3. Toelichting bestemmingsplan Wijngaarden, Westeinde 28
Tekst van het document
Toelichting bestemmingsplan ‘Wijngaarden, Westeinde 28’
Toelichting bestemmingsplan ‘Wijngaarden, Westeinde 28’
Identificatie NL.IMRO.1978.BPwesteinde28WGD-VG01 Datum 20-09-2022 Planstatus Vastgesteld Versie 1.0
2
Inhoud 1.
2
3
4
Inleiding ....................................................................................................................................... 5 1.1
Inleiding ..................................................................................................... 5
1.2
Kader .......................................................................................................... 7
1.3
Maatschappelijk resultaat ........................................................................... 8
1.4
Maatschappelijk draagvlak .......................................................................... 8
1.5
Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid.............................. 9
1.6
Communicatie ............................................................................................ 9
1.7
Realisatie .................................................................................................... 9
1.8
Leeswijzer................................................................................................... 9
Planbeschrijving .................................................................................................................... 10 2.1
Bestaande situatie ..................................................................................... 10
2.2
Nieuwe situatie ......................................................................................... 12
Beleidskader............................................................................................................................ 15 3.1
Rijksbeleid ................................................................................................ 15
3.2
Provinciaal beleid ...................................................................................... 17
3.3
Regionaal beleid ....................................................................................... 22
3.4
Gemeentelijk beleid .................................................................................. 24
3.5
Conclusie .................................................................................................. 28
Sectorale aspecten ................................................................................................................ 29 4.1
Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) .................................................. 29
4.2
Watertoets ................................................................................................ 30
4.3
Geluid ....................................................................................................... 35
4.4
Luchtkwaliteit ........................................................................................... 37
4.5
Bedrijven- en milieuhinder ........................................................................ 39
4.6
Externe veiligheid ..................................................................................... 42
4.7
Kabels en leidingen................................................................................... 45
4.8
Ecologie .................................................................................................... 46
4.9
Bodem ...................................................................................................... 48
4.10 Archeologie .............................................................................................. 50 4.11 Duurzaamheid .......................................................................................... 54 5
Juridische planbeschrijving .............................................................................................. 55 5.1
Inleiding ................................................................................................... 55
5.2
Systematiek van de regels ......................................................................... 55
5.3
Bestemmingen .......................................................................................... 55
5.4
Aanduidingen ........................................................................................... 56 3
Bijlage Omschrijving 1a Landschappelijk inpassingsplan 1b Impressies hooimijt 1c
Auteur Referentie Lagendijk tuin- & LTL21187-01 landschapsarchitecten Bongers architecten 191552
2
Gemaatvoerde tekening parkeren Digitale watertoets
3
Akoestisch onderzoek
Lagendijk tuin- & landschapsarchitecten Waterschap Rivierenland Voortman Ingenieurs
4
Ecologische quickscan
Blom Ecologie
5
Verkennend bodem- en Linge Milieu bv asbestbodemonderzoek Archeologisch ADC ArcheoProjecten onderzoek Nota Zienswijzen Gemeente Molenlanden
6 7
20190219-919916 JVO / 1409 19.1258 BE/2019/055/r 19-2017 4866 -
Datum 17-122021 23-122019 17-122021 19-022019 13-032019 15-022019 20-052019 23-032020 05-082022
4
1.
Inleiding
1.1 Inleiding 1.1.1 Aanleiding Op het perceel Westeinde 28 te Wijngaarden is reeds decennia lang een karakteristieke woonboerderij gelegen. Ten westen van de woonboerderij is een verouderde schuur met hieraan een schuurwoning gelegen. Tevens zijn een schuurtje en een cultuurhistorisch bakhuisje op het perceel aanwezig. De initiatiefnemer is voornemens de verouderde schuur en schuurwoning te saneren en hiervoor in de plaats een nieuwe schuurwoning te realiseren. Hiernaast is het plan de woonboerderij te splitsing in drie wooneenheden en een cultuurhistorische hooimijt te realiseren, waarin een bed & breakfast geïntegreerd zal worden. Het perceel Westeinde 28 te Wijngaarden valt binnen het bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ dat door de voormalige gemeente Molenwaard is vastgesteld op 20 februari 2018. Het perceel heeft de bestemming ‘Wonen’ met een bouwvlak waarbinnen één wooneenheid is toegestaan. Er is hiermee al sprake van een omissie, gezien er naast de boerderij al jaar en dag een schuurwoning aanwezig is. Het plan is in strijd met het vigerend bestemmingsplan. Op 1 oktober 2018 is een principeverzoek voor het onderhavig plan ingediend bij de voormalige gemeente Molenwaard.
