CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

B1 Toelichting t_NL.IMRO.1978.pdf

Raadsvergadering 10 november 2022, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Middelweg 6 Nieuw-Lekkerland16.026 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

35

Plangebied

Afbeelding 17: Uitsnede peilgebiedenkaart

Watergangen Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn A- en B-watergangen gelegen. Rondom het plangebied zijn de B-watergangen 063817, 063831, 063839, 063840, 063847 en 063875 gelegen. Aan de noordzijde grenst het plangebied aan A-watergang 001114. Binnen de beschermingszones van de watergangen vinden geen werkzaamheden plaats.

Afbeelding 18: Uitsnede legger wateren

36

Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren. In het landelijk en stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2 respectievelijk 500 m2. Indien de toename aan verhard oppervlak groter is dan de vrijstelling, mag het vrijgestelde oppervlak in mindering worden gebracht. Om de eenmalige particuliere vrijstelling aan te vragen, dient contact opgenomen te worden met de afdeling vergunningen van het waterschap (vergunningen@wsrl.nl).

Tabel 2: Oppervlaktebalans verharding Bestaande situatie Bedrijfswoning Bijgebouwen bij bedrijfswoning Kapschuur Loods Bedrijfsgebouw Bedrijfsgebouw tegen bedrijfswoning Erfverharding Totaal bestaande situatie Nieuwe situatie Burgerwoning Bijgebouwen bij burgerwoning 3 rijwoningen Erfverharding erf vrijstaande woning Erfverharding 90%* erf 3 woningen

Oppervlakte 112 m² 193 m² 215 m² 160 m² 136 m² 93 m² 638 m² 1.547 m²

112 m² 193 m² 170 m² 591 m² 352 m² Totaal nieuwe situatie

1.418 m²

Verschil 129 m² afname * Percentage verharding conform de leidraad van het waterschap voor rijtjeswoningen

37

Afbeelding 19: Overzicht verhardingen

De verharding in de bestaande situatie is thans aanwezig. Enkele schuren zijn echter al (deels) verwijderd of gesloopt, maar de fundering is nog wel aanwezig. Voor de verhardingsbalans maakt dit echter geen verschil. Voor het plan is met betrekking tot de verharding een schatting gemaakt van de nieuwe situatie. Daaruit volgt dat er sprake is van een afname van 129 m² aan verharding. Watercompenserende maatregelen zijn derhalve niet nodig. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater.

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor

38

het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De nieuwe woningen worden aangesloten op het gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het waterschap. Waterkering Het plangebied is gelegen binnen de buitenbeschermingszone van een primaire waterkering. Binnen de buitenbeschermingszone geldt dat de volgende zaken niet toegestaan zonder vergunning: afgravingen en seismische onderzoeken, werken met een overdruk van 10 bar en explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen. Onder de noemer afgravingen worden diepe ontgravingen verstaan en daaronder valt ook ondergronds bouwen. Uitgangspunt hierbij is dat de ontgrondingen geen nadelige invloed mogen hebben op de functie van de waterkering, alsmede de waterhuishouding.

Indien dergelijke werkzaamheden plaatsvinden, dient een watervergunning bij het waterschap Rivierenland aangevraagd te worden. Ter bescherming van de waterkering wordt ter plaatse van de buitenbeschermingszone van de waterkering de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 2’ opgenomen.

Afbeelding 20: Uitsnede legger waterkeringen

39

Wegbeheer Het plangebied worden thans ontsloten middels een verharde in- en uitrit op de Middelweg. Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. De 3 nieuwe rijwoningen worden direct ontsloten via de van de Rovaartstraat. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

40

4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige objecten en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. De Wgh stelt dat alle wegen een geluidszone hebben, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-wegen. Conform artikel 74 lid 2 van de Wgh hoeft geen akoestisch onderzoek te worden verricht voor 30 km/h wegen. De wettelijke voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige objecten binnen de geluidszone van wegen bedraagt 48 dB, de maximaal te ontheffen geluidsbelasting bedraagt 63 dB in stedelijk gebied. Onderzoek Het plangebied ligt binnen de invloedsfeer van enkele wegen. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, waardoor deze bronnen buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Het plan betreft de toevoeging van 3 wooneenheden.

