3. Toelichting bestemmingsplan Doetseweg 26 Giessenburg – Bergstoep 26 Streefkerk
Tekst van het document
Het plan sluit aan bij het streven van de gemeente om de verblijfsrecreatie (aantal slaapplaatsen) in Molenlanden te laten groeien. Molenlanden heeft als ambitie staan dat de vrijetijdseconomie versterkt dient te worden, dat er een ambitie ligt om richting 2025 de tak verblijfsrecreatie te laten groeien met 30%. De toerist die wordt gezocht is betiteld als kwaliteitstoerist, iemand die past bij het DNA van Molenlanden en tijdens het verblijf bestedingen in de regio doet. Door de toeristische sector naar een hoger platform te tillen heeft dit verscheidene gunstige neveneffecten. Lokale voorzieningen kunnen worden behouden en wellicht zelfs uitgebreid. Daarnaast ontstaan er meer mogelijkheden voor educatie, duurzaamheid en ecologische ontwikkeling. Zoals in de TAM omschreven, is het de bedoeling om de toerist het verhaal van Molenlanden te vertellen. Bij dit voormalige agrarische bedrijf en boerenerfensemble begint dit door de diversiteit van het veenweidegebied te laten zien. Heel praktisch doordat de gast er in leeft. Het plan draagt bij aan de wenselijke versterking van de belevingswaarde en de benutting van het cultuurhistorisch waardevolle landschap. De eventuele mini-camping dient op een passende wijze in het landschap ingepast te worden.
3.4.6 Bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’ Het plangebied Doetseweg 26 Giessenburg valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’, welke is vastgesteld op 11 maart 2015. Het plangebied betreft hierin de enkelbestemming: • Recreatie; De dubbelbestemmingen: • Waterstaat – Waterkering; • Waarde – Archeologie – 1; • Waarde – Archeologie – 2; • Waarde – Archeologie – 4; • Waarde – Archeologie – 8; 34
En de aanduidingen: • Functieaanduiding: volkstuin; • Gebiedsaanduiding: vrijwaringszone – dijk.
Afbeelding 17: Uitsnede bestemmingsplankaart ‘Buitengebied Giessenlanden’
3.4.7 Bestemmingsplan ‘Buitengebied Liesveld’ Het plangebied Bergstoep 26 Streefkerk valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Liesveld’, welke is vastgesteld op 26 maart 2013. Het plangebied betreft hierin de enkelbestemming: • Agrarisch; De dubbelbestemmingen: • Waterstaat – Waterkering; • Leiding – Water; • Waarde – Archeologie – 4; • Waarde – Archeologie – 7; • Waarde – Archeologie – 8; En de aanduidingen: • Bouwvlak; • Functieaanduiding: intensieve veehouderij; • Figuur: hartlijn leiding – water; 3.4.8 Bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Liesveld’ Op 20 februari 2018 is de parapluherziening vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Molenwaard. Middels de parapluherziening zijn de regels van drie bestemmingsplannen in het buitengebied van de voormalige gemeente Molenwaard gelijkgetrokken. Voor het onderhavige plangebied betekende dat de extra gebiedsaanduiding ‘wetgevingszone – wijzigingsgebied dorpslint’.
35
Afbeelding 18: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Liesveld’
Het onderhavige plan is strijdig met de vigerende bestemmingsplannen. De bestemmingen op beide locaties dienen te worden gewijzigd naar ‘wonen’ ten behoeve van de burgerwoning aan de Doetseweg en het omzetten van het agrarisch bedrijf naar wonen en tuin/hobbyboer aan de Bergstoep.
3.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • Het onderhavige plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders; • Er is sprake van strijdigheid met de vigerende bestemmingsplannen; • Het onderhavige plan zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; • Het onderhavige plan speelt in op concrete woningbehoefte en stimuleert doorstroming; • Er is geen sprake van een ‘stedelijke ontwikkeling’, waarmee toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet van toepassing is.
