Bijl. 1.a Toelichting
Tekst van het document
De regeling die is opgenomen in het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’ is overgenomen in dit bestemmingsplan.
3.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • Het onderhavige plan zorgt voor behoud van de karakteristieke woonboerderijen en in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; • Vanuit jurisprudentie in dit geval geen sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' en is toetsing aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' niet van toepassing; • Het onderhavige plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders; • Er is sprake van strijdigheid met het vigerend bestemmingsplan. Middels voorliggend bestemmingsplan wordt de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk gemaakt.
34
4
Verantwoording sectorale aspecten
Het bestemmingsplan omvat de percelen Noordzijde 95 (en ook 95/I en 95A), 96, 96/I en 96/II te Noordeloos. Omdat het voorliggend bestemmingsplan uitsluitend voorziet in wijzigingen op het perceel Noordzijde 95 (en 95/I en 95A), zijn de overige percelen in dit hoofdstuk verder buiten beschouwing gelaten.
4.1 Milieueffectrapportage Beleidskader In de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffect- beoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de toevoeging van een wooneenheid binnen bestaande bebouwing. De activiteit, het realiseren van woningen, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D11.2 van het Besluit m.e.r. Het plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling bestaande uit de juridisch-planologische toevoeging van 1 wooneenheid. Gezien de kleinschaligheid is er geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. Bij dit aantal woningen, onder de grenswaarde van 2.000 woningen waarvoor een direct m.e.r-plicht geldt, geldt wel de vergewisplicht.
Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Kenmerken van het plan Het plan maakt het juridisch planologisch mogelijk om de hooibergschuur te gebruiken als woning. Behoudens de standaard toegestane aan-huis-gebonden beroepen en bedrijven zullen er geen andere bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. De kantoorfunctie wordt uit het bestemmingsplan verwijderd. Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen in het woonlint langs de Noordzijde, ten oosten van de bebouwde kom van Noordeloos. Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 3,7 kilometer is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied gelegen. Het betreft de ‘Zouweboezem’.
35
Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen afnemen (zie paragraaf 2.2.2 van deze toelichting). Significante negatieve effecten op het milieu zijn vanwege de kleinschaligheid van het plan niet te verwachten. Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieu- aspecten. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wm.
36
4.2 Watertoets Beleidskader In het onderhavige plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijvoorbeeld evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen. Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door onder andere centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen.
Verordening ‘de Keur’ Het waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de Keur is geregeld dat langs A- en Bwatergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Voor een A- en een B-watergang gelden in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een beschermingszone van 5 en 1 meter. Werkzaamheden binnen deze beschermingszones zijn vergunnings- en/of meldingsplichting. Onderzoek Voor het onderhavige plan is de digitale watertoets doorlopen. De uitkomsten van de digitale watertoets zijn toegevoegd in de bijlage van de toelichting.
37
Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied OVW014. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,74 meter NAP en een winterpeil van –1,84 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.
Plangebied
Afbeelding 15: Uitsnede peilgebiedenkaart
Watergangen In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere watergangen gelegen. Het plan voorziet niet in werkzaamheden in een watergang of binnen een beschermingszone van een watergang. Met betrekking tot de watergangen hoeft geen watervergunning aangevraagd te worden bij het Waterschap Rivierenland.
Afbeelding 16: Uitsnede legger wateren
38
Waterkering Het plangebied is gelegen aan een regionale waterkering. Er vinden geen werkzaamheden plaats binnen de beschermings- en/of kernzone van de regionale waterkering. Ter bescherming van de waterkering wordt ter plaatse van de kernzone van de waterkering de dubbelbestemming ‘Waterschap – Waterkering’ opgenomen en ter plaatse van de beschermingszone van de regionale waterkering de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’.
Afbeelding 17: Uitsnede legger waterkeringen
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren. In het landelijk en stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2 respectievelijk 500 m2. Indien de toename aan verhard oppervlak groter is dan de vrijstelling, mag het vrijgestelde oppervlak in mindering worden gebracht.
