3. Toelichting VGBP Oud-Alblas, Noordzijde 25
Tekst van het document
Kenmerken van het plan Middels het onderhavige plan wordt de bedrijfsbestemming en de -bebouwing gesaneerd. Ter compensatie worden twee vrijstaande burgerwoningen gerealiseerd (toevoeging één wooneenheid). Er vinden daarmee geen productiewerkzaamheden plaats en er is geen sprake van productie van afvalstoffen, anders dan regulier huishoudelijk afval. Behoudens de standaard toegestane aan-huis-gebonden beroepen/bedrijven zullen er geen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. De volwaardige bedrijfsactiviteiten zullen middels het onderhavige bestemmingsplan uitgesloten worden. Ligging van het plangebied Het plangebied is niet gelegen in een Natura2000-gebied. Natura2000-gebieden ‘Donkse Laagten’en ‘Boezems Kinderdijk’ zijn gelegen op respectievelijk circa 2,8 en 3,4 km van het plangebied. Vanwege de aard en beperkte omvang van de voorgenomen werkzaamheden en de afstand tot de Natura2000-gebieden is er geen sprake van externe werking. Het plangebied is tevens niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen. Gezien de kleinschaligheid van het plan zullen geen toenames leiden tot significante negatieve effecten op het milieu.
36
Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieuaspecten. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wet milieubeheer.
37
5.2 Watertoets Beleidskader In het onderhavige plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Gemeentelijk beleid Vanuit onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), is bepaald dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld moet worden. Om aan deze eis te kunnen voldoen hebben de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en het waterschap Rivierenland de handen ineengeslagen en het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom opgesteld. In dit waterplan is aangegeven welke doelen men wenst te bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom. De doelen uit het beleidsplan zijn uitgewerkt in vier aspecten: • Afkoppelen, meer ruimte voor water creëren en diffuse bronnen aanpakken (duurzaam onkruidbeheer, duurzaam bouwen); • Belevingswaarde; • Samenwerking; • Beheer en onderhoud.
Het beleidsplan moet de gemeenten helpen om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 door optimalisering van het huidige systeem. De gemeenten en het waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem. Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen.
Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen.
38
Verordening ‘de Keur’ Het waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de Keur is geregeld dat langs A- en Bwatergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Voor een A- en een B-watergang gelden in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een beschermingszone van 5 en 1 meter. Werkzaamheden binnen deze beschermingszones zijn vergunnings- en/of meldingsplichting. Op en rondom het plangebied zijn een A-watergang (001245) en een tweetal Cwatergang (069754 & 069756). De geplande bouw- en sloopwerkzaamheden vinden plaats in het waterbergingsgebied van de Alblas (lage boezem).
De C-watergangen hebben een belangrijke functie voor de berging in het watersysteem, daarom vinden er geen fysieke ingrepen plaats aan de watergangen. De eigenaar van de percelen zal voorkomen dat de watergangen verlanden. Voor zowel de bouw- als sloopwerkzaamheden dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland. C-watergang: 069756
C-watergang: 069754
A-watergang: 001245 Figuur 19: Uitsnede Legger Wateren
Onderzoek Voor het onderhavige plan is de digitale watertoets doorlopen (Dossiercode 20190718-21023). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit
39
hoofdstuk uitgewerkt. Het perceel Noordzijde 25 te Oud-Alblas is gelegen in het boezemgebied de Nederwaard. Waterberging en -compensatie Volumecompensatie Het plangebied is gelegen in het boezemgebied van De Alblas. Activiteiten in boezemgebieden zijn vergunningplichtig. Boezemgebieden zijn de gebieden in de Alblasserwaard die liggen tussen de boezemkades. De Alblas behoort tot de Boezem van de Nederwaard en heeft een maximum peil van -0,8 m NAP. Wat betreft de volumecompensatie op boezemland wordt gekeken naar het maximale peil van de boezem plus 0,25 m. Hiermee gaat de volumecompensatie voor de boezem van de Nederwaard tot het niveau van -0,55 m NAP. Wanneer het plangebied wordt opgehoogd, dienen alle kuubs die door de ophoging beneden het peilniveau -0,55 m NAP worden aangebracht te worden gecompenseerd. Hiervoor dient een watervergunning te worden aangevraagd. Bij de aanvraag voor de watervergunning dient een dwarsprofiel van het bouwplan met de regionale waterkering en een compensatieberekening te worden toegevoegd. Eventuele compensatie zal plaatsvinden aan de oever van de Alblas, echter wordt een groot bedrijfspand gesloopt waardoor er weinig compensatie verwacht wordt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterberging’ overgenomen in het voorliggende bestemmingsplan.