36
4
Verantwoording sectorale aspecten
4.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In de Wet Milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Voor de beantwoording van de vraag of er een m.e.r.-(beoordelings)plicht bestaat voor de ruimtelijke ontwikkeling is allereerst het bepaalde in het Besluit m.e.r. van belang. De verplichting tot het opstellen van een m.e.r. is opgenomen in artikel 7.2 Wet milieubeheer (Wm). Dit artikel vormt een omzetting van de EG-m.e.r-richtlijnen. Voor de beantwoording van de vraag of voor een concreet plan een m.e.r. dient te worden doorlopen, dient primair te worden beoordeeld of de activiteit valt binnen de onderdelen C en D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Onderdeel C geeft aan wanneer sprake is van een m.e.r.-plicht. Een onderscheid dient te worden gemaakt tussen een plan-m.e.r. (kolom 3 van onderdeel C) en een besluit-m.e.r (kolom 4 van onderdeel C).
Onderdeel D geeft de activiteiten en gevallen aan waarin sprake is van een m.e.r.- beoordelingsplicht (dan moet worden nagegaan of er al dan niet sprake is van significante milieugevolgen en als deze aan de orde zijn dient een m.e.r. plaats te vinden). Voor het onderhavige plan kan gesteld worden dat er geen directe m.e.r.-plicht vanuit de wet milieubeheer en vanuit het besluit m.e.r. geldt op grond van bijlage C. De activiteiten / bouw welke middels onderhavig bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt vallen binnen de bijlage D bij het Besluit m.e.r. (D11.2). Het onderhavige plan maakt het mogelijk om één woning te realiseren ter compensatie van een te slopen varkensschuur. De ontwikkeling is zeer kleinschalig van aard en omvang, waardoor geen drempels / grenswaarden uit het Besluit milieueffectrapport worden overschreden. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. Kenmerken van het plan Het onderhavige plan maakt het juridisch-planologisch mogelijk om een vrijstaande burgerwoning op het perceel Doetseweg 26 te Giessenburg te realiseren en op het perceel Bergstoep 26 te Streefkerk de hobbymatige agrarische activiteiten voor te zetten. Onderhavige ontwikkeling is hiermee zeer kleinschalig van aard. Er vinden geen productiewerkzaamheden meer plaats van een volwaardig agrarisch bedrijf.
De juridisch-planologisch toegestane agrarische bedrijfsactiviteiten aan de Bergstoep worden middels de bestemmingsplanwijziging uitgesloten.
37
Ligging van het plangebied De plangebieden maken geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000-gebieden, belangrijk Weidevogelgebied of het Natuurnetwerk Nederland. Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen. Het zwaar verkeer aan de Bergstoep neemt zelfs aanzienlijk af, gezien het uitsluiten van een volwaardig agrarisch bedrijf. Gezien de kleinschaligheid van het plan zullen geen van de toenames leiden tot significante negatieve effecten op het milieu. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieuaspecten. In de volgende hoofdstukken zijn de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Hieruit blijkt dat er door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen sprake is van nadelige milieueffecten. Conclusie Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling, de ruime afstand tot beschermde natuurgebieden en er geen sprake is van (een significante toename van) het aantal verkeersbewegingen, etc. kan – met inachtneming van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, redelijkerwijs worden verwacht dat er geen sprake is van ernstige milieugevolgen gerelateerd aan de ruimtelijke ontwikkeling en kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
In het kader van de vormvrije m.e.r. kan worden volstaan met een onderbouwing van de diverse milieuaspecten in de volgende hoofdstukken.
38
4.2 Watertoets Beleidskader In het onderhavige plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Gemeentelijk beleid Vanuit onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), is bepaald dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld moet worden. Om aan deze eis te kunnen voldoen hebben de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en het waterschap Rivierenland de handen ineengeslagen en het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom opgesteld. In dit waterplan is aangegeven welke doelen men wenst te bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom. De doelen uit het beleidsplan zijn uitgewerkt in vier aspecten: • Afkoppelen, meer ruimte voor water creëren en diffuse bronnen aanpakken (duurzaam onkruidbeheer, duurzaam bouwen); • Belevingswaarde; • Samenwerking; • Beheer en onderhoud.
Het beleidsplan moet de gemeenten helpen om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 door optimalisering van het huidige systeem. De gemeenten en het waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem. Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen.
Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen.
39
Verordening ‘de Keur’ Het waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de Keur is geregeld dat langs A- en Bwatergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Voor het onderhavige plan is voor beide plangebieden de digitale watertoets doorlopen (dossiercodes 20200729-9-23936 en 20200729-9-23937). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Peilgebied Doetseweg 26 Giessenburg Het plangebied aan de Doetseweg is gelegen binnen het plangebied OVW040. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,85 meter NAP en een winterpeil van -1,95 meter NAP.
Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om wateroverlast te voorkomen.
Doetseweg 26 Giessenburg
Afbeelding 19: Uitsnede peilgebiedenkaart Doetseweg 26 Giessenburg
40
Bergstoep 26 Streefkerk Het plangebied aan de Bergstoep is gelegen binnen het plangebied NDW035. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,77 meter NAP en een winterpeil van -1,82 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om wateroverlast te voorkomen.
Bergstoep 26 Streefkerk
Afbeelding 20: Uitsnede peilgebiedenkaart Bergstoep 26 Streefkerk
Watergangen Voor een A- en een B-watergang gelden in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een beschermingszone van 5 en 1 meter. Werkzaamheden binnen deze beschermingszones zijn vergunnings- en/of meldingsplichting. C-watergang: 047008
C-watergang: 047098
C-watergang: 046143 C-watergang: 047009 C-watergang: 046122 C-watergang: 047010
C-watergang: 046141
Afbeelding 21: Uitsnede legger wateren Doetseweg 26 Giessenburg
41
C-watergang: 061153
C-watergang: 111742
C-watergang: 060581 Afbeelding 22: Uitsnede legger wateren Bergstoep 26 Streefkerk
In en rondom beide plangebieden zijn watergangen gelegen. De bouw- en sloopwerkzaamheden op beide locaties zullen plaatsvinden buiten de beschermingszones van alle nabijgelegen A- en B-watergangen. Indien watercompensatie noodzakelijk is aan de Doetseweg zal hetgeen binnen het plangebied worden gegraven middels verbreding/verlenging van bestaande Cwatergangen. Aan de Bergstoep vinden er geen wijzigingen plaats aan watergangen. Voor het graven van water is het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Rivierenland noodzakelijk. Waterkeringen Beide plangebieden zijn gelegen aan een waterkering. Binnen de kernzone van een waterkering gelden strenge regels voor het uitvoeren van bouw- en/of sloopwerkzaamheden. Binnen de beschermingszone van een waterkering geldt een bouwprincipe van ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. Binnen de buitenbeschermingszone geldt dat de volgende zaken niet toegestaan zonder vergunning: afgravingen en seismische onderzoeken, werken met een overdruk van 10 bar en explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen. Onder de noemer afgravingen worden diepe ontgravingen verstaan en daaronder valt ook ondergronds bouwen. Uitgangspunt hierbij is dat de ontgrondingen geen nadelige invloed mogen hebben op de functie van de waterkering, alsmede de waterhuishouding.
Doetseweg 26 Giessenburg Het plangebied aan de Doetseweg is deels gelegen in de kern- en beschermingszone van een regionale waterkering. De te realiseren woning valt voornemens deels binnen de beschermingszone van de waterkering. Voor de bouwwerkzaamheden is het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Rivierenland noodzakelijk. De nieuwe woning dient rekening te houden met het Profiel van vrije ruimte (Pvvr) van de waterkering en te voldoen aan de regels van de Keur. Ter bescherming van de waterkering zullen de nodige aanduidingen / 42
dubbelbestemmingen worden opgenomen in de verbeelding van het onderhavige bestemmingsplan. Ook voor andere toekomstige werken en werkzaamheden binnen de zonering van de waterkering dient aan het beleid van het waterschap te worden voldaan (bijvoorbeeld beplanting etc.). Bergstoep 26 Streefkerk Het plangebied aan de Bergstoep is deels gelegen in de kern-, beschermings- en buitenbeschermingszone van een primaire waterkering. De te saneren voormalige varkensschuur valt deels binnen de buitenbeschermingszone van de waterkering. Voor de sloopwerkzaamheden is het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Rivierenland noodzakelijk. Ter bescherming van de waterkering zullen de nodige aanduidingen / dubbelbestemmingen worden opgenomen in de verbeelding van het onderhavige bestemmingsplan. Ook voor andere toekomstige werken en werkzaamheden binnen de zonering van de waterkering is een watervergunning noodzakelijk.
