CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Toelichting bestemmingsplan Wijngaarden, Westeinde 28

Commissievergadering Wonen, Werken & Verkeer 6 september 2022, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Westeinde 28, Wijngaarden13.966 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

32

op het perceel. De grote schuur wordt gesaneerd en er wordt een kleinschalige hooimijt gebouwd. De verwachting is dat de erfverharding inclusief eventueel bijgebouw bij de schuurwoning gelijk zal blijven en er ten behoeve van de hooimijt ca. 150 m2 aan verharding zal worden aangelegd. Hiermee is er sprake van een afname van 100 m2 verharding en zou het indien noodzakelijk nog mogelijk zijn wat extra verharding aan te leggen om de verhardingsbalans per saldo 0 m2 te houden. Hiermee zijn watercompenserende maatregelen niet vereist dan wel noodzakelijk. Tabel 1: Oppervlaktebalans verharding Bestaande situatie Woonboerderij Schuur Schuurwoning Bijgebouw Bakhuis Erfverharding bij woonboerderij Erfverharding bij schuurwoning

Oppervlakte (m2) 320 320 130 50 8 550 620

Totaal bestaande situatie

1.998

Nieuwe situatie Woonboerderij Bijgebouw woonboerderij Schuurwoning Bijgebouw schuurwoning Bakhuis Hooimijt Erfverharding bij woonboerderij Erfverharding bij schuurwoning

320 50 130 150 8 70 700 470

Totale nieuwe situatie

1.898 Verschil

100 m2 afname

Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen

33

per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De nieuwe woningen zullen worden aangesloten op het gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Waterkering Het plangebied Westeinde 28 te Wijngaarden is niet gelegen in, op of nabij een waterkering. Wegbeheer Het perceel Westeinde 28 te Wijngaarden wordt thans ontsloten middels twee ontsluitingen. Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. Het aanvragen van een watervergunning dan wel het indienen van een melding bij het Waterschap Rivierenland is hierdoor niet noodzakelijk. Conclusie Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

Voor het onderhavige plan is het enkel vereist een watervergunning aan te vragen bij het Waterschap Rivierenland wanneer de realisatie van de hooimijt in de beschermingszone van de A-watergang plaatsvindt.

34

4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is.

De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plangebied Westeinde 28 te Wijngaarden is gelegen binnen de invloedsfeer van een 60 km/h-weg. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van een enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein en kunnen hierdoor buiten beschouwing worden gelaten. Het onderhavige plan betreft het vervangen van een schuurwoning en het splitsen van de woonboerderij. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van een toevoeging van geluidsgevoelige objecten. Om de geluidbelasting op de nieuwe woningen vanwege verkeerslawaai in kaart te brengen is door Voortman Ingenieurs een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai. De resultaten van het onderzoek luiden: ‘Op basis van het uitgevoerde akoestisch onderzoek wordt geconcludeerd dat: • De berekende geluidbelasting ten gevolge van het Westeinde ten hoogste 46 dB, incl. aftrek art. 110g Wgh, bedraagt ter plaatse van de voorgevel van de schuurwoning, welke maatgevend is voor alle nieuwe woningen; 35

•

•

Deze geluidbelasting is lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai, waardoor er geen hogere grenswaarde aangevraagd hoeft te worden en er geen aanvullend onderzoek geluidwering gevels noodzakelijk is en tevens aan het gemeentelijke geluidbeleid wordt voldaan; Vanuit akoestisch oogpunten zijn er ten aanzien van wegverkeerslawaai geen belemmeringen voor de realisatie van de woningen.’

Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.

36

4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 2: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie 2,5 Fijnstof (PM ) Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 µg/m3

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3

Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2020 het volgende overzicht voor het jaar 2020: • Een stikstofconcentratie van 28,1 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 19,7 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 11,7 µg PM2,5/m3. Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met

37

niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard en valt binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit het oogpunt van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.

38

4.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). Tabel 3: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Onderzoek Het onderhavige plan voorziet in het toevoegen van extra wooneenheden. Hiermee is sprake van het toevoegen van milieugevoelige objecten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele beperking van de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven/instellingen als gevolg van het onderhavige plan. Het plat is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-handboek bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In de omgeving van het plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, gezien er sprake is van een bebouwingslint in het buitengebied met in de nabijheid enkele agrarische bedrijven. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar worden gerechtvaardigd. De richtafstanden voor gemengde gebieden mogen één afstandstrap worden verlaagd ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied.