39
Het plan voorziet in het toevoegen van een woning in de hooibergschuur waar thans een kantoor is gevestigd. Verder is het bestemmingsplan conserverend van aard. Er wordt verder niet verwacht dat er extra verharding wordt aangelegd. De nieuwe woning maakt gebruik van dezelfde ontsluiting als de woonboerderij. Doordat er geen nieuwe verharding wordt aangebracht, zijn watercompenserende maatregelen niet nodig. Mocht desondanks te zijner tijd blijken dat er wel verharding wordt aangelegd of nieuwe (bij)gebouwen worden gerealiseerd, zijn wel watercompenserende maatregelen noodzakelijk. Eventueel kan te zijner tijd gebruik worden gemaakt van de eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m² als deze vrijstelling niet eerder is gebruikt. De afdeling Vergunningen van het waterschap bepaald uiteindelijk of gebruik kan worden gemaakt van de eenmalige particuliere vrijstelling. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.
Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. De initiatiefnemer maakt in de huidige situatie gebruik van een regenton. Het opgevangen hemelwater wordt gebruikt om de (moes)tuin de besproeien.
Het overige hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem of wordt afgevoerd naar het omliggende oppervlaktewater. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. Het kantoor in de hooibergschuur is reeds al aangesloten op het gescheiden rioleringsstelsel. De nieuwe woning zal gebruik maken van de bestaande aansluiting. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het waterschap.
40
Wegbeheer Het plangebied wordt ontsloten middels een in- en uitrit op de Noordzijde. Middels het onderhavige plan zal deze situatie niet wijzigen. Indien de in- en uitrit wel wordt gewijzigd dient een vergunning aangevraagd te worden bij het waterschap. De Noordzijde is opgenomen als 15T-zone. Dat wil zeggen dat de Noordzijde gesloten is voor verkeer zwaarder dan 15 ton. Indien het noodzakelijk is om verkeer zwaarder dan 15 ton over deze wegen te laten plaatsvinden, dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenlanden. Conclusie Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Indien te zijner tijd verharding wordt aangebracht of (bij)gebouwen worden gerealiseerd, zijn watercompenserende maatregelen nodig. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van de eenmalige particuliere vrijstelling indien hier nog geen gebruik van is gemaakt. De afdeling Vergunningen van het waterschap bepaald uiteindelijk of gebruik kan worden gemaakt van deze vrijstelling.
41
4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige objecten en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. De Wgh stelt dat alle wegen een geluidszone hebben, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-wegen. Conform artikel 74 lid 2 van de Wgh hoeft geen akoestisch onderzoek te worden verricht voor 30 km/h wegen. De wettelijke voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige objecten binnen de geluidszone van wegen bedraagt 48 dB, de maximaal te ontheffen geluidsbelasting bedraagt 58 dB in landelijk gebied en 63 dB in stedelijk gebied. Onderzoek Het plangebied ligt binnen de invloedsfeer van enkele wegen. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, waardoor deze bronnen buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Het onderhavige plan betreft de toevoeging van één wooneenheid.
In het kader van de Wgh is hiermee sprake van het toevoegen van een nieuw geluidsgevoelig object en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd door Adromi. De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat: • De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Noordzijde, Botersloot en Hugo Botterweg ten hoogste respectievelijk 44 dB, 41 dB en 36 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelastingen zijn niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer; • De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen ten hoogste 46 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; • De woning beschikt alzijdig over geluidluwe gevels en een geluidluwe buitenruimte, zodat aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan. Voor deze woning hoeft geen hogere waarde te worden vastgesteld omdat de voorkeursgrens-waarden voor wegverkeerslawaai niet worden overschreden. Algemeen geldt dat voor verblijfsruimten met een geluidbelasting tot 53 dB, excl. aftrek art. 110g Wgh zonder aanvullende geluidwerende voorzieningen en bij toepassing van gebruikelijke bouwconstructies/materialen (spouwmuren, standaard dubbel glas, enkele kierdichting, ventilatieroosters etc.) een minimale geluidwering van 20 dB wordt bereikt.
42
Een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevel is derhalve niet noodzakelijk.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.
43
4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit Luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit Luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. Tabel 4: Grenswaarden Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide Jaargemiddelde 40 µg/m3 (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde 40 µg/m3 concentratie 24-uurgemiddelde Max. 35 keer p.j. concentratie meer dan 50 µg/m3 Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde 25 µg/m3 concentratie Voor roet gelden thans nog geen grenswaarden.
Geldig Vanaf 2015 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015
Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2021 het volgende overzicht voor het jaar 2020 (rekenpunt 16001754): • Een stikstofconcentratie van 19,34 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 16,22 µg PM10/m3 (met minder dan 7 normoverschrijdingsdagen); • Een fijnstofconcentratie van 8,92 µg PM2,5/m3.
44
Voor het plangebied wordt geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan. Daarnaast wordt gesteld dat het plan valt binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
45
4.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.
