3. Toelichting VGBP Emmastraat, Groot-Ammers
Tekst van het document
Ligging buitenbeschermingszone Hemelwater Bij nieuwbouw is het uitgangspunt dat hemelwater van het verhard oppervlak voor 100% gescheiden wordt afgevoerd. Het waterschap gaat bij nieuwbouw van woningen uit van een (duurzaam) gescheiden rioleringsstelsel. Hemelwater van terreinverhardingen stroomt bij voorkeur niet direct af op het oppervlaktewater, maar wordt eerst voorgezuiverd door een berm wadi of bodempassage. Bij de nieuwbouw wordt regenwater geloosd op het oppervlaktewater. Riolering Het aansluiten op de bestaande riolering in de Emmastraat is, gezien de hoogteverschillen, zeer lastig. De nieuwe woningen worden daarom aangesloten op het bestaande drukrioolsysteem. Het regenwaterriool wordt op het oppervlaktewater geloosd.
28
vastgesteld
bestemmingsplan Emmastraat
Hoofdstuk 5
Sectorale aspecten (milieu)
Met het opstellen van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt met het bestemmingsplan mogelijk is uit oogpunt verschillende milieuaspecten. Het gaat hier om de volgende aspecten: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
bedrijven en milieuzonering; geluid; luchtkwaliteit; externe veiligheid; bodem; flora en fauna; archeologie en cultuurhistorie; duurzaamheid; Besluit milieueffectrapportage.
5.1
Bedrijven en milieuzonering
5.1.1
Wet - en regelgeving
Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Tengevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Bedrijven en Milieuzonering geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten. De gegeven afstanden zijn richtafstanden en geen harde afstandsnormen De te beoordelen situaties zijn te herleiden tot drie groepen en bijbehorende aanpak, te weten: Nieuwe milieugevoelige functies nabij bestaande bedrijven In deze situatie dient primair te worden beoordeeld of hinder te verwachten is van de specifieke bestaande bedrijven. Deze beoordeling is met name gebaseerd op de Wet Milieubeheer en bijbehorende AMvB's. Daarnaast zal moeten worden meegewogen of ter plaatse van de nieuwe milieugevoelige functies bij eventuele vestiging van een nieuw bedrijf op het bestaande bedrijfsperceel een probleemsituatie ontstaat.
Deze afweging vindt met name plaats op basis van Bedrijven en Milieuzonering. Nieuwe bedrijfsbestemmingen nabij bestaande milieugevoelige functies In deze situatie is de bedrijfscategorie zoals deze wordt opgenomen in het bestemmingsplan leidend. Afhankelijk van deze categorie zal tenminste een afstand van bv. 10 meter (cat. 1), 30 meter (cat. 2), 50 meter (cat. 3.1) en 100 meter (cat. 3.2) tussen de gevoelige functies en belastende activiteiten moeten worden gerespecteerd. In het geval de bestemmingswijziging wordt gerealiseerd ten bate van de vestiging van een specifiek bedrijf, kunnen de omstandigheden van dit bedrijf worden meegewogen. In elk geval dient tenminste aan de Wet milieubeheer te worden voldaan. Nieuwe milieugevoelige functies nabij nieuwe bedrijfsbestemmingen In dit geval is de bedrijfscategorie zoals deze wordt opgenomen in het bestemmingsplan leidend. Afhankelijk van deze categorie zal tenminste een afstand van bv. 10 meter (cat. 1), 30 meter (cat. 2), 50 meter (cat. 3.1) en 100 meter (cat. 3.2) tussen de gevoelige en belastende bestemmingen moeten worden gerespecteerd. De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bijvoorbeeld bedoeld met de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied.
In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. 5.1.2
Plangebied
Rustige woonwijk
vastgesteld
29
bestemmingsplan Emmastraat
Het plangebied is aan te merken als rustige woonwijk. Aanwezige bedrijven Nabij het plangebied zijn de volgende niet woonfuncties (bedrijven) aanwezig: 1. Brandweer Zuid-Holland zuid: Beatrixstraat. Volgens de VNG lijst aan te merken als een categorie 3.1 bedrijf. Afstand tot plangebied circa 85 meter; 2. Gemeente: Voorstraat 1. Volgens de VNG lijst aan te merken als een categorie 1 bedrijf. Afstand tot plangebied circa 85 meter; 3. Eetcafé Het Posthuijs: Voorstraat 42. Volgens de VNG lijst aan te merken als een categorie 1 bedrijf. Afstand tot plangebied circa 65 meter; 4. Den Hartog BV olietanks. De Gorzen 11. Afstand tot plangebied circa 150 meter; 5. Het winkelcentrum aan de Margrietlaan. Volgens de VNG lijst aan te merken als een categorie 1 bedrijf. Afstand tot plangebied circa 75 meter. Zoals beschreven in paragraaf 5.4.2 wordt Den Hartog aangemerkt als BRZO-bedrijf (een bedrijf dat onder het Besluit risico's zware ongevallen valt (BRZO)) en vormt geen beperking voor de ontwikkeling van de vijf woningen. Voor de overige bedrijfsactiviteiten (categorie 3.1 en 1) gelden richtafstanden van 50, respectievelijk 10 meter. Zoals hierboven beschreven, zijn de afstanden tussen het plangebied en de betreffende functies groter dan de richafstanden. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling van de vijf woningen geen belemmering oplevert voor de bedrijvigheid in de buurt.
5.2
Geluid
5.2.1
Wet - en regelgeving
5.2.1.1 Wegverkeerslawaai Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen (art. 74-75 Wgh). Deze verplichte onderzoekszones gelden niet voor wegen welke binnen een 30 km-gebied of een woonerf vallen (artikel 74, lid 2 Wgh). Wel dient op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) beargumenteerd te worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Tevens stellen de Wgh en het Besluit geluidhinder regels aan de maximale geluidsbelasting op deze bestemmingen. Onder geluidsgevoelige bestemmingen wordt verstaan (Art. 1 Wgh): Woningen Onderwijsgebouwen Ziekenhuizen en verpleeghuizen Geluidsgevoelige terreinen (bij onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en woonwagenstandplaatsen) Voor deze bestemmingen gelden voorkeursgrenswaarden. Deze voorkeursgrenswaarden worden mede bepaald door de locatie van de gevoelige bestemmingen en het type weg. Bij realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen dient de geluidsbelasting ten hoogste de voorkeursgrenswaarde te bedragen.
Indien bij de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen niet aan de voorkeursgrenswaarde kan wordt voldaan, kan worden geconcludeerd dat de locatie niet zonder meer geschikt is voor de beoogde ontwikkeling. Onder voorwaarden kunnen hogere waarden worden vastgesteld tot de maximale grenswaarde uit de Wgh.