39

Hiernaast heeft de gemeente Molenlanden de ‘Geurverordening Gemeente Molenlanden 2020’ vastgesteld. Hierin worden de richtafstanden voor geur voor een veehouderij tot een geurgevoelig object bijgesteld naar 25 meter. In de directe omgeving zijn onderstaande bedrijven gelegen. Op basis van het onderstaande kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden. Tabel 4: Bedrijven- en milieuhinder van omliggende bedrijven Adres Functie Richtafstand Afstand tot plangebied Melkveehouderij 25 meter* (geur) 45 meter Westeinde 26a (cat. 3.2) Agrarisch loonbedrijf 30 meter (geluid) 65 meter Westeinde 32a (cat. 3.1) Melkveehouderij 25 meter* (geur) 50 meter Westeinde 33 (cat. 3.2) Timmerfabriek 50 meter (geluid) 115 meter Westeinde 34 (cat. 3.2) Aannemersbedrijf 30 meter (geluid) 90 meter Westeinde 35 (cat. 3.1) * Conform geurverordening

Westeinde 33

Westeinde 26a Westeinde 34/35

Westeinde 32

Afbeelding 15: Plangebied ten opzichte van omliggende bedrijven/instellingen

Hiernaast betreft het plan de toevoeging van een bed & breakfast (B&B). Gezien de milieucategorie van 1.0 en daarmee een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied, kan worden geconcludeerd dat de B&B ook in het kader van bedrijven en milieuhinder passend is. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen. Gesteld kan worden dat er sprake is van een

40

acceptabel woon- en leefklimaat en dat de omliggende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt.

41

4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR 10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten bevinden (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.

Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het onderhavige plan. Op 665 meter ten noorden van het plangebied is een gascompressorstation gelegen. Hiermee ligt het plangebied ver buiten het PR 10-6 per jaar contour van dit station, maar binnen het aandachtsgebied ervan. In afbeelding 17 is het groepsrisico weergegeven. Het groepsrisico van het station ligt ruim onder de norm-curve, waarmee dit gekwalificeerd kan worden als een ‘verwaarloosbaar groepsrisico’.

Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te

42

sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg plaats. Ten zuiden van het plangebied is op 1,1 km afstand een spoorweg gelegen. Hiermee ligt het plangebied ruimschoots buiten het invloedsgebied van de spoorweg. Hierbij komt dat er voldoende mogelijkheden zijn voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval op deze route. Dit betekent dat er geen nadere eisen aan het plan hoeven te worden gesteld in het kader van dit aspect. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor de beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen.

218997: 240 meter 180632: 150 meter

Afbeelding 16: Uitsnede risicokaart

Afbeelding 17: Groepsrisico Gascompressorstation Wijngaarden (Attribuutrapport Risicokaart.nl)

43

Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen Ten zuidwesten van het plangebied zijn twee buisleidingen gelegen van de Nederlandse Gasunie (Aardgasleiding NEN 3650-leiding). Tabel 5: Gegevens buisleidingen Buisleiding Diameter 180632 218997

457,00 mm (17,99 inch) 1219,00 mm (47,99 inch)

Maximale werkdruk 40,00 bar 79,90 bar

100%letaliteitsgrens 80 meter 220 meter

Werkelijke afstand 150 meter 240 meter

Voor deze buisleidingen geldt geen PR 10-6 per jaar contour. Het plangebied is gelegen buiten de 100%-letaliteitsgrens en de belemmeringenstroken van de buisleidingen. Het groepsrisico neemt licht toe door het plan, maar blijft een factor 1.000 lager dan de oriëntatiewaarde. Gesteld kan worden dat de buisleidingen geen belemmering vormen voor het onderhavige plan. Wel is de schuurwoning gelegen binnen de House Burning Distance van 270 meter. Om deze reden adviseert de VRZHZ om: • De nieuwe schuurwoning zo ver mogelijk richting het oosten te plaatsen; • Brandwerende materialen te gebruiken; • Rekening te houden met de positionering van de binnenruimte (geen/zo min mogelijk verblijfsruimten aan risicozijde); • Zo min mogelijk glas aan de risicozijde en/of scherfwerend of hittewerend glas te gebruiken; • De bewoners (en toekomstige bezoekers) informeren over de risico's en handelingsperspectief te bieden; • Vluchtwegen en vluchtdeuren van de risicobron af te positioneren.