In het kader van de Wgh is hiermee sprake van het toevoegen van nieuwe geluidsgevoelige objecten en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd door Voortman Ingenieurs. De conclusie uit dit onderzoek luidt: Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat: • De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Lekdijk ten hoogste 44 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; Deze geluidbelasting is niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 voor wegverkeer; • De berekende geluidbelasting ten gevolge van alle 30 km/h wegen ten hoogste 46 dB, incl. aftrek art. 110g Wgh bedraagt. De geluidbelasting van 30 km/h wegen wordt niet getoetst aan de Wet geluidhinder maar conform het gemeentelijk geluidbeleid wel inzichtelijk gemaakt in het kader van de beoordeling van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft geluid; • De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen (incl. 30 km/h wegen) ten hoogste 46 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; • De woningen beschikken alzijdig over geluidluwe gevels en een geluidluwe buitenruimte, waarmee aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan. Voor de onderzochte woningen hoeft geen hogere grenswaarde te worden vastgesteld.

41

Voor verblijfsruimten in woningen met een geluidbelasting lager dan of gelijk aan 53 dB, excl. aftrek art. 110g Wgh worden normaliter geen berekeningen uitgevoerd. Algemeen geldt dat zonder aanvullende geluidwerende voorzieningen en bij toepassing van gebruikelijke bouwconstructies/materialen (spouwmuren, standaard dubbel glas, enkele kierdichting, ventilatieroosters etc.) een minimale geluidwering van 20 dB wordt bereikt. Een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevel is derhalve niet noodzakelijk.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.

42

4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit Luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit Luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. Tabel 3: Grenswaarden Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide Jaargemiddelde 40 µg/m3 (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde 40 µg/m3 concentratie 24-uurgemiddelde Max. 35 keer p.j. concentratie meer dan 50 µg/m3 Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde 25 µg/m3 concentratie Voor roet gelden thans nog geen grenswaarden.

Geldig Vanaf 2015 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015

Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2021 het volgende overzicht voor het jaar 2020 (rekenpunt 141162): • Een stikstofconcentratie van 16,8 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 16,7 µg PM10/m3 met niet meer dan 6 normoverschrijdingsdagen; • Een fijnstofconcentratie van 9,3 µg PM2,5/m3.

43

Voor het plangebied wordt geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Tevens wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

44

4.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.

Tabel 4: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) Milieucategorie Rustige woonwijk en Gemengd gebied rustig buitengebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Het plan betreft de toevoeging van 3 wooneenheden. Hiermee is sprake van het toevoegen van milieugevoelige objecten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele belemmeringen in de bedrijfsvoering van omliggende relevante bedrijven als gevolg van het plan. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Ter plaatse van het plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gezien het plangebied direct naast een horecagelegenheid is gelegen, kan de omgeving aangemerkt worden als ‘gemengd gebied’. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden worden gerechtvaardigd. De richtafstanden voor de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied mogen één afstandstrap worden verlaagd.

In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende relevante milieubelastende functies aanwezig.

45

Tabel 5: Omliggende bedrijven Adres Functie Middelweg 4 Lekdijk 384a

Horeca cat. 2 * Max. cat. 2

Milieucat. 1 2

Zwaarste richtafstand 0 meter 10 meter

Werkelijke afstand 0 meter 103 meter

* Volgens de Staat van Horeca-activiteiten van het bestemmingsplan ‘Dijkverzwaren NieuwLekkerland’ valt onder horeca cat. 2 lichte horeca en horeca zoals een bar, bierhuis, café, pub, biljartcentrum en een café-restaurant. Derhalve is aangesloten bij de categorieën ‘restaurants, cafetaria’s, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d.’ en ‘café’s, bars’ uit de VNG Handreiking. Er is voor gekozen om niet aan te sluiten bij de categorie ‘discotheken, muziekcafé’s’, omdat uit de Staat van Horeca-activiteiten van het bestemmingsplan ‘Dijkverzwaren Nieuw-Lekkerland’ blijkt dat dergelijke horeca in categorie 3 valt, hetgeen niet is toegestaan binnen de bestemming Horeca ter plaatse van Middelweg 4 te Nieuw-Lekkerland.

Middelweg 4: 0 meter

Lekdijk 384a: 103 meter

Afbeelding 21: Afstanden omliggende bedrijven t.o.v. plangebied

Er wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-Handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en omliggende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.

