2 Bestemmingsplan Hoornaar, Lage Giessen 7a Bijlagen bij de toelichting
Tekst van het document
leilinde
n
16.000
zijkant
balkon
s dicht
4.400 16.000
steiger
4.000
steiger du
watertoevoeging 65,12 m2
met he
dera 2,
ramen
P P
34.257
P P P P P P P P P P P P P
kwerk
5m1
steiger
P P P P P P P P P
steiger
fs he bbelstaa
met mel
kglas
7 5.000
6
P
17.726
5
P P
P
0 ca. 6.50
ca.
5.120
P P
Lage G
5.000
24.900
8
iessen
DD. 12-10-2022
Situatie Nieuw schaal 1:500
broed
VAN DEN HEUVEL ONTWIKKELING & BEHEER B.V. T.a.v. dhr. R. de Groot Lekdijk 44 2967 GB Langerak Datum
19 november 2021
Kenmerk
BE/2021/1118/r
Uw kenmerk
Email d.d. 29 oktober 2021
Auteur(s)
ing. L. Pieterman
Collegiale toets
ir. ing. K.J. Rebergen
Quickscan Wet natuurbescherming Lage Giessen 7 te Hoornaar Aan de Lage Giessen 7 te Hoornaar is een gemengd woon/bedrijfsperceel met woning, tuin, vijver, keet en bedrijfspand gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bedrijfspand en keet op de planlocatie te slopen ten behoeve van de realisatie van een vrijstaande woning en in totaal 13 appartementen. Daarnaast zullen 30 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Het bestemmingsplan voorziet niet geheel in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd van Bedrijf naar Wonen. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Tevens is de ligging van het gebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden en beschermde structuren in kaart gebracht en eventuele effecten beoordeeld. Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V.
begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan. Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland, Beschermd grasland in de Bollenstreek, Belangrijke weidevogelgebied en de Groene buffer? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Lage Giessen 7 te Hoornaar (figuur 1). Op de planlocatie is een woning, tuin, vijver, keet en een bedrijfspand aanwezig. De vorengenoemde onderdelen behoudens de woning worden verwijderd ten behoeve van de realisatie van een vrijstaande woning, 13 appartementen en 30 parkeerplaatsen. Hiervoor zal de bebouwing worden gesloopt, bomen/struiken worden gekapt, de vijver worden gedempt en zal nieuw oppervlaktewater aan de Kromme Giessen ten noorden van de planlocatie gerealiseerd worden (zie figuur 3). Het te slopen bedrijfspand bestaat uit twee tegen elkaar gesitueerde delen. Het westelijk deel is opgetrokken uit een gemetselde basis waarop kunststoffen muren en dakbedekking zijn gesitueerd en bestaat uit één bouwlaag. Het oostelijk deel is opgetrokken uit sintelblok, beschikt over een bitumen dakbedekking en bestaat eveneens uit een enkele bouwlaag. Aan de noordzijde van de planlocatie is een gazon met 2 appelbomen en 3 knotwilgen aanwezig en is er verharding welke dient als opslag van verschillend materiaal. Aan het oostelijk deel van de woning is een tuinperceel met vijver en keet aanwezig. De tuin en vijver vertonen een hoog kwaliteitsbeeld. Op de tuin zijn enkele algemene inheemse of aangeplante bomen en struiken aanwezig.
Het zuidelijk deel van de planlocatie bestaat uit een kleine, omheinde weide waarop een zilverabeel en een zwarte els zijn gesitueerd. De zilverabeel blijft staan binnen de beoogde ontwikkeling. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door het omliggend agrarisch gebied en de lintbebouwing van Hoornaar. Aan de noordzijde van de planlocatie stroomt de Kromme Giessen. Aan de overzijde van de rivier is agrarisch cultuurlandschap gelegen. Op een afstand van circa 700 meter ten noordwesten van de planlocatie is een natuurplas genaamd ‘De Donk’ aanwezig.