Uitschakelbare mechanische ventilatie Daarnaast dienen nieuwe woningen voorzien te worden van uitschakelbare mechanische ventilatie conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.

44

4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied van het onderhavige bestemmingsplan of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan. In de vergunningsprocedure / uitvoeringsfase zal worden onderzocht of de hooimijt op de riolering onder vrijverval uitgevoerd kan worden of dat ander maatwerk geleverd moet gaan worden betreffende het riool. Dit alles zal in samenspraak met de gemeente gebeuren. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

45

4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het onderhavige plan betreft het renoveren van een bestaande woonboerderij, de sloop van enkele schuren en de realisatie van een vrijstaande woning en hooimijt. Om de invloed van de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten uit dit onderzoek luiden: ‘In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De te slopen loods en woning hebben geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels.

De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie De beoogde sloop aan de loods en aanliggende woning en realisatie van nieuwbouwwoning, opsplitsen van de bestaande woning en realisatie van hooimijt aan de Westeinde 28 te Wijngaarden leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet Natuurbescherming.’ Stikstof Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. Op 1 juli 2021 is de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering in werking getreden. Onderdeel van deze wet is de vrijstelling voor bouw-, sloop en eenmalige aanleg- activiteiten. Dit wordt de ‘bouwvrijstelling’ genoemd.

Eventuele stikstofdepositie vanwege de realisatie-/ bouwfase is dan ook vrijgesteld van vergunningplicht. Dat geldt ook voor dit project. Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitat is gelegen binnen Natura 2000-gebied 46

‘Biesbosch’ en is gelegen op een afstand van circa 4,0 kilometer tot het plangebied. Gezien deze afstand van het plangebied tot stikstofgevoelig Natura2000-gebied en het kleinschalige karakter van het plan worden geen negatieve gevolgen voor deze gebieden verwacht. Derhalve kan een stikstofdepositieberekening achterwege blijven. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft ecologie geen belemmeringen, mits de maatregelen getroffen worden.

47

4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik is door Linge Milieu een verkennend bodem- en asbestbodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten uit dit onderzoek luiden: ‘De bodem ter plaatse bestaat uit zand of zandige klei, overgaand in bruingrijze en siltige klei op 0.5 m-mv. Plaatselijk is de ondergrond venig, vanaf 1.0 m-mv. In een beperkt aantal boringen is puin waargenomen, tot een diepte van 0.9 m-mv. Het puin bestaat uit steenachtig materiaal zoals baksteen en metselwerk. Het gehalte is gekwalificeerd als licht, in enkele boringen was dat matig. Visueel zijn nergens asbestverdachte materialen als plaatjes waargenomen.

Grond In de boven- en ondergrond van het perceel aan de Westeinde worden geen tussenwaarden overschreden. Dat geldt dus ook voor de grond in de contour van de gedempte sloot ten oosten van de boerderij. Van de bestrijdingsmiddelen is er niet één boven de Achtergrondwaarde verhoogd. Het gehalte aan PFOA in de bovengrond van de locatie is 9.0 µg/kg ds. Asbest Zoals visueel als analytisch is asbest niet aantoonbaar in de geroerde, puinhoudende boven- en ondergrond van de locatie. Grondwater De peilbuis staat in de contour van de gedempte sloot en direct naast de locatie van de voormalige dieseltank. Het grondwater kan als schoon worden beschouwd. Zelfs barium is niet boven de streefwaarde verhoogd. Tank, gedempte sloot De grond en het grondwater ter plaatse van de voormalige dieseltank en de gedempte sloot ten oosten van de boerderij zijn niet boven de tussenwaarde verontreinigd. Conclusie De algemene kwaliteit van de grond en grondwater van de locatie aan de Westeinde is geen belemmering voor de ontwikkeling van het terrein. Mocht er grond vrijkomen bij de ontwikkeling, dan wordt aanbevolen deze op het terrein zelf her te gebruiken. 48

Voor de afvoer van grotere volumes grond is waarschijnlijk AP04-partijkeuring nodig. Afvoer op basis van de bodemkwaliteitskaart is vanuit de lintbebouwing langs de Westeinde niet mogelijk.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect bodemkwaliteit geen belemmeringen.

49

4.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.

Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een: • Zeer hoge verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 30 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 30 cm is archeologische onderzoek noodzakelijk.