46

4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij de invloed van de externe veiligheid wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico’s door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico’s door stationaire (inrichtingsgebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico’s door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de wet milieubeheer. Naast het plaatsgebonden risico wordt ook gekeken naar het groepsrisico. De normen worden weergegeven door middel van risicocontouren. Onderzoek Invloed van stationaire bronnen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken en LPG-tankstations. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij huizen, ziekenhuizen, scholen of winkels.

Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Het besluit is, op enkele onderdelen na, op 27 oktober 2004 in werking getreden. Nieuwe kwetsbare objecten mogen niet worden gerealiseerd in gebieden waar sprake is van een plaatsgebonden risico van meer dan 10-6 per jaar. Voor het PR geldt als norm dat dit kleiner dan 10-6 per jaar moet zijn. De kans per jaar dat één persoon, die op een bepaalde plaats verblijft, komt te overlijden door een ongeval van het vervoer van gevaarlijke stoffen moet kleiner zijn dan 1 op 1 miljoen. Ook het vaststellen van een bestemmingsplan geldt als een nieuwe situatie, waarbij voldaan moet worden aan de eisen uit het Bevi. Concreet betekent dit dat kwetsbare objecten binnen de 10-6 per jaar contour niet zijn toegestaan. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden toegestaan. Wanneer zich binnen de 10-6 per jaar contour kwetsbare objecten kan een bestemmingsplan worden vastgesteld mits er zodanige voorschriften aan het besluit zijn verbonden dan wel er een traject van wijziging van de milieuvergunning is ingezet, zodat binnen 3 jaar na vaststelling van het besluit voldaan wordt aan de grenswaarde (artikel 8 lid 3 Bevi).

Wel dient in de tussentijd voldaan te worden aan de grenswaarde van 10-5 per jaar. Naast Bevi-inrichtingen zijn er ook inrichting die niet onder het Bevi vallen, maar waar wel opslag van risicovolle stoffen plaatsvindt. Regulering van de risico- aspecten die samenhangen met de opslag van deze stoffen vindt plaats middels het Activiteitenbesluit dan wel de Wm-vergunning. Een belangrijke richtlijn voor opslag en gebruik vormen de zogenaamde PGS richtlijnen. De PGS richtlijnen beschrijven de eisen voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu kan worden bereikt. 47

Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied een inrichting waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvinden en/of inrichtingen waar werkzaamheden met gevaarlijke stoffen plaatsvinden die een bedreiging kunnen vormen voor het plan. Het betreft de inrichting Sportfondsen Nieuw-Lekkerland B.V. op de locatie Vletstraat 2 op circa 330 meter afstand van het plangebied. Er bevindt zich een tank van 2.000 liter Chloorbleekloog. De risicocontour van het plaatsgebonden risico van 10-6 bedraagt 0 meter. Het invloedsgebied van het groepsrisico is 90 meter. Het plangebied is op ruim voldoende afstand gelegen van deze risicobron.

94 m

330 m

Afbeelding 22: Uitsnede Risicokaart

Invloed transport gevaarlijke stoffen – buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. In de omgeving van het plangebied zijn geen voor de externe veiligheid relevante buisleidingen aanwezig. Invloed transport gevaarlijke stoffen – transportroutes Het Besluit externe veiligheid transportroutes, per 1 april 2015 van kracht, stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Wegverkeer In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te

48

sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Vaarwegen Het plangebied is gelegen in de nabijheid van rivier de Lek. Over deze rivier vindt transport met gevaarlijke stoffen plaats. De Lek is in het Basisnet Water aangeduid als zwarte vaarweg. Voor de rode, zwarte en groene vaarwegen zijn gebruiksruimtes voor het vervoer (veiligheidsbuffer) gedefinieerd. Deze gebruiksruimten worden uitgedrukt in een plaatsgebonden risico (PR) 10-6 per jaar contour op de vaarweg en het groepsrisico. In tegenstelling tot het Basisnet Weg en Basisnet Spoor is in het Basisnet Water geen risicoplafond ingevoerd voor het plaatsgebonden en het groepsrisico. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn voor de rode en zwarte vaarwegen beperkingen opgelegd. Zo dient er rekening te worden gehouden met de effecten van een ongeluk met zeer brandbare vloeistoffen. Langs enkele vaarwegen zijn eveneens de zogenaamde Plasbrand Aandacht Gebieden (PAG’s) vastgesteld. Voor belangrijke binnenvaarwegen (zwart) geldt: • Geen nieuwe bestemmingen binnen de waterlijn; • Plasbrand Aandacht Gebied (PAG) 25 meter vanaf de waterlijn en in de uiterwaarden.