Afbeelding 23: Uitsnede legger waterkeringen Doetseweg 26 Giessenburg
Afbeelding 24: Uitsnede legger waterkeringen Bergstoep 26 Streefkerk
43
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren. In het landelijk en stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2 respectievelijk 500 m2. Doetseweg 26 Giessenburg Op het plangebied aan de Doetseweg wordt een voormalige volkstuin gewijzigd naar een woonperceel met een vrijstaande burgerwoning. Hetgeen voorziet in en een toename aan verharding, zie tabel 1.
Het voornemen is om het voorste gedeelte van het perceel in gebruik te nemen bij de woning, het achterste gedeelte waar het perceel verbreedt richting het noordoosten houd men voornemens groen gelijk de directe omgeving. Conform het landschappelijk inpassingsplan wordt ca. 475 m2 verharding nagestreefd (zie afbeelding 25). Het inpassingsplan betreft een globale indicatie van de uiteindelijke inrichting, de verharding kan bij uitvoering lager of hoger uitvallen. De initiatiefnemer maakt voornemens gebruik van de eenmalige particuliere vrijstelling van 500 m2, waarmee watercompensatie niet noodzakelijk is. Om gebruik te kunnen maken van de vrijstelling dient contact opgenomen te worden met de afdeling Vergunningen van het waterschap Rivierenland. Het is mogelijk om 580 m2 verharding te realiseren in de nieuwe situatie, indien deze grens wordt overschreden zijn water compenserende maatregelen noodzakelijk. Voor het graven van water is het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Rivierenland noodzakelijk. Tabel 1: Oppervlaktebalans verharding Bestaande situatie Tuinhuis + verharding
Oppervlakte 80 m2
Totaal verharding bestaande situatie Nieuwe situatie Woning + erfverharding
80 m2 475 m2
Totaal verharding nieuwe situatie
475 m2
Verschil
395 m2
44
Afbeelding 25: Doetseweg 26 Giessenburg met indicatie verharding (rood gearceerd)
Bergstoep 26 Streefkerk Op het plangebied aan de Bergstoep wordt een voormalige verouderde varkensschuur van ca. 1.000 m2 gesaneerd en vinden er verder geen bouw- en/of sloopwerkzaamheden plaats. Hierdoor is er sprake van een afname aan verharding op locatie en zijn watercompenserende maatregelen niet vereist. De te saneren varkensschuur kan na de sloop voor een termijn van 5 jaar als compensatie worden gebruikt voor de minicamping. Indien er een minicamping wordt gerealiseerd moet op dat moment worden bekeken of er watercompensatie benodigd is. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het wetenschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie.
Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor 45
het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. In de directe omgeving van de plangebieden is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In de plangebieden liggen geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Wegbeheer De beide plangebieden worden thans ontsloten middels een enkele in- en uitrit op de openbare wegen Doetseweg en Bergstoep. Deze ontsluitingen blijven in de nieuwe situatie op beide locaties behouden. Conclusie Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse van de plangebieden. Voor het onderhavige plan dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland.
46
4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige objecten en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. De Wgh stelt dat alle wegen een geluidszone hebben, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-wegen. Conform artikel 74 lid 2 van de Wgh hoeft geen akoestisch onderzoek te worden verricht voor 30 km/h wegen. De wettelijke voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige objecten binnen de geluidszone van wegen bedraagt 48 dB, de maximaal te ontheffen geluidsbelasting bedraagt 53 dB. Onderzoek Doetseweg 26 Giessenburg De te realiseren woning is gelegen binnen de invloedssfeer van de Peursumseweg (60 km/h wegen). Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of gezoneerd industrieterrein en kunnen dus buiten beschouwing worden gelaten. In het kader van de Wgh is hier sprake van het toevoegen van een geluidsgevoelig object.
