CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijl. 1.a Toelichting

Raadsvergadering 18 april 2023, gemeente MolenlandenBij agendapunt: 5c. Raadsvoorstel Bestemmingsplan Noordeloos, Noordzijde 9514.764 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting bestemmingsplan ‘Noordeloos, Noordzijde 95’

Toelichting bestemmingsplan ‘Noordeloos, Noordzijde 95’

Identificatie NL.IMRO.1986.BPnoordzijde95NDL-VG01 Datum 02-03-2023 Planstatus Vastgesteld Versie 2.0

2

Inhoud 1

Inleiding ....................................................................................................................................... 5 1.1

Aanleiding .................................................................................................. 5

1.2

Plangebied .................................................................................................. 5

1.3

Belang ........................................................................................................ 6

1.4

Kader .......................................................................................................... 7

1.5

Maatschappelijk resultaat ........................................................................... 8

1.6

Maatschappelijk draagvlak .......................................................................... 8

1.7

Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid.............................. 9

1.8

Communicatie ............................................................................................ 9

1.9

Realisatie .................................................................................................... 9

1.10 Leeswijzer................................................................................................... 9 2

3

4

Planbeschrijving .................................................................................................................... 10 2.1

Bestaande situatie ..................................................................................... 10

2.2

Nieuwe situatie ......................................................................................... 14

Verantwoording beleidskader ......................................................................................... 19 3.1

Rijksbeleid ................................................................................................ 19

3.2

Provinciaal beleid ...................................................................................... 22

3.3

Regionaal beleid ....................................................................................... 29

3.4

Gemeentelijk beleid .................................................................................. 31

3.5

Conclusie .................................................................................................. 34

Verantwoording sectorale aspecten ............................................................................. 35 4.1

Milieueffectrapportage .............................................................................. 35

4.2

Watertoets ................................................................................................ 37

4.3

Geluid ....................................................................................................... 42

4.4

Luchtkwaliteit ........................................................................................... 44

4.5

Bedrijven- en milieuhinder ........................................................................ 46

4.6

Externe veiligheid ..................................................................................... 49

4.7

Kabels en leidingen................................................................................... 52

4.8

Ecologie .................................................................................................... 53

4.9

Bodem ...................................................................................................... 55

4.10 Archeologie en cultuurhistorie .................................................................. 56 4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie ........................................................... 59 5

Juridische planbeschrijving .............................................................................................. 61 5.1

Inleiding ................................................................................................... 61

5.2

Systematiek van de regels ......................................................................... 61 3

5.3

Bestemmingen .......................................................................................... 61

5.4

Aanduidingen ........................................................................................... 62

Bijlage 1

Omschrijving Landschappelijk inrichtingsschets Plattegronden, aanzichten en doorsnede boerderij

Auteur Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten Lakerveld ingenieurs& architectenbureau

Referentie Noordzijde 95 – Noordeloos 21XXX DO.01

Datum 23-06-2022

3

Bestaande situatietekening hooibergschuur

Lakerveld ingenieurs& architectenbureau

21XXX DO.02

-

4

Digitale watertoets

Waterschap Rivierenland

-

15-11-2021

5

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Voortman Ingenieurs

R-JVO/1750

10-12-2021

6

Uitdraai Rijksmonumentenregister

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Monumentnummer 30648

24-11-2021

2

-

4

1

Inleiding

1.1 Aanleiding Op de percelen Noordzijde 95, 95/I en 95A (hierna: Noordzijde 95) te Noordeloos is een rijksmonumentale woonboerderij met hooibergschuur (monumentnummer 30648) gelegen. Achterop het perceel bevinden zich tevens enkele andere bijgebouwen. In het achterhuis van de boerderij en in de hooibergschuur met aanbouwen is ruim 35 jaar Lakerveld Ingenieus- & Architectenbureau gehuisvest. In het voorhuis woont de eigenaar van dit bureau. Ten behoeve van een gezonde groei en ontwikkeling van het architectenbureau heeft de eigenaar besloten om de leiding over te dragen aan de jongere generatie, zodat deze generatie het bureau gaat overnemen en voortzetten. De huidige bedrijfseigenaar en bewoner van het voorhuis zal zich op termijn terugtrekken. Dit zal ook betekenen dat het bureau op termijn gaat verhuizen naar een nieuwe locatie en daarmee het achterhuis van de boerderij en de hooibergschuur vrijkomt voor een nieuwe invulling. De initiatiefnemer is voornemens om het achterhuis weer te gaan gebruiken als burgerwoning. Daarnaast wordt met dit plan een burgerwoning toegevoegd in de hooibergschuur. Zodoende kunnen de twee kinderen van de initiatiefnemer met hun gezin in het achterhuis en de hooibergschuur komen te wonen. Hiermee krijgt de gehele boerderij met hooibergschuur een toekomstbestendig gebruik, zodat het rijksmonument in stand gehouden kan worden.

Het plan is echter in strijd met het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’. Hoewel de boerderij thans al gebruikt mag worden ten behoeve van 2 wooneenheden, is dit niet het geval bij de hooibergschuur. De hooibergschuur is voorzien van een woonbestemming met de aanduiding ‘maximaal aantal wooneenheden: 3’. Ter plaatse van deze aanduiding zijn thans al 3 wooneenheden aanwezig, waardoor het toevoegen van een woning in de hooibergschuur volgens het vigerend bestemmingsplan niet mogelijk is. Middels een principeverzoek is het voorgenomen plan voorgelegd aan de gemeente Molenlanden. In een schriftelijke reactie heeft de gemeente aangegeven in principe medewerking te verlenen aan het initiatief middels een bestemmingsplanprocedure.

1.2 Plangebied De ontwikkeling bevindt zich op het perceel Noordzijde 95 te Noordeloos. Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Noordeloos, sectie C, nummers 456, 573 en 664. Het perceel wordt aan de zuidzijde begrensd door de openbare weg Noordzijde en aan de oostzijde door de perceelsgrens van Noordzijde 96. De perceelsgrens van Noordzijde 94 zorgt voor de westelijke begrenzing van het plangebied en ten noorden van het plangebied bevindt zich het open slagenlandschap.