50

Afbeelding 18: Uitsnede archeologische verwachtingskaart

Het plan voorziet in grotere ingrepen dan genoemd in het bovenstaande, waardoor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek vereist is. Om aan de onderzoeksplicht te voldoen is door ADC ArcheoProjecten een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: •

‘Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? De ondergrond van het plangebied bestaat uit mineraalarm veen met daarop in boring 4 een dunne laag komklei. Dit wordt afgedekt door een 85 tot 260 cm dik ophogingspakket. Hierin zijn verschillende lagen te onderscheiden. In het oosten van het plangebied bestaat dit pakket, uitgezonderd de ca. 50 tot 80 cm dikke bouwvoor en de zandlaag die direct onder het maaiveld aanwezig is, uit terpophogingslagen uit de Late Middeleeuwen. In het westen van het plangebied bestaat dit pakket enkel uit recent opgebrachte (zand)lagen.

•

Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? Waarschijnlijk is in het westelijke deel van het plangebied de top van het veenpakket verstoord geraakt. De diepte van de verstoring is niet precies te bepalen maar boven het veenpakket is nu een 85 tot 200 cm dikke recent opgebrachte laag aanwezig. In het oosten van het plangebied beperkt de recente verstoring zich tot een diepte van ca. 50 tot 70 cm –mv. Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied?

•

51

In het plangebied zijn geen rivierduinafzettingen of oeverafzettingen van de Papendrechtse stroomgordel aangetroffen. Indien aanwezig bevinden de afzettingen zich beneden de maximale boordiepte (4 m –mv). In het veenpakket zijn geen veraarde lagen aangetroffen die een aanwijzing kunnen zijn voor een bewoonbaar oppervlak. In het oosten van het plangebied zijn ophogingslagen van een huisterp gevonden. In dit pakket worden archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd verwacht. •

Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? De top van de terpophogingslagen bevindt zich op een diepte variërend van 50 tot 70 cm–mv (0,86 m –NAP in boring 4 en 1,71 m –NAP in boring 5).

•

Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? In boring 4 is een fragment van kogelpotaardewerk gevonden uit de Late Middeleeuwen. Zo ja: o Op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? Op 160 cm –mv (1,76 m –NAP) o Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? Niet van toepassing o Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? Het fragment dateert uit de Late Middeleeuwen, uit de 12e tot en met de 14e eeuw n. Chr.

•

In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? In het westen van het plangebied kan vanwege de relatief diepe recente verstoring en de afwezigheid van terpophogingslagen de zeer hoge archeologische verwachtingswaarde bijgesteld worden naar een lage archeologische verwachtingswaarde. In het oosten van het plangebied zijn tijdens het booronderzoek terpophogingslagen geconstateerd en kan de middelmatige archeologische verwachtingswaarde bijgesteld worden naar een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde.

•

In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? In het oosten van het plangebied worden nog archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd verwacht. De archeologische waarden bevinden zich in het pakket met terpophogingslagen dat op dieper dan 50 cm –mv aanwezig is. De aanleg van de vorstrand van de hooimijt reikt tot 40 cm –mv en op deze locatie zal dus niet tot in het niveau van de terpophogingslagen gegraven worden. Tijdens de uitvoeren van de plannen worden dus geen archeologische waarden bedreigd.

52

•

Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Het plangebied is voldoende onderzocht. Als in de toekomst in het oosten van het plangebied bodemingrepen dieper dan 50 cm –mv zullen plaatsvinden, is vervolgonderzoek in de vorm van archeologisch gravend onderzoek noodzakelijk. Vooralsnog is dit niet nodig omdat de huidige plannen (de bouw van een hooimijt) niet dieper dan ca. 40 cm –mv zullen reiken. De invulling van het eventueel uit te voeren gravend onderzoek hangt af van de aard en de omvang van de toekomstige bodemingrepen. Voor een eventueel archeologisch gravend onderzoek is een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk.