Bouwen binnen een PAG is mogelijk in afweging met de gemeente; • Verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Berekening nodig indien bevolkingsdichtheid >1.500 personen/ha dubbelzijdig of 2.250 personen/ha enkelzijdig. Het plan is niet gelegen binnen de waterlijn of uiterwaarden van de Lek. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 94 meter vanaf de waterlijn van de Lek en is daardoor tevens niet gelegen binnen het PAG. Verder mag redelijkerwijs verwacht worden dat met het toevoegen van 3 wooneenheden de bevolkingsdichtheid ter plaatse ruim onder de 1.500 personen per hectare blijft, waardoor een verantwoordingsplicht van het groepsrisico niet aan de orde is. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

49

4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek Het plan voorziet niet in ongewenste werkzaamheden voor planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen of straalpaden. Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt een KLIC-melding gedaan. Op enige afstand zijn twee bovengrondse hoogspanningslijnen gelegen. Het betreffen de lijnen Crayestein – Krimpen (380 kV) en Krimpen – Geertruidenberg (2) (380 kV).

790 m 415 m

Afbeelding 23: Uitsnede kaart Bovengrondse hoogspanningslijnen met indicatieve magneetveldzone

De sterkte van het magnetische veld in de buurt van een hoogspanningslijn hangt af van de stroom door de draden, de afstand tot de draden en de fasevolgorde van de draden. De magnetische veldsterkte wordt uitgedrukt in tesla of microtesla (één miljoenste deel van een tesla). Het voormalige ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft geadviseerd om in situaties waarin kinderen langdurig worden blootgesteld aan een veldsterkte die (jaargemiddeld) hoger is dan 0,4 microtesla te voorkomen. Op basis hiervan is door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) indicatieve magneetveldzones bij bovengrondse hoogspanningslijnen opgenomen in de Netkaart. De indicatieve magneetveldzone geeft de zone weer waar het jaargemiddelde magnetische veld hoger dan 0,4 microtesla is of in de toekomst kan worden. Voor de bovengrondse 50

hoogspanningslijn Crayestein – Krimpen geldt een indicatieve magneetveldzone van 150 meter aan weerszijde van de hoogspanningslijn en voor de bovengrondse hoogspanningslijn Krimpen – Geertruidenberg (2) geldt een indicatieve magneetveldzone van 140 meter aan weerszijde van de hoogspanningslijn. De magneetveldzones worden gerekend over de grond vanuit het hart van de hoogspanningslijn. Het plangebied is gelegen op een afstand van ruim 400 meter vanuit het hart van de dichtstbijzijnde hoogspanningslijn, waarmee gesteld kan worden dat het plangebied ruim buiten de indicatieve magneetveldzone van de hoogspanningslijn is gelegen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

51

4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming (Wnb) toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het plan voorziet in de sloop van enkele voormalige bedrijfsgebouwen en de bouw van 3 wooneenheden. Hiermee is sprake van werkzaamheden die in het kader van ecologie bedreigend kunnen zijn voor verblijfplaatsen van beschermde plant- en diersoorten. Om de gevolgen hiervan in kaart te brengen is door Blom Ecologie een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. De conclusies van de quickscan luiden: ‘Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming.

Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, het Natuurnetwerk Nederland, de Groene buffers en de Belangrijke weidevogelgebieden. Op een afstand van circa 380 m ligt het Natura 2000-gebied ‘Boezems Kinderdijk’. Op een afstand van circa 380 m ligt het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 850 m ligt het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied en op een afstand van circa 2,8 km ligt een Groene buffer. Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig welke gekapt worden. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS Calculator.

52

Afbeelding 24: Afstand plangebied t.o.v. Natura 200-gebieden

Afbeelding 25: Afstand plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland

53

Afbeelding 26: Afstand plangebied t.o.v. Groene buffer en Belangrijk weidevogelgebied

Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van Algemene Zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Te treffen maatregelen: • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen.

Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. 54

•

•

•

•

De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden.

E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

De sanering van bebouwing en de bouw van drie woningen aan de Middelweg 6-8 te Nieuw-Lekkerland is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).’ Stikstofdepositie Naar aanleiding van de conclusie uit de quickscan dat een AERIUS berekening nodig is, is een voortoets stikstofdepositie opgesteld. De conclusie van de voortoets luidt: ‘Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling niet voorziet in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie.’ Conclusie Het plan is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). De genoemde maatregelen dienen getroffen te worden en er dient te allen tijde voldaan te worden aan de Zorgplicht. Het plan ondervindt geen belemmeringen ten aanzien van ecologie en stikstofdepositie.

55

4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het nieuwe beoogde woongebruik is door Bakker Milieuadviezen een verkennend en nader bodemonderzoek en asbestbodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de bedrijfsbestemming welke wordt gewijzigd naar een woonbestemming. De conclusie van het onderzoek luidt: ‘Op basis van het bodemonderzoek kan voor het onderzochte terrein het volgende worden geconcludeerd: • De bovengrond op het noordelijke terrein is in 2 mengmonsters onderzocht en in deze mengmonsters zijn maximaal lichte verhogingen aangetroffen aan lood, zink, kwik en PAK; • De bovengrond in de tuin van woning 8 (zuidelijk terreindeel) is eveneens licht verontreinigd met lood, zink en PAK.

Dit heeft geen consequenties voor de bestemming wonen; • Tijdens de eerste fase van het onderzoek is min of meer per toeval olieverdachte grond aangetroffen, namelijk ter plaatse van boring 7 (in een van de schuren) en ter plaatse van boring 10 (oprit oostzijde). De oliegehalten hier waren niet sterk verhoogd, echter rondom beide locaties is een afperking uitgevoerd tot het niveau van een maximaal lichte verhoging of beter. Rondom boring 7 is de verontreiniging horizontaal voldoende afgeperkt tot even boven dan wel onder de AW 2000. In de diepte is de verontreiniging tot onder de AW 2000 afgeperkt. Rondom deze boring bevindt zich een niet ernstig geval van bodemverontreiniging. De interventiewaarde wordt in geen enkel monster overschreden. Naar schatting bevindt zich hier zo'n 15 a 20 m3 licht met olie verontreinigde grond (gemiddeld klasse niet toepasbaar). Het grondwater in de kern van deze oliespot is schoon voor olie en aromaten; Rondom boring 10 (nabij zuidgevel Chinees restaurant) is de olieverontreiniging horizontaal voldoende afgeperkt tot ruim onder de tussenwaarde. In de diepte is de verontreiniging tot onder de AW 2000 afgeperkt in boring 102 (schone kleilaag vanaf 0.4 m). Rondom boring 10 bevindt zich een niet ernstig geval van bodemverontreiniging.

Naar schatting bevindt zich hier onder de oprit zo'n 100 m3 grond met bijmengingen van puinbestanddelen en asfaltresten en dus een licht verhoogd oliegehalte. Het betreft een zware oliesoort die mogelijk verband houdt met de bijmengingen van asfaltgruis. Vanwege het oliegehalte is deze grond bij afvoer naar elders niet toepasbaar. 56

•

•

•

De duidelijke afwijkende dempingsgrond (o.a. met ijzerdraad, potscherven, textiel) in de ondergrond ter plaatse van de boringen 1 en 8 was matig verontreinigd met lood en licht met kwik, koper, zink, nikkel en PAK. Uit informatie bleek dat hier sprake is van een gedempte sloot. In een aanvullend onderzoek (met behulp van een kraan) is aangetoond dat het dempingsmateriaal in de boringen 1, 110, 111 sterk verontreinigd is met lood en plaatselijk met zink. Middels de boringen/sleuven 112, 113 en 114 is de breedte van de slootdemping (en daarmee de verontreiniging) zintuiglijk en analytisch vastgesteld op ongeveer 3 meter. Nadien is boring 15 in de tuin van woning 8 nog doorgezet en ook hier is op 70 cm diepte gestuit op dempingsmateriaal. Om deze reden is de slootdemping op tekening aangegeven tot aan de zuidelijke zijstraat. De omvang van de sterk verontreinigde demping (bodemlaag ca 0.7-1.7 mmv) wordt geschat op 40 × 3 × 1 m = 120 a 150 m3. De verontreiniging is in de diepte in de veenlaag met 3 monsters duidelijk afgeperkt. De sterke verontreiniging betreft een ernstig geval omdat de omvang ruim boven de 25 m3 ligt; In het grondwater uit peilbuis 1 (in de demping) is barium in een gehalte boven de streefwaarde aangetroffen, hetgeen gebruikelijk is.