5

Vanwege juridisch-planologische redenen dient het plangebied ten behoeve van het bestemmingsplan vergroot te worden, waardoor de woningen Noordzijde 96, 96/I en 96/II tevens onder het plangebied vallen. Dit heeft te maken met het feit dat de hooibergschuur en deze 3 woningen allen binnen de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 3’ uit het vigerend bestemmingsplan vallen. Om binnen deze aanduiding een extra woning mogelijk te maken, moet deze aanduiding aangepast worden. Het bestemmingsplan heeft op de percelen Noordzijde 96, 96/I en 96/II een conserverend karakter.

Plangebied bestemmingsplan

Noordzijde 96, 96/I en 96/II

Noordzijde 95

Afbeelding 1: Begrenzing plangebied

1.3 Belang De gemeente Molenlanden geeft toestemming aan een plan wanneer het plan bijdraagt aan het behalen van gemeentelijke en/of regionale doelstellingen, een bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit (of daar tenminste geen afbreuk aan doet) en overige belangen niet onevenredig nadelig worden beïnvloed. Vanwege het vertrek van Lakerveld Ingenieus- & Architectenbureau komt het achterhuis van de rijksmonumentale boerderij en hooibergschuur leeg te staan. Om 6

leegstand te voorkomen krijgen deze gebouwen een nieuwe invulling in de vorm van burgerwoningen. Door het achterhuis weer bewoonbaar te maken kan de rijksmonumentale woonboerderij bewoond worden door twee huishoudens. Vanwege de rijksmonumentale status van de boerderij zijn de onderhoudskosten vrij hoog. In de toekomst kunnen deze kosten gedeeld worden onder de huishoudens, waardoor de kosten per huishouden worden gedrukt en daardoor meer draagvlak zal ontstaan voor het onderhoud. Op deze manier ontstaat er een toekomstbestendige situatie ten aanzien van het onderhoud en daarmee de instandhouding van de karakteristieke woonboerderij. Het plan draagt daarmee bij aan het behoud van het rijksmonument en het cultuurhistorisch waardevol bezit in Noordeloos. Hetzelfde geldt voor de hooibergschuur. Deze schuur heeft net als de boerderij een rijksmonumentale status en ook de onderhoudskosten van deze hooibergschuur zijn hoog. Met de nieuwe invulling als burgerwoning blijft deze hooibergschuur behouden, hetgeen bijdraagt aan de instandhouding van de karakteristieken van het cultuurhistorisch lint en het beschermd dorpsgezicht van Noordeloos. Daarnaast maakt de hooibergschuur onderdeel uit van de karakteristieke uitstraling van het gehele perceel.

Hierdoor heeft het perceel een uitstraling als boerenerf, hetgeen zo karakteristiek is in de cultuurhistorische lintbebouwing langs de Noordzijde en het beschermd dorpsgezicht van Noordeloos. Met dit plan blijft dit behouden. Tenslotte wordt met het plan leegstand en daarmee verpaupering en aantasting van de ruimtelijke kwaliteit voorkomen. Het plan is een passende ontwikkeling voor de gemeente Molenlanden.

1.4 Kader Bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’, dat door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Giessenlanden is vastgesteld op 27 juni 2013. Het plangebied heeft hierin de enkelbestemmingen: • Agrarisch; • Tuin; • Wonen. De dubbelbestemmingen: • Waarde – Archeologie – 2; • Waarde – Archeologie – 4; • Waarde – Cultuurhistorie; • Waterstaat – Waterkering. En de aanduidingen: • Bouwvlakken; • Functieaanduiding ‘kantoor’; • Functieaanduiding ‘karakteristiek’; • Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk’; 7

• •

Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 2’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 3’.

Afbeelding 2: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’

1.5 Maatschappelijk resultaat Met de vaststelling van het bestemmingsplan wordt een nieuwe, geactualiseerde en gedigitaliseerde juridische regeling geboden. Middels het bestemmingsplan wordt het juridisch-planologisch mogelijk gemaakt om de hooibergschuur te gebruiken als burgerwoning. Daarnaast wordt het mogelijk gemaakt om het gehele achtererf te gebruiken als woonerf door de agrarische bestemming te wijzigen naar een woonbestemming.

1.6 Maatschappelijk draagvlak Participatie In het kader van een goede ruimtelijke ordening en een goede relatie met de directe buren heeft de initiatiefnemer het plan voorgelegd aan de buren. De buren hebben aangegeven positief tegenover het plan te staan.

8

Vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan opgestuurd naar de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, de provincie Zuid-Holland en het waterschap Rivierenland. Het bestemmingsplan is tevens voorgelegd aan de gemeentelijke Erfgoedcommissie. De Erfgoedcommissie is positief over het plan en is in afwachting van de bouwkundige uitwerkingen van het plan in een later stadium. Zienswijzen Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken hebben vanaf 29 december 2022 gedurende zes weken ter inzage gelegen (Gemeenteblad 2022, nr. 567759), waarbij eenieder in de gelegenheid werd gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Er zijn geen zienswijzen binnengekomen.

1.7 Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente is een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

1.8 Communicatie Er wordt op de wettelijke manier gecommuniceerd over de te voeren procedure (via het Kontakt en het Gemeenteblad).

1.9 Realisatie Wanneer na vaststelling van het bestemmingsplan geen beroep wordt ingediend, is het bestemmingsplan na de beroepstermijn onherroepelijk. De omgevingsvergunning voor het plan kan dan worden aangevraagd.

1.10 Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van de planontwikkeling zijn beschreven: • Hoofdstuk 2: Planbeschrijving; • Hoofdstuk 3: Verantwoording beleidskader; • Hoofdstuk 4: Verantwoording sectorale aspecten; • Hoofdstuk 5: Juridische planbeschrijving.

