CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Toelichting VGBP Heulenslag 75B, Bleskensgraaf

Raadsvergadering 8 maart 2022, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Heulenslag 75B, Bleskensgraaf15.674 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen.

35

Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de wateraanen afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Onderzoek Voor het plan is de digitale watertoets doorlopen (20191217-9-22087). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Watergangen In de directe omgeving van het plangebied zijn twee C-watergangen en één Awatergang gelegen (de wetering). Er vinden geen werkzaamheden plaats binnen d e beschermingszone van de A-watergang. Ook vinden er geen wijzigingen aan de watergangen plaats. Derhalve is het aanvragen van een watervergunning niet noodzakelijk.

A-watergang 112051

C-watergang 068978 C-watergang 068995

Afbeelding 16: Uitsnede legger wateren

36

Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied NDW015. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -2,21 meter NAP en een winterpeil van –2,31 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.

Plangebied

Afbeelding 17: Peilgebiedenkaart

Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2.

37

Verhardingsbalans Om de eventuele benodigde watercompensatie te bepalen is een verhardingsbalans opgesteld. Tabel 5: Verhardingsbalans Bestaande situatie Boerderijgebouw Hooiberg Houten schuur Stenen schuur (incl. aangebouwde schuren) Terreinverharding Totaal bestaande situatie Nieuwe situatie Boerderijgebouw Bergingen en erfverharding bij woningen in boerderijgebouw (90 % van ca. 500 m2 minus opp. boerderijgebouw = 283 m2) Vrijstaande schuurwoning Berging en erfverharding schuurwoning (70 % van ca. 350 m2 minus opp. schuurwoning = 257 m2) Inrit en parkeerplaatsen Totaal nieuwe situatie Verschil

Oppervlakte verharding 217 m² 54,8 m² 49,6 m² 143,1 m² 250 m2 715 m² 217 m² 255 m2 92 m² 180 m2 150 m2 894 m² 179 m² toename

Het plan resulteert in een kleine toename aan verharding. De toename aan verharding blijft ruimschoots onder de vrijstellingsgrens van 1500 m2 in het landelijk gebied, waardoor watercompenserende maatregelen niet noodzakelijk zijn. De afdeling Vergunningen van het waterschap Rivierenland zal beoordelen of er gebruik gemaakt kan worden van de eenmalige vrijstelling van de compensatie voor verhard oppervlak. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie.

38

Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via gemeentelijke rioleringsstelsel. Voor de realisatie van de woningen is een aanpassing van de gemeentelijke (hoofd)riolering nodig. De bestaande binnen het plangebied aanwezige pompput met schakelkast wordt verplaatst op het terrein. In de lijn van de oude riolering wordt een nieuwe inspectieput geplaatst waarop de tweede nieuwe wooneenheden in het boerderijgebouw worden aangesloten. De huisriolering van de schuurwoning kan direct worden aangesloten op de verplaatste pompput.

In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland.

Afbeelding 18: Aanpassingen riolering

39

Regionale waterkering Het plangebied is gelegen binnen de kern- en beschermingszone van een regionale waterkering. Binnen de kernzone gelden strenge regels voor het uitvoeren van bouw- en/of sloopwerkzaamheden. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe van ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. Werkzaamheden in de ondergrond dienen buiten het Profiel van vrije ruimte (Pvvr) van de waterkering plaats te vinden. De geplande sloopwerkzaamheden vallen deels binnen de kern- en beschermingszone van de regionale waterkering. De geplande bouwwerkzaamheden vallen buiten de kernzone van de regionale waterkering. De splitsing van de boerderij betreft een inpandige verbouwing. De schuurwoning wordt deels binnen de beschermingszone gerealiseerd. De schuurwoning wordt buiten het profiel van vrije ruimte van de waterkering gerealiseerd. Voor de bouw- en sloopwerkzaamheden is het aanvragen van een watervergunning vereist. Ter bescherming van de waterkering wordt op de verbeelding ter plaatse van de kernzone de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterkering’ opgenomen. Op basis van de Barro (2012) wordt voor de beschermingszone van de waterkering de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - dijk 1’ opgenomen. Deze dubbelbestemming en gebiedsaanduiding beschermen de waterkering door de bouwmogelijkheden van de onderliggende bestemming te beperken.