30
vastgesteld
bestemmingsplan Emmastraat
5.2.1.2 Industrielawaai Op grond van artikel 40 van de Wgh kunnen industrieterreinen een zone hebben. In het gebied waar dit bestemmingsplan betrekking op heeft is géén industrieterrein gelegen met een zone op grond van artikel 40 Wgh. Op grond van artikel 44 Wgh bedraagt de voorkeursgrenswaarde voor industrielawaai 50 dB(A). Op grond van artikel 45 Wgh kan voor nieuwe woningen een hogere waarde worden vastgesteld van 55 dB(A) en voor bestaande woningen 60 dB(A). In het bestemmingsplangebied zijn bedrijventerreinen gesitueerd. Om het leefklimaat voor omwonenden in beeld te brengen wordt in de verdere uitwerking de geluidsbelasting van de bedrijven op de nieuw te bouwen woningen onderzocht. Nabij het plangebied is geen gezoneerd industrieterrein, een zone van een gezoneerd industrieterrein of een bedrijventerrein met geluidafspraken (geluidbeheersplan) aanwezig. Industrielawaai vormt daarmee geen belemmering voor het vaststellen van dit bestemmingsplan. 5.2.1.3 Railverkeer Op grond van artikel 1 Wgh hebben spoorwegen een zone. Het plangebied ligt niet in een zone van een spoorweg. Spoorwegverkeerslawaai is daarom niet relevant voor het plangebied. 5.2.2
Plangebied
Voor de gehele bebouwde kom geldt een maximale rijsnelheid van 30 km/uur. Daarmee is er vanuit de Wgh geen noodzaak voor het doen van onderzoek naar wegverkeerslawaai. Op grond van de Wro, moet aangetoond worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Gezien de ligging van het plangebied is er geen aanleiding om onderzoek te doen naar wegverkeerslawaai. De redenen daarvoor zijn als volgt: het plangebied ligt tussen de Voorstraat en de Julianastraat in. De bebouwing langs deze wegen hebben een geluidswerende functie; Het plangebied ligt, ten opzichte van de Voorstraat verlaagd; de verkeersintensiteit over het deel van de Emmastraat, die de Julianstraat met de Voorstraat verbindt, is laag. Bovendien heeft dit deel van de Emmastraat het karakter van een woonerf. De rijsnelheid is hier stapvoets. Gezien het voorgaande is het zeer waarschijnlijk dat de gevelbelasting op de nieuw te realiseren woningen minder dan 48d(B) bedraagt. De 'Atlas Leefomgeving' bevestigd dit. Deze atlas heeft gedocumenteerd welk percentage van de bevolking in de gemeente ernstig gehinderd wordt door wegen waar niet harder gereden mag worden dan 50 km/uur. Daaruit blijkt dat heel Groot-Ammers in de 'lichtste' categorie valt: minder dan 2,5% van de bevolking ondervindt ernstige hinder van wegverkeer. In de praktijk kan dit lager zijn, maar zo gedetailleerd registreert de atlas deze gegevens niet.
Percentage van de bevolking dat ernstige hinder van wegverkeer ondervindt (Bron: Atlas Leefomgeving)
vastgesteld
31
bestemmingsplan Emmastraat
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Wet - en regelgeving
Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2.5). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in tabel 5.I. Vanaf 2011 zijn de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 van kracht. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden. Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijke plan of project doorgang kan vinden indien: a. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; b. de luchtkwaliteit tengevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; c.
een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde (1,2 µg/m3 PM10 of NO2 en 0,75 µg/m3 PM2.5 jaargemiddeld); d. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). (Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen.)
Grenswaarden Wet luchtkwaliteit Regeling NIBM De Ministeriële Regeling NIBM geeft een uitwerking aan het Besluit NIBM en een getalsmatige invulling van de NIBM-grens. Voor een aantal categorieën van projecten kan met zekerheid worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Het betreft onder andere het onderstaande geval, waarbij een luchtkwaliteitonderzoek niet meer nodig is: 1. woningbouw = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en 2. woningbouw = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Uit de NIBM-tool blijkt dat bij meer dan 1.280 motorvoertuigen per dag extra, in betekenende mate wordt bijgedragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In de overige gevallen, die niet in het Besluit NIBM genoemd worden, zal op een andere manier bijvoorbeeld door middel van berekeningen aannemelijk gemaakt moeten worden dat de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden.
32
vastgesteld
bestemmingsplan Emmastraat
Rekentool 'niet in betekenende mate' Bestaande luchtkwaliteit RIVM heeft op haar site gegevens over de bestaande luchtkwaliteit en de verwachtingen in de toekomst staan. In onderstaande verbeelding de rekenpunten met de luchtkwaliteit uit 2017.
Overzicht waarden luchtkwaliteit 2017 (bron: https://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) 5.3.2
Plangebied
Met de realisatie van vijf woningen wordt geen ontwikkeling mogelijk gemaakt die bij draagt aan een verslechtering van de aanwezige luchtkwaliteit. Door de bestemmingswijziging worden geen activiteiten mogelijk gemaakt die meer dan 1.280 voertuigbewegingen gemiddeld per dag mogelijk maken. Uit het overzicht van de bestaande waarden blijkt dat deze ver onder de grenswaarden liggen. Daarmee kan geconstateerd worden dat de bestaande luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de gewenste bestemmingswijziging.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Wet- en regelgeving
Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
vastgesteld
33
bestemmingsplan Emmastraat bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaats vindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom de risicobron. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Aan grenswaarden moet altijd worden voldaan, van richtwaarden kan om gewichtige reden worden afgeweken.
Zowel de grens- als de richtwaarde liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan de grenswaarde worden voldaan en met de richtwaarde rekening worden gehouden, ongeacht of het een bestaande of een nieuwe situatie betreft. Op basis van het Bevi geldt als oriëntatiewaarde voor het GR: 10-5 voor een ongeval met meer dan 10 dodelijke slachtoffers; 10-7 voor een ongeval met meer dan 100 dodelijke slachtoffers; 10-9 voor een ongeval met meer dan 1.000 dodelijke slachtoffers; enzovoort (een lijn door deze punten bepaalt de norm). Het Bevi bevat een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR rondom deze inrichtingen. Ook bedrijven waarop het Bevi niet van toepassing is, kunnen risico's voor de omgeving met zich meebrengen. Voor nieuwe situaties geldt voor het PR in principe een norm van 10-6 per jaar en voor bestaande situaties 10-5 per jaar. Voor het GR geldt de hierboven genoemde oriëntatiewaarde. Vervoer gevaarlijke stoffen In 2012 zal naar verwachting het Besluit Transportroutes Externe Veiligheid (BTEV) worden vastgesteld. In dat Besluit en het bijbehorende basisnet (voor wegen/spoorwegen/vaarwegen) worden veiligheidszones aangegeven waarbinnen geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd (en beperkte kwetsbare objecten slechts onder voorwaarden).