Tabel 5: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) Milieucategorie Rustige woonwijk en Gemengd gebied rustig buitengebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Het onderhavige plan betreft de toevoeging van een woning. Hiermee is sprake van het toevoegen van een milieugevoelig object. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele belemmeringen in de bedrijfsvoering van omliggende relevante bedrijven als gevolg van het onderhavige plan. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Ter plaatse van het onderhavige plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Daar is in onderhavig geval sprake van. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden worden gerechtvaardigd. De richtafstanden voor de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied mogen één afstandstrap worden verlaagd.
46
Daarnaast heeft de gemeenteraad van Molenlanden een Geurverordening vastgesteld. Met de geurverordening wordt afgeweken van de richtafstanden voor geur voor agrarische bedrijven waar dieren worden gehouden zonder door de minister vastgestelde geuremissiefactor. Middels de Geurverordening wordt de richtafstand voor geur tot een gevoelig object buiten de bebouwde kom gereduceerd naar 25 meter. In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende relevante bedrijven gevestigd. Tabel 6: Omliggende bedrijven Adres Functie Noordzijde 91 Noordzijde 97 Noordzijde 98 Botersloot 49 Naast Botersloot 50
Metaaloppervlaktebehandelingsbedrijf: algemeen* Hoveniersbedrijf Agrarisch bedrijf Agrarisch bedrijf Hoveniersbedrijf
Milieucat. 3.2
Zwaarste richtafstand 50 meter
Werkelijke afstand 43 meter
3.1 3.2 3.2 3.1
30 meter 25 meter 25 meter 30 meter
46 meter 83 meter 74 meter 67 meter
* Volgens de website van Bassa Staal wordt ter plaatse staal geknipt, gezaagd, geboord en gesneden. Het stralen, spuiten en galvaniseren wordt gedaan door een ander bedrijf en vindt dus niet plaats aan de Noordzijde. Het knippen, zagen, boren en snijden van metaal is niet opgenomen in de VNG Handreiking. Derhalve is aangesloten bij de categorie algemeen (SBI-2008 code 2561, 3311).
Afbeelding 18: Afstanden omliggende bedrijven t.o.v. nieuwe woning
47
De nieuwe woning voldoet aan de richtafstanden van omliggende bedrijven, behoudens aan de richtafstand van geluid vanwege het metaaloppervlaktebehandelingsbedrijf aan de Noordzijde 91. Het bewerken (knippen, zagen, boren en snijden) van het metaal vindt echter uitsluitend inpandig plaats. Daardoor is het gerechtvaardigd om te meten vanaf de nieuwe woning die het plan mogelijk maakt tot het bouwvlak van de bedrijfsbestemming (bedrijfsgebouwen zijn namelijk uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan). De afstand betreft in dat geval 103 meter. Daarmee wordt ruim voldaan aan de richtafstanden uit de VNG Handreiking en kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de hooibergschuur.
Juridisch-planologische toevoeging burgerwoning
Afbeelding 19: Afstand nieuwe woning tot bedrijfsgebouw Noordzijde 91
Het huidig bestemmingsplan staat nieuwe bedrijfsgebouwen toe op het bedrijfsterrein Noordzijde 91. Daardoor heeft het bedrijf de mogelijkheid om in de toekomst bedrijfsgebouwen op kortere afstand dan 103 meter te realiseren. Volgens het bestemmingsplan zijn bedrijfsgebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan. De afstand van de hooibergschuur waarin een woning wordt geïntegreerd is gelegen op een afstand van 64 meter tot het bouwvlak van het bedrijfsterrein Noordzijde 91. Ook dan wordt er voldaan aan de richtafstanden. Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat voldaan wordt aan de gestelde richtafstanden. Gesteld kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en omliggende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.
48
4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij de invloed van de externe veiligheid wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico’s door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico’s door stationaire (inrichtingsgebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico’s door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de wet milieubeheer. Naast het plaatsgebonden risico wordt ook gekeken naar het groepsrisico. De normen worden weergegeven door middel van risicocontouren. Onderzoek Invloed van stationaire bronnen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken en LPG-tankstations. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij huizen, ziekenhuizen, scholen of winkels.
Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Het besluit is, op enkele onderdelen na, op 27 oktober 2004 in werking getreden. Nieuwe kwetsbare objecten mogen niet worden gerealiseerd in gebieden waar sprake is van een plaatsgebonden risico van meer dan 10-6 per jaar. Voor het PR geldt als norm dat dit kleiner dan 10-6 per jaar moet zijn. De kans per jaar dat één persoon, die op een bepaalde plaats verblijft, komt te overlijden door een ongeval van het vervoer van gevaarlijke stoffen moet kleiner zijn dan 1 op 1 miljoen. Ook het vaststellen van een bestemmingsplan geldt als een nieuwe situatie, waarbij voldaan moet worden aan de eisen uit het Bevi. Concreet betekent dit dat kwetsbare objecten binnen de 10-6 per jaar contour niet zijn toegestaan. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden toegestaan. Wanneer zich binnen de 10-6 per jaar contour kwetsbare objecten kan een bestemmingsplan worden vastgesteld mits er zodanige voorschriften aan het besluit zijn verbonden dan wel er een traject van wijziging van de milieuvergunning is ingezet, zodat binnen 3 jaar na vaststelling van het besluit voldaan wordt aan de grenswaarde (artikel 8 lid 3 Bevi).
Wel dient in de tussentijd voldaan te worden aan de grenswaarde van 10-5 per jaar. Naast Bevi-inrichtingen zijn er ook inrichting die niet onder het Bevi vallen, maar waar wel opslag van risicovolle stoffen plaatsvindt. Regulering van de risico- aspecten die samenhangen met de opslag van deze stoffen vindt plaats middels het Activiteitenbesluit dan wel de WM vergunning. Een belangrijke richtlijn voor opslag en gebruik vormen de zogenaamde PGS richtlijnen. De PGS richtlijnen beschrijven de eisen voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu kan worden bereikt. 49
Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvinden en/of inrichtingen waar werkzaamheden met gevaarlijke stoffen plaatsvinden die een bedreiging kunnen vormen voor het onderhavige plan.
517 meter
Afbeelding 20: Uitsnede Risicokaart
Invloed transport gevaarlijke stoffen – buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. Op een afstand van 517 meter is aardgasleiding A-555-08 van Gasunie gelegen. De buisleiding heeft een diameter van 324 mm met een maximale werkdruk van 66,2 bar. De leiding heeft geen PR 10-6-jaarcontour, waardoor wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Wat betreft de leiding is het zeer aannemelijk dat het groepsrisico ter hoogte van het plangebied met weinig populatie lager is en blijft dan een factor 1000 lager dan de oriëntatiewaarde. Invloed transport gevaarlijke stoffen – transportroutes Het Besluit externe veiligheid transportroutes, per 1 april 2015 van kracht, stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Wegverkeer In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Incidentele 50
transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Vaarwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
51
4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan. Ten aanzien van riolering wordt gebruik gemaakt van de bestaande rioolaansluitingen. Op dit moment is zowel het voor- als het achterhuis van de woonboerderij aangesloten, alsook het kantoor in de hooimijt. Qua gemeentelijke rioolaansluitingen veranderd er niets. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
52
4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Middels het bestemmingsplan wordt een wooneenheid toegevoegd in een bestaand kantoor (de hooibergschuur). De muren, constructie en daken blijven onaangetast. Buiten het gebouw en inpandig zullen geen werkzaamheden plaatsvinden die bedreigend zijn voor (beschermde) flora en fauna. Een ecologische quickscan is daardoor niet nodig. Het plangebied maakt verder geen onderdeel van een beschermd gebied. Het plangebied is gelegen op een afstand van 1,1 kilometer tot het Natuurnetwerk Nederland en 3,7 kilometer tot een Natura 2000-gebied. Gezien de afstanden en de kleinschaligheid van het plan wordt ten aanzien van het aspect gebiedsbescherming tevens geen belemmeringen bezien. Het plan zal geen significante negatieve invloed hebben op beschermde gebieden.
1,1 km
Afbeelding 21: Afstand plangebied tot Natuurnetwerk Nederland (NNN)
53
4,8 km
3,7 km
5,9 km Afbeelding 22: Afstand plangebied tot Natura 2000-gebieden
Daarnaast voorziet het plan niet in het kappen van houtopstanden. Gesteld wordt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. In het kader van de Algemene zorgplicht dient te allen tijde voorzichtig gehandeld te worden met alle voorkomende flora en fauna. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect ecologie geen belemmeringen.
54
4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Dit plan voorziet in de transformatie van een bestaand kantoor in de hooibergschuur naar een burgerwoning. De locatie heeft op dit moment al een woonbestemming, waardoor kan worden gesteld dat de bodemkwaliteit thans al geschikt is om op te wonen. Verder voorziet het plan niet in bodemingrepen en wordt er geen grond vervoerd. Geconcludeerd wordt dat een bodemonderzoek voor dit plan niet nodig is. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen.