Figuur 1
2
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Lage Giessen 7 te Hoornaar (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Functieverandering en werkzaamheden De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het slopen van de keet en het bedrijfspand, het dempen van de vijver en de realisatie van nieuw oppervlaktewater ten behoeve van de realisatie van een vrijstaande woning, 13 appartementen en 30 parkeerplaatsen. De functie van het perceel dient te wijzigen van Bedrijf naar Wonen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • • • •
slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; dempen van vijver: graaf- en dempwerkzaamheden; graven van nieuw oppervlaktewater, graafwerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 3
3
Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Van der Padt & Partners Architecten).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 2 november 2021 en is uitgevoerd door ing. L. Pieterman. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 6/8 bewolkt, 9 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie.
Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten.
In de Omgevingsverordening van Provincie Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ree
4
Bastaardkikker
Gewone pad
Rosse woelmuis
Bosmuis
Haas
Veldmuis
Bruine kikker Bunzing Dwergmuis
Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander
Vos Wezel Woelrat
Dwergspitsmuis Egel
Konijn Meerkikker
(b) Gebiedsbescherming (landelijk beleid) Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en de provinciaal beschermde gebieden. Het beschermingsregime van overige op provinciaal niveau beschermde gebieden kan sterk verschillen tussen provincies. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. (b) Gebiedsbescherming (provinciaal beleid) Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuur en ecologische verbindingen, geldt het ‘nee, tenzij’-principe.
Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Mocht een ontwikkeling wel negatieve gevolgen hebben op de bovengenoemde aspecten, is deze ontwikkeling alleen mogelijk als er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarde, oppervlakte, kwaliteit en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Voor dergelijke ontwikkelingen dient tevens een ontheffing voorhanden te zijn. In de provincie Zuid-Holland valt het Natuurnetwerk Nederland onder beschermingscategorie 1. Bescherming van de ruimtelijke kwaliteit Provincie Zuid-Holland heeft gebieden aangewezen met speciale bescherming van de ruimtelijke kwaliteit. Deze bescherming is opgedeeld in beschermingscategorie 1 en beschermingscategorie 2. 1.
Beschermingscategorie 1 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot een wijziging van de bestaande gebiedsidentiteit op structuurniveau, of welke leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 1 betreffen Natuurnetwerk Nederland en Beschermd grasland in de Bollenstreek. 2. Beschermingscategorie 2 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 2 betreffen Belangrijk weidevogelgebied en de Groene buffer.
(c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden.
5
Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2011-2021). De planlocatie betreft een intensief gebruikt terrein en een relatief goed onderhouden tuin. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende, stikstofarme of vochtige groeiplaatsen.
Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Negatieve effecten op beschermde vaatplanten kunnen derhalve uitgesloten worden. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bosmuis, bruine rat, bunzing, dwergmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, waterspitsmuis, wezel en woelrat (NDFF 2011-2021). Voor de waterspitsmuis geldt dat de soort beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De waterspitsmuis leeft in een gebied met schoon, niet te voedselrijk water met een aanzienlijke ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Bodem bedekkende vegetatie is een voorwaarde. Eveneens dienen in de oevers voldoende schuilmogelijkheden aanwezig te zijn. De oevers van de Kromme Giessen aan de noordzijde van de planlocatie zijn beschoeid en er is geen sprake van een geschikte oeverzone voor beschermde muizen.
Wegens het ontbreken van geschikt leefgebied op de planlocatie kan het voorkomen van waterspitsmuis op de planlocatie uitgesloten worden.
6
De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2011-2021). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn alle te kappen bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. De te kappen knotwilgen aan de noordzijde van de planlocatie beschikken over openingen.
Echter zijn de knotwilgen van zeer beperkte hoogte. De openingen in de knotwilgen bevinden zich op een hoogte van circa 1,5 meter. Door deze hoogte is de kans op predatie door katten en marters hoog en is ongeschikt als invliegopening gezien de zeer beperkte hoogte. Het voorkomen van verblijfplaatsen in de te kappen knotwilgen kan derhalve uitgesloten worden. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De te slopen bebouwing op de planlocatie, welke bestaat uit een keet en een bedrijfspand, beschikt niet over spouwmuren of daken welke over voor vleermuizen geschikte ruimten bieden. Het voorkomen van verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen kan derhalve uitgesloten worden.
Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied. De groenstructuren op de planlocatie kunnen door vleermuizen worden gebruikt als foerageergebied. Echter is een ruim aanbod aan vergelijkbaar foerageergebied in de directe omgeving van de planlocatie aanwezig. Derhalve is er geen sprake van essentieel foerageergebied op de planlocatie. Tijdens de beoogde ontwikkeling en in de toekomstige situatie kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang.
Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: heikikker en rugstreeppad.
7
De heikikker is erg kritisch ten aanzien van zijn leefgebied. De drie habitattypen waar de soort gebruik van maakt (ondiep, relatief zuur, zonbeschenen en voedselarm voortplantingswater; vochtige plekken in schraal, ruig gebied zoals heide, hoogveen, laagveen en natuurlijk grasland voor in de actieve periode en vochtvrije plaatsen voor overwintering) dienen op zeer korte afstand tezamen voor te komen. Hierdoor wordt de heikikker vaak waargenomen in kleinschalige afwisselende landschappen welke worden gekenmerkt door schrale, ruige en vochtige omstandigheden. Watersystemen zijn ondiep, voedselarm en enigszins zuur, vaak betreffen dit vennen of moerasgebieden. Het landhabitat waar de heikikker gedurende de actieve periode aanwezig is dient ruig en te allen tijde vochtige te zijn. Veelal betreffen dit vochtige heidelandschappen of vochtig half-natuurlijke graslanden. Overwintering vindt veelal plaats in afgetrapte slootkanten of bosjes. De heikikker is duidelijk een cultuurvliedende soort die nauwelijks wordt aangetroffen in te intensief gebruikt agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing (Creemers & Van Delft, 2009). De te dempen vijver op de planlocatie is omringd met bomen. Door veel bladinval is de vijver verzuurd en niet geschikt als voortplantingswater voor de heikikker.
Daarnaast is er geen watervegetatie aanwezig welke de heikikker kan gebruiken ter afzet van eieren. Derhalve kunnen negatieve effecten op de heikikker uitgesloten worden. De rugstreeppad is een pionierssoort die vooral voorkomt in zandige gebieden met vergraafbare grond. De soort komt derhalve vaak voor op ruig, onbeschaduwd terrein met lage tot geen vegetatie zoals braakliggende bouwterreinen, zandafgravingen en duingebieden. Het voorplantingswater is ondiep en warmt snel op, en bij voorkeur zonder vegetatie en concurrentie van andere amfibieën (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017; Creemers & Van Delft, 2009). Momenteel is er geen geschikt landhabitat voor de rugstreeppad aanwezig wegens het ontbreken van vergraafbare grond, en is de vijver ongeschikt als aquatisch habitat gezien de omringende bomen veel schaduw werpen op de vijver waardoor ei ontwikkeling wordt beperkt. Echter kan geschikt landhabitat voor de rugstreeppad ontstaan tijdens de werkzaamheden (zie bijlage 2). Gezien waarnemingen van de rugstreeppad bekend zijn in de omgeving van de planlocatie (circa 130 m ten zuidoosten van de planlocatie), wordt geadviseerd de planlocatie ontoegankelijk te maken en te houden tijdens de beoogde werkzaamheden (zie Te treffen maatregelen).
Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Indien maatregelen getroffen worden kunnen negatieve effecten op beschermde amfibieën uitgesloten worden. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 20112021). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote modderkruiper (NDFF 20112021). De grote modderkruiper komt voor in kleinere, ondiepe stilstaande of langzaam stromende wateren, zoals sloten, vennen, plassen en oude afgesneden meanders (BIJ12 kennisdocument Grote modderkruiper, 2017).
De waarnemingen van grote modderkruiper zijn bekend uit het agrarisch gebied waarvan de dichtstbijzijnde waarneming afkomstig is op een afstand van circa 1,5 km ten zuiden van de planlocatie. De te dempen vijver is niet aangesloten op een groter waterlichaam. De grote modderkruiper zal derhalve niet alle levensstadia door kunnen lopen in de te dempen vijver. Het talud wat afgegraven moet worden is niet geschikt als leefgebied voor de grote modderkruiper. Negatieve effecten op beschermde vissen kunnen derhalve uitgesloten worden.
8
Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden niet bekend (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: Canadese gans, ekster, grauwe gans, kauw, kokmeeuw, koolmees, spreeuw en wilde eend. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten.
Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De te slopen bebouwing op de planlocatie beschikt niet over een geschikte dakconstructie welke door huismussen kan worden gebruikt als nestlocatie. De woning op de planlocatie, welke behouden blijft binnen de beoogde ontwikkeling, is ontoegankelijk voor huismussen wegens de aanwezigheid van vogelschroot. De beoogde ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen/verstoren van nestlocaties of functioneel leefgebied van huismussen. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Er zijn geen geschikte invliegopeningen of nestmogelijkheden aanwezig in de te slopen bebouwing op de planlocatie. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. De bebouwing op de planlocatie is niet toegankelijk voor uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil). Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden.
Sporadisch foerageeractiviteiten van uilen en roofvogels kunnen niet geheel uitgesloten worden. Echter gezien het ontbreken van waarnemingen (NDFF 2011-2021) en sporen (c.q. prooiresten, braakballen en krijtsporen), kan het voorkomen van functioneel leefgebied van uilen en roofvogels uitgesloten worden. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) Op het naburige perceel van de planlocatie (Lage Giessen 6) is één waarneming van een roepende bosuil bekend (NDFF 2019). De nestlocatie van de soort is gedurende diens broedseizoen beschermd indien er ecologisch zwaarwegende redenen zijn voor de bescherming ervan. Een roepend/baltsende bosuil waarneming indiceert niet altijd een nestlocatie. Binnen de beoogde ontwikkeling worden geen bomen gekapt welke over holtes beschikken die gebruikt kunnen worden door de bosuil. Op de planlocatie zijn geen waarnemingen (NDFF, 2011-2021) bekend of sporen (c.q. braakballen, veren of uitwerpselen) waargenomen. Er wordt derhalve geen nestlocatie of functioneel leefgebied van de bosuil weggenomen binnen de beoogde ontwikkeling.
9
De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken en bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kapwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
10
Beoordeling (b) gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 3,9 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied 7 Diefdijk-Zuid’ (figuur 4).
Figuur 4
De planlocatie ligt op een afstand van circa 3,9 km tot het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’ (bron: nationaal Georegister PDOK).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een vrijstaande woning, 13 appartementen en 30 parkeerplaatsen. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ontwikkeling in de gebruiksfase tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wet nb art. 2.9a). Momenteel is de juridische houdbaarheid van deze partiële vrijstelling onzeker.
Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. Gezien de aard van de beoogde ontwikkeling in relatie tot de afstand tussen de planlocatie en het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’, wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS-Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van Natura 2000-gebieden.
11
Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een beschermd gebied betreffende beschermingscategorie 1 (Natuurnetwerk Nederland en beschermd grasland in de Bollenstreek) of beschermingscategorie 2 (Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer). Op een afstand van circa 1 km vanaf de planlocatie ligt het dichtstbijzijnde gebied behorende tot beschermingscategorie 1 (figuur 5) en op een afstand van circa 25 m ligt het dichtstbijzijnde gebied behorende tot beschermingscategorie 2 (figuur 6). De te kappen knotwilgen behoren niet tot karakteristieke landschapselementen voor de Provincie Zuid-Holland gezien deze zich in een tuin (c.q. erf) bevinden (Beleidsregels Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap ZuidHolland, 2013).
12
Figuur 5
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1 km tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: Ruimtelijkeplannenzuidholland.nl).
Figuur 6
De planlocatie ligt op een afstand van circa 25 m tot een Belangrijk Weidevogelgebied (bron: Ruimtelijkeplannenzuidholland.nl).
Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland, Beschermd grasland in de Bollenstreek, Belangrijke weidevogelgebied en de Groene buffer geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
13
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland, Beschermd grasland in de Bollenstreek, Belangrijke weidevogelgebied en de Groene buffer. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS Calculator. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2
Overzicht van de Soortenbescherming. Soortenbescherming Soortgroep BeschermingsSoortspecifiek regime Wet nb onderzoek Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Vogels (cat. 5)
Tabel 3
Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van Gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Effecten
Nader onderzoek
Natura 2000
3,9 km
Stikstof
AERIUS
Beschermingscategorie 1
1 km
Geen
N.v.t.
Beschermingscategorie 2
25 m
Geen
N.v.t.
Tabel 4
14
Mogelijk functie plangebied
Overzicht van beschermde Houtopstanden.
Houtopstanden
Aanwezig
Kap
Melding
Struiken
Ja
Ja
N.v.t.
Bomen
Ja
Ja
N.v.t.