Met het grondwateronderzoek is duidelijk aangetoond dat lood en zink totaal niet uitlogen naar het grondwater; Uit een uitgebreid asbestonderzoek door Adcim BV blijkt dat zowel de puinlaag op het middenterrein als de puinhoudende grond op 3 onderscheiden terreindelen, geen asbest bevat.’

Naar aanleiding van een reactie van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid zijn in maart 2022 nog 8 extra boringen verricht tot bijna allemaal 2 m-mv. Het doel van deze boringen was om te bepalen of de in 2019 vastgestelde verontreiniging (slootdemping met lood en zink boven de interventiewaarde) mogelijk nog doorloopt onder de westelijke schuur A danwel onder het betonpad direct ten oosten van deze schuur A. Verder adviseerde de Omgevingsdienst nog enkele analyses uit te voeren van de bodem onder de betonverharding op het buitenterrein. Uit het aanvullend onderzoek blijkt het volgende: •

•

‘Middels een schuine boring onder de westelijke schuur (boring 203) is aangetoond dat er onder de schuur sprake is van normale grond en geen verdachte dempingsgrond. Analytisch is dit bevestigd met grondmonster 203.3 (1-1.5 m-mv). De in 2019 aangetroffen verontreiniging loopt dus niet onder de schuur door danwel maximaal een klein deel. Middels diverse boringen (202, 204 en 206) is aangetoond dat er geen slootdemping aanwezig is onder het betonpad dat doorloopt tot de noordelijke grens. De veronderstelling van de OZHZ dat hier ongeveer een sloot zou hebben gelegen die op zo’n 7 m afstand parallel lag aan de nu nog bestaande westelijke perceelsgrens is niet bevestigd.

Uit de uitgevoerde analyses blijkt dat de onverdachte ongeroerde kleiige bovengrond en ondergrond slechts lichte verhogingen aan lood bevat. Middels een uitsplitsing van een aanvankelijk matig met PAK verontreinigd mengmonster is aangetoond dat er op dit terreindeel slechts sprake is van lichte PAKverhogingen. Mogelijk was het mengmonsterresultaat beïnvloed door een niet representatief asfaltdeeltje. De

57

resultaten van het in maart 2022 uitgevoerd extra onderzoek hebben geen invloed op de eerdere conclusies en aanbevelingen uit 2019 […]’. Het plan voorziet niet in werkzaamheden ter plaatse van de olieverontreiniging ter plaatse van boring 7 en de puin- en asfalthoudende grond op de oprit. Een directe noodzaak tot sanering is er derhalve niet. De verontreiniging verspreid zich immers niet gezien er geen olie in het grondwater is aangetroffen. Indien er (graaf) werkzaamheden plaatsvinden ter plaatse van de verontreiniging, dienen deze verontreinigingen gesaneerd te worden. De ernstig geval van bodemverontreiniging zijnde de slootdemping waarbij lood en zink sterk verhoogd zijn, is gesitueerd ter plaatse van de 3 nieuwe woonpercelen. Deze verontreiniging wordt na vaststelling van het bestemmingsplan gesaneerd, waardoor na sanering geen belemmeringen meer te verwachten zijn voor deze woonpercelen. Verder worden de 3 rijwoningen kadastraal gesplitst van het plangebied. Derhalve is sanering van de overige gronden niet noodzakelijk. Indien woningbouw op de overige gronden wordt gepleegd, zal waar nodig sanering plaatsvinden. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen.

De ernstig geval van bodemverontreiniging in de slootdemping wordt na vaststelling van het bestemmingsplan gesaneerd, waardoor na sanering geen belemmeringen meer te verwachten zijn voor deze woonpercelen.

58

4.10 Archeologie en cultuurhistorie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. De Erfgoedwet maakt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument. Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden.

Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Archeologie Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Molenlanden is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een: • Hoge verwachting aan of nabij het oppervlak (roodbruin). Bij ingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 30 is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Hoge verwachting dieper dan 1,5 m beneden maaiveld. Bij ingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 150 is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

59

Afbeelding 27: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Het plan voorziet in graafwerkzaamheden groter dan 250 m², waardoor er een archeologische onderzoeksplicht geldt. Om aan de plicht te voldoen, is door ADC ArcheoProjecten een archeologisch bureau- en een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De conclusie van dit onderzoek luidt: ‘De onderzoeksvragen kunnen op basis van de bereikte resultaten als volgt worden beantwoord: • Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? De diepere ondergrond bestaat uit mineraalarm veen (Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen Laagpakket). Hierboven zijn oeverafzettingen van de Lek aanwezig. In één boring is een restgeul van een crevasse van de Lek aangetroffen. •

Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? De bovenste 60 tot 100 cm bestaat uit een omgewerkt en/of opgebracht pakket.

•

Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? De oeverafzettingen in boringen 2 en 6 zijn relatief dun en kalkrijk en vormen geen potentieel archeologisch niveau. Het dunne pakket humeuze oeverafzettingen die in boring 4 op de restgeulafzettingen liggen vormt een 60

potentieel bewoningsniveau. De aanwezigheid van archeologische waarden kan hier niet worden uitgesloten. •

Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? Deze zijn niet aangetroffen.

•

In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? Ter plaatse van het grootste deel van het plangebied kan de archeologische verwachting worden bijgesteld naar laag. Ter plaatse van boring 4 blijft de archeologische verwachting voor resten uit de Romeinse tijd tot en met de bedijking in de 11e eeuw staan.

•

In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? De nieuwbouw vindt plaats in het zuiden van het plangebied. In de boringen die in dit deel van het plangebied zijn gezet is een 60 tot 80 cm dik verstoord pakket aanwezig. Hieronder ligt een dun pakket kalkrijke oeverafzettingen op een veenpakket en is geen potentieel archeologisch niveau aanwezig. In de zone rond boring 4, waar sprake is van een archeologische verwachting voor resten uit de Romeinse tijd tot en met de bedijking in de 11e eeuw, worden geen ontwikkelingen voorzien en worden eventuele archeologische resten derhalve niet bedreigd.

•

Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Het plangebied is voldoende onderzocht voor de voorgenomen ontwikkeling.

ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. In de zone rond boring 4, waar sprake is van een archeologische verwachting voor resten uit de Romeinse tijd tot en met de bedijking in de 11e eeuw, worden geen ontwikkelingen voorzien en worden eventuele archeologische resten derhalve niet bedreigd. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Deze melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente Molenlanden.’ Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie geen belemmeringen. Uitsluitend ter plaatse van boring 4 kunnen archeologische waarden niet uitgesloten worden. Op dit deel van het plangebied wordt uitsluitend de bestemming Bedrijf gewijzigd naar Wonen, hier vinden geen (graaf)werkzaamheden plaats waardoor eventuele archeologische waarden niet worden bedreigd.

De archeologische dubbelbestemming uit het bestemmingsplan ‘Dijkverzwaren Nieuw-Lekkerland’ wordt ter plaatse van boring 4 overgenomen, zodat eventuele archeologische waarden ter plaatse juridisch-planologisch beschermd blijven. 61

Selectiebesluit De gemeente heeft een selectiebesluit genomen, deze is toegevoegd in de bijlage van deze toelichting. Hieruit volgt dat het advies van ADC ArcheoProjecten wordt onderschreven. Indien in de toekomst graafwerkzaamheden plaatsvinden dieper dan 70 cm-mv, is een aanvullend onderzoek in de vorm van een karterend onderzoek nodig. De archeologische dubbelbestemming blijft aan de westelijke zijde van het plangebied gehandhaafd, aan de oostzijde wordt deze verwijderd. Cultuurhistorie Het plangebied zelf heeft geen cultuurhistorische kenmerken. Het plangebied is gelegen achter het cultuurhistorisch lint langs de Lekdijk, waarbinnen enkele historische elementen en/of monumenten zijn gesitueerd. Het plan tast het cultuurhistorisch lint of de historische elementen en/of monumenten niet aan. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie geen belemmeringen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk eventuele archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag. De archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 4’ uit het bestemmingsplan ‘Dijkverzwaren Nieuw-Lekkerland’ ter plaatse van het plangebied waar archeologische waarden niet uit te sluiten zijn wordt in zijn geheel overgenomen in dit plan. Het selectiebesluit is toegevoegd in de bijlage van deze toelichting.