Om de geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai op de nieuwe woning te berekenen is door Voortman Ingenieurs een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai opgesteld. De conclusie uit dit onderzoek luidt: •
•
•
‘De berekende geluidbelasting op de woning ten gevolge van de Peursumseweg ten hoogste 42 dB, inclusief aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt en niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer; De berekende gecumuleerde geluidbelasting (LCUM*) ten gevolge van alle wegen (incl. 30 km/h wegen) ten hoogste 44 dB, inclusief aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; De woning beschikt (alzijdige)over een geluidluwe gevel en buitenruimte, zodat aan het streven uit het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan.
Voor de onderzochte woning hoeft geen hogere waarden te worden vastgesteld.’ Bergstoep 26 Streefkerk Op het plangebied is er enkel sprake van een juridisch-planologische wijziging van de bedrijfswoning naar een burgerwoning. Hiermee is er sprake van een gelijkblijvende situatie wat betreft geluid ten behoeve van de woning. Akoestisch onderzoek is in deze niet noodzakelijk. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft geluidhinder geen belemmeringen.
47
4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit Luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit Luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. Tabel 2: Grenswaarden Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide Jaargemiddelde 40 µg/m3 (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde 40 µg/m3 concentratie 24-uurgemiddelde Max. 35 keer p.j. concentratie meer dan 50 µg/m3 Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde 25 µg/m3 concentratie Voor roet gelden thans nog geen grenswaarden.
Geldig Vanaf 2015 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015
Onderzoek Voor de omgeving van de deelgebieden geeft de NSL-monitoring 2020 het volgende overzicht voor het jaar 2020: Doetseweg 26 Giessenburg • Een stikstofconcentratie van 16,8 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 18,4 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 11,4 µg PM2,5/m3. Bergstoep 26 Giessenburg • Een stikstofconcentratie van 18,6 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 17,9 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 11,0 µg PM2,5/m3. Voor de plangebieden kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: 48
• •
Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
Conclusie Het onderhavige plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
49
4.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader Bij realisering van nieuwe hindergevoelige functies (bedrijf) dient te worden onderzocht of er zich in de omgeving hindergevoelige objecten bevinden die hinder kunnen ondervinden. Uitgangspunt daarbij is dat er ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Voor een goede ruimtelijke ordening wordt in het algemeen gebruik gemaakt van het VNG-Handboek Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009). Deze publicatie is bedoeld voor het ruimtelijk scheiden van bedrijven in relatie tot woningen en omgekeerd, zodat in geen van beide situaties een belemmering voor één van beiden optreedt. In de publicatie staan richtafstanden vermeld voor geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Het is wel aan te bevelen eventuele afwijkingen te benoemen en te motiveren. Onderzoek Doetseweg 26 Giessenburg Aan de Doetseweg voorziet het onderhavige plan in de realisatie van een burgerwoning.
Hiermee is sprake van het toevoegen van een milieugevoelig object. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele beperking van de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven als gevolg van het onderhavige plan. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG handboek bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Ter plaatse van het plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Naast woningen zijn andere functies als agrarische en kleinschalige bedrijvigheid aanwezig. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar worden gerechtvaardigd. De richtafstanden mogen één afstandstrap worden verlaagd. Tevens heeft de gemeente Molenlanden ‘Geurverordening Gemeente Molenlanden 2020’ vastgesteld. Hierin worden de richtafstanden voor ‘geur’ voor een veehouderij tot een geurgevoelig object, in afwijking van artikel 4 lid 1 van de Wet milieubeheer, bijgesteld naar 25 meter buiten de bebouwde kom. In onderstaande tabel en afbeelding is het plangebied ten opzichte van omliggende bedrijven uiteengezet. Tabel 2: Afstanden omliggende bedrijven t.o.v. Doetseweg 26 Giessenburg Adres Functie Richtafstand Afstand tot plangebied Doetseweg 21 Groothandel, maar reeds 30 meter 180 meter wonen (max. cat. 2.0) Doetseweg 34-51 Graanbuurt (max.