Op 19 december 2018 heeft de voormalige gemeente Molenwaard in een schriftelijke reactie laten weten in principe medewerking te verlenen aan het onderhavige plan middels een bestemmingsplanprocedure. Plangebied
Afbeelding 1: Uitsnede luchtfoto plangebied
1.1.2 Plangebied Het perceel Westeinde 28 te Wijngaarden is gelegen in de lintbebouwing langs het Westeinde, ten westen van de dorpskern Wijngaarden. Het plangebied is ten noorden omsloten door een watergang met daarachter het open polderlandschap en 5
ten zuiden door de weg. Ten oosten is een woonperceel gelegen en ten westen een agrarisch bedrijf. 1.1.3 Belang De gemeente Molenlanden geeft toestemming aan ruimtelijke ontwikkelingen wanneer er sprake is van een aangetoonde verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en de individuele, bedrijfs-, maatschappelijke en overige belangen in de directe omgeving niet nadelig worden beïnvloed. Het plangebied betreft een woonperceel met daarop een karakteristieke woonboerderij, een verouderde schuur met schuurwoning, een schuurtje en een cultuurhistorisch bakhuisje. De initiatiefnemer is voornemens de woonboerderij te splitsen in drie wooneenheden, waardoor onderhoud van het gebouw verzekerd wordt en instandhouding van de cultuurhistorische boerderij in de toekomst kan worden gegarandeerd. Om de boerderijgedachte op het perceel te accentueren zal een hooimijt naast de boerderij gerealiseerd worden. De hooimijt heeft in vroegere tijden ook op het erf gestaan (zie afbeelding 2), de initiatiefnemer wil dit cultuurhistorische waardevolle bouwwerk terugbrengen. In de hooimijt wordt een bed & breakfast beoogd, welke inspeelt op de mogelijkheden voor meer beleving van het landelijk gebied. Op de recreatieve markt in Nederland is er een groei waarneembaar als het gaat om kleinschalige overnachtingsplaatsen met beleving.
Binnen Molenlanden liggen daarmee ook kansen voor kleinschalige en passende ontwikkelingen. Conform het beleid is gekozen voor kleinschalige recreatie die passend is binnen het karakteristiek van het gebied (paragraaf 3.3).
Afbeelding 2: Hooimijt vroegere situatie
Verder zal de verouderde schuur en schuurwoning gesaneerd worden en zal er ter compensatie een nieuwe schuurwoning op dezelfde locatie gerealiseerd worden. Het plan sluit hiermee aan bij de karakteristieken van het lint en voorziet in het versterken van de ruimtelijke kwaliteit en de boerenerfgedachte. Om in een optimale ruimtelijke kwaliteitsverbetering te voorzien is aan de hand van het Molenwaards Kookboek (2016) een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Streekeigen 6
beplanting en het sloten- en verkavelingspatroon blijven gehandhaafd en er zullen bredere landschappelijke doorzichten naar het achtergelegen polderlandschap worden gerealiseerd. Door het saneren van de verouderde schuur wordt verdere veroudering en verpaupering en daarmee aantasting van de ruimtelijke kwaliteit voorkomen. Tenslotte is er in Wijngaarden sprake van een woonbehoefte. Door het toevoegen van twee wooneenheden in de woonboerderij speelt het plan hierop in. Het onderhavige plan is een passende ontwikkeling voor de gemeente Molenlanden.
1.2 Kader Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’, vastgesteld op 25 januari 2010 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Graafstroom. Het plangebied heeft de enkelbestemmingen: • Water; • Wonen. De dubbelbestemmingen: • Waarde – Archeologie. De maatvoeringen en aanduidingen: • Bouwvlak; • Specifieke vorm van wonen – mestkelder; • Wro-zone – aanlegvergunning overgangsgebied; • Wro-zone – wijzigingsgebied dorpslint.
Afbeelding 3: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom
Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’ Op 15 september 2015 is de derde herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ vastgesteld. In de derde herziening zijn regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen voor het buitengebied, evenals de omissies of nieuw beleid. Voor het plangebied betekent dat de dubbelbestemmingen: 7
• •
Waarde – Archeologie 1; Waarde – Archeologie 2.
Bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ Op 20 februari 2018 is de ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ vastgesteld. In de parapluherziening zijn regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen verschillende bestemmingsplannen voor het buitengebied, evenals omissies en nieuw beleid. Voor het plangebied heeft dit geen gevolgen voor de plankaart.
1.3 Maatschappelijk resultaat Met de vaststelling van het bestemmingsplan wordt een nieuwe, geactualiseerde en gedigitaliseerde juridische regeling geboden. Middels het onderhavige bestemmingsplan wordt het mogelijk gemaakt om de karakteristieke boerderij te splitsen in drie wooneenheden, een schuurwoning en een hooimijt (met bed & breakfast) te realiseren.
1.4 Maatschappelijk draagvlak Participatie In het kader van een goede ruimtelijke ordening en goede relatie met de buren zijn de directe buren reeds geïnformeerd over het onderhavige plan. Dit alvorens het bestemmingsplan voor een eerste keer ter inzage zou liggen, zodat men het persoonlijk van de initiatiefnemer zou horen. Het plan is over het algemeen positief ontvangen. Met nr. 27 is afgesproken dat er wat betreft de plaatsing van vensters in de hooimijt rekening wordt gehouden met het zicht op hun perceel. Inspraak Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. Het bestemmingsplan is voorgelegd aan de overlegpartners van de gemeente. De provincie en Oasen zijn akkoord met het bestemmingsplan. Het Waterschap Rivierenland en de Veiligheidsregio Zuid-Holland-Zuid zijn tevens akkoord, maar hadden enkele tekstuele opmerkingen in onderhavige toelichting. Deze zijn verwerkt in de bijbehorende paragraaf (paragraaf 4.2 & 4.6). Zienswijze Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken hebben gedurende zes weken ter inzage gelegen, waarbij eenieder in de gelegenheid is gesteld om zienswijzen kenbaar te maken.