62

4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De initiatiefnemer is bewust van deze gemeentelijke ambitie en doet onderzoek naar de mogelijkheden voor duurzame energiebronnen. De nieuwe rijwoningen wordt geïsoleerd conform het vigerend Bouwbesluit. Daarnaast voorziet het plan in een afname aan verharding/bebouwing waardoor er meer ruimte ontstaat voor groen en daardoor hittestress wordt tegengegaan en het hemelwater beter de grond kan infiltreren. Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. Wateroverlast door overvloedige neerslag Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien op te kunnen vangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt.

Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem. Het plan betreft een kleinschalige ontwikkeling. Er vinden geen ingrepen aan de watergangen plaats. Het plan voorziet in een afname aan verharding, zodoende wordt er meer ruimte geboden om het hemelwater in de bodem te laten infiltreren. Daarnaast zijn in de omgeving voldoende watergangen aanwezig om het overvloedige hemelwater naar af te voeren. Overstroming Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. Het plangebied is gelegen in het binnendijkse gebied. Hitte Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van plannen rekening gehouden met de accumulatie van warmte. Het plan voorziet in de sloop van gebouwen en verharding en de realisatie van 3 wooneenheden. Door de verhardingsafname wordt hittestress tegengegaan. Het aspect hittestress is bij de initiatiefnemers onder de aandacht gebracht. Mogelijk dat in het gebouw een installatie wordt geïnstalleerd die naast verwarmen ook kan koelen. Droogte Omdat het steeds droger wordt, zal de bodem sneller verdroogt raken.

63

In de huidige situatie wordt hemelwater opgevangen via de dakgoot en wordt het afgevoerd. De ontwikkelaar denkt erover na om het hemelwater op te vangen in een regenton, zodat het regenwater vastgehouden. Indien houtstructuren of planten door droogte een gebrek aan water hebben, kan het opgevangen hemelwater vervolgens gebruikt worden om de bodem te hydrateren. De beplanting kan daardoor blijven voorzien in het afbreken van CO2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier.

64

5

Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Nieuw-Lekkerland, Middelweg 6’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Nieuw-Lekkerland, Middelweg 6’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Nieuw-Lekkerland, Middelweg 6’ is aangesloten bij de bestemmingsplanen ‘Dijkverzwaren Nieuw-Lekkerland’, ‘Parapluherziening Parkeren’ en ‘Huisvesting Arbeidsmigranten’. De regels bestaan uit 4 hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

5.3 Bestemmingen Verkeer De huidige verkeerbestemming blijft gehandhaafd. Daarnaast worden de drie langsparkeerplaatsen met trottoir ten zuiden van de nieuwe rijwoningen voorzien van de bestemming ‘Verkeer’. Wonen – Bebouwde kom De bedrijfsbestemming wordt in zijn geheel omgezet naar een woonbestemming, zodat de bedrijfswoning functioneel wordt gewijzigd naar een burgerwoning en het hele plangebied gebruikt kan worden ten behoeve van het wonen, onder andere ook ten behoeve van de 3 nieuwe levensloopbestendige rijwoningen. Waarde – Archeologie – 4 De dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie – 4' is mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in de bodem. Uit archeologisch onderzoek is naar voren gekomen dat uitsluitend aan de westzijde archeologische waarden niet uitgesloten kunnen worden. Derhalve wordt hier de 65

archeologische dubbelbestemming gelegd, zodat eventuele archeologische waarden beschermd blijven. De rest van het plangebied is voor wat betreft archeologie vrijgegeven, waardoor een archeologische dubbelbestemming verder geen nut meer heeft en derhalve achterwege is gelaten.

5.4 Aanduidingen • • • • • • •

Bouwvlakken; Bouwaanduiding ‘bijgebouwen’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – levensloopbestendige woning’; Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 2’; Maatvoeringsaanduiding ‘bebouwd oppervlak (m2): 193’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’: 1 en 3; Maatvoeringsaanduiding ‘maximale goothoogte (m): 4 en 6’.

66

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=ca4a0382-071f-461e-a048-301b4400f4fa