CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Bijlagen bestemmingsplantoelichting Wijngaarden, Westeinde 28

Commissievergadering Wonen, Werken & Verkeer 6 september 2022, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Westeinde 28, Wijngaarden31.427 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Figuur 3

De gepotdekselde planken aan de kopgevels van de woning C zijn over de gehele onderzijde open. Hierdoor is er geen stabiel microklimaat en is er geen geschikte vaste rust-of verblijfplaats voor vleermuizen. Het is wel mogelijk dat deze ruimte wordt gebruikt als tijdelijke rustplaats.

Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. Het plangebied is deels verhard en wordt intensief gebruikt, waardoor veel verstoringen optreden. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Aangrenzend aan de planlocatie ligt een sloot. In de omgeving is de aanwezigheid bekend van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander en meerkikker. (NDFF, 2009-2019). Voor de heikikker geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

6

De heikikker is erg kritisch ten aanzien van zijn leefgebied. De drie habitattypen waar de soort gebruik van maakt (ondiep, relatief zuur, zonbeschenen en voedselarm voortplantingswater; vochtige plekken in schraal, ruig gebied voor in de actieve periode en vochtvrije plaatsen voor overwintering) dienen op zeer korte afstand tezamen voor te komen. De heikikker is duidelijk een cultuurvliedende soort die nauwelijks wordt aangetroffen in te intensief gebruikt agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing. Door afwezigheid van de drie vereiste habitattypen en aanwezigheid van bebouwing en menselijke activiteit kan de aanwezigheid van de heikikker worden uitgesloten. In de directe omgeving van de planlocatie komen voor zover bekend geen reptielen voor (NDFF, 2009-2019). Deze worden ook niet verwacht op de planlocatie aangezien deze over het algemeen verbonden zijn aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën en reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Er zijn geen werkzaamheden in de aanliggende watergang of aan de waterkant beoogd.

Er is geen sprake van afname van functioneel leefgebied. Mogelijk bestaat er een kleine kans dat er geluidsen/of trillingseffecten optreden gedurende de werkzaamheden. Deze effecten kunnen bijvoorbeeld optreden bij eventuele heiwerkzaamheden en zijn over het algemeen van relatief korte duur. Tijdens deze werkzaamheden kunnen aanwezige vissen zich tijdelijk ophouden buiten de verstoringszone, waar ruim voldoende kwalitatief gelijkwaardig habitat aanwezig is. Gedurende de overige werkzaamheden worden er geen effecten verwacht. Effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten, libellen en andere ongewervelden In het plangebied zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Op 1 km afstand is in een sloot naast de N214 het voorkomen van de platte schijfhoren bekend (NDFF, 2009-2019). De soort heeft als voorkeurshabitat voedselrijk stilstaand water met begroeiing van waterplanten, voornamelijk gele plomp en waterlelie. De kans op het voorkomen van de platte schijfhoren is klein wanneer deze planten of ondergedoken planten volledig afwezig zijn (Anemoon platte schijfhoren, 2019). Tijdens het veldbezoek zijn de soorten gele plomp en waterlelie niet waargenomen.

Gezien het ontbreken van deze soorten kan de aanwezigheid van platte schijfhoren uitgesloten worden. Tevens zijn er geen werkzaamheden voorzien aan de kavelsloten. Het is derhalve uitgesloten dat de beoogde ontwikkelingen een negatief effect hebben op beschermde ongewervelde. Tevens is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Significante negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels In het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en/of rustende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen: huismus, kauw, koolmees, meerkoet, nijlgans en wilde eend. De planlocatie heeft aannemelijk geen essentiële functie voor de waargenomen soorten. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen als braakballen, plukplaatsen, horsten, holen of uitwerpselen aangetroffen van soorten met een jaarrond beschermd leefgebied en/of nestlocatie. In een van de bomen achterin het perceel is een potentieel buizerdnest aangetroffen (figuur 4). Om verstoring van broedende buizerds te voorkomen, wordt geadviseerd om buiten het broedseizoen te werken (indicatief 15 maart – 15 juli).

7

Figuur 4

Potentieel buizerdnest in een van de bomen achterin het perceel.

Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort is binnen het plangebied geen functioneel leefgebied aanwezig. De huismus broedt vrijwel altijd bij menselijke bebouwing, en bouwt zijn nesten onder dakpannen tegen het isolerende dakbeschot of in kieren in de muur. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene planten, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Het dak van de loods (B) bestaat uit damwandplaten zonder dakbeschot. De ruimte onder het dak is tijdens het veldbezoek visueel geïnspecteerd. Hierbij zijn geen nesten van huismussen aangetroffen. De aanliggende woning C heeft een zadeldak met dakpannen. Echter zijn er nauwelijks groene hagen aanwezig, op een 2 meter lange laurierhaag en enkele knotwilgen na. Hierdoor ontbreekt het aan foerageer- en schuillocaties op het plangebied. Derhalve is de aanwezigheid van nestlocaties van huismussen zeer onwaarschijnlijk. Naburige huizen hebben meer afwisselend groen in de tuin, waardoor deze woningen potentieel beter geschikt zijn voor huismussen.

Het is dan ook aannemelijk dat de huismussen in deze omliggende woningen broeden en niet in de woning binnen het plangebied. De vrijstaande woning (A) en houtschuur (D) zijn door de gebruikte constructies (rieten dak bij A, plat golfplaten dak bij D) niet geschikt voor huismussen. Van verstoring van nesten is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken. Een vereiste voor broedmogelijkheid is dat het hoger ligt dan 3m. Gierzwaluwen kunnen namelijk niet op eigen kracht opstijgen en moeten zich voor het eerste deel van hun vlucht laten vallen om snelheid te vergaren (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is een koloniebroeder en is derhalve vaak te vinden in woonwijken waar broedgelegenheid is in meerdere gebouwen. In landelijk gebied zijn gierzwaluwen vrij zeldzaam. In de loods zijn enkele openingen aangetroffen waardoor een gierzwaluw binnen kan vliegen. Echter zijn door de landelijke ligging potentiële broedgelegenheden wijdverspreid. Hierdoor is de omgeving ongeschikt voor de koloniebroedende gierzwaluw. Tevens bleken er tijdens visuele inspectie geen gierzwaluwnesten aanwezig te zijn binnen de loods. Derhalve kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden.

Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake.

8

Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode of in bijzondere gevallen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. In de loods zijn meerdere nesten aangetroffen van witte kwikstaart en een lijsterachtige zoals de merel. In de houtschuur (D) is een nest aangetroffen van een boerenzwaluw. d Deze blijft behouden in de beoogde ontwikkeling. Gezien het één enkel nest betreft, de positieve nationale trend van de boerenzwaluw en aanwezigheid van ander geschikte nestlocaties in de omgeving is er geen ecologisch zwaarwegende reden om het nest jaarrond te beschermen. Het wordt vanwege de mogelijke aanwezigheid van een buizerdnest al aangeraden om te werken buiten het broedseizoen, waardoor er van verstoring ook geen sprake is. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 3,3 km ligt het Natura 2000-gebied de Biesbosch (figuur 5). De planlocatie ligt op een afstand van circa 345 m ten oosten van het Natuurnetwerk Nederland (figuur 6).

Figuur 5

De planlocatie ligt op een afstand van 3,3 km tot het Natura 2000-gebied Biesbosch en 4 km van het gebied de Donkse laagten (bron: nationaal Georegister PDOK).

Figuur 6

De planlocatie ligt op een afstand van circa 345 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: Provincie Zuid-Holland: www.pzh.b3p.nl).