In het oosten van het plangebied worden vanwege de aanwezigheid van terpophogingslagen archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd verwacht. Om de op het bureauonderzoek gebaseerde gespecificeerde verwachting voldoende te kunnen aanvullen en toetsen, adviseert ADC ArcheoProjecten om in dit deel van het plangebied tijdens toekomstige bodemingrepen dieper dan 50 cm –mv archeologisch gravend onderzoek uit te voeren. Vooralsnog is dit niet nodig omdat de huidige plannen (de bouw van een hooimijt) niet dieper dan ca. 40 cm – mv zullen reiken. De invulling van het eventueel uit te voeren gravend onderzoek hangt af van de aard en de omvang van de toekomstige bodemingrepen. De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE).’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie geen belemmeringen, indien de bodem niet dieper dan 50 cm onder het maaiveld wordt verstoord op het oostelijke deel van het perceel. Indien dit in de toekomst wel het geval is, is archeologische begeleiding dan wel archeologisch gravend onderzoek noodzakelijk. Conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk eventuele archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag.

Ter bescherming van de archeologische waarden worden de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1 en 2’ meegenomen in het bestemmingsplan.

53

4.11 Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De aanvrager is zich bewust van deze gemeentelijke ambitie. Het onderhavige plan voorziet in de splitsing van de woonboerderij en de realisatie van een schuurwoning. De woningen zullen de kaders van het duurzaamheidsbeleid volgen (conform de huidige bouweisen; isolatie etc.). Tevens kan middels het onderhavige plan een toekomstbestendige en daarmee een duurzame situatie worden gecreëerd voor het in stand houden van de cultuurhistorisch waardevolle woonboerderij in het lint. De woonboerderij blijft daarmee behouden voor volgende generaties. Het plan wordt op een passende en verantwoorde wijze vormgegeven en groen ingepakt (paragraaf 2.2). Verder kijkt de initiatiefnemer naar verdere mogelijkheden voor duurzame energiebronnen. In de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland is een regel opgenomen dat er in een bestemmingsplan aandacht moet worden besteed aan een viertal risico’s die kunnen optreden ten gevolge van klimaatverandering. Het gaat om wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte & droogte. Het onderhavige plan voorziet niet negatieve effecten omtrent deze risico’s. De bebouwing en verharding ter plaatse neemt af en wordt verduurzaamd.

Het risico op wateroverlast en overstroming wordt in de nieuwe situatie daarmee minder in vergelijking met de nieuwe situatie, omdat de gronden zachter worden, water in de grond infiltreert en niet versneld over verharding afgevoerd hoeft te worden. Daarnaast is er rondom het plangebied meer dan voldoende oppervlakte water aanwezig welke het risico beperkt. Het plan heeft door de afname in verharding ook positieve gevolgen tegen hittestress en droogte. De verharding, welke gevoelig is voor hitte en relatief snel opwarmt, neemt aanzienlijk af voor grond die relatief minder snel opwarmt en minder gevoelig is voor hitte. Ook kunnen de gronden hierdoor langer water vasthouden en wordt water minder snel afgevoerd, waarmee droogte kan worden tegengegaan.

54

5

Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Wijngaarden, Westeinde 28’ bestaat uit drie delen: de verbeelding, de regels en de toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Wijngaarden, Westeinde 28’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Wijngaarden, Westeinde 28’ is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’, welke is vastgesteld op 20 februari 2018. De regels van het bestemmingsplan ‘Wijngaarden, Westeinde 28’ bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

5.3 Bestemmingen Wonen Bijna het gehele woonperceel zal bestemd worden met ‘Wonen’, gelijk de huidige situatie. Een bouwvlak zal worden opgenomen ten behoeve van de woonboerderij, de schuurwoning en de hooimijt. Teneinde de splitsing van de woonboerderij en de realisatie van de schuurwoning juridisch-planologisch mogelijk te maken wordt het bouwvlak voorzien van de maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’. Water Ten behoeve van de wetering op de noordelijke perceelsgrens blijft de bestemming ‘water’ ongewijzigd. Tuin Ten behoeve van bescherming van de karakteristieke voortuin voor de boerderij, wordt de bestemming ‘tuin’ opgenomen. Waarde – Archeologie 1 en 2 De dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1 en 2’ zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in de bodem.

55

Waarde - Landschap De dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’ is mede bestemd voor het behoud van de landschappelijke kwaliteit, voornamelijk doorzicht, ter plaatse.

5.4 Aanduidingen • • • • •

Bouwvlak; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal woonheden: 1 & 3’; Functieaanduiding ‘bed & breakfast’; Functieaanduiding ‘zwembad’; Bouwaanduiding: ‘specifieke bouwaanduiding – 1 & 2’.

56

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=a7081f44-93fa-48f2-8da8-c11625ec036e