55
4.10 Archeologie en cultuurhistorie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. De Erfgoedwet maakt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument. Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden.
Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Archeologie Het plan voorziet niet in bodemwerkzaamheden waardoor geconcludeerd wordt dat eventueel aanwezige archeologische waarden in de bodem niet kunnen worden aangetast. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is hiermee niet nodig. Ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie – 2 en 4’ overgenomen uit het vigerend bestemmingsplan. Cultuurhistorie/beschermd dorpsgezicht en Rijksmonument Het plangebied ligt binnen het beschermd dorpsgezicht van Noordeloos. Beschermd dorpsgezicht is een kwalificatie van een gebouw of een groep gebouwen die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang. In het beschermde dorpsgezicht van Noordeloos staan enkele historische boerderijen uit de 17e en 18e eeuw. Wanneer deze gebouwen aangemerkt zijn als 'beschermd dorpsgezicht' mogen deze niet worden afgebroken 56
of worden gewijzigd zonder een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders. Ook gebouwen die niet worden aangemerkt als monument – zoals de hooibergschuur binnen het plangebied – kunnen hieronder vallen. Vaak bepalen een aantal gebouwen samen, of de ruimtelijke structuur en de onderlinge samenhang van de gebouwen, het historisch karakter van een dorp. Het beschermd dorpsgezicht is als zodanig aangewezen ingevolge de toepassing van artikel 35 van de Monumentenwet 1988 (thans vervangen door de Erfgoedwet), en daarmee een rijksmonument.
Plangebied
Afbeelding 23: Uitsnede kaart Beschermde Stads- en Dorpsgezichten
Daarnaast zijn de woonboerderij en de hooibergschuur per 31 oktober 1967 ingeschreven in het Rijksmonumentenregister (monumentnummer 30648). De omschrijving van het monument luidt als volgt: ‘Gave boerderij, blijkens gevelsteentje in de voorgevel uit 1706. Woonhuis en stal onder een rieten zadeldak. In de voorgevel vensters met kleine roedenverdeling; in de linker zijgevel zijtopgevel met vlechtingen en vensters met kleine roedenverdeling. In de zijgevel van de stal baanderdeuren onder opgewipt dak. Rechts van de boerderij een hooiberg, deels baksteen, deels hout.’ Met het verdwijnen van de kantoorfunctie komen de rijksmonumentale boerderij en karakteristieke hooibergschuur vrij voor een nieuwe invulling. Het achterhuis van de boerderij wordt gebruikt als woning en middels dit plan wordt de hooibergschuur functioneel gewijzigd naar een burgerwoning. Met de bewoning van de boerderij wordt draagvlak gecreëerd voor het onderhoud. Immers, het gebouw wordt bewoond door meerdere huishoudens waardoor de relatief hoge kosten aan de rijksmonumentale boerderij gedeeld kunnen worden. Dit draagt bij aan de instandhouding en toekomstbestendigheid van het rijksmonument.
57
Mede vanwege de hooibergschuur heeft het plangebied een uitstraling van een boerenerf, hetgeen zo karakteristiek is in de cultuurhistorische lintbebouwing langs de Noordzijde en het beschermd dorpsgezicht van Noordeloos. Met de nieuwe invulling van de hooibergschuur als burgerwoning blijft deze schuur behouden, hetgeen bijdraagt aan de instandhouding van de karakteristieken van het cultuurhistorisch lint en het beschermd dorpsgezicht van Noordeloos. Ter bescherming van de cultuurhistorische waarden/het dorpsgezicht van Noordeloos wordt de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ overgenomen in het onderhavig bestemmingsplan. Ter behoud en bescherming van de instandhouding van het rijksmonument wordt de aanduiding ‘karakteristiek’ op de woonboerderij en de hooibergschuur gelegd. Het bestemmingsplan is voorgelegd aan de gemeentelijke Erfgoedcommissie. De Erfgoedcommissie is positief over het plan en is in afwachting van de bouwkundige uitwerkingen van het plan in een later stadium. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie geen belemmeringen. Ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie – 2 en 4’ overgenomen uit het vigerend bestemmingsplan.