Daarnaast gelden in de omgeving van deze transportroutes beperkingen in verband met de mogelijke effecten van een optredende plasbrand (plasbrandaandachtsgebieden). De huidige risiconormering ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen volgt uit de circulaire risiconormering vervoer van gevaarlijke stoffen (2009). Op basis van de circulaire geldt voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van 10-5 per jaar en de streefwaarde 10-6 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als een richtwaarde. Op basis van de circulaire geldt bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het GR of een toename van het GR een verantwoordingsplicht. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. De circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. 5.4.2
Plangebied
Bedrijven – Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Er zijn in de omgeving van het plangebied twee bedrijven gevestigd die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), namelijk het LPG tankstation 'Tankstation Mons' (Autofood) en het Brzo-bedrijf 'Den Hartog B.V.' . Dit bestemmingsplan maakt ook geen nieuwe Bevi-bedrijven mogelijk. LPG tankstation Mons Aan Sluis 18 is tankstation Mons aanwezig. Zowel het LPG reservoir als het vulpunt hebben een 10-6
34
vastgesteld
bestemmingsplan Emmastraat contour van 25 meter. Gezien de afstand van ruim 235 meter tot het plangebied, vormen deze geen belemmering voor het plangebied. Nader onderzoek is niet nodig. Den Hartog B.V. - BRZO-bedrijf Aan de Lek is een BRZO-bedrijf (een bedrijf dat onder het Besluit risico's zware ongevallen valt (BRZO)) gevestigd: Den Hartog BV olietanks. Het BRZO stelt extra eisen aan bedrijven die relatief grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen opslaan. Deze bedrijven moeten naast de reguliere milieuvergunning beschikken over een veiligheidsbeleid, een veiligheidsbeheerssysteem (VBS) en een QRA (kwantitatieve risico analyse) uitvoeren. Het doel van het BRZO is het voorkomen en beheersen van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen. De PR 10-6-contour van het bedrijf ligt voor een klein deel buiten de inrichting, maar niet over andere bebouwing. Voor het bedrijf is geen sprake van een GR. Wel heeft het bedrijf een effectafstand van 138 meter. De effectafstand valt echter niet binnen het plangebied.
BRZO bedrijf Den Hartog BV olietanks (bron: https://brzoviewer.pzh.nl)
Ligging 10-6 contour tankstation Mons en Den Hartog B.V. (bron:www.risicokaart-viewer) Bedrijven – Overige veiligheidswetgeving
vastgesteld
35
bestemmingsplan Emmastraat
Er zijn in de directe omgeving geen bedrijven gevestigd met een overig veiligheidsrisico. Transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor en water Er moet rekening gehouden worden met het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en water. Wegen, spoorwegen en vaarwegen met structureel en grootschalig vervoer van gevaarlijke stoffen liggen niet in de buurt van het plangebied of in ieder geval op een afstand die groter is dan 200 meter, zodat er geen ruimtelijke consequenties zijn. Over de Lek vindt eveneens vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De Lek is in het Basisnet (aangewezen in het Bevt) aangeduid als binnenvaartverbinding chemische clusters en achterlandverbinding met toetsingsafstand. Ontwikkelingen die binnen 200 meter van de transportroute vallen, dienen rekening te houden met het transport. De afstand tot de oever van de Lek bedraagt ruim 220 meter. Er is daarmee geen noodzaak voor het berekenen van het groepsrisico en het opstellen van een (beperkte) verantwoording. In verband met de effecten van een mogelijke plasbrand op het water, dient in het kader van het Basisnet rekening gehouden te worden met een aandachtsgebied van 25 meter vanaf de oeverlijn van de Lek: hierbinnen moet de realisatie van kwetsbare objecten zoveel mogelijk geweerd worden. Het plangebied ligt op ruim 220 meter.
Er zijn daarmee geen ruimtelijke beperkingen voor het plangebied. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Er zijn geen buisleidingen in of nabij het plangebied die een beperking vormen voor de beoogde ontwikkeling van de vijf woningen. Elektromagnetische straling Er zijn in de omgeving geen hoogspanningslijnen aanwezig waarvan de indicatieve magneetveldzones tot het plangebied reiken. Uit de gegevens op de website www.antenneregister.nl blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen zendmasten aanwezig zijn die overschrijdingen van de geldende blootstellingslimieten voor elektrische en magnetische veldsterkten veroorzaken. Conclusie Voor het aspect 'externe veiligheid' is voorliggend bestemmingsplan te beschouwen als een conserverend bestemmingsplan. In verband met de aanwezigheid van enkele risicovolle bronnen in (de omgeving van) het plangebied is een verantwoording van het groepsrisico nodig, Deze is in bijlage 4 toegevoegd. Gezien het voorgaande wordt geconstateerd dat externe veiligheid geen belemmering vormt voor de realisatie van de vijf woningen aan de Emmastraat.
5.5
Bodem
5.5.1
Wet- en regelgeving
Wet Bodembescherming De bodemkwaliteit is in het kader van een bestemmingsplan van belang indien er sprake is van functieveranderingen of een ander gebruik. De bodem moet geschikt zijn voor de nieuwe functie. Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging en de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft (Wbb): Niet saneren Indien de verontreiniging voor het beoogde doel niet hoeft te worden gesaneerd kan het ruimtelijke plan voor wat betreft deze verontreiniging zonder meer doorgang vinden.
36
vastgesteld
bestemmingsplan Emmastraat Saneren Indien de verontreiniging moet worden gesaneerd dient een saneringsplan te worden opgesteld en ingediend bij de Omgevingsdienst Midden-Holland. In sommige gevallen kan worden volstaan met het indienen van een BUS-melding (Besluit Uniforme Saneringen). Na goedkeuring door het bevoegd gezag kan de sanering doorgang vinden. Na afloop dient de sanering te worden geëvalueerd en ook dit verslag dient ter goedkeuring te worden voorgelegd. Tijdens de saneringsprocedure kan de ruimtelijke procedure worden voortgezet. Echter, een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen kan pas inwerking treden nadat is vastgesteld dat er geen sprake is van een ernstige en spoedeisende sanering (art. 6.2. c. Wabo). Een onderzoeks- en saneringstraject heeft soms grote financiële consequenties voor de beoogde plannen. Enerzijds omdat de kosten van sanering hoog kunnen zijn, anderzijds omdat deze trajecten van grote invloed kunnen zijn op de planning. In het kader van de Grondexploitatiewet dienen deze kosten tijdig in kaart te worden gebracht. Het is daarom aan te bevelen reeds in een vroeg stadium van planvorming (historisch-) bodemonderzoek voor het hele plangebied uit te voeren. Deze bodemonderzoeken zijn ook noodzakelijk bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen.
