CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijl. 1. Strategie Vitale Veenweiden Zuid-Holland

Raadsvergadering 24 januari 2023, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Strategie Vitale Veenweiden Zuid-Holland en Proces en samenwerking Gebiedsplan Vitale Veenweiden10.383 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Strategie Vitale Veenweiden Zuid-Holland Ontwerp, 22 november 2022

Dit document is de eerste uitwerking van de veenweidestrategie in Zuid-Holland en tevens de eerste aanzet tot het gebiedsplan voor de veenweiden in het kader van het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied (ZH-PLG). De Strategie Vitale Veenweiden Zuid-Holland is een initiatief van de provincie Zuid-Holland en komt tot stand in overleg met de Regiegroep Vitale Veenweiden waarin verschillende belanghebbende partijen zijn vertegenwoordigd. Dit document is het vervolg op de ‘Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0’, die is vastgesteld door het college van GS van de provincie Zuid-Holland op 7 september 2021.

Inhoudsopgave Samenvatting

3

1. Vitale Veenweiden Zuid-Holland met toekomstperspectief voor de landbouw

4

2.

Opgaven voor klimaat, natuur en water

8

3. Oplossingsrichtingen: vernatten, vernieuwen en extensiveren

16

4.

23

Gebiedsprocessen zijn al in volle gang

5. Gebiedsgericht op weg naar Vitale Veenweiden

2

28

Strategie Vitale Veenweiden Zuid-Holland

Samenvatting Het doel van deze strategie is vitale veenweiden in Zuid-Holland. Dat wil zeggen: gebieden met een gezonde natuur en leefomgeving en een toekomstbestendige landbouw. Om dat te bereiken gaan we samen - overheden en maatschappelijke organisaties - op zoek naar een nieuwe balans tussen natuur, landbouw en samenleving.

Opgaven

Daarbij moeten we oplossingen vinden voor een aantal verschillende opgaven die nauw met elkaar samenhangen. We kunnen daarbij gebruik maken van de mogelijkheden van het NPLG, het beleidsprogramma waarin het Rijk opgaven en maatregelen bundelt voor klimaat, natuur (inclusief stikstof) en water. In Hoofdstuk 2 zetten we de belangrijkste opgaven op een rij.

Oplossingsrichtingen

In Hoofdstuk 3 komen mogelijke oplossingsrichtingen aan bod. Voor de klimaatopgave lijkt een hoger grondwaterpeil het meest effectief en bewezen. Voor de beperking van de emissies van met name stikstof zijn technische maatregelen en innovatieve oplossingen beschikbaar, maar in veel gevallen zal ook een minder intensief landgebruik nodig zijn. Het uitgangspunt is: de maatregelen zijn geen doel op zich, maar middelen die we kunnen gebruiken om ons doel te bereiken.

Gebiedsprocessen

We volgen een gebiedsgerichte aanpak. In gebiedsprocessen werken overheden en belanghebbende partijen samen, ze vertalen de opgaven en doelen in deelgebiedsplannen, waarin ze keuzes maken die aansluiten bij de kenmerken en mogelijkheden in hun omgeving. In Hoofdstuk 4 laten we zien dat in drie prioritaire gebieden - Alblasserwaard, Krimpenerwaard en Nieuwkoopse Plassen - (lokale) overheden samen met belanghebbenden al bezig zijn met de uitwerking. Ook op andere plekken worden gebiedsprocessen voorbereid.

Op weg naar vitale veenweiden met toekomstperspectief

In de gebiedsprocessen ontwikkelen partijen hun eigen gezamenlijke visie op een toekomstbestendige ontwikkeling. De NPLG-opgaven zijn daarbij kaderstellend. Omdat er nog onduidelijkheden bestaan rond deze opgaven en omdat er nog veel onderzoek nodig is voor de oplossingen, volgen we een adaptieve benadering. We bepalen in eerste instantie de hoofdlijnen. Naarmate er meer kennis en ervaring beschikbaar komt, kunnen we de plannen verder verfijnen. Tegelijkertijd zijn er mogelijkheden voor maatregelen die op korte termijn kunnen worden uitgevoerd. Dat is nodig, want voor een aantal opgaven geldt: de tijd dringt. De deelgebiedsplannen vormen de bouwstenen voor het gebiedsplan Vitale Veenweiden. Dit vormt samen met de gebiedsplannen uit de andere twee kerngebieden de basis voor het provinciale gebiedsprogramma ZH-PLG. Daarmee kunnen we vanaf 2023 samen concreet aan de slag, met ondersteuning van het Rijk.

Terug naar inhoud

3

1. Vitale Veenweiden Zuid-Holland met toekomstperspectief voor de landbouw Ons doel is vitale veenweiden in Zuid-Holland: dat wil zeggen gebieden met een gezonde natuur en leefomgeving en een toekomstbestendige landbouw. Het NPLG kan ons daarbij helpen. De veenweiden van Zuid-Holland vormen een iconisch cultuurlandschap, verspreid over verschillende deelgebieden die elk hun eigen karakter hebben. Deze beslaan een groot deel van de provincie.

Van turf tot melkvee

Ons veenweidegebied is onderdeel van een groot veengebied dat zich ook uitstrekt in de provincies Utrecht en Noord-Holland. De veenbodems zijn gevormd door natuurlijke processen in de rivierdelta. In de middeleeuwen waren hier nog dikke veenpakketten aanwezig. Deze werden in cultuur gebracht voor de teelt van gewassen en voor turfwinning. Door dit landgebruik is de bodem sterk gedaald en werd de grond te nat voor akkerbouw. Melkveehouderij met grasland ontwikkelde zich tot het dominante landgebruik.

4

Terug naar inhoud

Strategie Vitale Veenweiden Zuid-Holland

Grote veranderingen

Door de eeuwen heen hebben landgebruikers en waterbeheerders dit landschap vorm gegeven en zich daarbij steeds aangepast aan wijzigende omstandigheden en inzichten. Het gebied staat ook nu weer voor ingrijpende veranderingen. Enerzijds hebben we te maken met typische veenweideproblematiek, zoals bodemdaling en de daarmee samenhangende CO2-uitstoot. Anderzijds zijn er grote vraagstukken die overal spelen in het landelijk gebied. Zo staan natuur, biodiversiteit en waterkwaliteit onder druk, ondervinden we de gevolgen van het veranderende klimaat en willen we verdere klimaatverandering tegengaan.

Doel: vitale veenweiden Zuid-holland

Ons doel is vitale veenweiden in Zuid-Holland: dat wil zeggen gebieden met een gezonde natuur en leefomgeving en een vitale, toekomstbestendige landbouw. Om dat te bereiken gaan we samen - overheden en maatschappelijke organisaties - op zoek naar een nieuwe balans tussen natuur, landbouw en samenleving. We willen daarbij een duurzame toekomst voor de agrarische sector in het gebied, want boerenbedrijven zijn van groot belang als voedselproducenten, beheerders van het landschap en dragers van de leefbaarheid van het platteland. Die toekomst vraagt om aanpassingen. In deze strategie gaan we uit van het besef dat intensieve agrarische productie niet overal volhoudbaar is doordat de grenzen van het bodem- en watersysteem zijn bereikt. Dat betekent: als er niets verandert, komt de leefbaarheid en verdiencapaciteit van het gebied (verder) onder druk te staan. We zoeken dus toekomstperspectief voor agrarische bedrijven en tegelijkertijd willen we natuur en waterkwaliteit versterken en de uitstoot van broeikasgassen verminderen om klimaatverandering af te remmen. Het NPLG (zie hieronder) kan ons helpen om deze grote opgaven integraal en gebiedsgericht op te pakken.

Toekomstbestendige landbouw

Onderdeel van de strategie Vitale Veenweiden Zuid-Holland is het streven naar een toekomstbestendige landbouw. Volgens de provinciale Hoofdlijnennotitie Landbouw is dat een agrarische sector met economisch rendabele bedrijven, die minder broeikasgassen en stikstof uitstoten, die bijdragen aan een grotere biodiversiteit en een betere waterkwaliteit en die aandacht hebben voor dierenwelzijn.