Afbeelding 19: Uitsnede legger waterkeringen

40

Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het Waterschap Rivierenland verantwoordelijk voor het beheer van de wegen in de Alblasserwaard. De Heulenslag is een weg in beheer en onderhoud bij het waterschap en tevens een regionale waterkering. Het plangebied wordt in de huidige ontsloten middels een brede in- en uitrit op de Heulenslag. In de nieuwe situatie wordt de centrale inen uitrit geformaliseerd. Voor de aanleg of aanpassing van de inrit is een watervergunning nodig. Bij de vergunningaanvraag wordt getoetst of het ontwerp voor de inrit voldoet aan de beleidsregels van het waterschap Rivierenland. De Heulenslag betreft tevens een 15T-zone, wat wil zeggen dat de weg gesloten is voor verkeer zwaarder dan 15 ton. Indien het voor de werkzaamheden noodzakelijk is om verkeer zwaarder dan 15 ton over de Heulenslag te laten plaatsvinden, dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem.

41

4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen.

Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, dus kan buiten beschouwing worden gelaten. Door Voortman Ingenieurs is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat: •

•

De berekende geluidbelasting op de woningen W1 en W2 ten gevolge van de Heulenslag ten hoogste respectievelijk 50 en 49 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelastingen zijn hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB maar niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde voor wegverkeer in buitenstedelijk gebied van 53 dB; De berekende geluidbelasting ten gevolge van de N481 en Oosteinde ten hoogste respectievelijk 45 en 36 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelastingen zijn niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer; 42

• •

De berekende gecumuleerde geluidbelasting (LCUM*) ten gevolge van alle wegen ten hoogste 51 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; Alle woningen over geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte beschikken, waarmee aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan.

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen. Voor de woningen in het boerderijgebouw zijn hogere grenswaarden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Molenlanden.

43

4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 6: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 µg/m3

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3

Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2019) het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie van 19,0 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 19,2 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 11,9 µg PM2,5/m3. Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met

44

niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard en valt binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit het oogpunt van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.

45

4.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In tabel 7 zijn de afstanden weergeven.

Tabel 7: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient getoetst te worden of dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de nieuwe woningen en/of dat omliggende bedrijven niet in de bedrijfsvoering worden beperkt. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In de directe omgeving van het plangebied zijn drie bedrijven gelegen. Tabel 8: Bedrijf- en milieuhinder van omliggende bedrijven Adres Functie Milieucat. Richtafstand conform VNG (zwaarste) Zijdeweg 1 Abbekesdoel 88 Oosteinde 6

Veehouderij 3.2 Reclame3.1 bebordingsbedrijf* Café/restaurant 1.0

100 meter 50 meter

Werkelijke afstand (bouwvlak bedrijf tot plangebied) 260 meter 78 meter

10 meter

290 meter

* Voor een reclamebebordingsbedrijf is geen aparte SBI code opgenomen in het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Het bedrijf kan in zekere zin worden vergeleken met een ‘drukkerij’. Conform het VNG-Handboek Bedrijven en milieuhinder (editie 2009) behoort een drukkerij

46

tot milieucategorie 3.2 (richtafstand 100 meter). Het bedrijf Esbi B.V. betreft echter geen grootschalige drukkerij (slechts 30 man personeel) en is daarmee qua aard en schaal niet vergelijkbaar aan bijvoorbeeld drukkerijen van landelijke kranten. Het bedrijf kan worden geschaard in milieucategorie 3.1 waarvoor een maximale richtafstand van 50 meter geldt tot omliggende woningen. Bovendien is ter plaatse van het plangebied sprake van een ‘gemengd gebied’, waarmee de richtafstand van een grote drukkerij (100 meter) tevens naar 50 meter kan worden bijgesteld. Naast bedrukking van reclamemateriaal vindt bij het bedrijf echter o.a. ook houtbewerking, en bewerking van kunststof plaats. Voor het deel houtbewerking kan het bedrijf het vergeleken worden met SBI code 162 ‘Timmerwerkfabriek met een productieoppervlak van < 200 m 2’. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter. De kunststofverwerkende activiteiten kunnen vergeleken worden met SBI code 222.3 ‘Productie van verpakkingsmateriaal en assemblage van kunststofbouwmaterialen’. Ook hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter.