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van Algemene Zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie Het slopen van het bedrijfspand en de keet, de kap van een aantal bomen en struiken en de realisatie van oppervlaktewater ten behoeve van een vrijstaande woning, 13 appartementen en 30 parkeerplaatsen is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Vervolgstappen Voor de beoogde ontwikkeling dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIU-Calculator. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht).
• Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv.
aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. • De kapwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
15
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Heikikker Rana arvalis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Grote modderkruiper Misgurnus fossilis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, 2013. Beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland 2013. Limpens, H., K.
Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.noord-brabant.maps.arcgis.com www.pzh.maps.arcgis.com www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.ruimtelijkeplannenzuidholland.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
16
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., Ing. L. Pieterman Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Ecologie rugstreeppad
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
17
Bijlage 1 Fotografische impressie
18
Figuur 1
Overzichtsfoto van de planlocatie vanaf de noordoostzijde van het perceel.
Figuur 2
Holtes in de te kappen knotwilgen zijn gezien de zeer beperkte hoogte niet geschikt als invliegopening voor boom bewonende vleermuizen.
19
Figuur 3
De te dempen vijver is ongeschikt als leefgebied voor beschermde vissen en niet vrijgestelde amfibieën.
Figuur 4
De woning, welke behouden blijft binnen de beoogde ontwikkeling, beschikt over vogelschroot waardoor de aanwezigheid van nestlocaties van de huismus in de woning uitgesloten kan worden. Hierdoor zal geen verstoring op nestlocaties van de huismus optreden tijdens de beoogde ontwikkeling.
Bijlage 2 Rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van circa 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (Diepenbeek & Creemers, 2006).
Figuur 1
Links: rugstreeppad adult. Rechts: rugstreeppad larve/metamorfoserend. Bron foto’s: Blom Ecologie B.V. – T.W.D. Schrader
Gedrag De rugstreeppad is een typische pioniersoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een sein voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van aan- of afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017).
20
Habitat en verblijfplaatsen De geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. De voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden. Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en wateren zonder vegetatie, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor de winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locatiespecifiek is.
Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Voorkomen kolonisatie Doordat de rugstreeppad een typische pioniersoort is en een dynamische omgeving met vergraafbare grond prefereert, kan snel spontane kolonisatie van de soort in een braakliggend gebied of bouwterrein ontstaan. Om kolonisatie van rugstreeppad te voorkomen wordt geadviseerd maatregelen te treffen. Deze maatregelen bestaan uit het ongeschikt dan wel ontoegankelijk houden van het plangebied. Indien er sprake is van het ontstaan van mogelijk geschikt voortplantingswater dient het ontoegankelijk maken van een perceel voor de migratie en voortplantingsperiode (aprilseptember) uitgevoerd worden. Het ongeschikt houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat zo min mogelijk vergraafbaar zand gebruikt of opgeslagen wordt binnen het bouwterrein. Bij het bouwrijp maken van het perceel dient het zand direct geëgaliseerd te worden. De aanleg van een zanddepot moet voorkomen worden. In de voorjaarsen zomerperiode zorgen dat er geen kleine poelen ontstaan waar rugstreeppadden eieren kunnen leggen. Diepe rijsporen van machines kunnen al voldoende diep zijn als voortplantingswater voor rugstreeppadden (figuur 2).
Figuur 2
21
Bij hevige regenval kunnen ontstane geulen gevuld worden met water. Deze tijdelijke poelen zijn uitermate geschikt voor de rugstreeppad, waarin eisnoeren afgezet kunnen worden. Het ontstaan van deze geulen dient te allen tijde voorkomen te worden. Bron foto’s: Blom Ecologie B.V. – T.W.D. Schrader.
In de najaar- en winterperiode moet gezorgd worden dat er geen overwintering van rugstreeppadden kan optreden. Voldoende vergraafbaar zand (zanddepot) kan gebruikt worden voor overwintering. Ook stenenstapels, houtstapels of andere vorstvrije structuren (onder een bouwkeet bijvoorbeeld) kunnen gebruikt worden voor overwintering. Dergelijke structuren dienen weggehaald te worden buiten de overwinteringsperiode (september-april) van de soort. Het ontoegankelijk houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat voorzieningen worden geplaatst waardoor rugstreeppadden het plangebied niet kunnen bereiken. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond (figuur 3). De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.