Het doel van de Wet Bodembescherming is het behoud en de verbetering van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. In geval van graafwerkzaamheden is een bodemonderzoek aan de orde om te bepalen of eventuele vervuilde grond gesaneerd dient te worden. Voor een aantal situaties geldt een vrijstelling voor het aanleveren van een bodemonderzoek: 1. gebouwen waarin (nagenoeg) niet voortdurend mensen verblijven, bijvoorbeeld een loods waar niet langer dan 2 uur per dag mensen verblijven; 2. bouwwerk dat geen gebouw is, bijvoorbeeld een brug; 3. bouwwerken die de grond niet raken, bijvoorbeeld een dakkapel; 4. bij interne verbouwingen. Bij een bouwwerk met een oppervlak van meer dan 50 m² moet, indien het een verblijfsruimte betreft (verblijf van mensen met meer dan 2 uur per dag), altijd een verkennend bodemonderzoek (conform NEN 5740) worden uitgevoerd. Bij bouwwerken met een kleiner oppervlakte moet een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd worden indien de bodem verdacht is op bodemverontreiniging. 5.5.2
Plangebied
In juni 2017 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 5). Doel van het onderzoek was om vast te stellen dat de algemene chemische kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik (wonen met tuin). Tijdens de veldwerkzaamheden is gebleken dat de bodem variabel is van samenstelling. Veelal is de bovengrond kleiig en bestaat de ondergrond uit veen. Daartussen en/of daarboven is soms zand aanwezig. Naast een enkel zintuiglijk aangetroffen zwakke houtskoolbijmenging zijn er op het terrein geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. Op het maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de boven- en ondergrond en het grondwater niet tot slechts licht verontreinigd zijn met de onderzochte parameters. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot vervolgonderzoek en/of sanerende maatregelen. Op basis van de resultaten zijn er milieuhygiënisch gezien geen bezwaren voor de beoogde herinrichting en nieuwbouw.
5.6
Flora en fauna
5.6.1
Beleid en wetgeving
Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Vanaf 1 januari 2017 bepalen de provincies voor hun gebied wat wel en niet mag in de natuur. Zij zijn verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid is dan alleen nog verantwoordelijk voor de
vastgesteld
37
bestemmingsplan Emmastraat ontheffingsaanvragen en de gedragscodes. De Wet natuurbescherming bevat een algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten. Daarnaast voorziet de wet in strikte verboden die gelden voor aangewezen beschermde inheemse diersoorten, waaronder alle van nature in Nederland voorkomende soorten vogels. De wet werkt volgens het 'nee-tenzij' principe ten aanzien van beschermde inheemse soorten: schadelijke handelingen zijn verboden, tenzij er een uitzondering voor is gemaakt. Het is niet toegestaan om vogels te doden, vangen, verwonden, verstoren, bezitten, verhandelen, de nesten en eieren te verstoren of te vernietigen. Uitzonderingen op deze verboden zijn onder voorwaarden mogelijk, onder andere voor veiligheid, schadebestrijding of onderzoek. De wet regelt ook de jacht in ons land. De Wet natuurbescherming bevat specifieke regels voor de aanwijzing, het beheer en de bescherming van Natura 2000-gebieden, waaronder een groot aantal gebieden die als essentieel leefgebied dienen voor vogels. De internationale verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn vanaf 1 januari 2017 verwerkt in de Wet Natuurbescherming. Ecologische Hoofdstructuur Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).
Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van de NNN/EHS geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 5.6.2
Plangebied
In 2008 is reeds een natuurtoets uitgevoerd. De voorgenomen ontwikkelingen stagneerde daarna, maar zijn recent weer opgepakt. Begin juni 2017 heeft er een veldbezoek plaats gevonden, waarbij direct aanvullend onderzoek is verricht (visinventarisatie en inspectie bomen). De resultaten van het veldbezoek zijn opgesomd in bijlage 6. Wet Natuurbescherming Vegetatie - flora Het veldbezoek geeft geen volledig beeld van de aanwezige flora op de planlocatie. Maar het aanwezige biotoop geeft geen aanleiding te veronderstellen dat binnen het plangebied beschermde soorten aanwezig zijn die relevant zijn in het kader van de ruimtelijke ontwikkeling. Vogels De planlocatie kan voor soorten van stedelijk gebied broedlocatie zijn. Eventuele nestlocaties zouden zich dan aan de randzone bevinden of in de bomen. Dit betreft algemene soorten als: merel, roodborst, heggemus, houtduif, zanglijster, wilde eend, meerkoet, turkse tortelduif, koolmees en pimpelmees. Voor alle vogelsoorten geldt dat broedende vogels, hun eieren en de nestplaatsen die ze dan gebruiken zwaar beschermd zijn. Voor het broedseizoen wordt veelal de periode van 15 maart tot 15 juli aangehouden (algemene zorgplicht). Maar feitelijk zijn ook vogels die buiten deze indicatieve periode broeden beschermd. In gebruik zijnde nesten mogen niet worden beschadigd.