9

De beoogde ontwikkeling betreft de sloop van een loods en woning (B en C) ten behoeve van de realisatie van een vrijstaande woning. Daarnaast wordt de huidige vrijstaande woning (A) inpandig opgesplitst in drie wooneenheden. Dit leidt tot een beperkte verkeerstoename. De werkzaamheden zullen waarschijnlijk leiden tot een tijdelijke en beperkte toename in stikstofdepositie (projecteffect). In de toekomst zal in geval van eventueel nieuwbouw mogelijk sprake zijn van een relatief lagere uitstoot (hogere isolatiewaarden en een hoogrenderende stookinstallatie). Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Echter leert de ervaring dat het projecteffect bij soortgelijke en grotere projecten en de afstand tot kwetsbare habitats dat er geen significante toename van de stikstofdepositie binnen het Natura 2000-gebied wordt verwacht. Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Op basis van de Europese vogel- en habitatrichtlijn geldt voor projecten en andere handelingen de verplichting om aan te tonen dat er geen significant effecten optreden als gevolg van stikstofdepositie.

De algemene richtlijn hiervoor is dat voor ieder project of handeling, middels de rekentool Aerius, een berekening gemaakt dient te worden om aan te tonen of er wel of geen sprake is van een meldings- of vergunningsplichtige stikstofdepositie op omliggende Natura 2000gebieden met stikstofgevoelige habitats. Of er sprake kan zijn van overschrijding van de drempelwaarde is afhankelijk van een aantal factoren. Vaak betreft dit een combinatie van de kwetsbaarheid van een gebied, de terreinomstandigheden, ligging van het project en overheersende windrichting. Ondanks dat er geen effecten verwacht worden kan het, ten behoeve van een feitelijke rekenkundige onderbouwing, door het bevoegd gezag wenselijk worden geacht een Aerius berekening uit te voeren. Houtopstanden Het kappen van bomen en struiken kan melding- of vergunningplichtig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming.

Het kappen van bomen is niet melding- en/of vergunningplichtig in het kader van de Wet Nb als het de volgende type houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013. Er zijn geen kapwerkzaamheden gepland. Derhalve is een kap melding of -vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming niet aan de orde.

10

Conclusies Samenvatting In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De te slopen loods en woning hebben geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort -

-

-

+

-

+

n

n

n

+

+/-

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

-

-

Geschikt habitat andere soort

+

+

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek/ Aerius

Natura 2000

3,3 km

geen

n.v.t.

Natuurnetwerk Nederland

345 m

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding / vergunning

Struiken

ja

nee

n.v.t.

Bomen

ja

nee

n.v.t.

n

-

broedvogels (j)

vissen

reptielen

amfibieën

vleermuizen

zoogdieren

- = ongeschikt + = geschikt n (nee) / j (ja)

vaatplanten

Legenda

broedvogels (a)

Tabel 2 Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap.

-

n

n

Uitvoerbaarheid De werkzaamheden leiden niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, andere soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit). Conclusie De beoogde sloop aan de loods en aanliggende woning en realisatie van nieuwbouwwoning, opsplitsen van de bestaande woning en realisatie van hooimijt aan de Westeinde 28 te Wijngaarden leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet Natuurbescherming.

11

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). • Ten aanzien van de buizerd dienen de werkzaamheden uit te worden gevoerd buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a.

op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

Literatuur Bang, P. & P. Dahlström, 2005. Tierspuren. Fährten, Fraβspuren, Losungen, Gewölle und andere. BLV Buchverlag GmbH & Co. KG, München. BIJ12, 2017. Kennisdocument Buizerd Buteo buteo, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (ravon) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie.

KNNV Uitgeverij, Utrecht.

12

Geraadpleegde websites www.anemoon.org www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff-ecogrid.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdierenvereniging.nl

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen.

Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ir. S. Schuuring

Bijlage 1 Fotografische impressie

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46 - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

13

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Westeinde 28 te Wijngaarden en bestaat uit een vrijstaande woning (A), loods (B), aanliggende woning (C) en houtschuur (D). De vrijstaande woning A en houtschuur D zijn hier niet afgebeeld. De afgebeelde loods en aanliggende woning worden gesaneerd ten behoeve van een vrijstaande woning.

14

Figuur 2

De aanliggende woning (C).

Figuur 3

Dakconstructie van de loods. Door het gebruik van damwandplaten en ontbreken van een dakbeschot is er geen broedgelegenheid voor huismussen.

Figuur 4

Door een gebrek aan hagen en groenblijvende struiken is het aannemelijk dat het perceel geen deel uitmaakt van het functioneel leefgebied van huismus.

15

BODEMONDERZOEK INCL ASBEST WESTEINDE 28 WIJNGAARDEN MEI 2019

opdrachtgever

Van den Heuvel Ontwikkeling en Beheer BV Lekdijk 44 2967 GB Langerak

Projectnummer

19-2017

versie:

1

datum:

20 mei 2019

LINGE MILIEU BV | BODEMONDERZOEK & ADVIES | POPPELENBURGERSTRAAT 52 | 4191 zt | GELDERMALSEN | THE NETHERLANDS T 0345 - 570 272

| F 0345 - 570 287 |

ING BANK 6717.49.897

|

INFO@LINGEMILIEU.NL

|

WWW.LINGEMILIEU.NL

|

KVK TIEL 30233558

BTW NL 8188.13.118. B01

opgesteld door: Arjan Vlasblom

controle / vrijgave: John Hol Hierbij verklaar ik, John Hol, het veldwerk in Wijngaarden uitgevoerd te hebben volgens BRL SIKB 2000 en protocol 2001, 2002 en 2018 in april 2019, onafhankelijk van opdrachtgever of eigenaar

1. Inleiding

1

2. Vooronderzoek

2

2.1 2.2

Historie en actuele situatie Bodemopbouw

2 4

3. Opzet en invulling van het onderzoek

5

3.1 3.2 3.3

Onderzoekstrategie Veldwerk onderzoek Zintuiglijke waarnemingen, chemisch onderzoek

4. Analyse, toetsing en interpretatie 4.1 4.2 4.3

5

5 5 6

7

Analyseresultaten grond Reresultaten asbest Analyseresultaten grondwater

7 9 10

Conclusie en aanbevelingen

11

5.1 5.2

Conclusies Betrouwbaarheid

Bijlagen bijlage A: algemene toelichting bodemonderzoek bijlage B1 analyseresultaten NEN 5740 bijlage B2 resultaten asbest bijlage B3 analyse PFOA bijlage C: boorstaten bijlage D1 kadasterkaart, historische gegevens bijlage D2 gegevens Omgevingsdienst bijlage E: gegevens asbest-onderzoek bijlage F: situatieschets

1 bodemonderzoek Westeinde 28 Wijngaarden, mei 2019

11 12

1. Inleiding Op 29 april 2019 is in opdracht van Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer BV te Langerak bodemonderzoek inclusief asbest uitgevoerd op het terrein aan de Westeinde 28 in Wijngaarden.

Op de locatie staan een woonboerderij en een houten schuur met daar achter een woning. De boerderij is gebouwd in 1725. Het voornemen is om de woonboerderij te splitsen, de schuur en schuurwoning te slopen en op de fundering hiervan een nieuwe woning te realiseren. In de noordoostelijke hoek gaat een hooimijt worden gebouwd. Kadastrale gegevens van het perceel zijn Wijngaarden A, nummer 313. De locatie heeft een oppervlak van 3.500 m². Er zijn zestien boringen en een peilbuis geplaatst tot maximaal 2.6 m-mv. Het grondwater stond op het moment van het onderzoek op 0.8 m-mv. Voor het asbest-onderzoek zijn zeven inspectiegaten gegraven. Grond en grondwater zijn geanalyseerd op het NEN 5740-pakket, bestrijdingsmiddelen, PFOA en asbest. Wat eventuele verontreiniging betreft is de bodem als onverdacht beschouwd, met de volgende aandachtspunten: • • • •

bestrijdingsmiddelen, asbest in de boven- en ondergrond. een voormalige bovengrondse dieseltank, een gedempte sloot.