Zijdeweg 1: ca. 290 m

Plangebied

Abbekesdoel 88: ca. 78 m Oosteinde 6: ca. 260 m Afbeelding 20: Omliggende bedrijven

Uit de toetsing blijkt dat wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de nieuwe woningen en dat omliggende bedrijven niet in de bedrijfsvoering worden beperkt (als gevolg van dit plan). Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.

47

4.6 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geendirecte relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).

Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Onderzoek

A-803 Plangebied

A-553 A-518-06

Afbeelding 21: Uitsnede risicokaart

48

Risicovolle bedrijven Uit de risicokaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege risicovolle inrichtingen. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen. In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn drie aardgasleidingen (NEN 3650-leidingen) gelegen. Tabel 9: Gegevens aardgasleidingen Leidingnummer Diameter Druk A-518-06 30 inch 66 bar A-553 37 inch 66 bar A-803 48 inch 80 bar

Omschrijving Leiding Gasunie - methaan Leiding Gasunie - methaan Leiding Gasunie - methaan

Plaatsgebonden risico De contour van het plaatsgebonden risico ligt op aardgasleidingen. Het plaatsgebonden risico is daarom geen belemmering voor het plan. Het risico van de hogedruk aardgastransportleiding is het ontstaan van een fakkelbrand. De effecten van een fakkelbrand zijn warmtestraling en rook. Tabel 10: Effectafstanden fakkelbrand Leidingnummer Diameter Afstand 1e ring (100% letaal)

Afstand 2e ring (1% letaal)

A-518-06 A-553 A-803

380 meter 450 meter 620 meter

30 inch 37 inch 48 inch

140 meter 170 meter 220 meter

Afstand 3e ring (1% eerstegraads brandwonden) 590 meter 700 meter 980 meter

De nieuwe woningen liggen binnen de 100% letaliteitsafstand. Conform de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) dient voor buisleidingen met een werkdruk van 80 bar (de zwaarste van de drie buisleidingen) een belemmeringenstrook van tenminste 5 meter te worden aangehouden waarbinnen geen bouwwerken mogen worden opgericht en een vergunningstelsel geldt voor graafwerkzaamheden. Het plangebied ligt ruimschoots buiten de belemmeringenstrook van de gasleiding A-803.

49

House burning distance (HBD) Binnen de house burning distance zal een huis in brand raken. Het kan dus nodig zijn om binnen dit gebied bouwkundige maatregelen te treffen die ervoor zorgen dat personen binnenshuis toch beschermd worden tegen brand en warmtestraling. Tabel 11: House burning distance (HBD) Leidingnummer Diameter Druk A-518-06 30 inch 66 bar A-553 37 inch 66 bar A-803 48 inch 80 bar

HBD (m) 176 meter 205 meter 277 meter

De woningen worden op ongeveer +/- 130 meter afstand van de dichtstbijzijnde aardgasleiding (A-518-06) gerealiseerd. Leiding A-553 ligt op +/- 135 meter afstand en leiding A-803 op +/- 155 meter afstand. Dit betekent dat de woningen binnen de House Burning Distance van alle drie de leidingen vallen. Echter liggen de leidingen minimaal 3.50 tot 4.00 meter verdiept waardoor de kans op een incident klein is. Groepsrisico Artikel 8 van het Bevt schrijft voor dat indien een plangebied in zijn geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 meter van een transportroute, in de toelichting bij dat plan onderscheidenlijk in de ruimtelijke onderbouwing van die vergunning tevens ingegaan dient te worden op: • De dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan of besluit wordt vastgesteld, rekening houdend met de in dat gebied reeds aanwezige personen en de personen die in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan of de geldende bestemmingsplannen of een omgevingsvergunning redelijkerwijs te verwachten zijn, en; • De als gevolg van het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan of die vergunning betrekking heeft; • Het groepsrisico op het tijdstip waarop het plan of de vergunning wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat plan

of besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de oriëntatiewaarde; • De maatregelen ter beperking van het groepsrisico die bij de voorbereiding van het plan of de vergunning zijn overwogen en de in dat plan of die vergunning opgenomen maatregelen, waaronder de stedenbouwkundige opzet en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte, en; • De mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan. Het plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling (toevoeging van drie woningen). Gezien de kleinschaligheid van het plan, de lage bevolkingsdichtheid blijft een factor 1000 lager dan de oriëntatiewaarde. Een berekening van het groepsrisico is derhalve niet noodzakelijk.

50

Artikel 7 van het Bevt schrijft voor dat in de toelichting bij een bestemmingsplan, voor zover het gebied waarop dat plan betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van een transportroute waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval moet worden ingegaan op: • De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op dat de weg, en; • Voor zover dat plan betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp voordoet. Het plangebied is gelegen in het invloedsgebied van alle drie de leidingen. Mogelijkheden voor zelfredzaamheid en vluchtmogelijkheden aanwezigen en rampenbestrijding De afstand tussen de aardgasleidingen en het plangebied bedraagt minimaal ca. 130 meter. In geval van een fakkelbrand hebben de bewoners van de woningen de mogelijkheid om via de hoofdentree van hun woning en omliggende wegen te vluchten. Gezien de grote afstand tot de gasleidingen heeft men voldoende tijd om te vluchten. Tenslotte hebben de hulpdiensten voldoende ruimte om de ramp te bestrijden en de gevaarlijke stoffen op te ruimen. De bewoners van de nieuwe woningen worden geïnformeerd over de risico’s en wordt een handelingsperspectief aangeboden.

Bereikbaarheid bluswatervoorziening De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid adviseert standaard dat het plangebied met betrekking tot de bereikbaarheid en bluswatervoorziening moet voldoen aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). Het perceel Heulenslag 75b Bleskensgraaf is voldoende bereikbaar voor de hulpdiensten. Aan de weg (Heulenslag) liggen twee brandkranen, waarvan één op circa 45 meter. De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid heeft per mail aangegeven dat dit voldoende is voor het plangebied. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

51

4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek Ten oosten van het plangebied zijn drie aardgasleidingen (NEN 3650-leidingen) gelegen. De woningen worden op voldoende afstand van de leidingen gerealiseerd. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

52

4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Soortenbescherming In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een ecologische quickscan uitgevoerd. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soort: kerkuil. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Als dit onderzoek wordt uitgevoerd, er geen essentiële habitatonderdelen worden aangetroffen en er enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht en algemene broedvogels, hoeft de beoogde ontwikkeling niet te leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming.

De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Heulenslag 75B te Bleskensgraaf uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).’ Te treffen maatregelen: • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).

53

•

•

Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van ca. 2,2 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Donkse Laagten’. Op een afstand van ca. 75 m en 180 m ligt het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van ca. 760 m ligt het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied. Op een afstand van ca. 1,7 km ligt het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’. Er zijn karakteristiek landschapselementen aanwezig in de vorm van knotwilgen. Deze blijven behouden.

Afbeelding 22: Afstand plangebied tot Natura2000-gebieden

54

Afbeelding 23: Afstand plangebied tot Natuurnetwerk Nederland

Afbeelding 24: Afstand plangebied tot Belangrijk weidevogelgebied en Strategische reservering natuur

55

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Stikstofdepositie Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. De beoogde ontwikkeling betreft de sloop van een deel van de bebouwing (open hooischuur, houten opslagschuur en voormalige veestal inclusief houten aanbouw), het wijzigen van een aan de woning aangebouwde voormalige veestal in twee wooneenheden, en de realisatie van een nieuwe schuurwoning. Dit zal ten opzichte van de huidige situatie mogelijk leiden tot een lichte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal met hogere isolatiewaarden en hoogrenderende stookinstallaties een relatief lage stikstofuitstoot hebben. Gedurende de werkzaamheden kan er een beperkte en tijdelijke toename in stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen (het ‘projecteffect’).