Van een beperkt aantal vogels is de broedplaats jaarrond beschermd dus ook als er op dat moment geen sprake is van een broedsel. Het betreft vogels die veelal terugkeren naar de oude nestlocatie en zelden een nieuw nest te bouwen. Voorbeeld van jaarrond beschermde nesten is die van de huismus. Bij het veldbezoek werden op de planlocatie geen vogelsoorten aangetroffen. In de top van een wat uitgeholde knotwilg bevond zich een reeds verlaten eendennest. In de aanwezige bomen werden geen nesten aangetroffen waarvan de bescherming jaarrond is. Zoogdieren Soorten die op het perceel verwacht kunnen worden zijn Huismuis, Bruine rat (beide niet beschermd), Egel, Bosmuis, Bosspitsmuis en mogelijk Huisspitsmuis. Verder is de locatie geschikt als
38
vastgesteld
bestemmingsplan Emmastraat foerageerlocatie voor vleermuizen. Opgemerkt wordt dat geen van deze soorten is aangetroffen tijdens het veldbezoek. Het is vrijwel zeker dat vleermuizen het plangebied periodiek gebruiken als onderdeel van hun foerageergebied (verwacht worden: gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger). Ook in de nieuwe situatie blijft de locatie als foerageergebied functioneren voor deze soorten. Wel kan er sprake zijn van een vermindering van kwaliteit en kwantiteit. De mogelijk negatieve gevolgen die dit met zich mee kan brengen zijn echter te gering en daarmee van zeer geringe betekenis voor individuen van deze soorten. Met name omdat de planlocatie slechts een klein deel uitmaakt van hun totale foerageergebied. De voorgenomen ontwikkeling ook zal geen zogeheten barrièrewerking veroorzaken en daarmee een migratieroute tussen voedselgebied en verblijfslocatie verstoren voor deze soortgroep. Bij het aanbrengen van buitenverlichting kan op eenvoudige wijze eventuele nadelige werking voor vleermuizen verder worden beperkt door buitenverlichtingen in de toekomstige situatie zo min mogelijk zijwaarts te laten uitstralen, en alleen naar de grond te richten (afscherming met kappen). Dit is eveneens van toepassing op de bouwfase waarbij soms zeer sterke verlichting gebruikt kan worden.
Amfibieën en Vissen Hoewel de sloot op het perceel naar alle waarschijnlijkheid in de huidige vorm gehandhaafd blijft, is een bemonstering met schepnet uitgevoerd. Dit vond plaats langs de hele sloot, en was met name gericht op de bodemgedeelte van de sloot. Dit laatste omdat in de directe omgeving het voorkomen van de grote modderkuiper bekend is. Er werden echter in het geheel gaan vissoorten bij de bemonstering aangetroffen. Hoewel geen (beschermde) vissoorten werden aangetroffen kan de kans op beschadiging van vissoorten bij demping van de sloot verder worden verkleind, door bij uitvoering een hierop afgestemde werkwijze toe te passen. Het is nooit geheel uit te sluiten dat in andere seizoenen, afhankelijk van de omstandigheden, periodiek vis in de sloot aanwezig is. Ook bij het verbreden van sloten /wetering kan de werkwijze eenvoudig aangepast worden om beschadiging of het doden van vissen te voorkomen. Geadviseerd wordt om in overleg met een ecoloog de werkwijze door te spreken. Natura 2000 gebied Op circa 4,5 km afstand ligt een Natura 200 gebied: de Donkse Laagten. De Donkse Laagten is een Vogelrichtlijngebied in de Alblasserwaard, dat bestaat uit vochtige en natte graslanden. Het gebied is van betekenis als foerageergebied en slaapplaats voor de Kolgans, die zowel in het gebied zelf als in de omgeving naar voedsel zoekt.
Als weidevogelgebied heeft het gebied vooral een regionale betekenis. In botanisch opzicht zijn de aanwezige Dotterbloemhooilanden en het Blauwgrasland van betekenis. Gezien de afstand tot het natura 2000 gebied is op grond van het beoordelingskader Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ) voor de nieuwbouw van de vijf woningen geen stikstofberekening noodzakelijk. Formeel kan dit beoordelingskader niet meer gebruikt worden aangezien er sinds 15 oktober 2020 een nieuwe versie van de rekentool (Aerius) is. OZHZ werkt daarom aan een nieuw beoordelingskader, maar de verwachting is dat dit voor deze nieuwbouwlocatie geen gevolgen heeft.
Ligging plangebied ten opzichte van het Natura 2000 gebied (bron:
vastgesteld
39
bestemmingsplan Emmastraat https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000) Ecologische Hoofdstructuur Verwezen wordt naar paragraaf 3.2.
5.7
Archeologie en cultuurhistorie
5.7.1
Wet- en regelgeving
Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In het Bro is vastgelegd dat bij het maken van ruimtelijke plannen rekening gehouden moet worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Vanaf 1 januari 2012 is in het Bro vastgelegd dat bij het maken van ruimtelijke plannen, zoals een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing, rekening gehouden moet worden met cultuurhistorische waarden. Als gevolg hiervan is het van belang dat voorafgaand aan het maken van deze plannen de aanwezige cultuurhistorische waarden bekend zijn. De cultuurhistorische waarden kunnen bestaan uit vastgestelde, monumentale waarden en waardevolle elementen. Over het algemeen wordt bij het inventariseren van cultuurhistorische waarden onderscheid gemaakt tussen waardevaste en waardevolle elementen. Waardevaste elementen hebben een beschermde status en zijn op basis van de Monumentenwet of gemeentelijke verordening aangewezen als rijks-, provinciaal of gemeentelijk monument. Waardevolle elementen zijn daarentegen niet formeel beschermd, maar kunnen een bijzondere karakteristieke of geschiedkundige waarde hebben en van belang zijn als cultuurdrager. De cultuurhistorische waarde van een plangebied is zodoende niet alleen afhankelijk van beschermde monumentale waarden binnen het gebied, maar kan zeker ook bepaald worden door waardevolle structuren of objecten in de directe omgeving.
Bij het inventariseren dient dan ook zowel naar het plangebied als naar de omgeving daarvan gekeken te worden. Monumentenwet en Erfgoedwet De huidige juridische basis voor het omgaan met archeologische waarden is vastgelegd in de Monumentenwet uit 1988. De Provincie Utrecht en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) hebben voor wat betreft het aspect archeologie, formeel een adviserende en toetsende rol op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Volgens de Monumentenwet 1988 moeten (toevals) vondsten worden gemeld bij de burgemeester. Deze verwittigt het Rijk. In 1998 is het Verdrag van Valletta door de Staten Generaal geratificeerd. Het verdrag is geïmplementeerd door inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg per 1 september 2007. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Uitgangspunt is dat 'de veroorzaker betaalt'. Vanaf 1 juli 2016 zijn grote delen van de Monumentenwet overgegaan in de Erfgoedwet. Hierdoor is naast de Monumentenwet ook de Erfgoedwet van toepassing. Erfgoedwet Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. Voor 2016 waren er verschillende wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. Sinds juli 2016 zijn die allemaal samengegaan in 1 wet.