Linge Milieu is een onafhankelijk bureau dat als erkend bureau is aangewezen door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Linge Milieu is geen eigenaar van het perceel in Wijngaarden of anderszins betrokken bij het terrein in Wijngaarden via de eigen organisatie. Voorwaarde voor de onafhankelijkheid is verder dat er geen zakelijke connecties bestaan tussen de monsternemer (Linge Milieu) en de opdrachtgever. Een dergelijke relatie tussen Van den Heuvel Ontwikkeling en Beheer BV en Linge Milieu is er niet. Dit project is uitgevoerd onder certificaat volgens BRL SIKB 2000, certificaatnummer VB-051/6. Het veldwerk is uitgevoerd conform de BRL-Protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Linge Milieu volgens het procescertificaat veldwerk voor milieuhygiënisch bodemonderzoek is gecertificeerd. In hoofdstuk 2 zijn de resultaten van het vooronderzoek gegeven, dat vooraf is gegaan aan het veldwerk. Er wordt daarbij een korte samenvatting gegeven van de huidige situatie. Hoofdstuk 3 behandelt de opzet en uitvoering van het onderzoek. In hoofdstuk 4 en 5 tenslotte worden de resultaten getoetst en worden conclusies aan de resultaten verbonden.

2. Vooronderzoek 2.1

Historie en actuele situatie De onderzoekslocatie betreft het terrein aan de Westeinde 28 in Wijngaarden, gemeente Molenlanden. Kadastraal is het perceel bekend bij gemeente Wijngaarden A, nummer 313, postcode is 3366 BM. Een kadastrale kaart is opgenomen in bijlage D1. Het terrein heeft een oppervlak van 3.500 m². Voor het historisch onderzoek zijn gegevens gebruikt van de Omgevingsdienst ZHZ. Verder zijn oude kaarten, luchtfoto's en gegevens van de opdrachtgever en eigenaar gebruikt. De gegevens van de Omgevingsdienst, oude kaarten en de historische informatie zijn opgenomen in bijlage D. Algemene gegevens locatie Op de locatie staan een monumentale woonboerderij en een houten schuur met daaraan een woning. Het terrein had in het verleden een bestemming als rundveebedrijf. De boerderij is gebouwd in 1725 en is voorzien van een rieten kap. Het achterhuis is een gepotdekselde dwarsdeel-schuur. Het fundament van de boerderij is mogelijk nog 100 jaar ouder. Het erf rond de opstallen is deels verhard met klinkers. Er is geen verharding met beton of asfalt op het buitenterrein aanwezig. De rest van het terrein bestaat uit gras met enkele bomen. Op het terrein staan de onderstaande bijgebouwen. De contouren van de opstallen zijn aangegeven in een schets in bijlage F. Verder zijn enkele foto's van de huidige situatie te vinden in bijlage D1. I.

Een houten schuur uit 1978, met een oppervlak van 310 m². In de schuur ligt een gesloten

betonvloer. Op het dak liggen asbest-golfplaten. Onder dakrand hangt aan beide zijden een deugdelijke dakgoot. In de schuur is korte tijd een klus-autobedrijfje actief geweest. II. Een houten woning met een pannen dak, gebouwd in 2004 en met een oppervlak van 95 m². De

woning staat leeg. III. Een stenen bakhuisje ten oosten van de boerderij uit 1725. IV. Een houten schuur ten westen van de boerderij, 35 m².

Het voornemen is om de woonboerderij te splitsen, de schuur en schuurwoning te slopen en op de fundering hiervan een nieuwe woning te realiseren. In de noordoostelijke hoek wordt een hooimijt gebouwd. Een schets van de nieuwe inrichting is opgenomen in bijlage D1. Geschiedenis van de locatie In bijlage D1 zijn vier kaarten van het gebied opgenomen : uit 1970, 1985, 1995 en 2010. Op alle kaarten zijn de woning en de schuur aangegeven. In bijlage D1 zijn verder vier luchtfoto's van de locatie te vinden, uit 2005, 2012, 2016 en 2018. Er zijn in deze periode geen wijzigingen in het bodemgebruik of de bebouwingsituatie terug te vinden.

Gedempte sloot Ten oosten van de boerderij is een sloot gedempt in het verleden. De demping heeft begin jaren '60 plaatsgevonden. De voormalige sloot had een lengte van 35 meter. De sloot was doodlopend en had als doel het laden en lossen van koeien en hooi. De contour is aangegeven in de tekening in bijlage F. Er zijn drie boringen verdeeld over de demping, de nummers 12, 13 en 16. In de ondergrond daarvan is wat steenpuin waargenomen. Deze grond is geanalyseerd op asbest. Asbest De puinhoudende ondergrond in de gedempte sloot wordt gezien de periode van demping (de jaren '60) als beperkt verdacht beschouwd wat betreft asbest.

2 bodemonderzoek Westeinde 28 Wijngaarden, mei 2019

Ook andere bronnen van bodemverontreiniging met asbest ontbreken op het perceel. Dat zouden bijv asbestdaken zonder dakgoot of asbest-platen op het maaiveld kunnen zijn. Van de relatief meest geroerde grond zijn voor het onderzoek twee meng-monsters samengesteld voor analyse op asbest.

Tank Er is een bovengrondse dieseltank op de locatie in gebruik geweest. Dit was een tank in een lekbak met een volume van 1.200 liter. De lekbak stond onder een afdak, op de klinkers aan de achterzijde van de boerderij. De locatie is aangegeven in de tekening in bijlage F. De tank is verwijderd bij de Actie Tankslag in de jaren '80. Dat was gelijktijdig met de beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteiten op de locatie. De tank is voor de verwijdering inwendig gereinigd. Op de locatie van de voormalige tank is een boring met peilbuis geplaatst, nummer 12.

bodemonderzoek Op het terrein zelf is geen eerder bodemonderzoek bekend. In de omgeving zijn wel enkele onderzoeken bekend bij Omgevingsdienst ZHZ. Een overzicht: Westeinde 26 Ten oosten van het onderzoeksterrein bevindt zich het perceel Westeinde 26A, ook een voormalige

boerderij. TMD BV heeft er bodemonderzoek uitgevoerd in 1991. Op de locatie is een voormalige tank geregistreerd. Westeinde 25

Ook op deze locatie is een ondergrondse tank in gebruik geweest. Er is voor zover bekend geen bodemonderzoek uitgevoerd.

Bodemkwaliteitskaart, boomgaarden, PFOA Voor Wijngaarden is een bodemkwaliteitskaart beschikbaar. De lintbebouwing langs de Westeinde bevindt zich daarop in een niet schone Industrie Heterogeen. De bodemkwaliteit in deze strook is dermate heterogeen dat grondverzet vanuit de zone op basis van de bodemkwaliteitskaart niet mogelijk is. De kaart is opgenomen in bijlage D2. Op kaarten uit de periode 1950 - 1975 zijn meerdere boomgaarden ten noorden van de Westeinde te zien. De bovengrond van de locatie wordt daarom als verdacht beschouwd voor bestrijdingsmiddelen. De locatie aan de Westeinde ligt in zone 1 op de PFOA-verwachtingenkaart van Omgevingsdienst ZHZ, de pluim-zone. Verwachte gehaltes aan PFOA in de bovengrond zijn 0 tot 10 µg/kg. De kaart is opgenomen in bijlage D2

2.2

Bodemopbouw Het onderzoeksterrein ligt op de tijdens het Holoceen gevormde gronden, die worden gerekend tot de Westlandformatie. De oorspronkelijke bodem bestaat uit klei, overgaand in veen op 1.0 á 1.5 m-mv. Deze slecht doorlatende deklaag heeft een dikte van 10 á 12 meter. De bovengrond ter plaatse bestaat uit zand of zandige klei, overgaand in bruingrijze en siltige klei op 0.5 m-mv. In twee boringen is de ondergrond venig, vanaf 1.0 m-mv. In een beperkt aantal boringen is puin waargenomen, tot een diepte van 0.9 m-mv. Het puin bestaat uit steenachtig materiaal zoals baksteen en metselwerk. Het gehalte is gekwalificeerd als licht, in enkele boringen was dat matig. Deze grond is op asbest geanalyseerd. Het maaiveld rond de voormalige boerderij bevindt zich op ongeveer 0.6 meter onder NAP. Het maaiveld ten westen van de schuur ligt op 1.5 meter onder NAP. Ten tijde van het onderzoek bevond het grondwater zich op circa 0.8 m-mv. De stromingsrichting van het freatisch grondwater is westelijk. De locatie bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied.