Desgevraagd kon ook een mondelinge zienswijze gegeven worden. Over het ontwerpbestemmingsplan is één mondelinge zienswijze ingediend binnen de daarvoor geldende termijn. De zienswijze gaat enkel in op het onderdeel van de hooimijt en de beoogde B&B van het plan. Naar aanleiding van de zienswijzen heeft er op 5 augustus 2022 een locatiebezoek plaatsgevonden met alle betrokkenen, waarbij is getracht de zorgen van de indieners weg te nemen. Naar aanleiding van dit overleg is besloten om enkele aanpassingen/toevoegingen door te voeren in het bestemmingsplan, om 8
voornamelijk de zorgen omtrent privacy tegemoet te komen. In de bijlage van deze toelichting is in de Nota Zienswijzen de zienswijze van beantwoording voorzien. De aanpassingen betreffen: • Artikel 5.2.3 lid d is aangevuld met de voorwaarde dat de naar buurperceelgerichte gevels blind worden uitgevoerd ter waarborging van de privacy voor omliggende percelen; • De (bouw)tekeningen van de hooimijt zijn als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd.
1.5 Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan voor de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente wordt een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Op basis van het voorstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.
1.6 Communicatie Er wordt op de wettelijke manier gecommuniceerd over de te voeren procedure (via internet en De Staatscourant).
1.7 Realisatie Wanneer er geen beroep wordt ingediend, is het bestemmingsplan na de ter inzage termijn onherroepelijk. De omgevingsvergunning voor het plan kan dan worden aangevraagd.
1.8 Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van de planontwikkeling zijn beschreven: • Hoofdstuk 2: Planbeschrijving; • Hoofdstuk 3: Verantwoording beleidskader; • Hoofdstuk 4: Verantwoording sectorale aspecten; • Hoofdstuk 5: Juridische planbeschrijving;
9
2
Planbeschrijving
2.1 Bestaande situatie 2.1.1 Ontstaansgeschiedenis Wijngaarden De geschiedenis van het dorp Wijngaarden gaat terug tot voor het jaar 1283. Uit bronnen blijkt dat in het jaar 1283 graaf Floris V in een open brief heeft verklaard dat Wijngaarden en Ruijbroek een oude en vrije heerlijkheid is en moest blijven. Iedereen uit het land en de steden van Graaf Floris V die een misdaad hadden begaan waren vrij zich in Wijngaarden op te houden. Tussen 1421 en 1860 is de heerlijkheid meerdere malen van eigenaar veranderd. Door de tijd heen is de naam Ruijbroek, het oostelijke gedeelte van Wijngaarden dat nu bekend staat als het Oosteinde, langzaam komen te vervallen. Aan het Oosteinde van Wijngaarden in het Kraaienbos bevindt zich het galgenveld. Op deze plaats werden in het verleden misdadigers opgehangen. Het dorp Wijngaarden betreft een langgerekt dorp (oost-west). Wijngaarden is het laagst gelegen dorp in de Alblasserwaard. Het dorp was in het verleden uitsluitend bereikbaar vanuit Sliedrecht via de Tolsteeg en vanuit Bleskensgraaf via de Wijngaardse steeg. Voor de ruilverkaveling was het Oosteinde een doodlopende weg. Het Oosteinde werd ontsloten middels de aanleg van de Zwijnskade. Via de Zwijnskade ontstond een verbinding met Sliedrecht en Hardinxveld-Giessendam. Na de ruilverkaveling werd aan het Westeinde het Alblasserbos aangelegd.
Het dorp Wijngaarden heeft een agrarisch verleden wat blijkt uit de vele oude boerderijen, onder anderen langs het Oosteinde en het Westeinde. Het onderhavige plangebied, het perceel Westeinde 28, is gelegen in het buitengebied aan de westzijde van het dorp Wijngaarden. Het plangebied maakt onderdeel uit van de lintbebouwing langs het Westeinde. Het lint kenmerkt zich door een afwisseling van klassieke (woon)boerderijen en (vervangende) vrijstaande nieuwbouwwoningen met daartussen landschappelijke doorzichten. 2.1.2 Huidige status/gebruik Het perceel Westeinde 28 te Wijngaarden betreft een woonperceel met daarop een karakteristieke woonboerderij, een verouderde schuur met schuurwoning, een schuurtje en een cultuurhistorisch bakhuisje.