In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Daarmee spreekt de regering het vertrouwen uit dat de sector voldoende kennis, deskundigheid en betrokkenheid heeft om de zorg voor ons cultureel erfgoed in de praktijk waar te maken. Nota Belvedère Het beleid in de Nota Belvedère (Ministeries van OCW, VROM, LNV, V&W, 1999) is gericht op het scheppen van goede voorwaarden om de cultuurhistorische identiteit meer van invloed te laten zijn op de inrichting van de ruimte en expliciet te betrekken bij ruimtelijke ontwikkelingen en
40
vastgesteld
bestemmingsplan Emmastraat -planvormingsprocessen. Het doel is tweeledig, enerzijds verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en anderzijds behoud van het cultureel erfgoed. Dit wordt onder andere bereikt door het herkenbaar houden van de cultuurhistorische identiteit van zowel het stedelijk als het landelijk gebied, en het erkennen van deze kwaliteit als uitgangspunt voor verdere ontwikkelingen. Het centrale thema is 'behoud door ontwikkeling'. In de Nota zijn zogeheten Belvedèregebieden aangewezen. Dit zijn in cultuurhistorisch opzicht de meest waardevolle gebieden van Nederland waarbij wordt gestreefd om te komen tot een consistente inbreng vanuit het cultuurbeleid in het ruimtelijk beleid. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS) De CHS (provincie Zuid Holland, 2002) biedt een overzicht in hoofdlijnen van het cultureel erfgoed van de provincie. Daartoe zijn de belangrijkste archeologische, historisch-landschappelijke en historisch stedenbouwkundige structuren, patronen en terreinen op kaart gezet en gewaardeerd. De provincie heeft met de CHS een onderlegger willen verschaffen voor een integraal - in samenhang met overige beleidsvoornemens - en gebiedsgericht monumentenbeleid. Op deze kaart zijn de historisch waardevolle structuren en gebieden in drie kwaliteitsniveaus aangegeven; zeer hoog, hoog en redelijk hoog waardevol.
Gemeentelijke beleidsnota archeologie De acht gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben in 2009 een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Deze beleidsnota is onderdeel van een drieluik, dat verder bestaat uit een archeologische verwachtings-, een beleidsadvieskaart en een beleidsadvies. In de nota worden de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta onderschreven. Behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem) en het beginsel 'de verstoorder betaalt' zijn de belangrijkste uitgangspunten van het regionaal en gemeentelijk archeologiebeleid. Dat beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument. Als het voornemen bestaat om een bodemverstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de zogenaamde Archeologische Monumentenzorgcyclus. Dit is een onderzoekscyclus die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodemverstorende activiteit.
Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorwaarden worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. De geschiedenis van Groot-Ammers gaat ver terug. In 1042 werd het Slot Liesveld gebouwd, vandaar uit wist men eeuwenlang de gehele omgeving te beheersen. Willem Frederik van Nassau, stadhouder van Friesland, kocht in 1636 de baronie Liesveld. Nu nog is koningin Beatrix onder andere 'barones van Liesveld'. Van het slot is heden ten dage alleen nog maar een gedeelte van het koetshuis over. Het is geheel gerestaureerd en bewoond. Van de fundamenten van het slot zijn nog brokstukken zichtbaar; het gehele terrein steekt wat uit boven de omgeving. Groot-Ammers was voornamelijk een agrarisch dorp en raakte bekend vanwege de kaashandel; van 1926 tot de vijftiger jaren was er een grote kaasmarkt. De gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (figuur 4.5) laat zien dat er in het plangebied over het algemeen sprake is van een hoge archeologische verwachtingswaarde. De oude dorpskern heeft een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde. 5.7.2
Plangebied
Archeologie Monument De nieuwbouwplannen hebben geen betrekking op gemeentelijke - of rijksmonumenten. Er zijn daarmee geen beperkingen. Archeologische verwachtingswaarde Volgens de archeologische maatregelenkaart van de gemeente ligt de onderzoekslocatie in een gebied met een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde voor de late middeleeuwen en nieuwe tijd. In
vastgesteld
41
bestemmingsplan Emmastraat deze gebieden dient bij planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening, bij plangebieden groter dan 100 m² en bodemingrepen dieper dan 30 cm -mv, vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.
Archeologische verwachtingswaarde In 2017 is archeologisch vooronderzoek (een bureau- en inventariserend veldonderzoek) uitgevoerd voor het plangebied (bijlage 7). Op basis van de onderzoeksresultaten, de voorgenomen bodemingrepen en de geringe omvang van het plangebied kan worden geconcludeerd dat bij de realisering van de plannen geen archeologische resten zullen worden verstoord. Op basis van de resultaten van dit onderzoek wordt in het plangebied in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. Het opnemen (het behouden) van een dubbelbestemming is niet nodig. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS). Cultuurhistorie Belvedèregebieden Het plangebied ligt binnen het Belvedèregebied Alblasserwaard. De grens van het gebied ligt in de Lek. Het landschap van de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden heeft de typische kenmerken van de laagveenontginningen met een open veenweidelandschap. De Alblasserwaard is doorsneden door zeer lange lintvormige ontginningsassen.
In het gebied hebben deze veelal een bochtig verloop omdat ze zijn ontstaan langs oude veenstromen. Kenmerkend voor deze ontginningsassen is de dubbele lintstructuur met de veenstroom of vaart in het centrum. Vaak ligt aan weerszijden, direct achter de lintbebouwing nog een ‘voorwetering’. Ook de boerderijen zelf zijn vaak waardevol. Min of meer loodrecht op de ontginningsassen liggen de lange smalle percelen aan de achterkant begrensd door een (achter)wetering en/of kade. Het gebied wordt aan de noord- en zuidzijde begrensd door de dijken en lintbebouwing langs de Lek en de Merwede. De Alblasserwaard is door Nederland op de voorlopige lijst van Werelderfgoed geplaatst. De algemene kenmerken van de laagveenontginningen zijn: de donken met bewoningsresten vooral van Mesolithicum en Neolithicum; de landschappelijke opbouw van intensief gebruikte voorkanten van de ontginning (de ontginningsassen) en minder intensief gebruikte achterkanten; de lange smalle graslandpercelen van het veenweidegebied; het stelsel van weteringen en sloten; kenmerkende elementen als tiendwegen, kaden, dijken en eendenkooien. Kenmerken van de Alblasserwaard: het kreekruggensysteem in het westen van de Alblasserwaard met bewoningsresten uit de Romeinse tijd; de huisterpen die de dorpsstructuur uit de middeleeuwse ontginningsfase reflecteren;
42
vastgesteld
bestemmingsplan Emmastraat de langgerekte dubbele bebouwingslinten met een oude veenstroom of wetering in het centrum en waardevolle boerderijen; de openheid van het landschap ten opzichte van de dichte lintbebouwing.
Ligging Belvedèregebied Alblasserwaard Consequentie plangebied De kenmerken van het Belvedèregebied Alblasserwaard wordt niet aangetast met de bouw van vijf woningen op een inbreidingslocatie in Groot-Ammers. Het Belvedèregebied vormt daarmee geen belemmering voor de realisatie van de woningen.