3 bodemonderzoek Westeinde 28 Wijngaarden, mei 2019

3. Opzet en invulling van het onderzoek 3.1

Onderzoekstrategie Bij het opstellen van de onderzoeksstrategie is de bijlage VED-HE van de NEN 5740 (Strategie bij verkennend onderzoek, lintbebouwing) als richtlijn gehanteerd. Het aantal boringen en de locaties ervan is afgestemd op het doel van het onderzoek; het vaststellen van de algemene bodemkwaliteit van het terrein in het kader van de ontwikkeling van het terrein. Voor het asbest-onderzoek is de § 6.4.5 van de NEN 5707 gevolgd.

3.2

Veldwerk onderzoek Voorafgaand aan het veldwerk is een KLIC-melding gedaan en is het terrein geïnspecteerd. De boringen en de bemonstering van de bodem zijn uitgevoerd volgens de BRL-protocollen 2001, 2002 en 2018. Het veldwerk is uitgevoerd op 29 april 2019. Er zijn 16 boringen en een peilbuis geplaatst, tot een diepte van maximaal 2.6 m-mv. Het veldwerk is uitgevoerd door John Hol (Geldermalsen), erkend veldwerker voor deze protocollen. Zie daarvoor ook https://www.bodemplus.nl/aanvragen/erkenningen/zoekmenu. De boringen zijn als volgt verdeeld over het terrein. locatie

boring

peilbuis

gedempte sloot vm dieseltank overig terrein

boring 12, 13 en 16 boring 12 overige boringen

pb 12 pb 12

Bij de bemonstering van de peilbuis op 20 april zijn de pH, troebelheid en de geleidbaarheid bepaald. De locaties van de boringen en peilbuis zijn terug te vinden in de schets in bijlage E.

Asbest Voor het asbestonderzoek zijn zeven inspectiegaten rond de opstallen gegraven van 0.3 bij 0.3 meter en een diepte van tenminste 0.5 m-mv. Foto's daarvan zijn opgenomen in bijlage D1. Vanuit de gaten is een boring gezet tot in de ongeroerde ondergrond. De locaties van de inspectiegaten zijn te vinden in de tekening in bijlage F. Voor het veldwerk zijn onder andere een spade, een hark en 20 mm-zeef gebruikt. De formulieren van het asbest-onderzoek zijn opgenomen in bijlage E. Het onderzoek samengevat:

3.3

mm

boring

m-mv

monster

mm A mm B

gat 1-3, klei ondergrond gedempte sloot, licht-matig puin gat 4 - 7, zand, bovengrond, max licht puin

0.4-0.9 0.0-0.4

mm A, 13.9 kg mm B, 13.1 kg

Zintuiglijke waarnemingen, chemisch onderzoek Bij alle boringen is de grond zintuiglijk beoordeeld op bodemkundige eigenschappen en verdachte afwijkingen. De bodem ter plaatse bestaat uit humeus zand of zandige klei, overgaand in bruingrijze en siltige klei op 0.5 m-mv. Enkele zintuiglijke waarnemingen zijn : • Drie boringen zijn gestaakt op puin of fundering, op een diepte van 0.5 á 0.9 m-mv. Dit zijn de boringen 3, 8 en 9, naast de houten woning en aan de voorzijde van het terrein.

4 bodemonderzoek Westeinde 28 Wijngaarden, mei 2019

• •

De kleiige ondergrond in de contour van de gedempte sloot is licht tot matig puinhoudend, tot een diepte van 0.9 m-mv. Het puin bestaat uit steen-achtig materiaal zoals baksteen en metselwerk. Naast het puin in de sloot is verder geen puin van betekenis waargenomen in boven- of ondergrond.

De bodem is als volgt opgebouwd: tabel 1: Schematische weergave bodemopbouw m-mv

grondsoort

opmerkingen

kleur

0.0 - 0.5 0.5 - 0.9 0.9 - 1.3 1.3 - 2.6

zand / klei klei klei veen / klei

geroerd, lokaal licht puin zandig, lokaal puinhoudend zandig -

bruingrijs grijsbruin donkergrijs donkerbruin

De boorbeschrijvingen zijn opgenomen in bijlage C. Op basis van de doelstelling van het onderzoek en de bodemopbouw zijn zeven grond(meng)monsters samengesteld. Voor de analyses is de relatief meest puinhoudende grond geselecteerd. Tabel 2 bevat een overzicht van de samengestelde (meng)monsters en analyses. tabel 2: boringen, peilbuizen en analyses nr

boringen / peilbuis

m-mv

NEN analyses

1 2 3 4 5

B3 B4, 5, 7 en 9 B10, 12, 14 en 15 B9, 10 en 12 B5, 7 en 9

zand, licht puin klei zandig kleiig, licht-matig puin klei

0.0 - 0.3 0.0 - 0.5 0.0 - 0.4 0.5 - 0.9 0.0 - 0.5

NEN 5740 grond NEN 5740 grond NEN 5740 grond + bestrijdingsm NEN 5740 grond PFOA

6 7

mm A, klei mm B, zand

gat 1-3, gedempte sloot gat 4-7, overig terrein

0.4 - 0.9 0.0 - 0.4

NEN 5898, asbest grond NEN 5898, asbest grond

8

pb 12

grondwater

1.4 - 2.4

NEN 5740 grondwater

NEN-pakket grond AS3000 (stap 1) - droge stof, lutum en organische stof, - zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), - PAK (PAK's 10 VROM), - PCB´s en minerale olie. NEN-pakket grondwater AS3000 (stap 2) - zuurgraad (pH), - metalen (barium, cadmium, molybdeen, kobalt, koper, kwik, lood, nikkel en zink), - vluchtige aromaten ( benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen) en minerale olie, - vluchtige chloorkoolwaterstoffen (1,2-dichloorethaan, cis 1,2-dichlooretheen, 1,2-dichloorpropaan, tetrachloormethaan, 1,1,1-trichloorethaan, 1,1,2- trichloorethaan, trichlooretheen (tri), trichloormethaan

5 bodemonderzoek Westeinde 28 Wijngaarden, mei 2019

4. Analyse, toetsing en interpretatie 4.1

Analyseresultaten grond De analysecertificaten van de grondmonsters zijn bijgevoegd in bijlage B1. De toetsing is uitgevoerd conform de BoToVa-systematiek (Bodem Toets & Validatieservice). In de tabel zijn de naar standaard bodem omgerekende gehaltes opgenomen. De locaties van de boringen zijn terug te vinden in bijlage E. tabel 3A : Analyses en toets grond (mg/kg ds), omgerekend naar standaard bodem boring m-mv puin

B3 0-0.3 licht

4, 5, 7, 9 10, 12, 14, 15 9, 10, 12 AW 0-0.5 0-0.4 0.5-0.9 licht-matig

org.stof (%) droge stof (%) lutum (%)

2.9 78.2 6.6

6.1 78.9 17

9 78.4 9.8

5.3 79.7 10.8

0.73 • -

53 • 1.6 •

-

18 • 53 • 0.27 • 116 • 37 • 232 • 2.9 •

zware metalen barium cadmium kobalt koper kwik lood molybdeen nikkel zink PAK (10VROM) bestrijdingsm som DDD som DDE som DDT som drins som OCB's PFOA's, µg/kg PFOA PFOS PFOA-vertakt PFOS-vertakt PCB´s olie C10-C40

45 • 0.23 • 173 • 37 • 211 • 0.004 0.003 0.021 -

TW

0.6 15 40 0.15

18 103 115 18.1

1.5 35 140 1.5

96 67 430 21

IW 4, 5 en 7

0.1 0.2 0.4 9.0 0.7 0.11 0.15

0.023 • 293 •

-

-

0.02 0.51 190 2600

- : geen overschrijding van de achtergrondwaarde (AW), • : lichte verhoging, overschrijding van de achtergrondwaarde, ••• : sterke verhoging, overschrijding van de interventiewaarde (IW).