Samen werken in een gebiedsgerichte aanpak

We zoeken oplossingen in maatregelen voor bodem, water en landgebruik. Dat raakt boeren en landeigenaren, maar ook het watersysteem, de inrichting, de economie en de sociale cohesie van het landelijk gebied. Daardoor is het opstellen en uitvoeren van de veenweidestrategie een gezamenlijke verantwoordelijkheid waarbij naast het agrarisch bedrijfsleven veel partijen betrokken zijn, zoals overheden (inclusief waterschappen) en maatschappelijke organisaties. We volgen een gebiedsgerichte aanpak. Via gebiedsprocessen kunnen we keuzes maken die aansluiten bij de lokale kenmerken en mogelijkheden. Bovendien kunnen we ruimte creëren voor aanvullende wensen in de omgeving, zogenoemde meekoppeldoelen.

Terug naar inhoud

5

Strategie Vitale Veenweiden Zuid-Holland

Status en doel van dit document

De oorspronkelijke aanleiding voor deze veenweidestrategie was het Klimaatakkoord, waarin afspraken zijn gemaakt voor het verminderen van de CO2-uitstoot uit veenbodems. De globale uitgangspunten hebben we bepaald in de ‘Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland’, die is voorgelegd aan alle betrokken partijen en die in 2021 is vastgesteld door het college van Gedeputeerde Staten. Dit document, Vitale Veenweiden Zuid-Holland, is versie 1.0 van deze veenweidestrategie. Dit is een momentopname van de stand van zaken en laat zien wat al gebeurd is in het kader van de klimaatopgave.

NPLG

Tegelijkertijd markeert dit document een verbreding van de scope, waarmee we invulling geven aan het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG). In dat beleidsprogramma heeft het kabinet het beleid voor natuur en water geïntegreerd met de klimaatopgave. (Startnotitie Nationaal Programma Landelijk Gebied, juni 2022). Onze veenweidestrategie legt de basis voor het gebiedsplan voor de veenweiden als onderdeel van Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied (ZH-PLG), de provinciale uitwerking van het NPLG. We kiezen voor een ambitieuze aanpak met een brede scope, waaraan overheden samen met de belanghebbenden in de gebieden inhoud geven. Want uiteindelijk zijn het de mensen in de gebieden die de verandering mogelijk maken en uitvoeren.

Leeswijzer

In de volgende hoofdstukken beschrijven we de strategie. Dat begint met een schets van de opgaven (H2). Vervolgens komen mogelijke oplossingsrichtingen aan bod (H3). Daarna geven we een stand van zaken van de gebiedsgerichte uitwerking (H4). In het laatste hoofdstuk schetsen we hoe overheden, maatschappelijke partners en belanghebbenden in het gebied samen de strategie en de uitvoering vorm geven via gebiedsprocessen en deelgebiedsplannen.

6

Terug naar inhoud

NPLG - GGA Deelgebieden

Hillegom Noordwijk

Duin- en bollenstreek Lisse

Gemeentegrens Kust- en duingebied Veenweiden Zuid-Hollandse Delta Deelgebieden Kusten Duingebied Deelgebieden Veenweiden Deelgebieden ZuidHollandse Delta N2000-gebieden Natuurnetwerk Nederland Bestaand stads- en dorpsgebied

Teylingen

Kaag en Braassem

Katwijk Oegstgeest

Duin Horst en Weide Wassenaar

Nieuwkoop

Leiden

Voorschoten

Leiderdorp

Zoeterwoude

Alphen aan den Rijn

Leidschendam-Voorburg

Boskoop

's-Gravenhage

Bodegraven-Reeuwijk

Zoetermeer Waddinxveen

Gouda en omgeving

Rijswijk Pijnacker-Nootdorp

Oostland

Westland

Gouda

Lansingerland

Delft

Westland

Zuidplas

Midden-Delfland

Krimpenerwaard

Midden-Delfland Maassluis

Vlaardingen

Capelle aan den IJssel

Schiedam

5

10 km

Westvoorne

Krimpenerwaard

Krimpen aan den IJssel

Rotterdam

0

Nieuwkoopse Plassen

Veenweiden Noord

Brielle

Molenlanden

Buitenland van Rhoon

Voorne Putten

Albrandswaard

Hellevoetsluis

Ridderkerk

Alblasserdam

Alblasserwaard

Barendrecht Hendrik-Ido-Ambacht

Nissewaard

Papendrecht

Zwijndrecht

Gorinchem Sliedrecht

Hardinxveld-Giessendam

Eiland van Dordt Goeree-Overflakkee

Hoeksche Waard

Hoeksche Waard

Dordrecht

Goeree-Overflakkee

Kadaster, Esri, HERE, Garmin, Foursquare, FAO, METI/NASA, USGS M22_09_01750_Kaart_NPLG_met_BSD_en_natuurgebieden_v1 - 10/7/2022

Bovenstaande kaart is een eerste schets van de indeling van de (deel)gebieden. De indeling wordt in overleg met de gebieden nog verder uitgewerkt.

ZH-PLG kerngebied veenweiden

Voor het ZH-PLG is de provincie Zuid-Holland onderverdeeld in drie kerngebieden: Veenweiden, het Kust- en duingebied en de Zuid-Hollandse Delta. Onze veenweidestrategie heeft betrekking op het eerstgenoemde kerngebied. Dat beslaat het hele landelijk gebied ten noorden van de Rotterdamse en Dordtse stedelijke regio’s en ten oosten van de Bollenstreek en het Westland. Door deze geografische afbakening is de reikwijdte groter geworden. De opdracht uit het Klimaatakkoord richtte zich uitsluitend op veenweidelandschappen. Het kerngebied Veenweiden heeft ook enkele deelgebieden met andere agrarische bedrijvigheid - zoals glastuinbouw (Oostland), akkerbouw (Zuidplas) en sierteelt (Boskoop) - en ook andere bodemtypen - zoals klei in droogmakerijen. Het landelijk gebied omvat behalve landbouw ook onder meer natuur, water en recreatiegebieden. Overigens zijn er ook buiten het kerngebied Veenweiden plaatsen met melkveebedrijven op veengrond. Dat geldt bijvoorbeeld voor Hoeksche Waard en Nissewaard (kerngebied Zuid-Hollandse Delta) en een aantal kleinere veengebieden in het westen van de provincie (kerngebied Kust).

Globaal komen we per type landbouw de volgende opgaven tegen: • Veenweiden: biodiversiteit, bodemdaling, methaan/klimaat, stikstof, zoetwaterbeschikbaarheid, waterkwaliteit • Akkerbouw: biodiversiteit, waterkwaliteit, zoetwaterbeschikbaarheid • Glastuinbouw: waterkwaliteit, zoetwaterbeschikbaarheid • Sierteelt: waterkwaliteit, zoetwaterbeschikbaarheid Daarnaast zijn er locatie-specifieke opgaven voor natuurgebieden en ook groenblauwe dooradering. Terug naar inhoud

7

2. Opgaven voor klimaat, natuur en water Om ons doel te bereiken moeten we oplossingen vinden voor een aantal verschillende opgaven die nauw met elkaar samenhangen. We kunnen daarbij gebruik maken van de mogelijkheden van het NPLG. In dit hoofdstuk zetten we de belangrijkste opgaven op een rij.

Het belang van toekomstperspectief voor melkveehouders

Melkveehouders vormen de grootste groep grondeigenaren en landgebruikers van het veenweidegebied. Hun bedrijven zijn in de afgelopen decennia grootschaliger en efficiënter geworden. Dat gebeurde in een context waarin de productiekosten stegen en veel ondernemers zich gedwongen zagen te blijven investeren om aan de eisen van de markt en de maatschappij te voldoen. Deze ontwikkeling is mede gestuurd door het beleid van de overheid. Een eenzijdige focus op productiviteit en efficiëntie heeft echter impact op de omgeving. Dat is niet houdbaar, gezien de opgaven en randvoorwaarden die in dit hoofdstuk worden besproken. Onze ambitie is de balans tussen economie, bodem, water en biodiversiteit te herstellen. We zien dat veel boeren al initiatieven nemen of hebben genomen. We verwachten echter dat voor vrijwel alle landgebruikers en -eigenaren op termijn ingrijpende veranderingen onvermijdelijk zullen blijken. Ons uitgangspunt is dat boeren de belangrijkste grondgebruikers blijven, want zij zijn niet alleen producenten van voedsel, ook beheerders van het landschap en dragers van de leefbaarheid van het platteland. Toekomstperspectief voor ondernemers is daarom van groot belang. In het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) integreert het Rijk gebiedsgerichte opgaven en maatregelen voor natuur, stikstof, landbouw, water, bodem en klimaat.