5.8
Duurzaamheid
5.8.1
Wet- en regelgeving
Landelijk beleid Het rijk wil het gebruik van hernieuwbare energiebronnen (de nieuwe term voor duurzame energie) stimuleren. De Europese doelstelling voor hernieuwbare energie is hiervoor leidend. Deze doelstelling gaat uit van 14% hernieuwbare energie in 2020. Op dit moment is de bijdrage van hernieuwbare energiebronnen in de landelijke energievraag slechts 4%. Per 1 januari 2015 zijn in het Bouwbesluit de eisen met betrekking tot energiezuinigheid en milieu aangescherpt: 1. Minimale isolatiewaarden (Rc-waarde) per onderdeel van de dichte uitwendige scheidingsconstructie: 4,5 m2.K/W voor de gevel, 6,0 m2 K/W voor het dak en 3,5 m2.K/W voor de vloer. 2. Een gemiddelde U-waarde van maximaal 1,65 m2.K/w voor ramen (glas en kozijn) en deuren. Daarnaast geldt een maximale u-waarde van 2,2 m2.K/W voor ramen, deuren en kozijnen; 3. Een maximale EPC-waarde afhankelijk van het type gebouw. De EPC dient berekend te worden middels de EPG methodiek. Voor woningen is de eis EPC < 0,4. 4. Een Milieuprestatie Gebouw (MPG). Deze verplichting geldt voor alle woningen, woongebouwen en voor kantoorgebouwen met nevenfuncties groter dan 100 m2. Voor zover het vernieuwen of vervangen betrekking heeft op de isolatielaag in een vloer, gevel of dak van het bestaande gebouw geldt als eis een warmteweerstand van 2,5 m2.K/W (vloer), 1,3 m2.K/W (gevel) en 2,0 m2.K/W (dak).
Voor ramen, deuren en kozijnen geldt een warmtedoorgangscoëfficiënt van ten hoogste 2,2 m2 K/W. Provinciaal beleid De provincie Utrecht heeft in het voorontwerp van de provinciale structuurvisie de ambitie neergelegd in 2040 het grondgebied van de provincie klimaatneutraal georganiseerd te willen hebben. Hierin gaat het onder meer om een situatie waarin de provincie onafhankelijk is van de beschikbare fossiele brandstoffen. Om dit doel te realiseren moet er veel gebeuren en moeten de eerste stappen al vroeg worden gezet. De provincie wil het gebruik van alle duurzame energiebronnen stimuleren. Een klimaatneutraal georganiseerd grondgebied in 2040 heeft niet alleen een CO2-reductie en onafhankelijkheid van fossiele brandstoffen als voordeel. Verbetering van de luchtkwaliteit en de kansen
vastgesteld
43
bestemmingsplan Emmastraat voor de Utrechtse duurzaamheidseconomie zijn belangrijke bijkomende voordelen. De provinciale ruimtelijke verordening (4 februari 2013) schrijft voor dat ruimtelijke planning binnen het stedelijk gebied een beschrijving bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen (art. 3.1, lid 3 van de verordening). Tot ruimtelijke plannen behoren onder meer bestemmingsplannen of afwijking hiervan via een omgevingsvergunning. Onderhavig plangebied is onderdeel van het stedelijk gebied, zodat deze eis van toepassing is en het ruimtelijk plan hieraan moet voldoen. 5.8.2
Plangebied
Voor de ontwikkeling van de vijf woningen wordt aangesloten bij de eisen die het Bouwbesluit voor schrijft. De woningen worden gasloos gebouwd en worden (deels) voorzien van zonnepanelen en een warmte-terug-win systeem.
5.9
Besluit milieueffectrapportage
In het Besluit milieueffectrapportage (verder: het Besluit mer) is bepaald dat een milieueffectbeoordeling uitgevoerd moet worden als een project belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Het gaat dan om een project dat genoemd is in de bijlage onder D van het Besluit mer. Het realiseren van 5 woningen is te beschouwen als een "stedelijk ontwikkelingsproject" (categorie D11.2). In het Besluit mer is een drempelwaarden opgenomen. Voor projecten die boven deze drempelwaarden uit komen, geldt dat er een m.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor projecten die onder de drempelwaarden blijven, dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld te worden. Sinds 7 juli 2017 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is, moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie schrijven. Een aanmeldingsnotitie hoeft alleen opgesteld te worden als de initiatiefnemer niet het bevoegd gezag is van de voorgenomen activiteit. Deze aanmeldingsnotitie is vormvrij, maar heeft wel een aantal inhoudelijke voorwaarden. De aanmeldingsnotitie moet in ieder geval informatie bevatten over de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van de activiteit op het milieu. Het bevoegd gezag bepaalt op basis van de notitie of een milieueffectrapport moet worden opgesteld.
De drempelwaarden het Besluit mer zijn: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De initiatiefnemer voor de realisatie van 5 woningen is de woningstichting. In voorgaande hoofdstukken zijn alle aspecten benoemd die terug moeten komen in de aanmeldingsnotitie. Daarmee is voorliggend bestemmingsplan te beschouwen als aanmeldingsnotitie. Uit hoofdstukken 4 en 5 blijkt dat de realisatie van 5 woningen geen belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Er is daarmee geen noodzaak tot het opstellen van een milieueffectrapport. Het bevoegd gezag dient een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen.
44
vastgesteld
bestemmingsplan Emmastraat
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat kaart en regels te allen tijde in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is deze uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.
Toelichting De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter géén rechtstreeks burgers bindende werking.