In de boven- en ondergrond van het terrein aan de Westeinde worden geen tussenwaarden overschreden. Dat geldt dus ook voor de grond in de contour van de gedempte sloot ten oosten van de boerderij. De kwaliteit van de grond sluit aan bij de gegevens van de bodemkwaliteitskaart voor de lintbebouwing langs de Westeinde : gemiddeld industrie-kwaliteit. Bestrijdingsmiddelen Van de OCB-bestrijdingsmiddelen is er niet één boven de Achtergrondwaarde verhoogd.

6 bodemonderzoek Westeinde 28 Wijngaarden, mei 2019

4.2

Resultaten asbest Het asbest-analysecertificaat is te vinden in bijlage B2. Er is bij de analyse onderscheid gemaakt in hecht-gebonden en niet-hechtgebonden asbest. Het laatste bestaat uit losse vezels en is de meest risicovolle. Het hecht-gebonden asbest is plaatmateriaal, waarvan losse vezels vrijkomen als het bewerkt wordt (zagen, snijden). tabel 4 : Analyseresultaten en toetsing grond (mg/kg ds) monster

m-mv aantal deeltjes gewogen gehalte visueel asbest gewicht asbest tot, gewogen < 20 mm <20 mm >20 mm > 20 mm, mg mg/kg ds

mm A mm B

0.9 0.4

nul nul

<0.9 mg/kg ds <1.2 mg/kg ds

neen neen

-

< 0.9 mg/kg ds < 1.2 mg/kg ds

Asbest, gewogen gehalte Asbest mm, < 20 mm Analytisch is door het lab geen asbest kleiner dan 20 mm aangetoond in de twee mengmonsters van boven- en ondergrond van het perceel aan de Westeinde. Asbest mm, >20 mm Visueel is nergens asbestverdacht (plaat)materiaal gevonden in of op de grond op het terrein rond de opstallen.

7 bodemonderzoek Westeinde 28 Wijngaarden, mei 2019

4.3 Analyseresultaten grondwater De analysecertificaten van de grondwatermonsters en de toetsing zijn bijgevoegd in bijlage B1. De locatie van de peilbuis is te vinden in de schets in bijlage E. De toetsing is uitgevoerd conform de BoToVa-systematiek (Bodem Toets & Validatieservice). tabel 5 : analyseresultaten grondwater (μgl) peilbuis m-mv 20 april 2019

pb 12 1.4-2.4

pH geleidbaarheid (μS/cm) grondwater, cm-mv troebelheid, NTU

7.09 1.145 84 18.4

molybdeen cadmium barium koper kobalt lood nikkel zink kwik

-

vluchtige aromaten benzeen tolueen ethylbenzeen xylenen naftaleen

<1 -

vl. chl. koolwaterstoffen 1,2-dichloorethaan cis1,2-dichlooretheen tetrachlooretheen tetrachloormethaan 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen dichloorbenzenen chloorbenzenen monochloorbenzeen

-

minerale olie C10 - C40

<35

SW

TW

50

338

IW

- : geen overschrijding van de streefwaarde, • : lichte verhoging, overschrijding van de streefwaarde.

Het grondwater staat aan de Westeinde op 0.8 m-mv. De pH, EC en troebelheid van het water kunnen als normaal worden beschouwd. De troebelheid is groter dan 10 NTU. Dit heeft echter geen invloed op de resultaten. Het grondwater kan als schoon worden beschouwd. Zelfs barium is niet boven de streefwaarde verhoogd. Olie en aromaten zijn niet meetbaar verhoogd in het grondwater op de locatie van de voormalige dieseltank. De tank en het gebruik er van heeft dus geen verontreiniging veroorzaakt.

8 bodemonderzoek Westeinde 28 Wijngaarden, mei 2019

5

Conclusie en aanbevelingen Op 29 april 2019 is in opdracht van Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer BV te Langerak bodemonderzoek inclusief asbest uitgevoerd op het terrein aan de Westeinde 28 in Wijngaarden. Kadastrale gegevens van het perceel zijn Wijngaarden A, nummer 313. Op de locatie staan een woonboerderij uit 1725. Naast de boerderij staat een houten schuur met daaraan een woning. Het voornemen is om de woonboerderij te splitsen, de schuur en schuurwoning te slopen en op de fundering hiervan een nieuwe woning te realiseren. De locatie heeft een oppervlak van 3.500 m². Er zijn zestien boringen en een peilbuis geplaatst tot maximaal 2.6 m-mv. Het grondwater stond op het moment van het onderzoek op 0.8 m-mv. Voor het asbest-onderzoek zijn zeven inspectiegaten gegraven. Grond en grondwater zijn geanalyseerd op het NEN 5740-pakket, bestrijdingsmiddelen, PFOA en asbest. Wat eventuele verontreiniging betreft is de bodem als onverdacht beschouwd, met de volgende aandachtspunten: • • • •

5.1

bestrijdingsmiddelen, asbest in de boven- en ondergrond. een voormalige bovengrondse dieseltank, een gedempte sloot.

Conclusies De bodem ter plaatse bestaat uit zand of zandige klei, overgaand in bruingrijze en siltige klei op 0.5 m-mv. Plaatselijk is de ondergrond venig, vanaf 1.0 m-mv. In een beperkt aantal boringen is puin waargenomen, tot een diepte van 0.9 m-mv. Het puin bestaat uit steenachtig materiaal zoals baksteen en metselwerk. Het gehalte is gekwalificeerd als licht, in enkele boringen was dat matig. Visueel zijn nergens asbestverdachte materialen als plaatjes waargenomen.

Grond In de boven- en ondergrond van het perceel aan de Westeinde worden geen tussenwaarden overschreden. Dat geldt dus ook voor de grond in de contour van de gedempte sloot ten oosten van de boerderij. Van de bestrijdingsmiddelen is er niet één boven de Achtergrondwaarde verhoogd. Het gehalte aan PFOA in de bovengrond van de locatie is 9.0 µg/kg ds.

Asbest Zoals visueel als analytisch is asbest niet aantoonbaar in de geroerde, puinhoudende boven- en ondergrond van de locatie.

Grondwater De peilbuis staat in de contour van de gedempte sloot en direct naast de locatie van de voormalige dieseltank. Het grondwater kan als schoon worden beschouwd. Zelfs barium is niet boven de streefwaarde verhoogd.

Tank, gedempte sloot De grond en het grondwater ter plaatse van de voormalige dieseltank en de gedempte sloot ten oosten van de boerderij zijn niet boven de tussenwaarde verontreinigd.

9 bodemonderzoek Westeinde 28 Wijngaarden, mei 2019

Conclusie De algemene kwaliteit van de grond en grondwater van de locatie aan de Westeinde is geen belemmering voor de ontwikkeling van het terrein. Mocht er grond vrijkomen bij de ontwikkeling, dan wordt aanbevolen deze op het terrein zelf her te gebruiken. Voor de afvoer van grotere volumes grond is waarschijnlijk AP04-partijkeuring nodig. Afvoer op basis van de bodemkwaliteitskaart is vanuit de lintbebouwing langs de Westeinde niet mogelijk. Bevoegd gezag bij de beoordeling van de resultaten van het onderzoek is Omgevingsdienst ZHZ, namens Gemeente Molenlanden.