Volgens het coalitieakkoord is het hoofddoel: het toekomstbestendig ontwikkelen van het landelijk gebied. Dat sluit aan op het doel dat wij willen bereiken, vitale veenweiden. Het NPLG kan ons dus helpen. In het beleidsprogramma zijn de opgaven en maatregelen onderverdeeld naar drie grote thema’s Klimaat, Natuur en Water.

8

Terug naar inhoud

Strategie Vitale Veenweiden Zuid-Holland

Thema

Natuur

Water

Klimaat

Doelen

Reductie uitstoot stikstof

Schoon oppervlakte- en grondwater

Reductie uitstoot broeikasgassen

Uitbreiding areaal

Goede toestand grondwaterlichamen

Vastleggen koolstof

Instandhoudingsdoelen natuurkwaliteit

Goede beschikbaarheid zoet water

Hydrologische doelen Groenblauwe dooradering Deze tabel is gebaseerd op de figuur uit de Startnotitie Nationaal Programma Landelijk Gebied van 10 juni 2022, pagina 28

Klimaat

Het veranderende klimaat is een wereldwijd vraagstuk, waarvan de gevolgen nu al voelbaar zijn. Voor het afremmen van de klimaatverandering is het nodig de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Met Vitale Veenweiden Zuid-Holland willen we graag onze bijdrage leveren. Dat loopt via twee routes. De eerste is het aanpakken van de specifieke veenweideproblematiek rond bodemdaling, waarbij CO2 vrijkomt (zie kader). Daarnaast zijn er in de bedrijfsvoering van landbouwbedrijven aanknopingspunten voor het verlagen van de uitstoot. In onze strategie volgen we het nationale Klimaatakkoord. Hierin zijn afspraken uitgewerkt in zogeheten Klimaattafels voor verschillende sectoren, waaronder de Klimaattafel Landbouw en Landgebruik (KALL). (Klimaatakkoord 2019, hoofdstuk C4 Landbouw en Landgebruik).

Broeikasgassen gevolg van veenafbraak

Veen bestaat voor een groot deel uit organisch materiaal, dat bij gangbaar landgebruik geleidelijk wordt afgebroken. Dat veroorzaakt bodemdaling en daarbij komen broeikasgassen vrij: koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4) en lachgas (N2O). De hoeveelheid uitstoot van de verschillende gassen drukken we meestal uit in equivalenten van CO2. De afbraak van veen gaat het snelst onder zuurstofrijke (aerobe) omstandigheden. Hoe meer zuurstof in de grond kan doordringen, hoe sneller de veenafbraak of -oxidatie. Er is daarom een directe relatie met de grondwaterstand. Een hoog peil beperkt de hoeveelheid zuurstof in de bodem en daarmee de veenoxidatie. Uit internationale literatuur blijkt dat het optimum voor de reductie van de uitstoot van broeikasgassen op circa 20 cm beneden maaiveld ligt. Als het grondwater nog verder stijgt, neemt de kans op vorming van methaan en lachgas toe. Naast grondwater zijn er meer factoren die de emissies bepalen, zoals het type veen, lutumgehalte (klei), bodemvocht, bemesting, zuurgraad en zoutgehalte.

Beperken CO2-emissie en bodemdaling

Voor de CO2-uitstoot uit veenbodems is een landelijke reductie afgesproken van 1 Mton CO2equivalenten op jaarbasis in 2030. Dit komt overeen met circa 25 procent van de nationale emissie uit veen, ten opzichte van 2016. In de veenweidestrategie van Zuid-Holland hebben we daarom ook de inzet voor 2030 bepaald op een reductie van 25 procent uit veenbodems. De actuele (indicatieve) emissie van de Zuid-Hollandse veenweidegebieden bedraagt 0,35 Mton. Deze schatting is gebaseerd Terug naar inhoud

9

Strategie Vitale Veenweiden Zuid-Holland

op het systeem SOMERS, dat in het kader van het NOBV is uitgewerkt en verder wordt ontwikkeld. Het grootste deel van de emissie uit onze veenbodems, zo’n 65 procent, vindt plaats in de veenweidegebieden Alblasserwaard, Krimpenerwaard en de omgeving van de Nieuwkoopse Plassen (tabel). Daarom beschouwen we deze drie regio’s als prioritaire gebieden voor de veenweidestrategie. (zie H4). Zuid-Holland

Alblasserwaard

Krimpenerwaard

Nieuwkoopse plassen

Areaal netto veenweide

32.423 ha

11.291 ha

7.170 ha

3.235 ha

Actuele emissie (Mton CO2)

0,35 Mton

0,11 Mton

0,07 Mton

0,03 Mton

Tabel: areaal veenweiden en geschatte CO2-emissie in Zuid-Holland en drie gebieden.

De beoogde reductie in 2030 is een tussentijds doel. Het klimaatakkoord heeft als hard einddoel om in 2050 grotendeels klimaatneutraal te zijn. Dat wil zeggen dat de uitstoot wordt beperkt tot onvermijdelijke emissies, die in balans zijn met de koolstofvastlegging in de bodem en de productie van hernieuwbare energie. In onze veenweidestrategie richten we ons in eerste instantie op de opgave voor 2030, maar bij de keuzes die we maken moeten we rekening houden met het einddoel.

Sectoropgave veehouderij

Het terugdringen van emissies uit veenbodems (met 1,0 Mton) is slechts een deel van de totale klimaatopgave voor landbouw en landgebruik. In totaal omvat de ‘taakstellende opgave’ een afname van 3,5 Mton CO2-equivalenten. (Klimaatakkoord 2019, hoofdstuk C4 Landbouw en Landgebruik). Sectorspecifieke maatregelen voor landbouw en glastuinbouw (elk minimaal 1,0 Mton) hebben hierin een grote rol. De landbouwopgave komt grotendeels voor rekening van de veehouderij. Op het melkveebedrijf is methaan een belangrijk broeikasgas. Dat komt vrij bij de stofwisseling van koeien. Melkveehouders in het veenweidegebied hebben dus te maken met een klimaatopgave voor zowel de bedrijfsvoering als voor de veengronden.

Extra inspanning voor klimaatdoelen vanuit het NPLG

Overigens is 25 procent reductie uit veenbodems in 2030 de beleidslijn waarmee we in onze provinciale veenweidestrategie van start zijn gegaan. Mogelijk wordt deze doelstelling aangepast wanneer het Rijk de klimaatdoelstellingen voor de provincies aanscherpt. We verwachten dat ook de sectorspecifieke klimaatopgave voor agrarische bedrijven groter wordt. Het kabinet heeft een aanscherping van de klimaatdoelen aangekondigd: een reductie van 60 procent in 2030 in plaats van 49 procent. Dat heeft ook gevolgen voor de landbouw. In het coalitieakkoord koppelt de regering een emissiereductie van ongeveer 5 Mton CO2-eq aan de integrale aanpak in het landelijk gebied. Het kabinet stelt in de startnotitie NPLG dat het klimaatdoel voor de landbouw in 2030 alleen gerealiseerd kan worden met een substantiële vermindering van de uitstoot vanuit de veeteelt. Wat dat betekent voor de sectoropgave van de melkveehouderij wordt naar verwachting duidelijk in november 2022, in een brief van het kabinet met aangevulde keuzes en doelen voor het NPLG. Daarnaast wordt ook in EU-verband gesproken over emissie-neutrale landbouw in 2035.

10

Terug naar inhoud

Strategie Vitale Veenweiden Zuid-Holland

Glastuinbouw

Voor glastuinbouw zijn de reductiedoelstellingen van het Klimaatakkoord vooral gericht op het energieverbruik. In het EnergieAkkoord Greenport West-Holland hebben partijen zich gecommitteerd aan het Klimaatakkoord. De broeikasgasemissies van de glastuinbouw zijn geen onderdeel van het NPLG en wij nemen deze niet mee in het Zuid-Hollandse programma landelijk gebied. Deze opgave wordt wel meegenomen in de landelijke en provinciale klimaataanpak en energietransitie.

Natuur

Hoewel de veenweiden een cultuurlandschap vormen, is de natuur onlosmakelijk verbonden met dit landschap. We hebben robuuste ecosystemen met een rijke biodiversiteit nodig, voor zowel een toekomstbestendige landbouw als het behoud van de kwaliteit van het landschap. In de huidige situatie staat de natuur echter onder druk. Dat komt onder andere door stikstofuitstoot vanuit de omgeving. Bovendien blijft de hoeveelheid en de kwaliteit van natuurgebieden achter bij de verwachtingen. Dat komt niet alleen door de situatie in de natuurgebieden, de oorzaak ligt ook in de omgeving en de verbindingen tussen natuurgebieden. Voor het herstel en de versterking van de natuur bestaan wettelijke afspraken. Die zijn geïntegreerd in het NPLG en vormen het uitgangspunt voor Vitale Veenweiden Zuid-Holland. De natuuropgaven komen voort uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR).