10
Schuur Woonboerderij Verouderde schuurwoning
Bakhuisje
Verouderde schuur
Afbeelding 4: Uitsnede luchtfoto plangebied
Afbeelding 5: Bovenaanzicht plangebied
11
Afbeelding 6: Vooraanzicht verouderde schuur
Afbeelding 7: Vooraanzicht woonboerderij en perceel
2.2 Nieuwe situatie 2.2.1 Plan Op het perceel Westeinde 28 te Wijngaarden is reeds decennia lang een karakteristieke woonboerderij gelegen. Ten westen van de woonboerderij is een verouderde schuur met hieraan een schuurwoning gelegen. Tevens zijn een schuurtje en een cultuurhistorisch bakhuisje op het perceel aanwezig. De initiatiefnemer is voornemens om de karakteristieke boerderij te splitsen in drie wooneenheden. Om het boerenerf op het perceel te accentueren en het historisch boerderijensemble te herstellen zal naast de boerderij een hooimijt gerealiseerd worden waarin een bed & breakfast geïntegreerd zal worden (zie afbeelding 8). Op afbeelding 9 is een impressie van de hooimijt weergegeven, in de bijlage van deze toelichting is verder indicatief tekenwerk bijgevoegd van de hooimijt. Tevens wordt middels het plan de verouderde schuur en de aangebouwde verouderde schuurwoning gesaneerd. Ter compensatie wordt een nieuwe schuurwoning gerealiseerd, welke een ondergeschikte uitstraling ten opzichte van de bestaande 12
boerderij zal krijgen. De nieuwe schuurwoning zal hiermee op een passende wijze gerealiseerd worden. Door een landschapsarchitect is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, teneinde het perceel op een verantwoorde wijze landschappelijk in te kunnen richten. Het inpassingsplan betreft een globale impressie van de beoogde situatie, maar staat nog niet in detail vast. Bij de uitwerking van het landschappelijke inpassing is rekening gehouden met het ruimtelijke kwaliteitskader van de gemeente Molenlanden, het ‘Molenwaards Kookboek’. Middels het landschappelijk inpassingsplan worden de woonboerderij, de schuurwoning en de hooimijt op een verantwoorde manier landschappelijk ingepast. De thans aanwezige streekeigen beplanting zal waar mogelijk gehandhaafd blijven en versterkt worden. Hiernaast zal het bestaande slotenpatroon behouden blijven. Middels het plan zullen er meer en bredere doorzichten naar het achtergelegen slagenlandschap gerealiseerd worden.
Afbeelding 8: Landschappelijke inpassing (indicatief)
Afbeelding 9: Impressies hooimijt (indicatief)
13
2.2.2 Verkeer en parkeren Ontsluiting Het perceel Westeinde 28 te Wijngaarden wordt thans ontsloten middels twee ontsluitingen. Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. Parkeren Voor de vaststelling van de parkeernorm is gebruik gemaakt van de Nota Parkeernormen Molenlanden 2020. Voor de drie wooneenheden in een woonboerderij is er uitgegaan van het type ‘koop, tussen/hoek’ in het ‘buitengebied’. De gemiddelde parkeernorm voor deze woningen betreft 2,0 parkeerplaatsen per woning. Uitgaande van het type woning ‘koop, vrijstaand’ gelegen in het ‘buitengebied’ voor de beoogde schuurwoning is een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per woning vastgesteld. Voor een B&B zijn thans geen specifieke parkeernormen opgenomen. Uitgaande dat de B&B bedoeld is voor één gezin (max. 4 slaapplaatsen), wordt uitgegaan van de behoefte aan één, maximaal 2,0, parkeerplaatsen. De benodigde parkeerbehoefte betreft hiermee in totaal 10,4 parkeerplaatsen. Deze behoefte wordt volledig opgelost op eigen terrein. Rondom de woningen is voldoende ruimte voor het parkeren van 11 auto’s. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde parkeernorm. De parkeerplaatsen worden zoveel mogelijk uit het zicht onttrokken.
Afbeelding 10: Mogelijke parkeersituatie (maatvoering in meters)
14
3
Beleidskader
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio's; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat er zowel maatregelen op korte termijn als maatregelen op lange termijn nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven als de ondergrond. Het onderhavige plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het onderhavige plan is kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro.
15
3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting van een bestemmingsplan waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, een beschrijving op te nemen over de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ladder voor duurzame verstedelijking wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt.
In artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro is de volgende definitie van stedelijke ontwikkeling opgenomen: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. De bouw van één woning is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder (ABRvS 14 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:156). Ook een plan dat voorziet in de planologische inpassing van drie woningen is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS: 2014:3929). De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is tevens niet van toepassing op een ontwikkeling waarbij zes woningen mogelijk worden gemaakt (ABRVS 18 december 2013, ECLI: NL:RVS:2013: 2471). Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3). Toetsing aan ladder voor duurzame verstedelijking Het onderhavige plan voorziet per saldo in het toevoegen van twee extra wooneenheden (splitsing woonboerderij van één naar drie wooneenheden en vervangende nieuwbouw schuurwoning).
Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is toetsing van het plan aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk.
16
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale Staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Per 1 april is het Omgevingsbeleid in werking getreden. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: • Naar een klimaatbestendige delta; • Naar een nieuwe economie: the next level; • Naar een levendige meerkernige metropool; • Energievernieuwing; • Best bereikbare provincie; • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Het centrale doel van het provinciale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen.
Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) De provincie Zuid-Holland zet in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Onder “bebouwde ruimte” wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiek-industrieel systeem. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkelingen die niet binnen BSD gerealiseerd kunnen worden en kleinschalige stedelijke ontwikkelingen, kunnen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op BSD of in bebouwingslinten. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen buiten BSD dient de Ladder voor duurzame verstedelijking te worden doorlopen en dient het plan te voldoen aan het provinciaal beleid voor ruimtelijke kwaliteit.
Stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 hectare buiten BSD dienen eerst door Provinciale Staten worden afgewogen en worden op de kaart ‘woningbouwlocaties, bedrijventerreinen en andere stedelijke ontwikkelingen’ (ook wel genoemd: ‘3 ha kaart’) gezet. Het plangebied is gelegen buiten BSD, maar binnen de ‘bebouwde ruimte’. Binnen het gebied ‘bebouwde ruimte’ (systeem van kernen en linten) streeft de provincie 17
Zuid-Holland naar het beter benutten van deze ruimte voor een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied door het stimuleren en faciliteren van verdichting, herstructurering en transformatie. Middels het splitsen van de bestaande boerderij in drie wooneenheden en het realiseren van een vervangende schuurwoning voorziet het plan in verdichting en het beter benutten van het bestaand woonperceel. Middels de sanering van de verouderde schuur en de schuurwoning voorziet het plan tevens in meer openheid op het perceel. Het plan sluit hiermee aan bij de verstedelijkingsopgave conform het provinciaal beleid. Verbeteren ruimtelijke kwaliteit Gezien het sterke contrast tussen een dynamische stedelijke omgeving en open deltalandschappen in Zuid-Holland, is zorg voor de ruimtelijke kwaliteit in het bijzonder van belang. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving.
De essentie van het ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten toevoegen aan het gebied en de samenleving. Middels het plan wordt instandhouding van de karakteristieke boerderij verzekerd door het splitsing van de boerderij in drie wooneenheden, zodat onderhoud aan de woonboerderij gegarandeerd wordt. Hiermee draagt het plan bij aan het in standhouden van de cultuurhistorische karakteristieken van het bebouwingslint langs het Westeinde. Deze karakteristieken zullen verder geaccentueerd worden middels de realisatie van een hooimijt naast de boerderij, waarmee tevens het historische boerderijensemble hersteld wordt. Tevens wordt een bij het gebied passende schuurwoning gerealiseerd ter compensatie van het saneren van de verouderde schuur en de aangebouwde schuurwoning. Het plan voorziet hiermee in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Om in een optimale ruimtelijke kwaliteitsverbetering te voorzien is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, teneinde het perceel op een landschappelijk verantwoorde wijze in te richten.
Kwaliteitskaart De kwaliteitskaart is voor de provincie Zuid-Holland een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen. De kwaliteitskaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De kwaliteitskaart biedt een middel om vroeg in het planproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. Het verbinden van nieuwe ontwikkelingen aan de bestaande gebiedskenmerken vormt hierbij uitgangspunt. Veenweidegebied De ruimtelijke structuur in het veenweidegebied wordt sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en 18
andere ontginningsbasissen. Haaks hierop staan de verkavelingspatronen. Kenmerkend voor het veenweidelandschap is de openheid van het gebied met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels omringd door sloten. Voor ontwikkelingen in het veenweidelandschap heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders; • Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar.
Plangebied Afbeelding 11: Uitsnede kwaliteitskaart plangebied
Linten Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. Voor ontwikkelingen in de linten heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied; • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst; • Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend; • Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht. 19
Voor de inrichting en inpassing van het plangebied is door een landschapsarchitect een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Het onderhavige plan sluit aan bij de kwaliteitskaart en daarmee de richtpunten voor de ontwikkeling in het veenweidelandschap en het lint. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a.
De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: ▪ zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; c. Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: ▪ Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. Het onderhavige plan kan geschaard worden binnen de categorie ‘inpassen’.
Het onderhavige plan is qua schaal en aard passend in dit gebied en zorgt voor een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Tevens wordt aangesloten bij de cultuurhistorische waarden van het lint langs het Westeinde en wordt het historische boerderijensemble hersteld door het realiseren van een hooimijt. De bebouwing wordt op een passende wijze gerealiseerd en het perceel op een verantwoorde wijze ingericht.
20
Stedelijke ontwikkelingen (ladder voor duurzame verstedelijking) In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Het onderhavige plan betreft een kleinschalige ontwikkeling. Per saldo worden twee wooneenheden toegevoegd (splitsing woonboerderij van één naar drie wooneenheden en vervangende nieuwbouw schuurwoning). Het onderhavige plan betreft vanuit jurisprudentie geen stedelijke ontwikkeling (zie paragraaf 3.1.3). Toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is daarmee niet vereist dan wel noodzakelijk.
21
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In navolging van de regionale structuurvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden, heeft de regio in 2012 de visie 2030 opgesteld. Deze visie is een actualisering van het beleid uit de regionale structuurvisie en bepaalt de beleidskeuzes met het oog op 2030. Binnen de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. In het kader van de regionale centrale visie, de vorming van een vitale regio, is het authentieke karakter van de regio waar bewoners zich thuis voelen een streven.