9

2

Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie 2.1.1 Ontstaansgeschiedenis en stedenbouwkundige structuur De kern van Noordeloos is gelegen langs een natuurlijk veenriviertje, genaamd de Noordeloos. Vanuit de klei houdende stroomrug langs dit riviertje is het oorspronkelijke dorpje ontstaan. Deze hoger gelegen stroomruggen waren namelijk droger en beter van ondergrond om op te bouwen. Vanuit het dorp heeft men het achterliggende polderlandschap ontgonnen, iets wat goed te zien is in de huidige ligging van de slagen in het landschap. Het centrum van Noordeloos kenmerkt zich door een dichte, soms stedelijke bebouwingsdichtheid. Rond de kerk is van oudsher een concentratie aan bebouwing ontstaan. Anno 2020/2021 is de kern door latere uitbreiding, daterend uit de 20e eeuw, zowel aan de noord- als de zuidzijde omsloten. Ondanks de latere uitbreidingen wordt het dorpsbeeld grotendeels bepaald door met name monumentale boerderijen. Het dorp Noordeloos is daarmee een karakteristiek voorbeeld van een nederzettingsvorm die rechtstreeks is ontstaan uit de wijze van ontginnen in de Middeleeuwen in een groot deel van het Holland Utrechtse veengebied. De ruimtelijke structuur van de kern Noordeloos is in hoofdlijnen nagenoeg onveranderd gebleven. Het plangebied is gelegen ten oosten van de kern van Noordeloos en is gelegen aan de cultuurhistorische lintbebouwing aan de Noordzijde.

De stedenbouwkundige structuur in de directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich door grotere bouwensembles met open ruimtes ertussen. De historische lintbebouwing kenmerkt zich door een verscheidenheid aan functies (woningen en bedrijvigheid door elkaar) en de afwisseling van (grotere) cultuurhistorisch waardevolle (woon)boerderijen, vervangende vrijstaande nieuwbouwwoningen en (kleinere) geschakelde (arbeiders)huizen. De bebouwing langs de Noordzijde, zowel de traditionele bebouwing als de latere nieuwbouw, heeft overwegend een traditionele landelijke uitstraling. De gebruikte bouwmaterialen zijn bij zowel de traditionele bebouwing als de latere nieuwbouw overwegend traditioneel. De gebruikte kleuren zijn ingetogen en in harmonie met het omliggende landschap. 2.1.2 Huidige status/gebruik Op het perceel is een karakteristieke boerderij gelegen. De boerderij heeft een nokhoogte van circa 10 meter. Op het achtererf zijn enkele bijgebouwen gerealiseerd, zoals ook de karakteristieke hooibergschuur. In het achterhuis van de boerderij en in de hooibergschuur met aanbouwen is ruim 35 jaar Lakerveld Ingenieus- & Architectenbureau gehuisvest. In de loop van de jaren is het bureau van een eenmanszaak uitgegroeid naar een bureau met een bruto vloeroppervlak van 400 m² en met 15 medewerkers. In het voorhuis woont de eigenaar van dit bureau.

10

De boerderij en de hooibergschuur zijn per 31 oktober 1967 ingeschreven in het Rijksmonumentenregister (monumentnummer 30648). De omschrijving luidt als volgt: ‘Gave boerderij, blijkens gevelsteentje in de voorgevel uit 1706. Woonhuis en stal onder een rieten zadeldak. In de voorgevel vensters met kleine roedenverdeling; in de linker zijgevel zijtopgevel met vlechtingen en vensters met kleine roedenverdeling. In de zijgevel van de stal baanderdeuren onder opgewipt dak. Rechts van de boerderij een hooiberg, deels baksteen, deels hout.’

Afbeelding 3: Aanzicht op het perceel Noordzijde 95 vanuit het zuidoosten

Afbeelding 4: Aanzicht op het perceel Noordzijde 95 vanuit het zuidwesten

11

Afbeelding 5: Schetsontwerpen woonboerderij

Afbeelding 6: Schetsontwerp hooibergschuur

12

De rijksmonumentale boerderij is circa 425 m² groot en de hooibergschuur met aanbouw circa 216 m². Binnen het plangebied zijn daarnaast per saldo 386 m² aan bijgebouwen aanwezig.

Afbeelding 7: Aanwezige bebouwing perceel Noordzijde 95 te Noordeloos

13

2.2 Nieuwe situatie 2.2.1 Plan Op het perceel Noordzijde 95 te Noordeloos is een rijksmonumentale woonboerderij met hooibergschuur (monumentnummer 30648) gelegen. Achterop het perceel bevinden zich tevens enkele bijgebouwen. In het achterhuis van de boerderij en in de hooibergschuur met aanbouwen is ruim 35 jaar Lakerveld Ingenieus- & Architectenbureau gehuisvest. In het voorhuis woont de eigenaar van dit bureau. Ten behoeve van een gezonde groei en ontwikkeling van het bureau heeft de eigenaar besloten om de leiding over te dragen aan de jongere generatie, zodat deze generatie het bureau gaat overnemen en voortzetten. De huidige bedrijfseigenaar en tevens bewoner van het voorhuis zal zich op termijn terugtrekken uit het bedrijf. Dit zal ook betekenen dat het bureau op termijn gaat verhuizen naar een locatie elders en daarmee het achterhuis en de hooibergschuur vrijkomt voor een nieuwe invulling. Ook al zal het bureau niet direct gaan verhuizen, heeft de initiatiefnemer al wel nagedacht over de nieuwe invulling van het achterhuis en de hooibergschuur. Omdat de initiatiefnemer zelf in het voorhuis woont ligt het niet voor de hand om het achterhuis te verhuren als kantoor. De initiatiefnemer is daarom voornemens om het achterhuis te gaan gebruiken als burgerwoning. Hetzelfde geldt voor de hooibergschuur die ook de functie als burgerwoning krijgt.