5.2

Betrouwbaarheid Linge Milieu streeft naar een zo groot mogelijke representativiteit van het onderzoek. Het onderhavig onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden en Kwalibo. De resultaten van het onderzoek zijn echter gebaseerd op een beperkt aantal boringen en analyses. Het in Wijngaarden uitgevoerde bodemonderzoek is een momentopname. Naarmate de periode tussen de uitvoering van het onderzoek en het gebruik van de resultaten langer wordt, zal meer voorzichtigheid betracht dienen te worden bij het gebruik van de resultaten van dit rapport.

10 bodemonderzoek Westeinde 28 Wijngaarden, mei 2019

Bijlage A: Toelichting onderzoek Toetsing van de analyseresultaten wordt uitgevoerd met behulp van de Botova-systematiek (Bodem Toets & Validatieservice). Deze richtlijn is van kracht sinds 1 november 2013, ter vervanging van toetsingsrichtlijnen, die tot die tijd werden gehanteerd voor diverse toepassingen.

Achtergrondwaarde De achtergrondgehaltes voor Nederlandse bodems of detectielimiet van de toegepaste analysemethode. De streefwaarden kunnen worden beschouwd als indicatieve concentratieniveaus, waarboven wel en waaronder geen sprake is van aantoonbare verontreiniging. De streefwaarden zijn afhankelijk gesteld van het organische stof- en lutum(klei)gehalte, zodat bodemtypecorrectie kan worden toegepast .

Criterium voor nader onderzoek, tussenwaarde In het kader van de Wet bodembescherming wordt nader onderzoek op korte termijn wenselijk geacht als er sprake kan zijn van een ernstig gevaar voor vermindering van de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft. Wanneer de concentratie van één of meer stoffen het criterium voor nader onderzoek overschrijdt, wordt aangenomen dat in principe sprake kan zijn van dergelijk risico. Of dit inderdaad het geval is, wordt vastgesteld in het nader onderzoek. Overigens kan afhankelijk van de situatie, ook gehalten lager dan dit criterium een nader onderzoek gewenst zijn.

Interventiewaarde De interventiewaarden geven het concentratieniveau aan voor verontreinigingen in grond en grondwater aan waarboven ernstige vermindering of dreigende vermindering optreedt van de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant of dier. Bij gehalten boven de interventiewaarde is sprake van (een geval van) ernstige bodemverontreiniging. De interventiewaarden zijn vastgesteld voor grond/sediment en grondwater en gelden voor land- en waterbodems. Voor de interventiewaarden geldt dat zowel ze humaan- als ecotoxicologisch onderbouwd zijn. Verder geldt dat ze gedimensioneerd zijn, om in geval van ernstige bodemverontreiniging te spreken dient het gemiddelde aangetroffen gehalte minimaal 25 m 3 grond of 100 m3 grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarden. De waarden zijn afhankelijk van het organisch stof- en lutumgehalte, hetgeen is vastgelegd in zogenaamde bodemtypecorrectieformules. Als een geval van ernstige verontreiniging geconstateerd is, dient saneringsonderzoek uitgevoerd te worden. Bij lagere concentraties is de urgentie van een saneringsonderzoek minder groot, maar in bepaalde gevallen kan het echter toch wenselijk zijn het saneringsonderzoek niet te lang uit te stellen.

Veldwerk Ruimtelijke verdeling boringen/peilbuizen Als er sprake is van onverdacht terrein worden de boringen ruimtelijk evenredig verdeeld. Van een verdachte locatie is sprake als er op die plaats activiteiten plaatsvinden of in het verleden plaats hebben gevonden, die kunnen leiden tot verontreiniging, ofwel als in de toekomst activiteiten gaan worden uitgevoerd die tot verontreiniging kunnen leiden. Het aantal boringen is afhankelijk van de oppervlakte van de (verdachte) locatie en van de mogelijke verspreiding. In veel gevallen wordt gekozen voor een gecombineerde onderzoeksstrategie: de bodemkwaliteit voor het gehele terrein wordt bepaald volgens de strategie voor een onverdacht of homogeen verdacht terrein, terwijl verdachte locaties apart worden onderzocht. Bemonstering Meestal worden boringen handmatig gezet met een zogenaamde edelmanboor. In andere gevallen wordt gebruik gemaakt van een puin- of pulsboor. Soms is een verharding aanwezig die niet tijdelijk verwijderd kan worden: in beton- of asfaltverhardingen worden met een diamantboor gaten geboord om de onderliggende bodem te kunnen bereiken. Regelmatig komt het voor dat losse verhardingsmaterialen zijn aangebracht (met name puin). Om die reden moeten boringen soms (gedeeltelijk) worden uitgevoerd met een slagguts, een ramguts of een compressorhamer.

In één of meer boorgaten worden peilbuizen geplaatst om grondwatermonsters te kunnen nemen. Peilbuizen zijn PVC of HDPE buizen die over een lengte van één of twee meter zijn geperforeerd. Het filterdeel wordt zo afgesteld dat grondwater van een specifieke diepte wordt bemonsterd. Voor het afpompen en bemonsteren wordt gebruik gemaakt van een slangenpomp of een kunststof slang met pulsklep. In het veld wordt van elke onderscheiden bodemlaag een grondmonster genomen, met dien verstande dat afwijkende of verontreinigde bodemlagen apart worden bemonsterd. De maximale laagdikte per monster is 50 cm. De grondmonsters worden verpakt in glazen potten die volledig worden gevuld en worden afgesloten met neopreen deksels. De monsters worden gekoeld bewaard. Voor het verkrijgen van een representatief grondwatermonster wordt de peilbuis gespoeld, direct na plaatsing en voorafgaand aan de bemonstering. Bemonstering vindt in principe plaats na minimaal een week standtijd. Zintuiglijk onderzoek In het veld wordt grond opgeboord en grondwater opgepompt. De resultaten van het zintuiglijk onderzoek worden opgenomen in het rapport. Mede op basis van deze resultaten wordt beslist welke monsters op welke chemische stoffen worden geanalyseerd. Het zintuiglijk onderzoek is te splitsen in: ▪

Lithologisch onderzoek, waarbij de opgeboorde grondsoorten worden geclassificeerd. Dit is onder andere nodig omdat de natuurlijke achtergrondconcentraties van stoffen verschillen per grondsoort. Ook de adsorptie van stoffen aan bodemdeeltjes en daarmee de snelheid van verspreiding van verontreinigingen varieert met de grondsoort.

▪

Onderzoek naar verontreiniging, waarbij waarneembare afwijkingen in of aan het bodemmateriaal worden beschreven. Hierbij wordt gezocht naar zichtbaar bodemvreemd materiaal zoals puin en afval, en naar geuren van bodemvreemd materiaal, zoals olie en oplosmiddelen.

Waarnemen minerale olie en vluchtige aromaten De eigenschappen van olie kunnen sterk variëren. Zogenoemde zware oliën (lange koolstofketens) zijn niet of slecht te ruiken. Bij twijfel wordt vaak gebruik gemaakt van de 'oliepanmethode'. Daarbij wordt de grond verkruimeld in een schaal met water. Het verschijnen van een oliefilm op het water is een teken dat er olie in de grond aanwezig kan zijn. Dit kan dan worden gecontroleerd met een analyse.

Chemisch onderzoek Indien bij het zintuiglijk onderzoek in overeenkomende bodemlagen uit verschillende boringen geen afwijkingen worden aangetroffen, mogen mengmonsters worden samengesteld van maximaal tien monsters. Voor chemische analyse op mengmonsters wordt gekozen om zoveel mogelijk informatie te verkrijgen tegen relatief beperkte analysekosten. Het risico hierbij is dat in het mengmonster een lichte/matige/sterke verontreiniging wordt aangetroffen, waarbij niet duidelijk is of alle monsters in dezelfde mate zijn verontreinigd, ofwel dat één of enkele monsters relatief sterk zijn verontreinigd. Indien een dergelijke situatie optreedt, dan worden in principe de individuele monsters van waaruit dat mengmonster was samengesteld, geanalyseerd op de betreffende stof. Op die manier wordt vastgesteld hoe de verontreiniging is verdeeld over de monsters. In principe wordt overgegaan op het uitsplitsen van mengmonsters als de tussenwaarde wordt overschreden. ls er sprake is van een onverdacht terrein worden minimaal twee grondmengmonsters en één grondwatermonster geanalyseerd op een breed scala aan stoffen. Dit zijn de zogeheten NENanalysepakketten. Als er sprake is van aandachtspunten waarbij bekend is om welke verontreinigende stoffen het gaat, of indien het onderzoek wordt uitgevoerd om de nulsituatie te bepalen, worden de betreffende monsters onderzocht op de relevante stoffen.