Stikstofreductie

Een van de verplichtingen van de VHR is het beschermen van (habitats in) natuurgebieden. In Nederland is in dit verband de neerslag van stikstofverbindingen in bepaalde (stikstofgevoelige) natuurgebieden een probleem. Het gaat om natuurgebieden met planten en dieren die alleen gedijen onder specifieke – schrale – omstandigheden. Door de neerslag van stikstof komen te veel voedingsstoffen in de bodem. Door deze zogenoemde vermesting krijgen bepaalde snelgroeiende soorten de overhand en deze verdringen de zeldzame flora en fauna. De stikstofgevoelige natuur is in Zuid-Holland te vinden in onder andere de duinen en de Nieuwkoopse Plassen.

Emissie vanuit industrie, verkeer en landbouw

De oorzaak van het stikstofprobleem is de uitstoot vanuit industrie, verkeer, bouw en de landbouw, inclusief buitenland. Industrie, verkeer en bouw stoten voornamelijk stikstofoxides (NOX) uit. Voor de landbouw gaat het om ammoniak (NH3), dat vrijkomt uit stallen en mestopslagen en bij het uitrijden van mest op het land. Elk van de sectoren krijgt te maken met verplichte emissiebeperking. Voor de veenweiden zijn de stikstofplannen voor de landbouw relevant. De Wet Stikstof en Natuurherstel (Wsn) heeft als doel de uitstoot en de neerslag van stikstof te beperken. Voor stikstofgevoelige natuurgebieden is een limiet gesteld, de kritische depositiewaarde (KDW). Volgens de Wsn moet in 2025 op landelijk niveau 40 procent van de stikstofgevoelige delen van Natura 2000-gebieden voldoen aan de norm voor de KDW; in het regeerakkoord is afgesproken dat dat in 2030 moet gelden voor 74 procent van het areaal stikstofgevoelige natuur. Om de depositie te beperken moet de uitstoot worden gereduceerd. De consequenties voor gebieden en individuele bedrijven verschillen. Zo is een verdergaande reductie noodzakelijk in de omgeving van natuurgebieden en gebieden waar de water- en bodemkwaliteit verbeterd moeten worden. Dat geldt bijvoorbeeld voor de omgeving van Natura2000-gebieden Nieuwkoopse Plassen & De Haeck, De Biesbosch en het Lingegebied en Diefdijk-Zuid (provincie Utrecht).

Terug naar inhoud

11

De omgeving van de Nieuwkoopse Plassen

In juni 2022 heeft de minister voor Natuur en Stikstof richtinggevende doelen gepresenteerd. (Startnotitie Nationaal Programma Landelijk gebied). Een nadere uitwerking volgt in november 2022.

Versterken natuur en biodiversiteit

Er zijn meer manieren waarop we de natuur kunnen versterken en de biodiversiteit kunnen verbeteren. Naast de uitvoering van het Natuurpact, waarin is afgesproken dat de provincies het Natuur Netwerk Nederland realiseren, biedt het NPLG daarvoor handvatten. Dit nationale programma vertaalt de Europese doelen uit de VHR naar maatregelen voor zowel omvang (areaaluitbreiding) als kwaliteit (verbeteren natuurkwaliteit). In het veenweidengebied liggen enkele veenmoerasgebieden, die belangrijk zijn voor verschillende plant- en diersoorten. Daarnaast zijn open, kruidenrijke en vochtige graslanden van cruciaal belang voor onder andere weidevogels. Een breed herstel van de biodiversiteit is nodig. Het programma heeft daarvoor doelen voor droge en natte ecologische verbindingszones tussen natuurgebieden (groenblauwe dooradering) en hydrologische doelen. De doelen zullen in november 2022 worden gepresenteerd.

Water

Water is misschien wel het meest direct bepalend voor de vitaliteit van het veenweidegebied. In de eerste plaats is water van goede kwaliteit de bron van leven voor landbouw en natuur. Daarnaast willen we grip op de hoeveelheid, zodat we overlast of tekort zoveel mogelijk kunnen voorkomen. Door het veranderende klimaat hebben we vaker te maken met de gevolgen van extreem weer, zowel langdurige droogte als perioden met heel veel neerslag. Ook voor water kan het NPLG bijdragen aan een vitale toekomst. Het programma stelt op drie onderdelen doelen voor water: schoon oppervlakte- en grondwater, een goede toestand van de grondwaterlichamen en een goede (zoet)waterbeschikbaarheid.

Betere waterkwaliteit en nutriëntenoverschot

De KRW eist dat lidstaten in 2027 de waterkwaliteit op orde hebben. Er zijn normen op drie aspecten: de aanwezigheid van chemische stoffen, fysisch-chemische parameters en biologische parameters. Het eerste aspect heeft te maken met verontreiniging. De fysisch-chemische parameters zijn van invloed op de leefkwaliteit voor flora en fauna. Dat betreft nutriënten, helderheid, zuurstofgraad, temperatuur en het zoutgehalte. Voor de biologische parameters gaat het om een goede hoeveelheid en variatie flora en fauna (algen, waterplanten en macrofauna zoals vissen).

12

Terug naar inhoud

Strategie Vitale Veenweiden Zuid-Holland

In het KRW-portaal van het Informatiehuis Water (samenwerkingsprogramma van de waterschappen, de provincies en Rijkswaterstaat) is per waterlichaam de toestand weergegeven. De waterbeheerders stellen het KRW-programma op. Dit beschrijft de toestand van het oppervlaktewater en de maatregelen die nodig zijn om de KRW-doelen te halen. Op dit moment voldoet een groot deel van het oppervlaktewater niet aan de KRW-normen. Dat de kwaliteit van het oppervlaktewater niet voldoet is voor een belangrijk deel te verklaren uit het feit dat nog niet alle maatregelen zijn uitgevoerd. De redeneerlijn van de KRW is dat de doelen kunnen worden gehaald door uitvoering van alle maatregelen in uiterlijk 2027, waarna het daadwerkelijk bereiken van de goede toestand nog mag na-ijlen, mits dat te wijten is aan natuurlijke omstandigheden. De waterbeheerders rapporteren jaarlijks over de voortgang van de uitvoering van de maatregelen. De jaarlijkse tussenstand is per waterlichaam te lezen in KRW factsheets in het waterkwaliteitsportaal. In deze factsheets staan de maatregelen die de waterbeheerders zelf uitvoeren, maar niet alle maatregelen: zo staan de maatregelen die vanuit het Rijksbeleid moeten komen hier niet in. Het is nog onzeker of/hoeveel extra inzet nodig is als duidelijk wordt dat de doelen niet worden gehaald. Dit zal blijken uit de tussentijdse evaluatie voor de KRW (2023).

Zaken die zorgen voor onzekerheid over daadwerkelijke uitvoering van maatregelen en het halen van de doelen in 2027 zijn: • De uitvoering van maatregelen ligt niet in één hand maar bij verschillende partijen (waterschappen, provincie, rijk en agrariërs), waardoor informatie over de voorgang en effectiviteit verspreid opgehaald moet worden. • Een deel van de maatregelen wordt op basis van vrijwilligheid uitgevoerd, dit vraagt nog aandacht en is wel nodig voor de opgave (dat zijn de DAW maatregelen), • Er worden nog aanvullende maatregelen/opgaven verwacht vanuit het Rijk in de “november brief” en vanuit “nitraat actie programma”(zie hieronder) of vanuit Europa (is PM). • Specifiek voor veenweiden geldt dat vernatting van veen een mogelijk conflicterende maatregel is, als dat (tijdelijk) leidt tot verslechtering van de waterkwaliteit.