cat. 2.0) 30 meter Min. 125 meter Peursumseweg 85-87 Max. cat. 2.0 30 meter 190 meter Peursumseweg 93A Leegstaand (max. cat. 2.0) 30 meter 115 meter Peursumseweg 101 Agrarisch bedrijf 25 meter* 85 meter
50
*Conform geurverordening Molenlanden Agrarisch bedrijf
Graanbuurt
Cat. 2.0
Cat. 2.0
Groothandel Afbeelding 26: Doetseweg 26 Giessenburg t.o.v. omliggende functies
Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden. Gesteld kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat de omliggende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Bergstoep 26 Streefkerk Op het perceel aan de Bergstoep wordt een agrarische bedrijfsbestemming verwijderd en omgezet naar een woonbestemming. Hiermee is er sprake van een aanzienlijke verbetering van het woon- en leefklimaat ter plaatse. De bedrijfswoning wordt juridisch-planologisch omgezet naar een burgerwoning, waardoor er sprake is van een gelijkblijvende situatie voor omliggende bedrijven. Deze bedrijven worden daardoor niet (verder) beperkt middels het onderhavige plan. Middels een binnenplanse afwijking in het bestemmingsplan is het met toestemming van het bevoegd gezag eventueel mogelijk een minicamping te realiseren aan de Bergstoep 26 te Streefkerk. Een van de voorwaarde hierbij is dat omliggende functies hierbij niet negatief worden beïnvloed. Daarom dient de afstand van de eventuele minicamping tot een milieugevoelig object (een woning) minimaal 30 meter (richtafstand geluid (gemengd gebied): 30 meter) te zijn. Gelet op de afstand en het karakter van het erf, kan ruim aan deze richtafstand worden gedaan. Bij de eventuele aanvraag van de minicamping zal hetgeen (nogmaals) worden getoetst.
Conclusie Het onderhavige plan ondervindt op beide locaties voor wat betreft bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen.
51
4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR 10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten bevinden (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.
Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaarten van beide plangebieden bevinden zich in de directe omgeving geen Bevi-inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het plan. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe omgeving van de plangebieden zijn geen voor de externe veiligheid relevante buisleidingen gelegen. Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes In de directe omgeving van de Doetseweg 26 Giessenburg zijn geen spoorwegen en/of voor de beroepsvaart relevante vaarwegen aanwezig. Tevens vindt er in de directe omgeving van het plangebied geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats.
Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te
52
sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten.
Plangebied
Afbeelding 27: Uitsnede risicokaart Zuid-Holland Doetseweg 26 Giessenburg
Plangebied Rivier de Lek
Afbeelding 28: Uitsnede risicokaart Zuid-Holland Bergstoep 26 Streefkerk
Bovenstaande geldt tevens voor het plangebied aan de Bergstoep 26 Streefkerk, enkel is dit plangebied in de nabijheid van de rivier de Lek gelegen. De Lek wordt in het rapport Basisnet Water aangeduid als zwarte vaarweg, waarover frequent vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Doordat het onderhavige plan aan de Bergstoep 53
enkel de sanering van een voormalige varkensschuur en een juridisch-planologische wijziging van een bedrijfs- naar een burgerwoning betreft is er voor het aspect externe veiligheid sprake van een gelijkblijvende situatie. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.
54
4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek Op het plangebied aan de Doetseweg 26 te Giessenburg zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Op het plangebied aan de Bergstoep 26 te Streefkerk loopt over de noordoostelijke perceelsgrens een waterleiding van noordwestelijke naar zuidoostelijke richting. Gezien er op deze locatie enkel een voormalige varkensschuur op ca. 25 meter van de waterleiding wordt gesaneerd heeft het plan geen negatieve effecten voor deze waterleiding. De bijbehorende dubbelbestemming wordt op de locatie van de waterleiding gelegd. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
55
4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het onderhavige plan betreft bouw- en/of sloopwerkzaamheden op beide locaties. Hiermee is op beide locaties sprake van werkzaamheden die in het kader van ecologie bedreigend kunnen zijn voor verblijfplaatsen van beschermde plant- en diersoorten. Om de invloed van de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologisch onderzoek uitgevoerd op beide locaties. De resultaten uit dit onderzoek luiden: Doetseweg 26 Giessenburg ‘Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten.