In het kader van het chemisch onderzoek worden in het algemeen monsters die tijdens het zintuiglijk onderzoek als afwijkend zijn beoordeeld, niet gemengd. Wel wordt met mengmonsters gewerkt indien een homogene afwijkende laag wordt aangetroffen, bijvoorbeeld een puinhoudende verhardingslaag. Grondwatermonsters worden in principe nooit gemengd. Voor het chemisch onderzoek worden de grond- en grondwatermonsters aangeleverd bij een onafhankelijk STERLAB laboratorium.

bijlage B1

analyseresultaten NEN 5740 Westeinde 28 Wijngaarden

mei 2019

Linge Milieu BV T.a.v. John Hol Poppelenburgerstraat 52 4191 ZT GELDERMALSEN

Analysecertificaat Datum: 07-May-2019

Hierbij ontvangt u de resultaten van het navolgende laboratoriumonderzoek. Certificaatnummer/Versie Uw project/verslagnummer Uw projectnaam Uw ordernummer Monster(s) ontvangen

2019062740/1 19-2017 westeinde 28 wijngaarden 29-Apr-2019

Dit certificaat mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. De analyse resultaten hebben alleen betrekking op het beproefde object. De grondmonsters worden tot 4 weken na datum ontvangst bewaard en watermonsters tot 2 weken na datum ontvangst. Zonder tegenbericht worden de monsters nadien afgevoerd. Indien de monsters langer bewaard dienen te blijven verzoeken wij U dit exemplaar uiterlijk 1 werkdag voor afloop van de standaardbewaarperiode ondertekend aan ons te retourneren. Voor de kosten van het langer bewaren van monsters verwijzen wij naar de prijslijst.

Bewaren tot: Datum:

Naam:

Handtekening:

Wij vertrouwen erop uw opdracht hiermee naar verwachting te hebben uitgevoerd, mocht U naar aanleiding van dit analysecertificaat nog vragen hebben verzoeken wij U contact op te nemen met de afdeling Verkoop en Advies.

Met vriendelijke groet, Eurofins Analytico B.V.

Ing. A. Veldhuizen Technical Manager

Eurofins Analytico B.V. Gildeweg 42-46 3771 NB Barneveld P.O. Box 459 3770 AL Barneveld NL

Tel. +31 (0)34 242 63 00 BNP Paribas S.A. 227 9245 25 Fax +31 (0)34 242 63 99 IBAN: NL71BNPA0227924525 E-mail info-env@eurofins.nl BIC: BNPANL2A Site www.eurofins.nl KvK/CoC No. 09088623 BTW/VAT No. NL 8043.14.883.B01

Eurofins Analytico B.V. is ISO 14001: 2015 gecertificeerd door TÜV en erkend door het Vlaamse Gewest (OVAM en Dep. Omgeving), het Brusselse Gewest (BIM), het Waalse Gewest (DGRNE-OWD) en door de overheid van Luxemburg (MEV).

Analysecertificaat Uw project/verslagnummer Uw projectnaam Uw ordernummer

19-2017 westeinde 28 wijngaarden

Monsternemer Monstermatrix

john Grond (AS3000)

2019062740/1 29-Apr-2019 07-May-2019/11:33 A,B,C 1/3

1

2

3

4

Uitgevoerd

Uitgevoerd

Uitgevoerd

Uitgevoerd

78.2

78.9

78.4

79.7

Eenheid

Analyse

Certificaatnummer/Versie Startdatum Rapportagedatum Bijlage Pagina

Voorbehandeling

Cryogeen malen AS3000 Bodemkundige analyses

S

Droge stof

S

Organische stof

% (m/m) ds

2.9

6.1

9.0

5.3

Gloeirest

% (m/m) ds

96.7

92.7

90.3

93.9

Korrelgrootte < 2 µm (Lutum)

% (m/m) ds

6.6

17.0

9.8

10.8

S

% (m/m)

Metalen

S

Barium (Ba)

mg/kg ds

30

120

140

150

S

Cadmium (Cd)

mg/kg ds

0.47

0.31

0.35

0.36

S

Kobalt (Co)

mg/kg ds

3.6

6.7

7.6

9.9

S

Koper (Cu)

mg/kg ds

7.5

23

33

36

S

Kwik (Hg)

mg/kg ds

0.10

0.11

0.19

0.22

S

Molybdeen (Mo)

mg/kg ds

<1.5

<1.5

<1.5

<1.5

S

Nikkel (Ni)

mg/kg ds

5.7

22

21

22

S

Lood (Pb)

mg/kg ds

16

46

140

90

S

Zink (Zn)

mg/kg ds

73

93

140

150

Minerale olie (C10-C12)

mg/kg ds

<3.0

<3.0

<3.0

<3.0

Minerale olie (C12-C16)

mg/kg ds

9.8

<5.0

<5.0

<5.0

Minerale olie (C16-C21)

mg/kg ds

13

9.0

<5.0

5.4

Minerale olie (C21-C30)

mg/kg ds

33

24

21

12

Minerale olie (C30-C35)

mg/kg ds

23

14

20

6.5

Minerale olie (C35-C40)

mg/kg ds

6.1

<6.0

<6.0

<6.0

Minerale olie totaal (C10-C40)

mg/kg ds

<35

Minerale olie

S

Chromatogram olie (GC)

85

52

46

Zie bijl.

Zie bijl.

Zie bijl.

Organo chloorbestrijdingsmiddelen, OCB

S

alfa-HCH

mg/kg ds

<0.0010

S

beta-HCH

mg/kg ds

<0.0010

S

gamma-HCH

mg/kg ds

<0.0010

Nr. Monsteromschrijving

1

3-01>B3-01

2

4-01, 5-01, 7-01, 9-01>B4+5+7+9 ( 0-30 0-50 )

3

10-01, 12-01, 14-01, 15-01>B10+12+14+15 ( 0-40 )

4

9-02, 10-02, 12-02>B9+10+12 ( 50-90 )

Datum monstername

Monster nr.

29-Apr-2019 29-Apr-2019

10695995

29-Apr-2019 29-Apr-2019

10695996 10695997 10695998

Q: door RvA geaccrediteerde verrichting A: AP04 erkende verrichting S: AS SIKB erkende verrichting V: VLAREL erkende verrichting

Eurofins Analytico B.V.