Waterkwaliteit: Nitraatrichtlijn

Vanuit de agrarische sector zijn verliezen van nutriënten uit mest de belangrijkste potentiële bedreiging voor de waterkwaliteit. De Europese Nitraatrichtlijn en het daaraan gelieerde 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn (7e NAP) hebben als doel waterverontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen te verminderen. (Brief minister van LNV aan Tweede Kamer, november 2021). In de uitwerking (addendum) van het 7e NAP wordt wetgeving voorbereid voor een verplichte aanleg van bufferstroken om de uit- en afspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen vanuit landpercelen te verminderen. In relatie tot nitraat is voor melkveehouders ook de zogeheten derogatie van belang. Dit is een uitzondering op de Europese bemestingsnorm. Hierdoor mogen melkveebedrijven met overwegend grasland een grotere hoeveelheid dierlijke mest (250 kg stikstof/ha) gebruiken dan de Europese norm (170 kg) aangeeft. Deze uitzondering wordt vanaf 2023 afgebouwd en vervalt per 2026 helemaal. Zonder derogatie mogen veehouders minder dierlijke mest uitrijden op hun land.

Zoetwaterbeschikbaarheid

Het Deltaprogramma Zoetwater heeft als doel om Nederland in 2050 weerbaar te maken tegen watertekorten. Op diverse manieren wordt al gewerkt aan het omgaan met deze uitdaging. Zo wordt de watervraag soms beperkt door te stoppen met doorspoelen, wordt water gespaard in bassins en is gezorgd voor extra noodwateraanvoer door de KWA (klimaat robuuste wateraanvoer) te verdubbelen. Maar dat alles is nog niet genoeg, tenzij we accepteren dat waterpeilen soms uitzakken en/of dat we soms brak water inlaten met zoutschade voor sommige teelten of natuur tot gevolg. Omdat er geen garanties gegeven kunnen worden dat overal en altijd voldoende water beschikbaar is, wordt door de waterbeheerder gezorgd voor vroegtijdige communicatie van voorziene tekorten. Terug naar inhoud

13

Strategie Vitale Veenweiden Zuid-Holland

En áls de situatie van watertekort zich voordoet, treedt er een “verdringingsreeks” in werking die is vastgesteld om te prioriteren in de verdeling van het beschikbare water. Specifiek voor de veenweiden zit een extra NPLG opgave en dilemma in het feit dat de extra watervraag voor het op peil houden van de grondwaterstanden niet (of maar zeer beperkt) binnen het eigen gebied kan worden opgelost. Binnen de vlakke veenweiden met een al hoge grondwaterstand zijn weinig mogelijkheden voor extra voorraadvorming. De extra watervraag zal dus het vanuit het hoofdwatersysteem moeten komen, maar ook leiden tot een groter risico op watertekorten en het aanlopen tegen de grenzen van het watersysteem. Onderzoeksvraag is om per inlaat- of deelgebied te bepalen of en in welke mate dit voorkomen en beheerst kan worden.

Wateroverlast

We willen wateroverlast door inundatie vanuit oppervlaktewater wegens neerslag zoveel mogelijk voorkomen of beperken. Op grond van het Nationaal Bestuursakkoord Water is, per type grondgebruik, in normen vastgelegd wat het risico op overstroming (water op het maaiveld) per jaar mag zijn. Deze NBW-normering bakent de zorgplicht af die het waterschap daarin heeft én geeft helderheid aan burgers en bedrijven over het restrisico en hun eigen verantwoordelijkheid voor de bescherming van eigen percelen, bouwwerken en roerende zaken. De NBW normen zijn op basis van een verplichting in de Waterwet vastgelegd in provinciale verordeningen. Het is denkbaar dat het watersysteem niet (op tijd) aan de normen voor wateroverlast voldoet, bijvoorbeeld omdat er (nog) geen ruimtelijke maatregelen zijn getroffen om extra bergingscapaciteit te maken. Of omdat er onvoldoende grond beschikbaar is voor de uitvoering van maatregelen. Ook kunnen andere wettelijke verplichtingen ervoor zorgen dat het watersysteem niet aan de normen voor wateroverlast voldoet. Zoals de verplichtingen uit de Wet natuurbescherming, waardoor niet op elk gewenst tijdstip watergangen gemaaid of gebaggerd kunnen worden.

Specifiek voor de veenweiden zit een extra opgave en dilemma in het feit dat het op (een hoger) peil houden van de grondwaterstanden om de CO2-emissie uit veen te remmen, kan zorgen voor een (tijdelijk) groter risico op wateroverlast. Waar het voldoen aan de wateroverlastnorm gaat knellen, is een strategie of zijn maatregelen nodig.

Robuust en toekomstbestendig watersysteem

Vrijwel alle opgaven in dit hoofdstuk hebben raakvlakken met het watersysteem. Zeker in het veenweidegebied zijn de maatregelen voor het remmen van bodemdaling, (agrarisch) landgebruik en mogelijkheden voor de natuur onlosmakelijk verbonden met het watersysteem. Zo zijn de meest voor de hand liggende maatregelen voor het beperken van de CO2-uitstoot uit veen gekoppeld aan een hoger (grond)waterpeil. Een robuust en toekomstbestendig watersysteem is daarom een randvoorwaarde voor vitale veenweiden. Bij alle keuzen die we maken moeten we erop letten dat de functies van het watersysteem overeind blijven. Dat zijn: de aanvoer van voldoende water in de zomer (goede zoetwaterbeschikbaarheid), het beheersen van wateroverlast, een goede inrichting van het watersysteem en de zorg voor de waterkwaliteit.

14

Terug naar inhoud

Strategie Vitale Veenweiden Zuid-Holland

Overige opgaven en ambities

De hierboven genoemde opgaven komen voort uit verschillende Europese en nationale beleidsprogramma’s. De middelen uit het Transitiefonds Landelijk Gebied van het Rijk zijn primair gericht op de NPLG-doelen. In het buitengebied spelen echter ook opgaven op provinciaal niveau of plannen en wensen die specifiek zijn voor een bepaalde regio of gemeente. Voorbeelden zijn woningbouw, recreatie, de energietransitie, verkeer en bereikbaarheid en de leefbaarheid (brede welvaart) van het platteland. Dit vraagt om een goede afbakening van de aanpak en oog voor andere programma’s die helpen deze aanvullende doelen te realiseren.

Terug naar inhoud

15

3. Oplossingsrichtingen: vernatten, vernieuwen en extensiveren In dit hoofdstuk komen oplossingsrichtingen aan bod. Voor de klimaatopgave lijkt een hoger grondwaterpeil het meest effectief en bewezen. Voor de beperking van de emissies van met name stikstof zijn technische maatregelen en innovatieve oplossingen beschikbaar, maar in veel gevallen zal ook een minder intensief landgebruik nodig zijn. Het uitgangspunt is een integrale aanpak: de maatregelen zijn geen doel op zich, maar middelen die we kunnen gebruiken om ons doel te bereiken. Voor alle grote opgaven – klimaat, natuur en water – zijn concrete maatregelen in ontwikkeling of al beschikbaar. Voor een toepassing als brede oplossingsrichting is echter nog veel onderzoek nodig.

Oplossingsrichtingen voor klimaatopgave

Voor het reduceren van de CO2-uitstoot uit veenbodems zien we op dit moment in grote lijnen twee kansrijke richtingen. De eerste is vernatten, de andere is het aanbrengen en inspoelen van klei in de veenbodem. Voor beide oplossingen wordt nog veel onderzoek gedaan naar de effectiviteit onder verschillende omstandigheden. Voor klei in veen is er nog fundamenteel onderzoek nodig. Vernatting is, op verschillende manieren, al wel breed toepasbaar.

Vernatten

De eenvoudigste manier om het grondwaterniveau te laten stijgen, is het verhogen van het slootpeil. Het effect neemt af naarmate de afstand tussen sloten groter is. Het peil ‘zakt uit’, doordat het water vanuit de sloot niet ver genoeg het perceel kan binnendringen. Uit onderzoek weten we dat slootpeilverhoging zonder aanvullende maatregelen – zoals waterinfiltratie – niet voldoende effect heeft om het klimaatdoel van 2030 te halen.

16

Terug naar inhoud

Strategie Vitale Veenweiden Zuid-Holland

De grondwaterstand zakt minder uit bij toepassing van waterinfiltratiesystemen (WIS). Dat werkt met infiltratie/drainagebuizen. Het slootpeil staat hoger dan de infiltratiebuizen. In de zomer zal het water infiltreren in de bodem, in de winter kunnen dezelfde buizen dienst doen voor waterafvoer. Op basis van eerste resultaten van recent onderzoek kunnen we concluderen dat waterinfiltratie voor het klimaatdoel van 2030 voldoende effect heeft, mits dit wordt gecombineerd met slootpeilopzet tot een drooglegging van - 40 cm (zie kader Waterinfiltratie kansrijk). Waterinfiltratie wordt ook effectiever door er druk op te zetten met een pomp in een drukvat, die het water geforceerd (actief) in de buizen pompt. Met deze zogenoemde actieve waterinfiltratiesystemen kan hetzelfde effect worden bereikt als met passieve infiltratie plus slootpeilopzet. Systemen voor actieve waterinfiltratie zijn technisch al voldoende ontwikkeld voor toepassing op praktijkschaal. Het op peil houden van de grondwaterstand zorgt voor een extra watervraag.