De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Voor het aanleggen van de nieuwe sloten dienen maatregelen getroffen te worden. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000gebieden geen sprake. Een AERIUS calculatie, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’ toets is niet noodzakelijk. Er worden mogelijk wel karakteristieke landschapselementen weggenomen in de vorm van knotwilgen, welke moeten worden gecompenseerd in de nieuwe situatie. Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels (n het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
56
Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, mits enkele maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen, rugstreeppad en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Doetseweg 26 te Giessenburg uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).’ Bergstoep 26 Streefkerk ‘Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS calculatie, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb.
Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Bergstoep 26 te Streefkerk uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect ecologie geen belemmeringen, mits de maatregelen inzake de Zorgplicht genomen worden.
57
4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Doetseweg 26 Giessenburg Om aan te tonen dat de bodem aan de Doetseweg 26 te Giessenburg geschikt is voor het beoogde gebruik is door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten uit het onderzoek luiden: - ‘De sterk humeuze kleiige bovengrond op het noordelijke terreindeel bevat licht verhoogde gehalten aan koper, kwik, lood en molybdeen. Dit zijn gebruikelijke lichte verhogingen. Vanwege het boomgaardverleden is deze bovengrond extra onderzocht op OCB. Van deze componenten is geen enkele stof verhoogd aangetroffen, ofwel ten tijde van de boomgaard zijn geen bestrijdingsmiddelen gebruikt.
- De sterk humeuze kleiige bovengrond op het zuidelijke terreindeel bevat licht verhoogde gehalten aan kwik, lood en molybdeen; - De venige ondergrond bevat licht verhoogde gehalten aan nikkel, kobalt en molybdeen. Uit eigen ervaring blijkt vaak dat de venige ondergrond verhoogde gehalten bevat voor specifiek deze 3 metalen. De verhogingen hebben geen consequenties voor de bestemming wonen; - De bovengrond bevat een PFOA-gehalte van 7.5 ug/kgds, hetgeen redelijk past binnen de verwachtingskaart van de OZHZ. Dit gehalte vormt geen belemmering voor de bestemming wonen; - Het grondwater uit peilbuis 1 bevat een licht verhoogd bariumgehalte, hetgeen een gangbare, niet relevante verhoging is. Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen bouw van een woning.’ Bergstoep 26 Streefkerk Op het perceel aan de Bergstoep wordt enkel een voormalige varkensschuur gesaneerd, de agrarische bedrijfsbestemming verwijderd en omgezet naar een woonbestemming en tuin/hobbyboer. De bedrijfswoning wordt juridischplanologisch omgezet naar een burgerwoning, en de overige bebouwing blijft in gebruik voor hobbymatige agrarische activiteiten (niet volwaardig).
Gezien de bedrijfswoning reeds vele jaren wordt bewoond en er geen agrarische activiteiten direct rondom de woning zijn en worden uitgevoerd, kan er vanuit worden gegaan dat de kwaliteit van de bodem rondom de woning geen belemmeringen bevat voor het onderhavige plan. Er is nabij de woning sprake van een gelijkblijvende situatie. 58
De gronden achter de woning komen niet in gebruik als directe woonfunctie maar blijven hobbymatig agrarisch in gebruik, waardoor er wat betreft de bodemkwaliteit sprake is van een gelijkblijvende situatie. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen.
59
4.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Doetseweg 26 Giessenburg Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente is te zien dat de Doetseweg 26 Giessenburg is gelegen op gronden met een: • Zeer hoge verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd (paars). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 30 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd (roze). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Hoge verwachting aan of nabij het oppervlak (bruin).
Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Lage verwachting (geel). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 10.000 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. 60
Plangebied
Afbeelding 29: Uitsnede archeologische verwachtingskaart Doetseweg 26 Giessenburg
Voor de ontwikkeling aan de Doetseweg 26 Giessenburg, de realisatie van een woning, is door ADC ArcheoProjecten een bureau- en inventariserend onderzoek uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: •
‘Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? De ondergrond bestaat uit een veenpakket met (kom)kleilagen.