Het idee is dat de twee kinderen van de initiatiefnemer met hun gezin in het achterhuis en de hooibergschuur komen te wonen. Hiermee krijgt de gehele boerderij met de hooibergschuur een toekomstbestendig gebruik, zodat ook het rijksmonument in stand gehouden kan worden. Achterop het perceel is een stukje grasland gelegen wat gebruikt wordt als erf bij de woonboerderij. Hierop zijn ook enkele gebouwen gerealiseerd. Deze gronden hebben op dit moment een agrarische bestemming, waardoor het juridischplanologisch eigenlijk niet gebruikt mag worden als erf bij de woonboerderij. Een klein deel van het erf wordt met dit bestemmingsplan bestemd met ‘Wonen’, zodat dit deel betrokken wordt bij het woonperceel. De overige gronden behoud de agrarische bestemming, om zo de instandhouding van het veenweidelandschap en de landschappelijke en cultuurhistorische waarden in de vorm van de slagenverkaveling en de doorzichten te waarborgen. Daarbij worden de gebouwen gesloopt die zonder omgevingsvergunning zijn gebouwd. Daarbij mogen de bestaande schuur met zonnepanelen en de overkapping voor deze schuur (per saldo 203 m²) behouden blijven, omdat deze goed onderhouden zijn en passend zijn bij het cultuurhistorisch karakter van het perceel. Daarnaast zou sloop van deze gebouwen voorzien in een kapitaalvernietiging, omdat de gebouwen opgeknapt zijn en voorzien zijn van circa 120 m² aan zonnepanelen.

Dit zelfde oppervlak kan immers niet op de overige bebouwing op het voorste deel van het erf geplaatst worden, omdat de boerderij een Rijksmonument is en het oppervlak van de hooimijt niet voldoende is. Voor de schuur en de overkapping is in de verbeelding een specifieke bouwaanduiding opgenomen, welke regelt dat de bestaande 203 m² aan bijgebouwen en overkappingen op deze plek zijn toegestaan. De uitbouw die later

14

achter de bestaande schuur zonder vergunning is gerealiseerd dient wel gesloopt te worden. De specifieke bouwaanduiding is derhalve niet op deze uitbouw gelegd.

Afbeelding 8: Schets nieuwe situatie

Noordzijde 96, 96/I en 96/II Verder worden de percelen Noordzijde 96, 96/I en 96/II meegenomen in dit bestemmingsplan. Dit plan voorziet niet in het inperken of toevoegen van gebruiksen bouwmogelijkheden op deze percelen, het bestemmingsplan heeft op deze percelen een conserverend karakter. Dat betekent dat de huidige juridischplanologische mogelijkheden op deze percelen in stand worden gehouden. De reden waarom deze percelen worden meegenomen is omdat deze percelen samen met de hooibergschuur op het perceel Noordzijde 95 vallen onder de

15

aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 3’ uit het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’. Om een wooneenheid in de hooibergschuur te realiseren en daarmee het aantal wooneenheden binnen de aanduiding naar 4 te brengen, moet deze aanduiding aangepast worden. De huidige aanduiding ‘maximaal aantal wooneenheden: 3’ wordt gesplitst in een aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 1’ op de hooibergschuur en in de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 3’ op de percelen Noordzijde 96, 96/I en 96/II.

Nieuwe aanduidingen ‘maximum aantal wooneenheden’

3 1

Huidige contour aanduiding ‘maximaal aantal wooneenheden: 3’ uit vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’

Afbeelding 9: Wijziging aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'

2.2.2 Verkeer Ontsluiting Het perceel Noordzijde 95 wordt thans ontsloten middels een enkele oprit aan de Noordzijde, direct ten westen van de woonboerderij. In de nieuwe situatie blijft dit ongewijzigd. Parkeren Voor de vaststelling van de parkeernorm is gebruik gemaakt van de Nota Parkeernormen Molenlanden 2020. De Nota gaat met betrekking tot het plangebied uit van de stedelijkheidsgraad ‘niet stedelijk’ en de stedelijke zone ‘buitengebied’. Voor wat betreft de categorie wordt voor wat betreft de woonboerderij uitgegaan van het woontype ‘woning, koop, twee-onder-een-kap’ en voor de woning in de hooibergschuur bij de categorie ‘woning, vrijstaand’.

16

Tabel 1: Parkeerbehoefteberekening Categorie Kencijfer Eenheid Aantal Woning, vrijstaand 2,4 per woning 1 Woning, twee2,2 per woning 2 onder-een-kap Totale parkeerbehoefte:

Parkeerbehoefte 2,4 parkeerplaatsen 4,4 parkeerplaatsen 6,8 parkeerplaatsen

De nieuwe situatie voorziet in een parkeerbehoefte van 7 parkeerplaatsen. Binnen het plangebied is ruim voldoende ruimte om de parkeerbehoefte op het eigen terrein op te kunnen lossen. De Nota Parkeernormen Molenlanden 2020 hanteert met betrekking tot de maatvoering van een parkeerplaats een lengte van 5 meter en een breedte van 2,5 meter. In onderstaande afbeelding is een situatie geschetst waarin de 7 parkeerplaatsen gerealiseerd zouden kunnen worden, rekening houdend met de genoemde maatvoering uit de Nota Parkeernormen.

Afbeelding 10: Indicatie parkeeroplossing op eigen terrein

Het plan voldoet aan de Nota Parkeernormen Molenlanden 2020.