De aanleg van waterinfiltratie

Verdergaande vernatting

Een verdergaande vernatting, tot 20 cm onder maaiveld, levert een grotere reductie van broeikasgassen op. Dat kan dus interessant zijn voor de klimaatopgave op de langere termijn. Het past echter niet in het huidige gangbare agrarische grondgebruik en bedrijfsverdienmodel. Drassige grond heeft een lagere gewasopbrengst en is minder toegankelijk voor machines en grazend vee. Op de “hoogwaterboerderij” van KTC Zegveld vindt onderzoek plaats naar melkveehouderij bij een geringe drooglegging (20 cm). Daarnaast wordt, op diverse proefvelden verspreid door Nederland geëxperimenteerd met ‘natte teelten’, zoals cranberry’s of lisdodde, als alternatief verdienmodel.

Experimenten op de Veentuinderij in Zegveld met o.a. cranberry’s

Terug naar inhoud

17

Strategie Vitale Veenweiden Zuid-Holland

Discussiepunten waterinfiltratie

Rond waterinfiltratie zijn een aantal potentiële punten van discussie: • Brede toepassing van waterinfiltratie heeft consequenties voor het watersysteem. Voor het op hoogte houden van het waterpeil moet bijvoorbeeld voldoende zoet water beschikbaar zijn. Verder vergroot een hoger peil de kans op wateroverlast. • Een mogelijk nadelig effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater, als gevolg van het mogelijk sneller afspoelen van in de bodem aanwezige nutriënten en andere ongewenste stoffen naar de sloot. • Met infiltratie ontstaat een sneller reagerend watersysteem, met meer aanvoer en afvoer. Daarbij komt meer gebiedsvreemd water in het systeem. Er is nog weinig bekend over de invloed daarvan op de ecologie en op water- en bodemprocessen. • Het gebruik van kunststof: voor de toepassing moeten grote aantallen kunststof buizen in de bodem worden gebracht. • Actieve waterinfiltratie met een pomp vraagt energie, wat een negatief klimaateffect kan hebben. • De werking van actieve waterinfiltratie is afhankelijk van technische installaties, daardoor is de bedrijfszekerheid afhankelijk van een correcte bediening en werking.

Onderzoeksresultaten waterinfiltratie

Er is onderzoek gedaan naar het effect van de verschillende technieken op de CO2-uitstoot. De tabel geeft een vergelijking van een aantal grondwatermaatregelen. De doelen van 2030 lijken haalbaar met waterinfiltratie in combinatie met slootpeilopzet of drukdrainage. Areaal netto veenweide Zuid-Holland

32.423 ha

Actuele emissie

346.244 kg CO2 =0,35 Mton)

Reductie passieve waterinfiltratie met behoud huidige drooglegging

12%

Reductie passieve waterinfiltratie met peilopzet naar -40 cm

30%

Reductie passieve waterinfiltratie met peilopzet naar -30 cm

49%

Reductie actieve waterinfiltratie met behoud huidige drooglegging

47-60%

Reductie actieve waterinfiltratie met peilopzet -40 cm

44-57%

Reductie actieve waterinfiltratie met peilopzet -30 cm

55-63%

De inschattingen zijn gemaakt met de rekenregels van het NOBV uit 2021

18

Terug naar inhoud

Strategie Vitale Veenweiden Zuid-Holland

Impact op watersysteem en kosten

Het toepassen van waterinfiltratie brengt hoge kosten met zich mee. Het aanleggen van een waterinfiltratiesysteem in combinatie met een peilopzet tot 40 cm drooglegging vergt, volgens de inzichten uit 2021, een investering van 4.000 – 6.000 euro per hectare. Als deze geheel zou worden gesubsidieerd door de overheid, zou de aanleg op driekwart van de veenweiden (24.000 ha) in ZuidHolland 150 miljoen euro kosten. In die schatting is geen rekening gehouden met opbrengstderving als gevolg van het hogere waterpeil. Ook de waterschappen zullen moeten investeren. Als we in het hele gebied het grondwaterpeil niet willen laten uitzakken én de drooglegging naar - 40 cm willen brengen, is meer wateraanvoer nodig en is er een grotere kans op wateroverlast. De inrichting van het watersysteem moet hierop mogelijk worden aangepast. Volgens een globale schatting bedragen de benodigde investeringen hiervoor 1.750 euro per hectare. Voor de 30.000 ha veenweiden in Zuid-Holland is dat ruim 50 miljoen euro.

Klei in veen

Een andere maatregel voor het terugdringen van CO2 is ‘klei in veen’, dat wil zeggen het toevoegen en laten inspoelen/inregenen van een hoeveelheid klei. Doordat kleideeltjes zich binden aan veen, wordt de bodem minder gevoelig voor oxidatie. In vergelijking met waterinfiltratie heeft deze methode minder ingrijpende consequenties voor het watersysteem en het landgebruik. De techniek bevindt zich nog in een experimentele fase. De eerste onderzoeksresultaten in een laboratoriumomgeving laten een wisselend beeld zien, met CO2-reducties tussen 15 en 60 procent. Er is nog onvoldoende basis om op korte termijn deze methode breed in te zetten. We weten bijvoorbeeld nog niet precies welke klei het meest geschikt is, hoeveel klei nodig is en hoe vaak het aanbrengen herhaald moet worden. Ook zijn nog vragen over de ruimtelijke, logistieke en economische gevolgen. Er is meer onderzoek nodig. Onderdeel van onze strategie is ruimte voor experimenten. Het gebiedsplan in de Krimpenerwaard, bijvoorbeeld, omvat een voorstel voor toepassing van klei in veen op een aantal bedrijven, om ervaring op te doen en onderzoek uit te voeren in de praktijk. (H4). Als de resultaten van het onderzoek positief zijn, biedt dat perspectief voor een bredere toepassing over een aantal jaren.

Oplossingsrichtingen natuuropgave

Voor de natuurdoelen zijn maatregelen nodig voor beperking van de stikstofuitstoot en het versterken van natuurgebieden en biodiversiteit.

Stikstofbeleid: reductie ammoniak

De stikstofmaatregelen vormen voor vrijwel alle melkveebedrijven een zware opgave. Naar verwachting is de vereiste reductie van de uitstoot deels op te lossen met maatregelen op het gebied van bedrijfsmanagement, waaronder aangepaste voeding, extra weidegang en een andere manier van mest uitrijden. Opgeteld leveren de effecten van alle managementmaatregelen maximaal 50 procent reductie op. Naast deze relatief gemakkelijk inpasbare maatregelen zijn er technische oplossingen voor bijvoorbeeld emissiearme stallen of mestbewerking. Een aantal is al beschikbaar, andere zijn nog in ontwikkeling. Een andere mogelijkheid voor het verminderen van de stikstofuitstoot is het verkleinen van de veestapel. Die komt in beeld wanneer een relatief forse reductie moet worden gerealiseerd. In de directe omgeving van natuurgebieden bijvoorbeeld, is voor een aantal bedrijven omschakelen naar een extensievere bedrijfsvoering of verplaatsen onontkoombaar. Het is aannemelijk dat een extensiever landgebruik ook bijdraagt aan oplossingen voor de klimaat- en wateropgave. Terug naar inhoud

19

Strategie Vitale Veenweiden Zuid-Holland

Natuur en biodiversiteit

Versterken van natuur en biodiversiteit kan op verschillende manieren. Behalve door het vergroten van natuurgebieden kan dit ook door natuurgebieden beter met elkaar te verbinden (groenblauwe dooradering). Verbindingen kunnen worden gemaakt met houtwallen, extensief beheerde perceelsranden of soortenrijke sloten en oevers. Het kan ook met een breder gebied, zoals de ecologische verbindingszone tussen het Bentwoud in Waddinxveen/Boskoop en de Krimpenerwaard. Een ander voorbeeld is agrarisch natuur- en landschapsbeheer, waarbij agrariërs tegen een vergoeding grond op een extensieve en natuurvriendelijke manier bewerken, bijvoorbeeld voor weidevogelbescherming. Het vernatten van de veenweiden, een van de oplossingsrichtingen voor de klimaatopgave, is ook voor weidevogels een belangrijke maatregel.