Het plan draagt tevens bij aan de instandhouding van de Rijksmonumentale woonboerderij en hooibergschuur en daarmee het behoud van het cultuurhistorisch karakter van het beschermd dorpsgezicht. Ten behoeve van de instandhouding van de cultuurhistorische waarde is de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ overgenomen uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’. Ter behoud en bescherming van de instandhouding van het rijksmonument wordt de aanduiding ‘karakteristiek’ op de woonboerderij en de hooibergschuur gelegd.
58
4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De huidige hooibergschuur wordt thans gebruikt als kantoor die voorzien is van zonnepanelen voor het opwekken van groene stroom. Met het plan wordt het kantoor gewijzigd naar een burgerwoning die ook gebruik zal maken van de zonnepanelen. Daarnaast wordt de nieuwe woning niet aangesloten op het gasnetwerk, waardoor er geen emissies plaatsvinden door stookinstallaties. Er wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om meer duurzame toepassingen in het plan te integreren. Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. Wateroverlast door overvloedige neerslag Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien op te kunnen vangen.
Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem. Het plan betreft een kleinschalige ontwikkeling. Er vinden geen ingrepen aan de watergangen plaats. Een groot deel van het plangebied blijft groen waarmee hemelwater in de bodem kan infiltreren. Hiermee is voldoende waterberging aanwezig om zware regenbuiten te kunnen opvangen. Het belang van groene tuinen wordt onder de aandacht gebracht. Overstroming Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. De nieuwe woning wordt buiten het profiel van vrije ruimte van de nabijgelegen regionale waterkering gerealiseerd. Hitte Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van de woning rekening gehouden met de accumulatie van warmte. Het plan voorziet uitsluitend in het toevoegen van een woning in een bestaande hooibergschuur. Er wordt geen extra verharding toegevoegd waardoor er meer hittestress zou kunnen ontstaan. Het aspect hittestress is bij de initiatiefnemers onder de aandacht gebracht. Mogelijk dat in de nieuwe woning een installatie wordt geïnstalleerd die naast verwarmen ook kan koelen.
59
Droogte Omdat het steeds droger wordt, zal de bodem sneller verdroogt raken. In de huidige situatie wordt hemelwater al opgevangen met behulp van een regenton. Indien houtstructuren of planten door droogte een gebrek aan water hebben, kan het opgevangen hemelwater gebruikt worden om de bodem te hydrateren. De beplanting kan daardoor blijven voorzien in het afbreken van CO2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier.
60
5
Juridische planbeschrijving
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Noordeloos, Noordzijde 95’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Noordeloos, Noordzijde 95’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Noordeloos, Noordzijde 95’ is aangesloten bij de bestemmingsplannen ‘Buitengebied Giessenlanden’, ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’ en ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’ De regels bestaan uit 4 hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
5.3 Bestemmingen Agrarisch Ten behoeve van de instandhouding van het veenweidelandschap en de landschappelijke en cultuurhistorische waarden in de vorm van de slagenverkaveling en de doorzichten te waarborgen. Tuin De tuinbestemming op het voorerf blijft behouden. Wonen De woonbestemming op de percelen Noordzijde 96, 96/I en 96/II te Noordeloos blijven behouden. Het bouwvlak blijft hetzelfde en blijft voorzien van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 3’. Het bestemmingsplan is op deze percelen conserverend, wat wil zeggen dat hier juridisch-planologisch geen wijzigingen plaatsvinden.
61
Wonen – 1 Het perceel Noordzijde 95 wordt voorzien van de bestemming Wonen – 1. Daarnaast wordt de agrarische bestemming op het achtererf – welke thans wordt gebruikt als woonerf – gewijzigd naar Wonen – 1. Binnen deze bestemming wordt het plan juridisch-planologisch gemaakt. Op de boerderij blijven de aanduidingen ‘maximum aantal wooneenheden: 2’ en ‘karakteristiek’ behouden. Op de hooibergschuur wordt de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 1’ en de aanduiding ‘karakteristiek’ toegevoegd. De woonbestemming wordt aan de noordzijde iets uitgebreid, zodat het woonerf iets groter wordt en de overkapping en de schuur met zonnepanelen binnen de woonbestemming komt te vallen. Waarde – Archeologie – 2 en 4 De dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie – 2 en 4' zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in de bodem. Waarde – Cultuurhistorie Ter bescherming van en het behoud van de cultuurhistorische waarden ter plaatse is de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ overgenomen. Waterstaat – Waterkering Ter bescherming van de waterkering is de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ overgenomen.
5.4 Aanduidingen • • • • •
Bouwvlakken; Bouwaanduiding ‘karakteristiek’; Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’; Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 1, 2 en 3’.
62