17

Verkeersgeneratie Om de verkeersgeneratie van het plan te bepalen, is er gebruikgemaakt van de CROW-publicatie 381. Daarbij zijn de gemiddelde kencijfers gehanteerd. Met betrekking tot de stedelijkheidsgraad, de stedelijke zone en de woningcategorieën wordt aangesloten bij de Nota Parkeernormen Molenlanden 2020. Om de af- of toename inzichtelijk te maken, is de verkeersgeneratie van de bestaande situatie als de verkeersgeneratie van de nieuwe situatie inzichtelijk gemaakt. Tabel 2: Verkeersgeneratieberekening bestaande situatie (per etmaal) Categorie Kencijfer Eenheid Aantal Verkeersgeneratie Kantoor (zonder 8,75 per 100 m² 4 35 motorvoertuigen baliefunctie) bvo Woning, twee1 per woning 1 7,8 motorvoertuigen onder-een-kap Totale parkeerbehoefte: 42,8 motorvoertuigen Tabel 3: Verkeersgeneratieberekening nieuwe situatie (per etmaal) Categorie Kencijfer Eenheid Aantal Verkeersgeneratie Woning, vrijstaand 8,2 per woning 1 8,2 motorvoertuigen Woning, twee7,8 per woning 2 15,6 motorvoertuigen onder-een-kap Totale parkeerbehoefte: 23,8 motorvoertuigen Geconcludeerd wordt dat het plan voorziet in een afname in 19 motorvoertuigen per etmaal.

18

3

Verantwoording beleidskader

Het bestemmingsplan omvat de percelen Noordzijde 95 (en ook 95/I en 95A), 96, 96/I en 96/II te Noordeloos. Omdat het voorliggend bestemmingsplan uitsluitend voorziet in wijzigingen op het perceel Noordzijde 95 (en 95/I en 95A), zijn de overige percelen in dit hoofdstuk verder buiten beschouwing gelaten.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: • ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • duurzaam economisch groeipotentieel; • sterke en gezonde steden en regio's; • toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat er zowel maatregelen op korte termijn als maatregelen op lange termijn nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond.

De NOVI richt zich om het behouden en versterken van het cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. De opgave is cultureel erfgoed en (inter)nationale unieke landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten te ontwikkelen, te behouden, te versterken en te benutten bij gebiedsontwikkeling en transformatie. Verlies van identiteit en de herkenbaarheid van landschap en de gebouwde omgeving liggen op de loer en er is behoefte aan een herkenbare leefomgeving met karakter. Dit vraagt extra aandacht voor hoogwaardige gebiedsontwikkeling waarin landschappelijke kwaliteit en cultureel erfgoed, zoals historische wandelpaden en stads- en dorpsgezichten, beschermd worden en als inspiratiebron blijven dienen bij het vormgeven van onze toekomstige leefomgeving. Deze opgave is te zien in het landelijk gebied en de gebouwde omgeving. Behoud, versterken en benutten van de bestaande kwaliteiten van (gebouwd) erfgoed en landschap wordt verbonden aan de groei en ontwikkeling van steden, dorpen en wijken.

19

Het plangebied is gelegen binnen een door het Rijk aangewezen beschermd dorpsgezicht. Met het verdwijnen van de kantoorfunctie komen de rijksmonumentale boerderij en karakteristieke hooibergschuur vrij voor een nieuwe invulling. Het plan is om het achterhuis van de boerderij weer te bewonen en de hooibergschuur functioneel de transformeren naar een woning. Met de bewoning van de boerderij en de hooibergschuur wordt draagvlak gecreëerd voor het onderhoud hieraan. Immers, de gebouwen gaan bewoond worden door meerdere huishoudens waardoor de relatief hoge kosten aan de rijksmonumentale boerderij en hooibergschuur gedeeld kunnen worden. Dit draagt bij aan de instandhouding en toekomstbestendigheid van het rijksmonument. Ter bescherming van de cultuurhistorische waarden/het dorpsgezicht van Noordeloos wordt de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ overgenomen in het onderhavig bestemmingsplan. Ter behoud en bescherming van de instandhouding van het rijksmonument wordt de aanduiding ‘karakteristiek’ op de woonboerderij en de hooibergschuur gelegd. Verder is het plan op rijksniveau kleinschalig van aard en worden er geen rijksbelangen geschaad. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren.

Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het onderhavige plan is op rijksniveau kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro. 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting op een ruimtelijk besluit voor nieuw te realiseren stedelijke ontwikkelingen bepaalde duurzaamheidsaspecten van het voornemen te motiveren. Per 1 juli 2017 is artikel 3.1.6 van de Bro op een aantal punten gewijzigd.

In het geval in het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, dient de toelichting een beschrijving te bevatten van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmings- plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige 20

overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wettelijk verplicht is hangt af van het feit of het plan voorziet in een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Conform artikel 1.1.1 onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Inmiddels biedt jurisprudentie een verder beoordelingskader van welke ontwikkelingen als nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ moeten worden aangemerkt: ‘De bouw van één woning is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder (ABRvS 14 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:156). Ook een plan dat voorziet in de planologische inpassing van drie woningen is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3929).

De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is tevens niet van toepassing op een ontwikkeling waarbij zes woningen mogelijk worden gemaakt (ABRVS 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013: 2471). Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS: 2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3).’ Toetsing aan ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ Het vigerend bestemmingsplan staat op dit moment twee wooneenheden toe in de woonboerderij. Dit plan voorziet in de toevoeging van een woning in de hooibergschuur. Per saldo voorziet het plan in de toevoeging van één wooneenheid. Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ en is toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk.

21

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De provincie ZuidHolland heeft in de Omgevingsvisie zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: • Naar een klimaatbestendige delta; • Naar een nieuwe economie: the next level; • Naar een levendige meerkernige metropool; • Energievernieuwing; • Best bereikbare provincie; • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Het centrale doel van het provinciale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen.

Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied De provincie Zuid-Holland zet in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Onder ‘bebouwde ruimte’ wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiek-industrieel systeem. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD. Stedelijke ontwikkelingen die niet binnen BSD gerealiseerd kunnen worden en kleinschalige stedelijke ontwikkelingen, kunnen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op BSD of in bebouwingslinten. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen buiten BSD dient de Ladder voor duurzame verstedelijking te worden doorlopen en dient het plan te voldoen aan het provinciaal beleid voor ruimtelijke kwaliteit.

Stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 hectare buiten BSD dienen eerst door Provinciale Staten worden afgewogen en worden op de kaart ‘woningbouwlocaties, bedrijventerreinen en andere stedelijke ontwikkelingen’ (ook wel genoemd: ‘3 ha kaart’) gezet. Het onderhavige plan is niet gelegen binnen BSD, maar wel binnen het cultuurhistorische bebouwingslint langs de Noordzijde. Middels het plan krijgt het achterhuis van de boerderij en de hooibergschuur een nieuwe invulling nadat ze de 22

functie als kantoor hebben verloren. Het plan voorziet hiermee in een intensiever en compacter ruimtegebruik en het beter benutten van een bestaand woonperceel. Er vindt geen uitbreiding dan wel nieuwbouw van bebouwing plaats. Hiermee sluit het onderhavige plan aan bij het provinciaal beleid om de verstedelijkingsopgave primair binnen de bestaande bebouwingsstructuur te realiseren. Verbeteren ruimtelijke kwaliteit Gezien het sterke contrast tussen een dynamische stedelijke omgeving en open deltalandschappen in Zuid-Holland, is zorg voor de ruimtelijke kwaliteit in het bijzonder van belang. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De essentie van het ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten toevoegen aan het gebied en de samenleving. Het plangebied is gelegen binnen het cultuurhistorisch lint langs de Noordzijde.

Het plan voorziet in het weer bewonen van het achterhuis van de woonboerderij en het toevoegen van een woning in de karakteristieke hooibergschuur. Hiermee onstaat er voor de rijksmonumentale en cultuurhistorische waardevolle gebouwen een toekomstbestendige situatie. Het plan draagt bij aan de instandhouding van de rijksmonumentale boerderij en hooibergschuur en daardoor ook aan de instandhouding van het cultuurhistorisch waardevolle karakter van het beschermd dorpsgezicht van Noordeloos. Daarmee is sprake van het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Tenslotte wordt leegstand en daarmee achterstallig onderhoud, verpaupering en aantasting van de ruimtelijke kwaliteit voorkomen. Kwaliteitskaart Met betrekking tot de kwaliteitskaart is de laag van de ondergrond en de laag van cultuur- en natuurlandschappen relevant. Laag van de ondergrond Het onderhavige plangebied is gelegen in de gebieden ‘bijzonder reliëf en aardkundige waarden’ en ‘rivierklei en veen’. Bijzonder reliëf en aardkundige waarden Zuid-Holland is, uitgezonderd de duinen en de dijken, relatief plat. Binnen dit platte land is nog een aantal bijzondere, natuurlijke hoogteverschillen te vinden, zoals komgronden en oeverwalgebieden. Deze zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond.

De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap. Voor ontwikkelingen in dit gebied heeft Zuid-Holland twee richtpunten vastgesteld: • Ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand. • Waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. 23

Rivierklei en veen De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/ drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap. Voor ontwikkelingen in het gebied ‘rivierklei en veen’ heeft de provincie de volgende richtpunt vastgesteld: • Ontwikkelingen in het rivierengebied houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar.

Rivierklei en veen

Bijzonder reliëf en aardkundige waarden

Afbeelding 11: Uitsnede Kwaliteitskaart - laag van de ondergrond

Het plan voorziet niet in ontwikkelingen die niet voldoen aan deze richtpunten. Laag van cultuur- en natuurlandschappen Het onderhavige plangebied is gelegen in de gebieden ‘veen(weide)landschap’ en ‘linten’. Veen(weide)landschap De ruimtelijke structuur in het veen(weide)gebied wordt sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Haaks hierop staan de verkavelingspatronen. Kenmerkend voor het veenweidelandschap is de openheid van het gebied met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels omringd door sloten. Voor ontwikkelingen in het veenweidelandschap heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen;

24

• • •

Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders; Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar.

Linten Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. Voor ontwikkelingen in de linten heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied; • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst; • Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend; • Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht.

Veen(weide)landschap

Linten

Afbeelding 12: Uitsnede kwaliteitskaart – laag van cultuur- en natuurlandschappen

25

Het plan draagt bij aan het behoud van de cultuurhistorische karakteristieken van het lint. Het plan is in overeenstemming met de richtpunten uit de laag van cultuuren natuurlandschappen. Laag van de stedelijke occupatie Het onderhavige plangebied is gelegen in het gebied ‘stads- en dorpsranden’. Stads- en dorpsranden De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van het dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij worden drie typen ‘overgangskwaliteiten’ onderscheiden. Het front, het contact en de overlap. Uitgangspunt bij ontwikkelingen aan dorpsranden is de contactkwaliteit. 1. De kwaliteit van het front (contrast) Een scherpe rand tussen bebouwing en land, waarbij de bebouwing en landschap ‘met het gezicht naar elkaar’ zijn gekeerd. Er zijn verschillende situaties denkbaar, waarbij landschappelijke grenzen zorgen voor een scherp contrast tussen bebouwing en landschap.

De stad aan de rivier of aan zee (waterfront, zeefront), appartementsgebouwen langs de duinrand of de bebouwingsrand rond een (verder vrij onbebouwde) droogmakerij. Stad en buitengebied brengen hun eigen eigenschappen maximaal tot expressie. Vormen van hoogbouw kunnen hier aan het karakter bijdragen. Bij water- en zeefronten bieden combinaties met de waterkering kansen voor kwaliteit. Het ‘wegfront’ vraagt om extra aandacht voor verbindingen tussen stad en ommeland. Hier is het vaak niet het geval dat bebouwing en landschap met het gezicht naar elkaar zijn gekeerd. De grens is scherp, maar men mist de kwaliteiten van het ‘zicht op elkaar’. 2. Contactkwaliteit Bebouwd gebied en landschap zijn verbonden door zichtbare en begaanbare doorlopende structuren, zoals wegen, paden, dijken, lanen, linten of waterlopen. De structuur die stad en land verbindt, kan een herkenbare landschappelijke onderlegger hebben als een strandwal of rivier. In andere situaties is het kavelpatroon doorlopend. Stad en ommeland blijven beide in hun eigen hoedanigheid herkenbaar en onderscheidend, maar worden in staat gesteld in elkaar door te dringen. Deze soort overgang is typisch voor dorpen of buitenwijken, waarbij de stedenbouwkundige opzet bijvoorbeeld geënt is op het oorspronkelijke landschappelijke (kavel)patroon. 3.