Figuur 3
22
Een incorrect geplaatst amfibiescherm (links). Een correct geplaatst amfibiescherm (rechts). Deze dienen minimaal 10 cm ingegraven te zijn.
Voortoets stikstofdepositie Lage Giessen 7 te Hoornaar
Van den Heuvel Milieuadvies Adres: Postcode + plaats: Telefoon: Email: Website:
Lekdijk 44 2967 GB Langerak 0184-600240 info@vandenheuvelbv.eu www.vandenheuvelbv.eu
Titel document: Referentie: Versie: Datum:
Voortoets stikstofdepositie Lage Giessen 7 te Hoornaar 19130 1.1 14 maart 2022
AERIUS kenmerk:
RSwPUU6xS1Qv
Pagina 2 van 12
Inhoudsopgave 1. Inleiding ................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ...................................................................................................................................... 4 1.2 Plangebied ..................................................................................................................................... 4 1.3 Nieuwe situatie.............................................................................................................................. 5 1.4 Ligging plangebied in relatie tot stikstofgevoelige habitats .......................................................... 6 2. Beleidskader............................................................................................................................. 7 2.1 Wet natuurbescherming ............................................................................................................... 7 2.2 Besluit natuurbescherming ........................................................................................................... 7 2.3 Regeling natuurbescherming ........................................................................................................
7 2.4 Wet stikstofreductie en natuurverbetering .................................................................................. 7 3. Uitgangspunten ........................................................................................................................ 8 3.1 Aanlegfase ..................................................................................................................................... 8 3.2 Gebruiksfase .................................................................................................................................. 8 4. Emissiebepaling ........................................................................................................................ 9 4.1 Bestaande woning ......................................................................................................................... 9 4.2 Nieuwe woningen.......................................................................................................................... 9 4.3 Af- en aanrijdend verkeer.............................................................................................................. 9 4.4 Gebouwinvloed ............................................................................................................................. 9 5.
Rekenresultaat en conclusie.................................................................................................... 11
Bijlage – AERIUS-export .............................................................................................................. 12
Pagina 3 van 12
1. Inleiding 1.1 Aanleiding Op het perceel Lage Giessen 7 te Hoornaar is jarenlang een aannemersbedrijf gevestigd. Deze activiteiten zijn beëindigd en de initiatiefnemer is voornemens om het perceel te herontwikkelen ten behoeve van woningbouw. Het overgrote deel van de bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Op het perceel worden 13 appartementen en een vrijstaande woning gerealiseerd. De bestaande woning blijft behouden. Om de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden vanwege deze ontwikkeling te berekenen is Van den Heuvel Milieuadvies gevraagd een stikstofdepositieonderzoek op te stellen.
1.2 Plangebied Het plangebied betreft het perceel Lage Giessen 7 te Hoornaar. Het plangebied is gelegen binnen de kern van Hoornaar en is kadastraal bekend gemeente Hoornaar, sectie B, nummers 86 en 738. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Kromme Giessen en aan de zuidzijde door de openbare weg Lage Giessen. Het naastgelegen woonperceel Lage Giessen 6 zorgt voor de oostelijke begrenzing van het plangebied en het perceel Lage Giessen 8 voor de westelijke begrenzing.
Afbeelding 1: Begrenzing plangebied
Pagina 4 van 12
1.3 Nieuwe situatie In de nieuwe situatie is de bestaande woning en het bedrijfsgebouw (voormalig kantoor) daarachter behouden. Alle overige gebouwen zijn gesloopt. Het voormalig kantoor achter de bestaande woning heeft een nieuwe invulling gekregen in de vorm van 3 appartementen. Deze 3 appartementen worden verhuurd. Verder zijn op het perceel een appartementencomplex met 10 wooneenheden en één vrijstaande woning aan de Lage Giessen gebouwd. Deze 10 appartementen worden verkocht. Tenslotte wordt de rest van het perceel ingericht ten behoeve van groen, infrastructuur en parkeren.