Oppervlakteverharding compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1500 m2. Uit tabel 1 blijkt dat het plan resulteert in een toename aan verharding (160 m2). De initiatiefnemer zal gebruik maken van de eenmalige particuliere vrijstelling, waardoor het niet noodzakelijk is watercompensatie te realiseren ten behoeve van de toename aan verharding.
40
Tabel 1: Oppervlaktebalans verharding Bestaande situatie Bedrijfswoning Bijgebouw Bedrijfspand Erfverharding (ca.)
Oppervlakte 120 m2 35 m2 250 m2 675 m2
Totaal bestaande situatie
1.080 m2
Nieuwe situatie Twee woningen Twee bijgebouwen Erfverharding (50% perceel)
210 m2 150 m2 880 m2
Totaal nieuwe situatie
1240 m2
Verschil
160 m2 toename
Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het wetenschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011 worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan.
Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De nieuwe woningen worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied is geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland gelegen.
41
Waterkering Het plangebied is gelegen in de kern- en beschermingszone van een regionale waterkering. Binnen de kernzone gelden strenge regels voor het uitvoeren van bouw- en/of sloopwerkzaamheden. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. De sloopwerkzaamheden vallen buiten de kern- en de beschermingszone van de regionale waterkering. De bouwwerkzaamheden vallen gedeeltelijk binnen de beschermingszone, maar buiten de kernzone en buiten het profiel van vrije ruimte van de waterkering. Voor de bouw van het noordoostelijke bijgebouw dient een watervergunning te worden aangevraagd. Ter bescherming van de regionale waterkering wordt op de verbeelding ter plaatse van de waterkering de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen. Op basis van de Barro (2012) wordt voor de beschermingszone van de waterkering de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk’ opgenomen. Deze dubbelbestemming en gebiedsaanduiding beschermen de waterkering voor de bouwmogelijkheden van de onderliggende bestemming.
Figuur 20: Uitsnede legger waterkeringen
Wegbeheer Het perceel Noordzijde 25 te Oud-Alblas wordt thans ontsloten middels een enkele in- en uitrit aan de Noordzijde welke zich over bijna de gehele breedte van het perceel uitstrekt. In de nieuwe situatie krijgt elke woning een eigen in- en uitrit op de Noordzijde. Het plangebied heeft in de huidige situatie een grote inrit over de gehele breedte van het perceel welke geheel aansluit op de weg. Het betreft een aaneenschakeling van een inrit naar de bedrijfswoning en een inrit naar de grote schuur van het bouwbedrijf. In de nieuwe situatie worden er binnen het plangebied twee percelen 42
gecreëerd met een duidelijk erfscheiding. Gezien deze scheiding in twee percelen wordt per perceel een inrit beoogd, totaal twee inritten. Deze inritten zullen dan niet de gehele breedte van het perceel gebruiken, maar zullen worden beoogd gelijk de situatietekening. Dit betreft een verbetering van de bestaande situatie. Voor een tweede ontsluiting dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland welke de aanvraag zal beoordelen. Conclusie Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Voor het onderhavige plan dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland
43
5.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen.
Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plan betreft de realisatie van twee woningen binnen het plangebied. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van de toevoeging van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Het plangebied is gelegen aan de Noordzijde, ter plaatse geldt een maximum snelheid van 60 km/h. Hiermee is het uitvoeren van akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of gezoneerd industrieterrein, waardoor deze bronnen buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Door Voortman Ingenieurs is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai.
‘Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat: • De berekende geluidbelasting ten gevolge van het Oosteinde en de Noordzijde op de gevels van de woningen ten hoogste respectievelijk 39 en 44 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelasting is niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB incl. aftrek art. 110g Wgh voor wegverkeer. 44
• •
De berekende gecumuleerde geluidbelasting (LCUM*) ten gevolge van alle wegen ten hoogste 49 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; De woningen beschikken over een geluidluwe gevel en buitenruimte waarmee aan het streven uit het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan.
Voor deze woningen hoeven geen hogere waarden te worden aangevraagd. Voor deze woningen hoeft geen nader onderzoek naar de geluidwering van de gevel plaats te vinden omdat de gecumuleerde geluidbelasting niet hoger is dan 53 dB, excl. aftrek art. 110g Wgh. Algemeen geldt dat zonder aanvullende geluidwerende voorzieningen en bij toepassing van gebruikelijke bouwconstructies/materialen (spouwmuren, standaard dubbel glas, enkele kierdichting, ventilatieroosters etc.) een minimale geluidwering van 20 dB wordt bereikt.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.