Gildeweg 42-46 3771 NB Barneveld P.O. Box 459 3770 AL Barneveld NL

M: MCERTS erkend

Tel. +31 (0)34 242 63 00 Fax +31 (0)34 242 63 99 E-mail info-env@eurofins.nl Site www.eurofins.nl

Dit certificaat mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. BNP Paribas S.A. 227 9245 25 Eurofins Analytico B.V. is ISO 14001: 2015 gecertificeerd door TÜV IBAN: NL71BNPA0227924525 en erkend door het Vlaamse Gewest (OVAM en Dep. Omgeving), BIC: BNPANL2A het Brusselse Gewest (BIM), het Waalse Gewest (DGRNE-OWD) KvK/CoC No. 09088623 en door de overheid van Luxemburg (MEV). BTW/VAT No. NL 8043.14.883.B01

TESTEN RvA L010

Analysecertificaat Uw project/verslagnummer Uw projectnaam Uw ordernummer

19-2017 westeinde 28 wijngaarden

Monsternemer Monstermatrix

john Grond (AS3000) Eenheid

Analyse

Certificaatnummer/Versie Startdatum Rapportagedatum Bijlage Pagina

1

2

4

3

S

delta-HCH

mg/kg ds

<0.0010

S

Hexachloorbenzeen

mg/kg ds

<0.0010

S

Heptachloor

mg/kg ds

<0.0010

S

Heptachloorepoxide(cis- of A)

mg/kg ds

<0.0010

S

Heptachloorepoxide(trans- of B)

mg/kg ds

<0.0010

S

Hexachloorbutadieen

mg/kg ds

<0.0010

S

Aldrin

mg/kg ds

<0.0010

S

Dieldrin

mg/kg ds

<0.0010

S

Endrin

mg/kg ds

<0.0010

S

Isodrin

mg/kg ds

<0.0010

S

Telodrin

mg/kg ds

<0.0010

S

alfa-Endosulfan

mg/kg ds

<0.0010

Q

beta-Endosulfan

mg/kg ds

<0.0010

S

Endosulfansulfaat

mg/kg ds

<0.0020

S

alfa-Chloordaan

mg/kg ds

<0.0010

S

gamma-Chloordaan

mg/kg ds

<0.0010

S

o,p'-DDT

mg/kg ds

<0.0010

S

p,p'-DDT

mg/kg ds

0.0023

S

o,p'-DDE

mg/kg ds

<0.0010

S

p,p'-DDE

mg/kg ds

0.0032

S

o,p'-DDD

mg/kg ds

<0.0010

S

p,p'-DDD

mg/kg ds

<0.0010

S

HCH (som) (factor 0,7)

mg/kg ds

0.0021

1)

S

Drins (som) (factor 0,7)

mg/kg ds

0.0021

1)

S

Heptachloorepoxide (som) (factor 0,7)

mg/kg ds

0.0014

1)

S

DDD (som) (factor 0,7)

mg/kg ds

0.0014

1)

S

DDE (som) (factor 0,7)

mg/kg ds

0.0039

S

DDT (som) (factor 0,7)

mg/kg ds

0.0030

S

DDX (som) (factor 0,7)

mg/kg ds

0.0083

S

Chloordaan (som) (factor 0,7)

mg/kg ds

0.0014

S

OCB (som) LB (factor 0,7)

mg/kg ds

0.019

Nr. Monsteromschrijving

1

3-01>B3-01

2

4-01, 5-01, 7-01, 9-01>B4+5+7+9 ( 0-30 0-50 )

3

10-01, 12-01, 14-01, 15-01>B10+12+14+15 ( 0-40 )

4

9-02, 10-02, 12-02>B9+10+12 ( 50-90 )

2019062740/1 29-Apr-2019 07-May-2019/11:33 A,B,C 2/3

1)

Datum monstername

Monster nr.

29-Apr-2019 29-Apr-2019

10695995

29-Apr-2019 29-Apr-2019

10695996 10695997 10695998

Q: door RvA geaccrediteerde verrichting A: AP04 erkende verrichting S: AS SIKB erkende verrichting V: VLAREL erkende verrichting

Eurofins Analytico B.V.

Gildeweg 42-46 3771 NB Barneveld P.O. Box 459 3770 AL Barneveld NL

M: MCERTS erkend

Tel. +31 (0)34 242 63 00 Fax +31 (0)34 242 63 99 E-mail info-env@eurofins.nl Site www.eurofins.nl

Dit certificaat mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. BNP Paribas S.A. 227 9245 25 Eurofins Analytico B.V. is ISO 14001: 2015 gecertificeerd door TÜV IBAN: NL71BNPA0227924525 en erkend door het Vlaamse Gewest (OVAM en Dep. Omgeving), BIC: BNPANL2A het Brusselse Gewest (BIM), het Waalse Gewest (DGRNE-OWD) KvK/CoC No. 09088623 en door de overheid van Luxemburg (MEV). BTW/VAT No. NL 8043.14.883.B01

TESTEN RvA L010

Analysecertificaat Uw project/verslagnummer Uw projectnaam Uw ordernummer

19-2017 westeinde 28 wijngaarden

Monsternemer Monstermatrix

john Grond (AS3000) Eenheid

Analyse

S

Certificaatnummer/Versie Startdatum Rapportagedatum Bijlage Pagina

1

2

4

3

mg/kg ds

OCB (som) WB (factor 0,7)

2019062740/1 29-Apr-2019 07-May-2019/11:33 A,B,C 3/3

0.020

Polychloorbifenylen, PCB

S

PCB 28

mg/kg ds

<0.0010

<0.0010

<0.0010

<0.0010

S

PCB 52

mg/kg ds

<0.0010

<0.0010

<0.0010

<0.0010

S

PCB 101

mg/kg ds

<0.0010

<0.0010

<0.0010

<0.0010

S

PCB 118

mg/kg ds

<0.0010

<0.0010

<0.0010

<0.0010

2)

S

PCB 138

mg/kg ds

0.0012

<0.0010

<0.0010

<0.0010

S

PCB 153

mg/kg ds

0.0015

<0.0010

<0.0010

<0.0010

S

PCB 180

mg/kg ds

0.0011

<0.0010

S

PCB (som 7) (factor 0,7)

mg/kg ds

0.0066

0.0049

<0.0010 1)

0.0049

<0.0010 1)

0.0049

1)

Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen, PAK

S

Naftaleen

mg/kg ds

<0.050

<0.050

<0.050

<0.050

S

Fenanthreen

mg/kg ds

0.050

0.080

0.062

0.080

S

Anthraceen

mg/kg ds

<0.050

0.086

0.053

<0.050

S

Fluorantheen

mg/kg ds

0.17

0.41

0.24

0.34

S

Benzo(a)anthraceen

mg/kg ds

0.058

0.18

0.12

0.39

S

Chryseen

mg/kg ds

0.065

0.28

0.19

0.61

S

Benzo(k)fluorantheen

mg/kg ds

<0.050

0.13

0.092

0.28

S

Benzo(a)pyreen

mg/kg ds

0.062

0.16

0.097

0.34

S

Benzo(ghi)peryleen

mg/kg ds

0.057

0.14

0.14

0.39

S

Indeno(123-cd)pyreen

mg/kg ds

0.056

0.13

0.15

0.35

S

PAK VROM (10) (factor 0,7)

mg/kg ds

0.62

1.6

1.2

2.8

Nr. Monsteromschrijving

1

3-01>B3-01

2

4-01, 5-01, 7-01, 9-01>B4+5+7+9 ( 0-30 0-50 )

3

10-01, 12-01, 14-01, 15-01>B10+12+14+15 ( 0-40 )

4

9-02, 10-02, 12-02>B9+10+12 ( 50-90 )

Datum monstername

Monster nr.

29-Apr-2019 29-Apr-2019

10695995

29-Apr-2019 29-Apr-2019 Q: door RvA geaccrediteerde verrichting A: AP04 erkende verrichting S: AS SIKB erkende verrichting V: VLAREL erkende verrichting

Eurofins Analytico B.V.

Gildeweg 42-46 3771 NB Barneveld P.O. Box 459 3770 AL Barneveld NL

M: MCERTS erkend

Tel. +31 (0)34 242 63 00 Fax +31 (0)34 242 63 99 E-mail info-env@eurofins.nl Site www.eurofins.nl

Dit certificaat mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. BNP Paribas S.A. 227 9245 25 Eurofins Analytico B.V. is ISO 14001: 2015 gecertificeerd door TÜV IBAN: NL71BNPA0227924525 en erkend door het Vlaamse Gewest (OVAM en Dep. Omgeving), BIC: BNPANL2A het Brusselse Gewest (BIM), het Waalse Gewest (DGRNE-OWD) KvK/CoC No. 09088623 en door de overheid van Luxemburg (MEV). BTW/VAT No. NL 8043.14.883.B01

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=7266147a-aba6-44a0-b333-69415e533805