De kwaliteit in de overlap (‘contract’) Tussen bebouwd gebied en landschap is een geleidelijke overgang. Stedelijke en landelijke programma’s vloeien in elkaar over. Het zijn gebieden met een hybride uitstraling en betekenis: recreatiegebieden, sportvelden, volkstuincomplexen, golfbanen, enzovoorts. Er wordt een geïntegreerde ontwikkeling ontworpen van woon-, werk-, productie- en vrijetijds26

landschappen die zoveel mogelijk aansluiten bij de ruimtelijke kwaliteiten van het omringende landschap en met een goede dooradering van recreatieve routes. Het plan voorziet niet in het toevoegen van bebouwing, er wordt daarom geen nieuwe overgang naar het landschap gecreëerd. Het plan is daarmee niet strijdig met de richtpunten van de laag van de stedelijke occupatie.

Stads- en dorpsranden

Afbeelding 13: Uitsnede kwaliteitskaart – laag van de stedelijke occupatie

Conclusie Kwaliteitskaart Het onderhavige plan sluit aan bij de kwaliteitskaart van de Omgevingsvisie ZuidHolland en tast de richtpunten voor ontwikkelingen in de gebieden ‘bijzonder reliëf en aardkundige waarden’, ‘rivierklei en veen’, ‘veen(weide)landschap’, ‘linten’ en ‘stads- en dorpsranden’ niet aan. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie.

27

Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9). Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a) De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b) Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: ▪ zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; c) Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: ▪ Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de

relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. Het onderhavige plan kan worden geschaard binnen de categorie ‘inpassen’. De ontwikkeling is gebiedseigen en passend bij de schaal en aard van het gebied. Het onderhavige plan sluit aan bij de kwaliteitskaart van de Omgevingsvisie ZuidHolland. Met de toevoeging van een woning in de hooibergschuur wordt bijgedragen aan het behoud van het rijksmonument en de cultuurhistorische waarden, de karakteristieken van het woonlint langs de Noordzijde en het beschermd dorpsgezicht van Noordeloos. Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen (artikel 6.10). Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a) De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b) Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.

Het onderhavig plan betreft vanuit jurisprudentie geen stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame ontwikkeling’ is daarmee niet vereist dan wel noodzakelijk (zie tevens paragraaf 3.1.3 van deze toelichting).

28

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In navolging van de regionale structuurvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden, heeft de regio in 2012 de visie 2030 opgesteld. Deze visie is een actualisering van het beleid uit de regionale structuurvisie en bepaalt de beleidskeuzes met het oog op 2030. Binnen de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. Met de toevoeging van een woning in de karakteristieke hooibergschuur draagt het plan bij aan de instandhouding van het cultuurhistorische karakter van het woonlint langs de Noordzijde en het cultuurhistorisch waardevol beschermd dorpsgezicht van Noordeloos. Daarmee draagt het plan ook bij aan het behoud van het authentieke karakter van de regio.

Het plan is in overeenstemming met de regionale structuurvisie. 3.3.2 Regionale woonvisie In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een actualisatie van de Regionale woonvisie 2020 (2013) vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn. De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied een dynamische stedelijke zone. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau. Om die goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld. Er wordt onderscheid gemaakt in: • Stedelijk gebied; • Voorzieningendorpen; • Woondorpen. Noordeloos is aangeduid als woondorp. Deze dorpen hebben verspreide huizen en kleine kernen met weinig of geen voorzieningen. Deze dorpen zijn voor voorzieningen (grotendeels) afhankelijk van omliggende dorpen of steden. Noordeloos heeft een hechte gemeenschap die gebruik maakt van een sterk lokaal sociaal netwerk. In het dorp is er sprake van een woningbehoefte op kleine schaal.

Het onderhavige plan sluit hierop aan en betreft een toevoeging van één wooneenheid. Het plan hoeft regionaal niet gemeld te worden omdat het percentage uitbreiding in Noordeloos valt onder de agendamaat 0,7% en het plan daarmee verondersteld wordt te zijn voor de eigen behoefte in de kern. De toegevoegde 29

woning zal ook daadwerkelijk voor de eigen behoefte zijn. De woning in de hooibergschuur en de woning in het achterhuis (reeds juridisch-planologisch al toegestaan) gaan bewoond worden door de kinderen van de initiatiefnemer.

30

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Toekomstvisie Molenlanden Op 28 september 2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Molenlanden unaniem de Toekomstvisie Molenlanden 2030 vastgesteld. Op zes onderwerpen beschrijft de visie de landelijke en lokale trends en de wensen van de gemeente. Deze trends die de gemeente ziet, gebruikt de gemeente om de wensen mogelijk te maken. Per onderwerp schetst de gemeente het beeld voor het jaar 2030. Deze zes beelden samen bepalen het integrale beeld voor wat de gemeente in 2030 wil zijn. De zes beelden gaan in op de volgende aspecten: 1. Inclusieve samenleving 2. Leefomgeving 3. Economie 4. Recreatie & Toerisme 5. Klimaat & Energie 6. Bereikbaarheid De gemeente Molenlanden wenst de identiteit van haar dorpen en vestigingsstad in stand te houden. Met de toevoeging van een woning in de karakteristieke hooibergschuur draagt het plan bij aan de instandhouding van het cultuurhistorische karakter van het woonlint langs de Noordzijde en het cultuurhistorisch waardevol beschermd dorpsgezicht van Noordeloos. Daarmee blijft de eigen identiteit van het dorp Noordeloos behouden. Tevens kan worden gesteld dat in het kader van duurzaamheid het ruimtegebruik optimaal wordt benut door een wooneenheid toe te voegen binnen bestaande bebouwing die reeds zijn voorzien van toepassingen (zonnepanelen) die groene energie opwekken.