45
5.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer (Wm) moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wm. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijn stof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt bedragen: Tabel 2: Grenswaarden Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)
Grenswaarde 40 µg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011
Jaargemiddelde 25 µg/m3 concentratie Voor roet gelden thans nog geen grenswaarden.
Vanaf 2015
Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2020 het volgende overzicht voor het jaar 2020: • Een stikstofconcentratie van 18,6 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 18,3 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 11,3 µg PM2,5/m3. Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10;
46
•
Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
Conclusie Het onderhavige plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
47
5.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven. Tabel 3: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Onderzoek Het onderhavige plan voorziet in de realisatie van woningen. Hiermee is sprake van het toevoegen van milieugevoelige objecten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele beperking van de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven als gevolg van het onderhavige plan. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-handboek bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Ter plaatse van het plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Naast woningen zijn andere functies als agrarische en kleinschalige bedrijvigheid aanwezig. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar worden gerechtvaardigd. De richtafstanden mogen één afstandstrap worden verlaagd. Hiernaast heeft de gemeente Molenlanden op 7 juli 2020 de ‘Geurverordening Gemeente Molenlanden 2020’ vastgesteld. Hierin worden de richtafstanden voor 48
geur voor een veehouderij tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom bijgesteld naar 25 meter. In onderstaande tabel en afbeelding is het bouwvlak van het plangebied ten opzichte van omliggende bedrijven uiteengezet. Tabel 4: Omliggende bedrijven Adres Functie Noordzijde 22a Noordzijde 30a/31 Noordzijde 31a Oosteinde 50 Oosteinde 53/53a
Veehouderij Tuincentrum Camping Klussenbedrijf Agrarisch bedrijf
Richtafstand conform VNG (gemengd gebied) 25 meter 10 meter 30 meter 10 meter 25 meter
Werkelijke afstand tot plangebied 35 meter 105 meter 80 meter 40 meter 55 meter
Noordzijde 22a Noordzijde 30a/31
Noordzijde 31a
Oosteinde 53/53a Oosteinde 50
Figuur 21: Plangebied t.o.v. omliggende bedrijven
Conclusie Er kan worden geconcludeerd dat het voorgenomen plan omliggende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering beperkt en dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
49
5.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR 10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten bevinden (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.
Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het onderhavige plan. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen welke in het kader van de externe veiligheid relevant zijn. Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen en/of voor de beroepsvaart relevante vaarwegen aanwezig. Tevens vindt er in de directe omgeving van het plangebied geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats.
Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen 50
ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten.
Plangebied
Figuur 22: Uitsnede risicokaart
Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.
51
5.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologische relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen of straalpaden gelegen. Wel loopt er een 380 KV hoogspanningsleiding ten noordoosten van plangebied. In verband met draadbreuk, elektrische ontlading en ijzelafzetting wordt een zoneringsafstand van 2 x 38 meter uit het hart van de leiding gehanteerd waarin uitsluitend gebouwen ten dienste van de leidingen zijn toegestaan. Het plangebied valt buiten de belemmeringenzone en is gelegen op geruime afstand van deze hoogspanningsleiding. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het plan voorgelegd aan de netbeheerder van de hoogspanningslijn. De beheerder van de hoogspanningslijn geeft aan dat er binnen 38 meter vanaf de hartlijn aan weerzijden geen grootschalige nieuwe woningbouw is toegestaan. Het plangebied is gelegen buiten deze zone van 38 meter. Om deze reden ziet de beheerder dan ook geen belemmeringen. Hiernaast heeft de hoogspanningsmast een indicatieve zone van 150 meter vanuit het hart van de hoogspanningslijn.
De huidige bedrijfswoning welke wordt herbouwd is deels gelegen binnen deze zone, in de nieuwe situatie is dit tevens het geval. Hiermee is er sprake van een gelijkblijvende situatie. De nieuwe westelijke woning wordt geheel buiten de zone gerealiseerd. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor het onderhavige plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
52
5.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het onderhavige plan betreft het saneren van een bedrijfsperceel, de bebouwing en het realiseren van woningen. Hiermee is sprake van werkzaamheden die in het kader van ecologie bedreigend kunnen zijn voor verblijfsplaatsen van beschermde planten diersoorten. Om de invloed van de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Kingfisher Natuurprojecten een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten uit dit onderzoek luiden: Soortenbescherming ‘S1. Welke WNB-beschermde soorten maken (mogelijk) gebruik van de planlocatie? algemene soorten (bijv. merel, koolmees, heggemus) met tijdens het broedseizoen beschermde nesten. S2.