Het onderhavige plan draagt bij aan het behouden/versterken van het authentieke karakter middels de splitsing van de boerderij en daarmee het onderhoud en de instandhouding van het gebouw, het realiseren van een bij het gebied passende schuurwoning en het herstellen van het historisch boerderijensemble door het realiseren van een hooimijt naast de boerderij. Het onderhavige plan is daarmee in overeenstemming met het regionaal beleid. Het doel is in de toekomst nog meer dan nu een gastvrij onthaal aan mensen te bieden die willen genieten van haar natuur, haar cultuurhistorisch waardevolle dorpen en landschap. Voor nu en in de toekomst is de rust en de stilte die ervaren worden als een oase in een grootstedelijk gebied de kracht. Met de kleinschaligheid, de schoonheid van enkele dorpen, de rust en de landschappelijke kwaliteiten beschikt de gemeente over bijzondere kwaliteiten. Initiatieven die uitgaan van deze kwaliteiten worden van harte ondersteund. Hier liggen kansen binnen de gemeente om zich beter te profileren. De gemeente zal zich daarom inzetten om deze mogelijkheden recreatief beter te benutten en verder te ontwikkelen. Kleinschalige recreatie vormt een belangrijke inkomstenbron en biedt plaatselijk aan veel inwoners werkgelegenheid. De gemeente zet in op het verder versterken van bestaande toeristisch-recreatieve structuur.
Om de recreatie en het toerisme binnen de gemeente verder te ontwikkelen en om positieve effecten voor de kernen te introduceren worden kleinschalige initiatieven voor verblijfs- en dagrecreatie die passen bij de karakteristiek van het gebied gefaciliteerd. Deze keuze betekent ook dat er niet wordt gekozen voor te grootschalige recreatie, recreatie die karakteristieke waarden of natuurwaarden aantast en recreatie die een te grote druk geeft op de aanwezige infrastructuur. De kwaliteit en toekomstbestendigheid van de openbare ruimte is van belang. Het onderhavige plan is ook conform dit beleid en speelt in op de vraag op de recreatieve markt door de realisatie van een bed & breakfast. Middels het 22
onderhavige plan wordt ingezet op de recreatieve mogelijkheden passend binnen het karakteristiek van het gebied door de kleinschaligheid. Op de recreatieve markt in Nederland is er een groei waarneembaar als het gaat om de vraag naar overnachtingsplaatsen. Binnen Molenlanden liggen daarmee ook kansen voor kleinschalige en passende ontwikkelingen. 3.3.2 Regionale woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een actualisatie van de Regionale woonvisie 2020 (2013) vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn. De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied een dynamische stedelijke zone. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau. Om die goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld. Er wordt onderscheid gemaakt in: • Stedelijk gebied; • Voorzieningendorpen; • Woondorpen.
De huidige afspraak is een netto toevoeging van maximaal 3.364 woningen netto in totaal voor de regio voor de periode 2015-2025. De gemiddelde jaarlijkse netto woningbehoefte in de regio is geschat op 0,7% huishoudensgroei per jaar. Wijngaarden is aangeduid als een dorp voor landelijk wonen. Deze dorpen zijn voor voorzieningen (grotendeels) afhankelijk van omliggende dorpen en steden. In Wijngaarden is er sprake van een woningbehoefte op kleine schaal. Het onderhavige plan sluit hierop aan en betreft per saldo een toevoeging van twee extra wooneenheden (splitsing woonboerderij van één naar drie wooneenheden en vervangende nieuwbouw schuurwoning). Gezien het aantal wooneenheden valt onder de agendamaat is regionale afstemming niet nodig.
23
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Toekomstvisie Molenlanden 2030 De Toekomstvisie Molenlanden 2030 ‘Eigenheid in verbondenheid’ houdt de gemeente op koers tot 2030 door dialoog, nabijheid en ambitie. In de visie beschrijft de gemeente zes onderwerpen en de wensen van de gemeente daaromtrent: • Inclusieve samenleving: in onze samenleving staat gezondheid voorop en zijn alle inwoners even belangrijk; • Leefomgeving: de omgeving waarin we wonen voelt veilig en is zo ingericht dat we grote gevolgen van klimaat op kunnen vangen. Er staan genoeg woningen in onze gemeente waar vraag naar is; • Economie: Molenlanden is een gemeente waar innovatie een belangrijke plek heeft en ondernemen vanzelfsprekend is; • Recreatie en Toerisme: het toerisme in Molenlanden is in balans; • Klimaat en energie: we werken samen aan een circulair, energieneutraal, klimaatbestendig en schoon Molenlanden met aandacht voor een eerlijke voedselketen waarin afval wordt gezien als grondstof; • Bereikbaarheid: Inwoners van Molenlanden ervaren met verschillende vervoersmiddelen dat onze dorpen, de vestingstad en de regio veilig en goed bereikbaar zijn. Het onderhavige plan heeft voornamelijk betrekking op het onderwerp leefomgeving. Het onderhavige plan is een kleinschalig plan in het lint langs het Westeinde te Wijngaarden.
