie in Wijngaarden. Daarmee wordt aangesloten bij het onderliggende bestemmingsplan. Waarde – Cultuurhistorie Ter bescherming van en het behoud van de cultuurhistorische waarden ter plaatse van de locatie Botersloot 50 is de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ overgenomen. Waterstaat – Waterkering Ter bescherming van de regionale waterkering (de Botersloot) is ter plaatse van de kernzone van de regionale waterkering de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen.

5.4 Aanduidingen • • • • • • •

Bouwvlakken; Bouwaanduiding ‘bijgebouw’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – hulp-/nevenfunctie inseminatie toegestaan’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – levensloopbestendige woning’; Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’. Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 1’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum goothoogte: 4’.

61

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=ff3e9d73-1d1e-4480-aa97-66ebffc40e6a