Wat zijn de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op deze beschermde soorten? Zonder voorzorgsmaatregelen worden algemene broedvogels die we kunnen verwachten in de particuliere tuin verstoord. Door buiten de broedperiode te werken is er geen sprake van negatieve effecten op algemene broedvogels. Door de locatie bovendien ongeschikt te maken kunnen we effecten op deze soorten voorkomen. S3. Is aanvullend ecologisch onderzoek naar één of meerdere soorten noodzakelijk? Nee, de geschiktheid van de locatie is niet geschikt voor jaarrond beschermde broedvogels. S4. Welke voorzorgsmaatregelen dienen te worden uitgevoerd om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen of te beperken? Werken buiten het broedseizoen (15 maart – 15 juli) of na voorafgaande broedvogelcontrole. De potentiële broedlocaties ongeschikt te maken door het verwijderen van begroeiing voorafgaand aan het broedseizoen (voor 15 maart), rekening houdend om de vestiging van broedvogels te voorkomen. De gevelbegroeiing op het bedrijfspand dient verwijderd te worden. Deze mag zeker niet over hoofd worden gezien, aangezien dit wintergroene begroeiing betreft en al vroeg in het jaar in gebruik kan worden genomen door de eerste broedvogels. Bestaande grote bomen behouden of indien mogelijk sparen. Dit zijn belangrijke foerageer-of verblijfplaatsen voor vogels.
53
S5. Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen werkzaamheden een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen? Nee. Gebiedsbescherming ‘Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Natura 2000 gebieden Boezems Kinderdijk en Donkse Laagten liggen op ca. 3 km van plangebied. Vanwege de aard en beperkte omvang van de voorgenomen werkzaamheden is er geen sprake van externe werking. Toetsing aan het onderdeel gebiedenbescherming conform de WNB (hoofdstuk 2 van de wet) is daarom niet noodzakelijk. Het voornemen hoeft alleen aan het onderdeel soortenbescherming te worden getoetst. Het plangebied ligt op ca. 3km afstand van grote natura 2000 gebieden maar ligt niet binnen het Natuur Netwerk Nederland.’
Figuur 23: Plangebied t.o.v. Natura2000-gebieden
54
Figuur 24: Plangebied t.o.v. Natuur Netwerk Nederland
Stikstofdepositie Gezien de gehele stikstofproblematiek en de initiatiefnemer hier veel waarde aan hecht is voor het onderhavige plan een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat: ‘Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Donkse Laagten’ is gelegen op circa 2,8 km afstand van het plangebied. Verder is het plangebied gelegen op een afstand van circa 3,4 km tot het Natura 2000-gebied ‘Boezems Kinderdijk’. De stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden als gevolg van de aanleg- en de gebruiksfase van het plan is berekend met de nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS Calculator 2019A. De aanleg- en de gebruiksfase zijn tegelijkertijd berekend. In dit stikstofdepositieonderzoek is voor het plan de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de omliggende Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekening blijkt dat er als gevolg van het plan geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden Natura2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van het plan. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft ecologie geen belemmeringen.
55
5.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem voor het beoogde gebruik in kaart te brengen is door Genius Milieu B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘In het algemeen geldt dat de bovengrond lichte bijmengingen bevat. Plaatselijk is in de bovengrond aan de tuinzijde (boring 007 en 011) aan de westzijde een sterke verontreiniging met lood en of zink aangetoond. Het betreft een oppervlak van circa 200 m2 en een dikte van circa 0,5 meter. De omvang is circa 100 m3. Opgemerkt wordt dat de puinhoudende lagen/verontreinigingssituatie ter plaatse van de gedempte sloot niet geheel in beeld is. Met behulp van de ramguts was dit niet mogelijk.