Het plan zorgt voor een kwalitatieve verbetering van de woningvoorraad van de gemeente Molenlanden, middels de toevoeging van een nieuwe schuurwoning en de splitsing van de woonboerderij in drie wooneenheden. Het plan is in overeenstemming met de Toekomstvisie. 3.4.2 Woonvisie Molenlanden 2020-2024 In oktober 2020 heeft de gemeente Molenlanden de Woonvisie 2020 – 2024 vastgesteld. Relevant voor het plan is het gemeentelijk beleid ten aanzien van woningbouw. Op het vlak van woningbouw luidt de visie als volgt: • Er worden voldoende woningen gebouwd om te voorzien in de lokale woningvraag, het gaat daarbij om de realisatie van +1.460 woningen in de periode 2020 t/m 2029. • De focus in de nieuwbouw gaat uit naar het bouwen van betaalbare woningen voor starters, jonge doorstromers en nultredenwoningen voor senioren. Daarbij gaat het met name om een vraag naar betaalbare koopwoningen. • De gemeente stuurt meer op de juiste prijs-kwaliteit van woningen, gericht op die doelgroepen waar de grootste vraag zit. Tegelijkertijd versnelt de gemeente de woningproductie, zodat voorkomen wordt dat woningzoekenden naar andere gemeenten uitwijken. • Nieuwbouw voldoet minimaal aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. Dit betekent dat woningen bijna energieneutraal zijn (BENG) en aardgasloos.
• Bij de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties en herstructurering van bestaande wijken is het belangrijk om voldoende aandacht te hebben voor
24
•
klimaatadaptatie, om de gevolgen van droogte en wateroverlast op te kunnen vangen. Nieuwbouw wordt primair gerealiseerd op transformatieplekken binnen de kernen (sloop / nieuwbouw of herbestemming leegstaand vastgoed).
In Wijngaarden is er concrete woningbehoefte op kleine schaal. Middels het onderhavige plan worden extra wooneenheden toegevoegd binnen de bestaande bebouwde ruimte en een bestaande woonboerderij gerealiseerd. Er worden twee extra wooneenheden toegevoegd (splitsing woonboerderij van één naar drie wooneenheden en vervangende nieuwbouw schuurwoning). Dit maakt het mogelijk voor mensen uit Wijngaarden in het dorp te blijven wonen, mensen die binding hebben met de gemeente en het dorp. De wooneenheden welke middels het plan worden gerealiseerd zijn passend voor verschillende doelgroepen, als gezinnen en doorstromers. 3.4.3 Toeristische Agenda Molenlanden Het beleid van de gemeente Molenlanden en de regio AlblasserwaardVijfheerenlanden op het gebied van toerisme en recreatie is vastgelegd in de Toeristische Agenda Molenlanden (TAM). Molenlanden werkt de komende jaren aan onderstaande ambities: • Versterken van de vrijetijdseconomie, verhogen van de bestedingen en werkgelegenheid; • Toeristen komen specifiek voor het verhaal van Molenlanden. Dit kan door de beleving van iconen in het landschap te verbeteren; • Toerisme is in balans. Toerisme moet niet voor overlast zorgen (bij de inwoners of het landschap), maar juist bijdragen aan maatschappelijke doelen, zoals duurzaamheid en mobiliteit.
Dit vraagt om ontwikkeling op passende schaal; • De kansen voor toerisme worden benut door regionale samenwerking, o.a. met de provincie en door regiomarketing (‘t Groene Hart); • De vrijetijdssector kan (nog beter) bijdragen aan educatie en opleidingen van jongeren in de omgeving. Concreet wil de gemeente de volgende doelen bereiken: 1. Molenlanden gaat inzetten op de ontwikkeling van dagrecreatieve bestemming naar een aantrekkelijke bestemming voor meerdaags verblijf. Dit betekent concreet ruimte voor meer (verblijfs)recreatieve voorzieningen. De ambitie is om de verblijfsrecreatie (aantal slaapplaatsen) in Molenlanden met 30% te laten groeien naar 2025 ten opzichte van 2020. De gemeente verzilvert hiermee de verwachte groei conform het landelijk gemiddelde. 2. De algehele leefbaarheid voor onze inwoners mag door de toeristische ontwikkeling niet achteruitgaan. De gemeente monitort de balans tussen toerisme en de leefbaarheid. Monitoring leidt tot inzicht in eventuele verbeterpunten aangaande leefbaarheid waaraan gewerkt wordt. 3. De gemeente gaat in haar werkwijze ruimte inbouwen voor ‘samen leren’, het omarmen van innovatieve ideeën en het starten van pilots. Het onderhavige plan voorziet in de mogelijkheid voor het realiseren van een bed & breakfast (B&B). Het plan volgt hiermee de ambitie om de vrijetijdseconomie te
25
stimuleren. De B&B zal worden gerealiseerd in het luxe segment met een zo hoog mogelijke kwaliteit, voor voornamelijk een oudere doelgroep die de Alblasserwaard op zoekt voor de rust en het landelijke karakter. De mensen die de drukte in het dagelijkse leven wil ontvluchten. Denk hierbij aan wandelaars en fietsers. Het volgt het doel uit de toeristische agenda om een aantrekkelijk en beleefbaar aanbod te creëren, Om meer ruimte te realiseren voor verblijfsrecreatie voorzieningen en het beleefbaar maken van het DNA en het toeristisch profiel van Molenlanden. Overnachting in een karakteristieke hooimijt langs de polder, biedt deze beleving optimaal met een hoge kwaliteit in de Alblasserwaardse polder. De hooimijt wordt beoogd in drie bouwlagen, waarbij de begane grond een privéruimte betreft en de twee lagen daarboven de slaapvertrekken, sanitair en zitruimten. De precieze invulling van de bovenste twee lagen is nog nader te bepalen. 3.4.4 Bestemmingsplan Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’, vastgesteld op 25 januari 2010 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Graafstroom. Het plangebied heeft de enkelbestemmingen: • Water; • Wonen. De dubbelbestemmingen: • Waarde – Archeologie.