Het plan is in overeenstemming met de toekomstvisie. 3.4.2 Woonvisie Molenlanden 2020-2024 Op 27 oktober 2020 heeft de gemeenteraad van de gemeente Molenlanden unaniem de nieuwe woonvisie vastgesteld. De woonvisie beschrijft vooral de opgaven die de gemeente ziet op het vlak van de woningmarkt, voortkomend uit de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte die de mensen hebben. De grootste opgave ligt in het voorzien in kleinere en betaalbare koopwoningen, maar de woonvisie maakt ook nog steeds woningbouwinitiatieven mogelijk als daar behoefte aan is; kwantitatief en kwalitatief. De woonvisie is opgedeeld in de volgende opgaven: • Meer woningen met de juiste kwaliteit; • Betaalbaar wonen; • Bestaande voorraad op peil; • Wonen met zorg; • Specifieke woningbehoeften; • Leefbare en vitale dorpen. Daarnaast geldt voor Noordeloos het volgende: de kern is aantrekkelijk bij vestigers van buiten de gemeente. In beperkte mate kan hierop worden ingezet door ruime gezinswoningen toe te voegen. Maar er is vooral behoefte aan levensloopgeschikte woningen voor senioren uit de eigen kern. In de basis dient het daarbij te gaan om een grondgebonden woningtype. De nadruk ligt daarbij op een kleine, betaalbare

31

woning die ook aantrekkelijk is voor starters/jonge doorstromers. De totale behoefte voor de periode 2020 t/m 2029 ligt op +65 woningen. Het onderhavig plan betreft een particulier initiatief om in de hooibergschuur een woning toe te voegen. Daarnaast wordt het achterhuis getransformeerd tot een woning (dit is reeds al toegestaan in het vigerend bestemmingsplan). Deze twee woningen gaan bewoond worden door de kinderen van de initiatiefnemer. Het plan draagt daarmee bij aan doorstroming in de (lokale) woningmarkt doordat de huidige woningen van de kinderen van de initiatiefnemer vrijkomen. Door deze doorstroming in de markt kunnen kleinere woningen voor starters of senioren vrijkomen. Het plan is in overeenstemming met de Woonvisie Molenlanden 20202024. 3.4.3 Bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’, dat door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Giessenlanden is vastgesteld op 27 juni 2013. Het plangebied heeft hierin de enkelbestemmingen: • Agrarisch; • Tuin; • Wonen. De dubbelbestemmingen: • Waarde – Archeologie – 2; • Waarde – Archeologie – 4; • Waarde – Cultuurhistorie; • Waterstaat – Waterkering.

En de aanduidingen: • Bouwvlakken; • Functieaanduiding ‘kantoor’; • Functieaanduiding ‘karakteristiek’; • Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk’; • Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 2’; • Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 3’.

32

Afbeelding 14: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’

Het plan is in strijd met het bestemmingsplan. Hoewel de boerderij thans al gebruikt mag worden ten behoeve van 2 wooneenheden, is dit niet het geval bij de hooibergschuur. De hooibergschuur is voorzien van een woonbestemming met de aanduiding ‘maximaal aantal wooneenheden: 3’. Ter plaatse van deze aanduiding zijn thans al 3 wooneenheden aanwezig, waardoor het toevoegen van een woning in de hooibergschuur volgens het vigerend bestemmingsplan niet mogelijk is. Middels voorliggend bestemmingsplan wordt de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk gemaakt. 3.4.4 Paraplubestemmingsplan ‘Huisvesting Arbeidsmigranten’ Binnen onderliggende bestemmingsplannen waren te weinig sturingsmogelijkheden om huisvesting van arbeidsmigranten binnen de bestemmingen ‘wonen’, ‘woongebied’, ‘centrum’ of ‘gemengd’ te kunnen reguleren. In veel onderliggende bestemmingsplannen was bijvoorbeeld geen begripsdefinitie opgenomen inzake ‘wonen’ en daarmee was het langdurige verblijf van een ongelimiteerd aantal arbeidsmigranten per woning toegestaan. Dit past niet binnen het doel van de gemeente Molenlanden om te voorzien in passende en kwalitatieve goede huisvesting op de juiste plek, waarbij tevens een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden kan worden gewaarborgd. Met het paraplubestemmingsplan is onder

33

andere een nieuwe begripsdefinitie gekomen van ‘het wonen’, waardoor het niet meer mogelijk is om met meer dan één huishouden te verblijven in een woning. Huisvesting van arbeidsmigranten voor de shortstay (logies) en midstay is uitsluitend toegestaan door een vergunning aan te vragen die voldoet aan de eisen uit de Beleidsnotitie Arbeidsmigranten. De regeling die is opgenomen in het paraplubestemmingsplan ‘Huisvesting Arbeidsmigranten’ is overgenomen in dit bestemmingsplan. 3.4.5 Paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’ Op 29 november 2014 is de Reparatiewet BZK 2014 in werking getreden. Hierdoor zijn de stedenbouwkundige bepalingen – waaronder de parkeernormbepaling – uit de Bouwverordening komen te vervallen. Als gevolg hiervan hebben deze bepalingen geen aanvullende werking meer op bestemmingsplannen, zodat bij het verlenen van een omgevingsvergunning niet meer op basis van de Bouwverordening aan gemeentelijke parkeernormen kan worden getoetst. Voldoende parkeervoorzieningen is een belangrijke voorwaarde voor bijna elke ruimtelijke ontwikkeling. De gemeente Molenlanden wenst dan ook over de mogelijkheid te beschikken tot het stellen van eisen aan het parkeren. Middels het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’ bezit de gemeente een eenduidige regeling, zodat bij ruimtelijke ontwikkelingen voorwaarden kunnen worden gesteld ten aanzien van het aspect parkeren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=d6df1f12-eec2-4139-aa27-77ea6b846b8a