Oplossingsrichtingen wateropgave

Bij het thema Water kijken we naar maatregelen die nodig zijn voor de waterkwaliteit en naar de robuustheid van het watersysteem.

Waterkwaliteit

Essentieel voor de vitaliteit van het hele gebied is de waterkwaliteit. We werken hieraan via de opgaven van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Waterschappen hebben hiervoor KRW-programma’s, waarin ze aangeven welke maatregelen nodig zijn. (De uitvoeringsprogramma’s van alle beheerders zijn verwerkt in de Stroomgebiedbeheerplannen 2022-2027.) Ook de regionale KRW-programma’s van de waterschappen bevatten maatregelen die direct consequenties hebben voor agrarische bedrijven. Zo kan het nodig zijn om natuurvriendelijke oevers aan te leggen. Daarvoor is ruimte (grond) nodig. Ook kan het op orde brengen van waterkwaliteit extra eisen stellen aan afspoeling van nutriënten, zoals fosfaat en nitraat. Verwacht wordt dat maatregelen voor andere opgaven, zoals stikstof- en CO2-reductie en een mogelijke extensivering, ook positief bijdragen aan het realiseren van de KRW-doelen. In 2024 zal een tussenevaluatie plaatsvinden van de uitvoering van de KRW-programma’s. Dit gebeurt onder meer in samenhang met de maatregelen in het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn. Indien nodig zal de aanpak worden bijgestuurd.

Weerbaarheid van het watersysteem

Een robuust en toekomstbestendig watersysteem is cruciaal voor vitale veenweiden. Het beperken van de drooglegging, in dit hoofdstuk genoemd als oplossing voor de klimaatopgave, stelt extra eisen aan het watersysteem. Want voor het verhogen van het grondwaterpeil is een grotere beschikbaarheid van zoet water nodig. De robuustheid wordt ook steeds belangrijker omdat we door de klimaatverandering vaker te maken hebben met zowel droogte als wateroverlast. In samenwerking met de zoetwaterregio West-Nederland (platform waarin onder andere provincies en waterschappen deelnemen) zetten we in op de ontwikkeling van een watersysteem dat weerbaar is tegen tekorten en waarin we duurzaam omgaan met zoet water. Daarvoor zijn maatregelen nodig op de volgende gebieden: • Optimaliseren van de aanvoer Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van de capaciteit van de Klimaatbestendige Wateraanvoer, waarmee water uit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek via verschillende watergangen naar het Westen wordt gepompt. Deze maatregel wordt ingezet als bij lage rivierafvoeren de reguliere inlaat uit de Hollandse IJssel verzilt. • Ruimtelijke inrichting Het systeem wordt ook robuuster als de afhankelijkheid van aanvoer en doorspoeling wordt verminderd. Dat kan onder andere door de beschikbaarheid van zoet water expliciet mee te

20

Terug naar inhoud

Strategie Vitale Veenweiden Zuid-Holland

•

•

wegen bij de ruimtelijke inrichting. Door ruimte te creëren voor buffering of berging spelen we ook in op periodes van droogte, die steeds vaker voorkomen en op bepaalde plekken verzilting veroorzaken. Extra watervraag Specifiek voor de veenweiden zit een extra NPLG opgave en dilemma in het feit dat de extra watervraag voor het op peil houden van de grondwaterstanden niet (of maar zeer beperkt) binnen het eigen gebied kan worden opgelost. Binnen de vlakke veenweiden met een al hoge grondwaterstand zijn weinig mogelijkheden voor extra voorraadvorming (zowel in de verticaal als de horizontaal). De extra watervraag zal dus het vanuit het hoofdwatersysteem moeten komen, maar ook leiden tot een groter risico op watertekorten en het aanlopen tegen de grenzen van het watersysteem. Onderzoeksvraag is om per inlaat- of deelgebied te bepalen of en in welke mate dit voorkomen en beheerst kan worden. Wateroverlastnormen Waar het voldoen aan de wateroverlastnorm gaat knellen, is een strategie of zijn maatregelen nodig. Soms kan aanpassen/verruimen van de NBW-norm acceptabel zijn, maar soms kan het ook zinvol zijn om (de laagste) gebieden aan te wijzen als bergingsgebied waar de norm mag worden overschreden. Dat laatste heeft ruimtelijke en financiële consequenties. Onderzoek/ uitvraag is om per deelgebied te bepalen of en in welke mate dit kan.

Technische innovatie of extensiveren

De opgaven voor klimaat, natuur (inclusief stikstof) en water vereisen ingrijpende maatregelen in de bedrijfsvoering van agrarische ondernemers. Soms kunnen technische maatregelen en innovatieve oplossingen een oplossing bieden, maar in veel gevallen zal ook een minder intensief landgebruik nodig zijn.

Innovatie

Technische innovaties kunnen individuele bedrijven helpen te voldoen aan afzonderlijke opgaven. Zo zijn er systemen voor reductie van emissies uit stallen en mest, die volgens de leveranciers veelbelovende resultaten laten zien. De provincie Zuid-Holland staat in beginsel positief tegenover innovatie. Het is belangrijk dat de veronderstelde resultaten van de innovatie, met name de verwachte bijdragen aan bijvoorbeeld stikstof- en CO2-reductie, geborgd kunnen worden en daarmee juridisch houdbaar zijn. Dat houdt in dat gegarandeerd moet kunnen worden dat met het toepassen van innovaties daadwerkelijk de berekende emissiereductie gerealiseerd wordt. Daarnaast is het belangrijk om bij elke innovatie te kijken naar de invloed op het geheel van water, klimaat, biodiversiteit en op stikstofreductie. Voorkomen moet worden dat een ondernemer investeert in een oplossing die slechts een deel oplost, waardoor hij snel opnieuw voor uitdagingen komt te staan. Innovaties hoeven niet beperkt te blijven tot techniek. Ook innovaties in de bedrijfsvoering, het landgebruik en samenwerking in de keten kunnen bijdragen aan het behalen van de doelen. Om deze te kunnen borgen is het nodig dat de de innovaties een juridische borging krijgen en dat daarbij gekeken wordt naar de technische mogelijkheden om de daadwerkelijke emissie frequent te kunnen meten.

Extensiveren en verdienvermogen

Technische oplossingen van huidige productiemethoden zullen echter niet overal voldoende zijn of slechts een specifiek probleem oplossen. In gebieden waar de natuur of de bodem en het grondwater sterk onder druk staat, zal de landbouw hoe dan ook extensiever ingericht moeten worden met meer aandacht voor het beheer van natuur en landschap.

Terug naar inhoud

21

Strategie Vitale Veenweiden Zuid-Holland

Extensiveren houdt in het verminderen van het aantal dieren of het verwerven van extra grond. Dat heeft invloed op het verdienvermogen van een bedrijf, want in een extensieve bedrijfsvoering is de productiviteit lager en zijn de investeringskosten hoger. Dat laatste komt vooral doordat grond duur is. Daarom is aandacht voor het verdienmodel essentieel. Ondernemers willen hun inkomen op peil houden en hun familiebedrijf doorgeven aan de volgende generatie. Dat kunnen we niet garanderen, we kunnen wel oplossingen faciliteren die het toekomstperspectief verbeteren. Mogelijke oplossingen liggen in de sfeer van het beperken van de (extra) lasten, compensatie voor de kosten of het aanvullen van de inkomsten. Ook omschakelen naar andere producten of diensten kan een alternatief zijn. Dat houdt bijvoorbeeld in overstappen van gangbare naar biologische veehouderij of overgaan op een ander landgebruik zoals het telen van gewassen. Verder zouden ondernemers hun bedrijfsvoering kunnen verbreden. Dat kan bijvoorbeeld met de verkoop van eigen producten aan consumenten of met agrarisch natuurbeheer, maar ook met nietagrarische activiteiten als zorg, kinderopvang of recreatie. Voor ondernemers die hun bedrijf niet kunnen of willen aanpassen aan de opgaven en beperkingen in hun huidige omgeving zou verplaatsing een oplossing kunnen bieden.