Gezien het beperkte projecteffect, de beperkte verkeerstoename en de grote afstand tot Natura 2000-gebieden (2,2 km) worden geen negatieve gevolgen voor relevante Natura 2000-gebieden verwacht. Derhalve kan een stikstofdepositieberekening achterwege blijven. Aanvullend kerkuilonderzoek In navolging van de ecologische quickscan is door Blom Ecologie een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de kerkuil. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘In de periode mei-juli 2020 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van nesten en vaste rust- en verblijfplaatsen van kerkuil binnen het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument Kerkuil (BIJ12, 2017). Tijdens het onderzoek zijn geen individuen van de kerkuil waargenomen. Daarnaast zijn er geen verse sporen als braakbalen en krijtsporen aangetroffen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de kerkuil geen gebruik maakt van de planlocatie als vaste nest- of rustplaats. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art 3.1, lid 2 (wegnemen van nesten/vaste rust- en verblijfplaatsen). Voor de kerkuil is geen beschikking in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd. Voor de uitvoering van de beoogde ontwikkelingen is ontheffing van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk t.a.v. de kerkuil.

’ Conclusie Het plan ondervindt, mits de gestelde maatregelen worden getroffen, wat betreft ecologie geen belemmeringen.

56

4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik is een verkennend bodemonderzoek (incl. asbest) uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: •

•

• • •

• •

‘De licht tot matige puinhoudende bovengrond rondom de boerderij is licht verontreinigd met diverse metalen en met PAK. Dit zijn gebruikelijke verhogingen op langdurig in gebruik zijnde percelen langs oude lintbebouwingswegen; In een tweede mengmonster van de puinhoudende bovengrond rondom de boerderij en de schuren bleek de bovengrond ook licht verontreinigd met diverse metalen en PAK maar matig verontreinigd met lood. Uit de uitsplitsing kwam naar voren dat de bovengrond bij alleen boring 6 sterk verhoogd was. Om deze reden zijn de extra boringen 15, 16 en 17 verricht rondom boring 6. Hierbij zijn slechts lichte verhogingen voor lood aangetroffen en dat geldt ook voor de ondiepe ondergrond van boring 6. Uiteindelijk is er dus sprake van slechts 1 interventiewaarde-overschrijding voor lood ter plaatse van boring 6. Er is duidelijk geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Feitelijk kan aan deze vermoedelijk enige negatieve toevalstreffer geen bodemvolume gekoppeld worden. Er is geen directe noodzaak of reden om deze kleine spot te saneren/verwijderen; De bovengrond op het noordelijke graslandgedeelte bevat ook de gebruikelijke lichte verhogingen aan diverse metalen en PAK; De zintuiglijk onverdachte venige ondergrond bevat licht verhoogde gehalten aan lood en molybdeen; De bovengrond op het terrein is in een mengmonster onderzocht op PFAS.

De gehalten aan PFOA (6.1 ug) en PFOS (0.87 ug) komen goed overeen met de verwachtingswaarde volgens de zonekaart van de OZHZ; Het grondwater uit peilbuis 12 bevat een licht verhoogd bariumgehalte, hetgeen een niet relevante verhoging is; In een separaat door Adcim BV uitgevoerd asbestonderzoek is geen asbest aangetroffen in de puinhoudende bovengrond op de zuidelijke terreinhelft.

Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van het terrein. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft de bodemkwaliteit geen belemmeringen. 57

4.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.

Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een: • Zeer hoge verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 30 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

58

Afbeelding 25: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Voor het plan is een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. De conclusie van dit onderzoek luidt: ‘ADC ArcheoProjecten adviseert om voor de bouw van de geplande vrijstaande woning geen aanvullend archeologische onderzoek uit te voeren. Als in de toekomst echter in het uiterste zuiden van het plangebied diepe bodemingrepen gaan plaatsvinden, adviseert ADC ArcheoProjecten hier aanvullend gravend onderzoek uit te voeren. Het type onderzoek is afhankelijk van de aard en omvang van de geplande verstoringen en dient in zo’n geval vastgelegd te worden in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE).’ Selectiebesluit De gemeente Molenlanden heeft als bevoegde overheid de bovenstaande aanbeveling onderschreven. Het plangebied kan worden vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkeling, met uitzondering van de zone rond boring 1. De aanwezigheid, begrenzingen en de ouderdom van de mogelijke woonterp zijn nog onvoldoende bepaald om dit deel van het plangebied vrij te kunnen geven. Om deze reden zal de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 1’ voor dit deel van het plangebied worden gehandhaafd en zal een straal van 15 meter rond boring 1 worden aangewezen voor eventueel vervolgonderzoek (kruisraaiboringen en/of proefsleuven) indien in dit deel van het plangebied in de toekomst bodemingrepen gaan plaatsvinden.

59

Bij de actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingenkaart zullen de contouren van de mogelijke woonterpen in het centrale deel van het plangebied komen te vervallen en worden vervangen door een nieuwe cirkel/zone van 15 meter rond boring 1, waar de mogelijke woonterp verwacht wordt.

Afbeelding 26: Boorkaart

In een straal van 15 meter rondom boring 1 vinden geen bodemingrepen groter dan 30 m2 en/of dieper dan 30 cm plaats. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft archeologie geen belemmeringen. Conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk eventuele archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag. Ter bescherming van de archeologische waarden wordt in een straal van 15 meter rondom boring 1 de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ opgenomen in dit bestemmingsplan. 60

4.11 Molenbiotoop Beleidskader Het plangebied valt binnen de beschermingszones van de Wingerdse Molen en Korenmolen ‘de Hoop’. In het gebied rondom deze molens is een molenbiotoop vastgesteld met een straal van 400 meter vanuit het middelpunt van de molen. In het kader van de bescherming van de windvang van deze molens is uitsluitend de nieuwbouw van de schuurwoning relevant (de overige twee woningen worden in het bestaande boerderijgebouw gerealiseerd). De schuurwoning is gelegen op circa 360 meter vanaf het middelpunt van de korenmolen ‘de Hoop’ en op circa 210 meter van de ‘Wingerdse Molen’. Hiermee is de ‘Wingerdse Molen’ bepalend voor de maximale bouwhoogte van de schuurwoning.

360 m

Plangebied

210 m Korenmolen ‘de Hoop’

Wingerdse Molen Peilmolen

Afbeelding 27: Molenbiotopen

Ter bescherming van de molenbiotoop is in het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop 400m’ opgenomen. Ten aanzien van het realiseren van bebouwing en/of beplanting binnen deze zone gelden de volgende richtlijnen: 1. Binnen de straal van 100 meter, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, mag geen bebouwing worden opgericht of beplanting aanwezig zijn, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek. 2. Binnen de straal van 100 tot 400 meter gerekend vanuit het middelpunt van de molen, moet voor wat betreft bebouwing en beplanting het volgende zijn geregeld: ▪ In het buitengebied mag de maximale hoogte niet meer bedragen dan 1/100 van de afstand tussen bouwwerk/beplanting en het middelpunt van 61

▪

de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek (1 op 100 regel); In het stedelijk gebied mag de maximale hoogte van bebouwing/ beplanting niet hoger zijn dan 1/30 van de afstand tussen bouwwerk/ beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek (1 op 30 regel).

Afbeelding 28: Wingerdse Molen (links) en Korenmolen de Hoop (rechts)

Onderzoek De onderste punt van de verticaal staande wiek van de Wingerdse Molen is gelegen op circa 1,0 meter boven straatniveau en op een afstand van 210 meter van de beoogde nieuw te realiseren schuurwoning. Dit betekent dat conform de regeling de bouwhoogte van de vrijstaande woning een maximale bouwhoogte mag hebben van 3,10 meter (210 ÷ 100 + 1,0). De windvang van de Wingerdse Molen wordt echter in de bestaande situatie reeds belemmerd door de bestaande woning Heulenslag 74a te Bleskensgraaf. De situatie is beoordeeld door de molenstichting (SIMAV). De molenstichting heeft geadviseerd de bouwhoogte van de te bouwen (schuur)woning te begrenzen op maximaal 7,3 meter (overeenkomstig de bouwhoogte van de bestaande woning Heulenslag 74a). De te bouwen schuurwoning dient verder evenwijdig te worden gesitueerd aan het boerderijgebouw. Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan, zal het plan niet leiden tot een beperking van de windvang van de ‘Wingerdse Molen’ en de korenmolen ‘de Hoop’. Het plan voldoet aan de gestelde voorwaarden. De maximale bouwhoogte van de schuurwoning wordt juridisch verankerd in de bouwregels en op de verbeelding van het bestemmingsplan.