Wel blijkt dat de laag met huishoudelijk afval sterk verontreinigd is met verschillende zware metalen. Dit is ook in eerder onderzoek vastgesteld. In de laag van 0,0 tot maximaal 1,8 m-mv is het terrein sterk tot uiterst puinhoudend. De milieuhygiënische bodemkwaliteit heeft ons inziens wel consequenties voor de voorgenomen eigendomsoverdracht. De aangetoonde gehalten aan zware metalen in de grond zijn waarschijnlijk gerelateerd aan de aanwezigheid van bodemvreemde materialen (huishoudelijk afval). Het betreft een laag met een dikte van circa 0,5 meter over een oppervlakte van minimaal 150 m2. De omvang is nog niet geheel in beeld, maar het betreft op basis van deze resultaten al minimaal 75 m3. Aanbevelingen Aanbevolen wordt om met name aan de noordoostzijde met behulp van een kraan de gedempte sloot verder uit te kaderen. Voordat eventuele bouwwerkzaamheden op de locatie plaatsvinden adviseren we de vrijkomende grond middels een partijkeuring conform de richtlijnen uit het Besluit bodemkwaliteit te laten onderzoeken teneinde de hergebruikmogelijkheden van de vrijkomende grond te bepalen.’ Conclusie Gelet op de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek dient er een Plan van Aanpak voor de sanering te worden opgesteld en een asbestinventarisatie te worden uitgevoerd. Hetgeen als voorwaarde wordt opgenomen in de omgevingsvergunning.
56
5.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een: • Middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd (roze). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Hoge verwachting aan of nabij het oppervlak (bruin). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
57
Figuur 25: Uitsnede archeologische verwachtingskaart
De beoogde werkzaamheden voorzien in bodemingrepen groter dan 100 m², waardoor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Door ADC ArcheoProjecten is een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: •
‘Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? In het noorden van het plangebied bestaat de ondergrond uit mineraalarm veen, afgedekt door lagen humeuze, venige klei. In dit deel van het plangebied zijn komafzettingen afgezet en is veen gevormd. In het zuiden van het plangebied is in de ondergrond een pakket sterk siltige klei met zandlaagjes aanwezig. Het betreft hier oeverafzettingen van de Oud-Alblas of Alblas. Dit pakket wordt afgedekt door een laag venige, humeuze klei of kleiig veen. Tijdens de vorming van deze laag lag het plangebied in een komgebied. De venige kleilaag of kleiige veenlaag wordt in het zuiden van het plangebied afgedekt door een pakket gerijpte, sterk siltige klei. Dit is een pakket oeverafzettingen van de Alblas. De natuurlijke bodemopbouw gaat scherp over in een 60 tot 140 cm dik heterogeen, recent opgebracht zand- en kleipakket.
•
Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? De natuurlijke bodemopbouw is tot een variërende diepte van 60 tot 140 cm – mv verstoord geraakt. De verstoring reikt tot in de oeverafzettingen van de Alblas, de venige vegetatiehorizont onder de oeverafzettingen of tot in de (in het noorden van het plangebied) daaronder gelegen laag komklei.
58
•
Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? In het zuiden van het plangebied zijn twee pakketten met oeverafzettingen aangetroffen. Het onderste pakket is bijna ongerijpt en in het pakket zijn geen potentiële bewoningsniveaus aangetroffen. Daarom worden in dit pakket geen archeologische waarden verwacht. Het bovenste pakket oeverafzettingen is in sommige delen van het plangebied niet meer aanwezig (bijvoorbeeld bij boring 5) en in andere delen is de oorspronkelijke (humeuze) top van het pakket niet meer aangetroffen. Omdat (de top van) dit pakket verstoord is geraakt worden op dit niveau geen intacte archeologische waarden verwacht. In het plangebied zijn dus geen archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aangetroffen.
•
Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? Niet van toepassing
•
Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? Tijdens het booronderzoek zijn geen archeologische indicatoren gevonden. De overige deelvragen zijn daarom niet van toepassing. Zo ja: o Op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? Niet van toepassing o Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? Niet van toepassing o Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? Niet van toepassing
•
In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? Op basis van het booronderzoek kan de middelmatige tot hoge archeologische verwachtingswaarde bijgesteld worden naar een lage archeologische verwachtingswaarde.
•
In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? In het plangebied worden geen archeologische waarden verwacht en worden daarom ook geen archeologische waarden bedreigd bij de voorgenomen uitvoering van de planning.
•
Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Omdat in het plangebied geen archeologische waarden meer verwacht worden is het plangebied middels dit onderzoek voldoende onderzocht.
Aanbeveling ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is echter nooit volledig uit te sluiten dat binnen het 59
onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie geen belemmeringen.
60
5.11 Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De aanvrager is zich bewust van deze gemeentelijke ambitie. Het onderhavige plan voorziet in twee woningen op de locatie. De woningen worden in het kader van het duurzaamheidsbeleid gasloos gerealiseerd en op een goede wijze geïsoleerd (conform de huidige bouweisen). Het perceel wordt op een passende en verantwoorde wijze groen ingepakt (paragraaf 2.2.3). Verder kijkt de initiatiefnemer naar verdere mogelijkheden voor duurzame energiebronnen.
61