Afbeelding 2: Schets nieuwe situatie
Pagina 5 van 12
1.4 Ligging plangebied in relatie tot stikstofgevoelige habitats Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitat is gelegen binnen het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’ en is gelegen op een afstand van circa 4,0 kilometer tot het plangebied. Op grotere afstand zijn stikstofgevoelige habitats gelegen binnen de Natura 2000-gebieden ‘Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem’, ‘Uiterwaarden Lek’, ‘Zouweboezem’ en ‘Biesbosch’. Er zijn geen stikstofgevoelige habitats in het Natura 2000-gebieden ‘Donkse Laagten’ aanwezig. Tabel 1: Stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden Gebieds- Natura 2000-gebied Circa afstand stikstofgevoelige habitats nummer tot plangebied 70 Lingegebied & Diefdijk-Zuid 4,0 kilometer 71 Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem 8,4 kilometer 82 Uiterwaarden Lek 7,5 kilometer 105 Zouweboezem 8,6 kilometer 107 Donkse Laagten Geen stikstofgevoelige habitats aanwezig 112 Biesbosch 7,9 kilometer
7,5 km 8,6 km
4,0 km
8,4 km 7,9 km
Afbeelding 3: Afstand plangebied tot stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden
Pagina 6 van 12
2. Beleidskader 2.1 Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in het onderdeel ‘gebiedsbescherming’. Bij significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden geldt een ontheffingsplicht. Uit een passende beoordeling dient te blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan voordat een ontheffing op basis van de Wnb verleend kan worden.
2.2 Besluit natuurbescherming In titel 2 van het Besluit natuurbescherming (Bnb) is de Programmatische aanpak stikstof opgenomen. Daarin is aangegeven dat er een programma aanpak stikstof wordt vastgesteld met welke doelstellingen, hoe de vaststelling plaatsvindt, voor hoe lang en door wie. PAS-partijen stellen voor 6 jaar een programma vast. De gebiedsanalyses die per Natura 2000-gebied worden opgesteld zijn een verplicht onderdeel van het PAS. Deze maken ook onderdeel uit van de passende beoordeling van het programma. Deze zijn nodig om aan Europeesrechtelijke verplichtingen van de Habitatrichtlijn te voldoen. In het Bnb is in artikel 2.12 de hoogte van de zogenoemde grenswaarde vastgesteld op twee verschillende manieren. De eerste waarde betreft een generieke waarde van depositie op een habitat van 1,00 mol per hectare per jaar. Deze waarde wordt voor een Natura 2000-gebied van rechtswege verlaagd naar 0,05 mol per hectare per jaar op het moment dat blijkt dat nog maar 5% van de hoeveelheid depositieruimte resteert die voor dit Natura 2000-gebied hiervoor is vastgesteld. De tweede waarde is van toepassing voor infrastructurele activiteiten en betreft een afstand in kilometers. Afhankelijk van de type activiteit waarbij het hier om gaat, is de afstand 3 of 5 km.
Deze grenswaarde voor infrastructurele activiteiten is beperkt tot de activiteiten die zijn opgenomen op de prioritaire lijst. Indien de grenswaarden door een activiteit niet worden overschreden, dan valt deze activiteit onder de uitzondering van de vergunningplicht.
2.3 Regeling natuurbescherming In de Wnb en Bnb is bepaald dat een aantal zaken nader bij ministeriële regeling wordt uitgewerkt en vastgesteld, zoals dat de AERIUS Calculator gebruikt dient te worden als rekenmodel voor de bepaling van de depositie en de vrijstelling van beweiden en bemesten welke in provinciale verordeningen is vastgelegd.
2.4 Wet stikstofreductie en natuurverbetering Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Door deze wet zijn er artikels toegevoegd aan de Wnb. In de toegevoegde artikels zijn de doelstellingen opgenomen met betrekking tot de reductie van de stikstofdepositie. Om de doelen te realiseren worden maatregelen genomen welke worden opgenomen in het programma stikstofreductie en natuurverbetering. Deze wet voorziet hierin. Daarnaast is de partiële vrijstelling van de Natura 2000vergunningplicht voor activiteiten in de bouwsector toegevoegd. Dit betekent onder andere dat de tijdelijke gevolgen van de door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden buiten beschouwing worden gelaten bij de Wnb-vergunning. Deze vrijstelling geldt alleen voor de aanlegfase, niet voor de gebruiksfase. Bouw-, sloop- en aanlegwerkzaamheden tijdens de aanlegfase hoeven daardoor niet meer beoordeeld te worden op het aspect stikstofdepositie.