•
Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? De bodemopbouw is grotendeels intact.
•
Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? Het veenpakket en de kleilagen duiden op moerassige omstandigheden. Op grond van het ontbreken van een potentieel bewoningsniveau in de vorm van veraarde veenlagen of een gerijpte kleilaag worden hierin geen archeologische resten verwacht. Ook een (dunne) opgebrachte en /of omgewerkte humeuze kleilaag met daarin aardewerkfragmenten en resten bouwmateriaal die wijst op bewoning in de Late Middeleeuwen of de Nieuwe tijd is niet aanwezig.
•
Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? Deze zijn niet aangetroffen.
61
•
In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? De archeologische verwachting kan worden bijgesteld naar laag.
•
In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? Niet van toepassing.
•
Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Het plangebied is voldoende onderzocht.’
Bergstoep 26 Streefkerk Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente is te zien dat de Bergstoep 26 Streefkerk is gelegen op gronden met een: • Middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd (roze). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Hoge verwachting aan of nabij het oppervlak (bruin). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Lage verwachting (geel). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 10.000 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Te saneren schuur
Afbeelding 30: Uitsnede archeologische verwachtingskaart Bergstoep 26 Streefkerk
De te saneren voormalige varkensschuur is gelegen op gronden met een hoge en lage verwachting. Doordat de ontwikkeling op deze locatie enkel de sanering betreft zijn er geen negatieve gevolgen voor de mogelijk archeologische waarden in de grond.
62
Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft archeologie geen belemmeringen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dienen de uitvoerders van het grondwerk eventuele archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag. Ter bescherming van de archeologische waarden worden de bijhorende dubbelbestemmingen overgenomen uit het moederbestemmingsplan.
63
4.11 Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De initiatiefnemers zijn zicht bewust van de gemeentelijke ambitie. Middels het onderhavige plan, het saneren van een voormalige asbesthoudende varkensschuur en de realisatie van een meer duurzame woning, wordt deze ambitie nagestreefd. Er wordt op een duurzame manier omgegaan met de bebouwde ruimte binnen de gemeente. De nieuwe woning wordt op een goede wijze geïsoleerd en gasloos gebouwd.
64
5
Juridische planbeschrijving
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Doetseweg 26 Giessenburg – Bergstoep 26 Streefkerk’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Doetseweg 26 Giessenburg – Bergstoep 26 Streefkerk’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Doetseweg 26 Giessenburg – Bergstoep 26 Streefkerk’ is aangesloten bij de moederbestemmingsplannen. De regels bestaan uit 4 hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
5.3 Bestemmingen Agrarisch Een deel van het plangebied aan de Bergstoep behoudt de agrarische bestemming ten behoeve van het behoud van het landschap. Bouwmogelijkheden, behoudens erfafscheidingen etc., wordt binnen deze bestemming uitgesloten. Tuin Op beide plangebieden worden ten behoeve van de voor- en achtertuin bij de woning de bestemming ‘tuin’ opgenomen. Wonen Op beide plangebieden wordt de bestemming ‘wonen’ gelegd ten behoeve van de (te realiseren) woning. Leiding – Water Aan de Bergstoep blijft de dubbelbestemming ‘Leiding – Water’ behouden ter bescherming van de waterleiding welke ter plaatse is gelegen.
65
Waarde – Archeologie - 1, 2, 4, 7 & 8 De dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie’ zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in de bodem. Waterstaat – Waterkering Ter bescherming van de waterkeringen op beide locaties wordt ter plaatse van de kernzones de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen.
5.4 Aanduidingen Doetseweg 26 Giessenburg • Bouwvlak; • Gebiedsaanduiding: vrijwaringszone – dijk – 1; Bergstoep 26 Streefkerk • Bouwvlak; • Functieaanduiding: specifieke vorm van wonen - hobbyboer; • Bouwaanduiding: specifieke bouwaanduiding – 1; • Gebiedsaanduiding: vrijwaringszone – dijk – 1; • Gebiedsaanduiding: vrijwaringszone – dijk – 2; • Figuur: hartlijn leiding – water; • Functieaanduiding: specifieke vorm van wonen – minicamping.
66