In de regels van het bestemmingsplan is een specifieke wijze van meten opgenomen voor het peil en de bouwhoogte van de nieuw te realiseren schuurwoning, waarmee de (bepaling van de) maximale bouwhoogte van de nieuwe schuurwoning is gekoppeld aan de gemiddelde NAP-hoogte ter plaatse. Ter plaatse van de molenbiotoop wordt de gebieds- aanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop 400m’ overgenomen. Conclusie Het plan leidt niet tot een beperking van de windvang van de ‘Wingerdse Molen’. 62

4.12 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen. De nieuwe woningen worden gebouwd conform de meest actuele normen uit het Bouwbesluit. Deze normen schrijven een zeer hoge kwaliteit voor met betrekking tot energiezuinige bouwwerken en duurzame materialen. De toegepaste materialen zijn duurzaam en voor hergebruik geschikt. Het is de planning dat de drie nieuwe woningen gasloos worden gebouwd. De energievraag wordt ingevuld met warmtepompsystemen al dan niet in combinatie met zonne-energie. Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien te kunnen opvangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt.

Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem. Per saldo is er met deze ontwikkeling geen sprake van een toename aan bebouwing op deze locatie. Er vinden geen ingrepen aan de watergangen plaats. Hiermee is voldoende waterberging aanwezig om zware regenbuiten te kunnen opvangen. Tevens wordt het plangebied groen ingericht waarmee hemelwater beter in de bodem kan infiltreren. Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. De woningen worden op een aanleghoogte gerealiseerd waarmee wordt voorgesorteerd op het voorkomen van schade door hoge waterstanden. Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van het plan rekening gehouden met de accumulatie van warmte. De installaties in de woningen worden geschikt gemaakt om naast verwarmen ook te kunnen koelen. Het plangebied wordt groen ingericht middels streekeigen beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden. Gezien het droger wordt is het van belang om de beplanting hierop af te stemmen. De beplanting moet blijven voorzien in het afbreken van CO2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier. De te kiezen beplantingen moeten ook erosie van het terrein terugdringen. Het plangebied wordt groen ingericht middels streekeigen beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden en erosie terugdringen.

63

5

Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Heulenslag 75b’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Heulenslag 75b’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Heulenslag 75b’ is aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ (vastgesteld op 20 februari 2018). De regels bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

5.3 Bestemmingen Wonen Het gehele plangebied heeft in de nieuwe situatie de bestemming ‘Wonen’. De woningbouw dient plaats te vinden binnen de bouwvlakken. Binnen de bouwvlakken zijn maximaal vier woningen toegestaan. Waarde – Archeologie 1 Ter bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in de bodem wordt in een straal van 15 meter rondom boring 1 aan de voorzijde van het perceel de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ opgenomen. Waarde – Landschap Ten waarborging van het landschappelijk doorzicht op het oostelijk deel van het plangebied wordt de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’ opgenomen. Waterstaat – Waterkering Ter bescherming van de waterkering wordt ter plaatse van de kernzone de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen. Deze gronden zijn primair bestemd voor dijken, kaden, dijksloten ten behoeve van de waterkering. Ter plaatse van de beschermingszone van de waterkering wordt de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’ opgenomen. 64

5.4 Aanduidingen • • • • • • • •

Bouwvlakken; Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop 400m’; Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’; Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’; Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 2’; Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 3’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m): 4 en 7,3’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 1 en 3’

65

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=5252afa6-677f-4ac0-903c-8c597c20dae8