Overheden kunnen de transitie op verschillende manieren aantrekkelijker maken voor de ondernemers. Zo kunnen subsidies de investeringskosten beperken en kan de overheid invloed uitoefenen op de grondmarkt via opkoop, afwaardering en uitgifte. Grond van stoppers zou zo beschikbaar kunnen blijven voor de landbouw en daarmee de extensivering vergemakkelijken. Verder kunnen melkveehouders aanvullende inkomsten halen uit bijvoorbeeld vergoedingen voor agrarisch natuurbeheer (zoals de al bestaande regeling ANLb), ecosysteemdiensten of carbon credits. Aanvullende inkomsten kunnen ook uit de markt komen als ondernemers hun duurzame product tegen een hogere prijs kunnen verkopen.

Beloning publieke diensten in GLB

Boeren die hun bedrijven verduurzamen leveren in feite publieke diensten zoals koolstofvastlegging, waterbergend vermogen van de bodem, natuurbeheer of een mooi landschap. Overheden kunnen dit stimuleren met een structurele beloning hiervoor. In het toekomstige Europese Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), met name het nieuwe instrument eco-regeling, wordt hierop geanticipeerd. De komende GLB-periode (2023-2027) zal worden gebruikt om dit verder te verfijnen (Bron: Perspectieven voor agrarische ondernemers, brief aan Tweede Kamer van de minister van LNV).

Zuid-Holland streeft naar circulaire landbouw

Een circulaire economie streeft naar waardecreatie in elke schakel van de keten, het minimaliseren van verspilling, hergebruik van materialen en het gebruik van nieuwe grondstoffen uit natuurlijke, hernieuwbare bronnen. Ook in de landbouw kunnen deze principes worden toegepast, bijvoorbeeld door het sluiten van kringlopen, het uitwisselen van reststromen tussen akkerbouw en veeteelt, het ontwikkelen van markten voor regeneratieve teelten, het verkorten van de keten tussen boer en consument en het beperken en verduurzamen van vervoersstromen. De landelijke en provinciale overheden hebben als doel gesteld dat de economie in 2030 voor 50 procent circulair is en in 2050 100 procent. Circulariteit is een belangrijk uitgangspunt van de Zuid-Hollandse Hoofdlijnennotitie Vitale Landbouw van de provincie uit 2020.

22

Terug naar inhoud

4. Gebiedsprocessen zijn al in volle gang We werken aan vitale veenweiden met een gebiedsgerichte aanpak. In drie prioritaire gebieden zijn (lokale) overheden samen met belanghebbenden al bezig met de uitwerking van een gebiedsplan in het kader van de opgave uit het Klimaatakkoord. Op diverse andere plekken worden gebiedsprocessen voorbereid. De gebiedsgerichte benadering die we hanteren houdt in dat we opgaven en doelen vertalen en uitwerken in deelgebiedsplannen. Voor het maken ervan werken belanghebbenden in het gebied – zoals landgebruikers en -eigenaren, maatschappelijke organisaties, gemeenten en waterschappen - samen. Zo kunnen we keuzes maken die aansluiten bij de kenmerken en mogelijkheden van het gebied. Bovendien kunnen we ruimte creëren voor aanvullende wensen in het gebied, zogenoemde meekoppeldoelen. Om de opgaven uit het Klimaatakkoord aan te pakken, hebben we ervoor gekozen om snel van start te gaan in drie prioritaire gebieden: Alblasserwaard, Krimpenerwaard en de omgeving van de Nieuwkoopse Plassen. Dit zijn gebieden met een groot oppervlak veen dat gevoelig is voor bodemdaling en met relatief veel melkveebedrijven. Door voorrang te geven aan deze gebieden kunnen we het snelst stappen zetten met de CO2-reductie. In deze gebieden lopen ook al gebiedsprocessen in het kader van het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

In de andere gebieden moeten ook maatregelen worden genomen. Daar is de insteek eveneens de plannen in gebiedsprocessen uit te werken. Op enkele plekken lopen al processen, op andere staat de ontwikkeling nog aan het begin. In de paragrafen hieronder geven we een stand van zaken, in de prioritaire en overige gebieden.

Gebiedsproces Alblasserwaard

De Alblasserwaard heeft zijn huidige inrichting te danken aan de grote ruilverkaveling in 1955 – 1987. Het gebied kreeg grotere kavels en rechte sloten en wegen. Daarmee volgde het de trend Terug naar inhoud

23

Strategie Vitale Veenweiden Zuid-Holland

naar een efficiënte agrarische productie. Er zijn 352 landbouwbedrijven, 70 procent daarvan zijn melkveehouderijen. In dit moderne productielandschap is relatief veel belangstelling voor agrarisch natuurbeheer.

Gebiedsplan

Voor de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden is een gebiedsplan opgesteld onder de verantwoordelijkheid van de Regiegroep Veenweideaanpak (Vijfheerenlanden is een gemeente in de provincie Utrecht). Deze bestaat uit vertegenwoordigers van agrarische ondernemers, ketenpartijen, natuurbeheerders, de betrokken gemeenten, de provincie en het waterschap. Het gebiedsplan ‘Veenweidenaanpak Alblasserwaard-Vijfheerenlanden’ heeft twee sporen. Spoor 1 is gericht op maatregelen voor de CO2-uitstoot die op de korte termijn mogelijk zijn. Concreet betekent dit onder meer een pilot voor pompgestuurde waterinfiltratie op circa 500 hectare. Daarnaast voorziet het plan in monitoring van de resultaten en het opzetten van een praktijknetwerk grondwater waarin boeren, het waterschap, de provincie, de gemeente en natuurorganisaties gegevens verzamelen om de werking van de systemen te volgen en te kijken naar de gevolgen voor onder meer het waterbeheer en de natuur.

Toekomstperspectief van het gebied

Met spoor 2 sorteert het gebied voor op het vervolg, de ontwikkeling van het gebied tot 2030 en daarna. Dit spoor bestaat uit drie onderdelen: verdere maatregelen voor CO2-reductie, uitbreiding van agrarisch natuurbeheer en een gebiedsproces dat is gericht op de ontwikkeling van duurzaam landgebruik na 2025; met een doorkijk naar 2050. Er komt een langetermijnvisie Landschap en Landbouw (in 2022) met een vertaling naar een ontwikkelings- en uitvoeringsprogramma (in 2023). Daarin is aandacht voor het watersysteem, bodemdaling, biodiversiteit, toekomstbestendige landbouw en natuur-inclusief bouwen. De gemeenten Molenlanden, Gorinchem en Vijfheerenlanden pakken dit op als onderdeel van de Regionale Maatschappelijke Agenda (RMA).

De omgeving van Groot Ammers in de Alblasserwaard

Gebiedsproces Krimpenerwaard

De Krimpenerwaard heeft het meest authentieke veenweidelandschap van het Groene Hart. Anders dan in veel vergelijkbare gebieden heeft hier nooit een groot ruilverkavelingsproject plaatsgevonden. Hierdoor is nog altijd de oorspronkelijke middeleeuwse slagenverkaveling zichtbaar. Een open landschap met lange smalle kavels en koeien in de wei kenmerken het gebied. Hier zijn circa 150 melkveebedrijven actief. Naast kleinschalige boerderijen zijn er enkele zeer grote veehouderijbedrijven.

24

Terug naar inhoud

Strategie Vitale Veenweiden Zuid-Holland

In het gebied wordt gewerkt aan de realisatie van 2.250 ha nieuwe natuur (NNN-opgave), in een gebiedsproces waarbij de gemeente, hoogheemraadschap, provincie, agrarisch ondernemers, natuurorganisaties en andere (particuliere) grondeigenaren samenwerken.

Het kenmerkende landschap van de Krimpenerwaard

Hoofddoel: volhoudbare landbouw

Voor de bredere aanpak van de veenweideproblematiek is het gebiedsplan Veenweidenaanpak Krimpenerwaard 1.0 gestart. Dit is primair gericht op het blijvend agrarisch gebied. Als hoofddoel is geformuleerd: het ontwikkelen van een volhoudbare landbouw in de Krimpenerwaard met minder uitstoot van broeikasgassen en stikstof en met een hogere biodiversiteit en waterkwaliteit. De Veenweideaanpak is tot stand gebracht onder regie van de regiegroep Bodemdaling en Klimaat, waarin agrariërs (op persoonlijke titel), gemeente Krimpenerwaard, Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard en de provincie zijn vertegenwoordigd. Het plan omvat een voorstel voor concrete maatregelen om CO2-emissie te beperken, ideeën voor onderzoek en een gebiedsproces om te komen tot een nieuw ontwerp van het gebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=ab7a7181-530d-48bb-a6b0-74c15227c279