De maatvoeringen en aanduidingen: • Bouwvlak; • Specifieke vorm van wonen – mestkelder; • Wro-zone – aanlegvergunning overgangsgebied; • Wro-zone – wijzigingsgebied dorpslint.
Afbeelding 12: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom
Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’
26
Op 15 september 2015 is de derde herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ vastgesteld. In de derde herziening zijn regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen voor het buitengebied, evenals de omissies of nieuw beleid. Voor het plangebied betekent dat de dubbelbestemmingen: • Waarde – Archeologie 1; • Waarde – Archeologie 2. Bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ Op 20 februari 2018 is de ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ vastgesteld. In de parapluherziening zijn regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen verschillende bestemmingsplannen voor het buitengebied, evenals omissies en nieuw beleid. Voor het plangebied heeft dit geen gevolgen voor de plankaart. Het onderhavige plan is strijdig met het vigerende bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ dat door de voormalige gemeente Molenwaard is vastgesteld op 20 februari 2018. Het perceel heeft de bestemming ‘Wonen’ met een bouwvlak waarbinnen één wooneenheid is toegestaan. Zonder aanduiding is de realisatie van vier wooneenheden niet toegestaan.
27
3.5 Conclusie Op basis van de beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • In het onderhavige plan is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is daarmee niet van toepassing; • Het onderhavige plan zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; • Gezien het aantal wooneenheden valt onder de agendamaat is regionale afstemming niet nodig; • Het onderhavige plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders; • Het onderhavige plan is strijdig met de vigerende bestemmingsplannen.
28
4
Sectorale aspecten
4.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffect- beoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid om de woonboerderij te splitsen in maximaal drie wooneenheden, een bestaande vrijstaande woning te herbouwen en een cultuurhistorische hooimijt te realiseren. Het ruimtebeslag, de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is zeer beperkt. Tevens is betreft het plangebied een reeds bebouwd perceel, waar de bebouwing ter plaatse zal afnemen. Gelet hierop kan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling worden gesteld dat er geen sprake is van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’. Dit betekent dat er geen m.e.r. beoordeling nodig is. Conclusie Een m.e.r.-beoordeling is niet verplicht en is derhalve achterwege gelaten.
29
4.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Gemeentelijk beleid Vanuit onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), is bepaald dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld moet worden. Om aan deze eis te kunnen voldoen hebben de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en het waterschap Rivierenland de handen ineengeslagen en het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom opgesteld. In dit waterplan is aangegeven welke doelen men wenst te bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom. De doelen uit het beleidsplan zijn uitgewerkt in vier aspecten: • Afkoppelen, meer ruimte voor water creëren en diffuse bronnen aanpakken (duurzaam onkruidbeheer, duurzaam bouwen); • Belevingswaarde; • Samenwerking; • Beheer en onderhoud.
Het beleidsplan moet de gemeenten helpen om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 door optimalisering van het huidige systeem. De gemeenten en het waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit.
Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur 30
is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de wateraanen afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Voor het onderhavige plan is de digitale watertoets doorlopen (dossiercode 20190219-9-19916). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. C-Watergang: 073008
A-Watergang: 017764
C-Watergang: 072680
C-Watergang: 072664
C-Watergang: 072667
Afbeelding 13: Uitsnede legger wateren
Watergangen In de directe omgeving van het plangebied zijn een A-watergang (017764) en vier Cwatergangen (072664, 072667, 072680, 073008) gelegen. Voor een A-watergang geldt een beschermingszone van 5 meter in de Alblasserwaard. C-watergangen hebben geen beschermingszone. De geplande bouw- en sloopwerkzaamheden 31
vinden grotendeels plaats buiten de beschermingszone van de A-watergang en de overige C-watergangen worden niet aangetast. Het is mogelijk dat de hooimijt gedeeltelijk binnen de beschermingszone van de A-watergang wordt beoogd, wanneer dit het geval is, is het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Rivierenland vereist. Peilgebied Het perceel Westeinde 28 te Wijngaarden is gelegen in het peilgebied NDW022. Het peilgebied heeft en zomerpeil van -2,26 meter NAP en een winterpeil van -2,36 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.
Plangebied
Afbeelding 14: Uitsnede peilgebied Alblasserwaard
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dien zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2. Verhardingsbalans In onderstaande tabel is de verhardingsbalans van de huidige en beoogde situatie weergegeven. De verwachting is dat er sprake zal zijn van een afname in verharding