6.2
De bestemmingen
Het bestemmingsplan bevat een aantal bestemmingen. Voor wat betreft de gebruiks- en bouwbepalingen is (maximaal) aangesloten bij de bepalingen die voor deze bestemming gelden in bestemmingsplan ´Dorpskernen´. In deze paragraaf een korte toelichting op de gebruiks- en bouwbepalingen. Verkeer - Verblijfsgebied Gebruik De ontsluitingweg is bestemd als 'verkeer - verblijfsgebied'. Deze gronden mogen gebruikt worden als verblijfsgebied en als onsluiting van de woningen. Tevens zijn nutsvoorzieningen, groen, water en speelvoorzieningen toegestaan. Parkeren is ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' toegestaan. Bouwen Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd waarbij de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan ten behoeve van de verkeersregeling, verkeersaanduiding, wegaanduiding of verlichting ten hoogste 3 meter bedraagt. Water Gebruik De B-watergang, welke deels binnen het plangebied valt, heeft de bestemming 'water'. Met deze bestemming wordt één op één de regeling van het geldende bestemmingsplan 'Dorpskernen' overgenomen. De gronden zijn bestemd voor water ten behoeve van de waterhuishouding, bruggen en
vastgesteld
45
bestemmingsplan Emmastraat verkeer te water. Bouwen Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd zoals keermuren voor de waterbeheersing, oeverbeschoeiingen, duikers, bruggen en steigers met een maximale bouwhoogte van 3 meter. Wonen Gebruik Dit bestemmingsplan maakt maximaal 5 woningen mogelijk. Voor wat betreft de gebruiksmogelijkheden is aangesloten bij de gebruiksmogelijkheden van het bestemmingsplan 'Dorpskernen'. Naast wonen zijn tevens aan-huis-verbonden beroepen en aan-huis-verbonden bedrijven, erven, tuinen, water, nutsvoorzieningen, speelvoorzieningen en parkeervoorzieningen toegestaan. Bouwen De woningen dienen binnen de bouwvlakken gebouwd te worden. De maximaal toegestane goot- en bouwhoogten zijn 4, respectievelijk 10 meter. De 2-onder-1-kap woningen zijn door het hoogteverschil te beschouwen als dijkwoningen, waarvoor twee 'peil-niveau's' gelden. Het peil aan de achterkant van de woning ligt ongeveer een bouwlaag lager dan aan de voorkant van de woning. Het gebouwde terras bij de 2-onder-1-kap woningen hebben een aparte aanduiding gekregen met een maximaal toegestane bouwhoogte van 1 meter. Ook voor wat betreft de bouwmogelijkheden is aangesloten bij de regeling uit het bestemmingsplan 'Dorpskernen'.
Het peil is bepaald op en hoogte van 0,5 m - NAP, dan wel de hoogte van het afgewerkte bouwterrein indien de hoogte van dit terrein lager is dan 0,5 m - NAP. Tevens is er een definitie van vloerpeil opgenomen, waarin bepaald is dat de hoogte van de afgewerkte begane grondvloer van een woning op 0,22 m - NAP ligt. Binnen de bestemming wonen zijn twee voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. De woningen mogen pas in gebruik genomen worden: nadat de groene inpassing van de parkeerplaatsen, zoals bedoeld in bijlage 1 van de regels, is gerealiseerd en in stand gehouden wordt (overige zone - voorwaardelijke verplichting water); nadat het water met de nadere aanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting water' is gerealiseerd en in stand gehouden wordt. Vrijwaringszone - dijk - 2 (gebiedsaanduiding) De kering langs de Lek is een primaire waterkering. De buitenbeschermingszone heeft de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone - dijk - 2' gekregen. Aangesloten is bij de landelijke modelregeling voor buitenbeschermingszones.
46
vastgesteld
bestemmingsplan Emmastraat
Hoofdstuk 7 7.1
Economische uitvoerbaarheid
Exploitatieplan - bouwplan
Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient de financiële haalbaarheid van het plan aangetoond te worden. Dit om te voorkomen dat recht gaat gelden dat niet realistisch blijkt te zijn. Op grond van artikel 6.12, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) moet voor een bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld indien er sprake is van een 'bouwplan'. Artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) beschrijft wat een 'bouwplan' is. De raad kan bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, wanneer: 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is (art. 6.12 Wro); 2. de te verhalen kosten minder dan € 10.000,- bedragen; 3. er geen kosten te verhalen zijn. De 'grex-wet' is erop gericht dat de overheid kosten kan verhalen die gemaakt worden naar aanleiding van een bouwplan. Indien er geen kosten gemaakt worden, hoeven deze ook niet verhaald te worden.
7.2
Kostenverhaal
Op grond van artikel 6.12, lid 1, Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met artikel 6.12, lid 4, Wro is de gemeenteraad verplicht om de kosten te verhalen en een exploitatieplan vast te stellen gelijktijdig met het besluit (het plan) waarop het exploitatieplan betrekking heeft. Met onderhavig bestemmingsplan worden bouwplannen in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. Voorziene bouwplannen op overige gronden binnen het bestemmingsplan worden op particulier initiatief gerealiseerd. Hiervoor worden tussen gemeente en initiatiefnemers anterieure overeenkomsten gesloten. Hierin is onder meer opgenomen dat initiatiefnemers de gronden voor eigen rekening bouw- en woonrijp maken. Daarnaast zijn afdoende bepalingen opgenomen over het kostenverhaal inzake de gemeentelijke inzet alsmede eventuele kosten al gevolg van planschadevergoedingen. De economische uitvoerbaarheid is daarmee verzekerd. Omdat het kostenverhaal middels de gronduitgifte c.q. middels anterieure overeenkomsten anderszins is verzekerd en geen noodzaak bestaat tot het opleggen van een tijdvak of fasering, dan wel tot het stellen van eisen of regels, is het niet noodzakelijk een exploitatieplan op te stellen.
vastgesteld
47
bestemmingsplan Emmastraat
Hoofdstuk 8 8.1
M aatschappelijke uitvoerbaarheid
Inspraak
Op grond van de gemeentelijke inspraakverordening heeft een ieder de gelegenheid gehad een inspraakreactie in te dienen op het voorontwerpbestemmingsplan 'Emmastraat'. Het voorontwerp heeft vanaf 9 april 2019 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is er één inspraakreactie ingediend. De inspraakreactie heeft niet geleid tot een aanpassing van het plan. De samenvatting en beantwoording van de inspraakreactie is in bijlage 8 toegevoegd.
8.2
Vooroverleg
Het voorontwerpbestemmingsplan zijn, overeenkomstig artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), voor vooroverleg opgestuurd naar de overlegpartners. Alleen van het waterschap is een reactie ontvangen. De buitenbeschermingszone van de dijk ligt niet helemaal over het plangebied. De verbeelding is hierop aangepast.
8.3
Ontwerp
Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan moet in de Staatscourant worden geplaatst alsmede in een huis-aan-huis-blad (i.c. Hart van Holland). Tevens dient de kennisgeving langs elektronische weg te geschieden. Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 4 december 2020, gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Naderhand bleek dat dat deze bekendmaking niet volledig juist was gegaan. Daarom is het ontwerpbestemmingsplan nogmaals gepubliceerd op 22 april 2021 en nog een keer ter inzage gelegd. Gedurende de ter inzage legging zijn zes zienswijzen ingediend. Deels hebben deze geleid tot een aanpassing van het vast te stellen bestemmingsplan. De nota van beantwoording is in bijlage 9 opgenomen.