1. Bestemmingsplan Ruimte voor ruimte Ottoland en Bleskensgraaf - Toelichting
Tekst van het document
Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd door Voortman Ingenieurs. De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat: • De berekende geluidbelasting ten gevolge van de N481, Heulenslag en Oosteinde ten hoogste respectievelijk 48, 41 en 39 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelastingen zijn niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer; • De berekende gecumuleerde geluidbelasting (LCUM*) ten gevolge van alle wegen ten hoogste 48 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; • De woning beschikt alzijdig over een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte waarmee aan het streven uit het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.
69
4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit Luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit Luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. Tabel 7: Grenswaarden Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide Jaargemiddelde 40 µg/m3 (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde 40 µg/m3 concentratie 24-uurgemiddelde Max. 35 keer p.j. concentratie meer dan 50 µg/m3 Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde 25 µg/m3 concentratie Voor roet gelden thans nog geen grenswaarden.
Geldig Vanaf 2015 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015
Onderzoek Voor de omgeving van de deelgebieden geeft de NSL-monitoring 2020 het volgende overzicht: A 100 te Ottoland • Een stikstofconcentratie van 15,8 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 17,9 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 11,1 µg PM2,5/m3. Polderweg 2 te Ottoland • Een stikstofconcentratie van 15,7 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 17,8 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 11,1 µg PM2,5/m3. Tegenover Heulenslag 77 te Heulenslag • Een stikstofconcentratie van 20,9 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 18,4 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 11,3 µg PM2,5/m3. Voor de deelgebieden kan worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan.
70
Besluit Niet In Betekenende Mate Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het plan valt binnen het Besluit NIMB, waarvoor gesteld kan worden dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Conclusie Het onderhavige plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht.
Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
71
4.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader Bij realisering van nieuwe hindergevoelige functies (bedrijf) dient te worden onderzocht of er zich in de omgeving hindergevoelige objecten bevinden die hinder kunnen ondervinden. Uitgangspunt daarbij is dat er ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Voor een goede ruimtelijke ordening wordt in het algemeen gebruik gemaakt van het VNG-Handboek Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009). Deze publicatie is bedoeld voor het ruimtelijk scheiden van bedrijven in relatie tot woningen en omgekeerd, zodat in geen van beide situaties een belemmering voor één van beiden optreedt. In de publicatie staan richtafstanden vermeld voor geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Het is wel aan te bevelen eventuele afwijkingen te benoemen en te motiveren.
Conform het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) valt onder een gemengd gebied ‘een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd’. Gezien de ligging van de locaties aan het lint in het buitengebied en het feit dat direct naast (burger)woningen volwaardige (agrarische) bedrijven voorkomen kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een ‘gemengd gebied’. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar worden gerechtvaardigd. De richtafstanden voor de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied mogen bij alle drie de locaties met één afstandstrap worden verlaagd. De voormalige gemeente Molenwaard heeft voor agrarische bedrijven in relatie tot omliggende geurgevoelige objecten (zoals woningen) de ‘Geurverordening 2013 gemeente Molenwaard’ vastgesteld. Dit beleid is nog altijd van kracht in de nieuwe gemeente Molenlanden. In dit beleid is geregeld dat de richtafstand voor geur gereduceerd kan worden naar 25 meter voor veehouderijen in het buitengebied. Onderzoek A 100 te Ottoland Op het perceel wordt een woning gerealiseerd. Hierdoor is sprake van het toevoegen van een milieugevoelig object.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden of de nieuwe woning geen belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009).
72
In de directe omgeving van het perceel A 100 zijn de volgende voor het aspect bedrijven- en milieuzonering relevante bedrijven gelegen. Tabel 8: Omliggende relevante bedrijven Adres Functie Milieucat. Zwaarste richtafstand A 118 Agrarisch bedrijf 3.2 50 meter A 112 Loodgietersbedrijf 2 10 meter A 117 Kinderboerderij 2 10 meter A 103 Agrarisch bedrijf 3.2 25 meter A 93 Kampeerterrein 3.1 30 meter A 89 Schaapskooi * 2 10 meter A 81 Agrarisch bedrijf 3.2 25 meter A 88 Reparatiebedrijf 1 0 meter A 94 Kerkgebouw 1 0 meter
Werkelijke afstand 174 meter 155 meter 96 meter 33 meter 53 meter 111 meter 151 meter 157 meter 83 meter
* Voor een schaapskooi is geen aparte SBI-code opgenomen in het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Op het perceel vindt het houden van 500 schapen in de winterperiode (december tot en met maart) in de schapenkooi plaats. Buiten de winterperiode grazen de schapen elders in een weiland. Verder vinden er activiteiten plaats in de vorm van een bezoekerscentrum voor streekinformatie, cursussen en workshops en zijn er tevens wandelvoorzieningen. Mede gezien de recreatieve bestemming in het vigerend bestemmingsplan op het perceel A 89 te Ottoland, kan gesteld worden dat het bedrijf valt onder milieucategorie 2, waarvoor een zwaarste richtafstand geldt van 10 meter in gemengd gebied. Echter, gezien de bijzondere bedrijfssituatie waarbij 500 schapen worden gehouden, is in het onderhavige plan een minimale afstand van minimaal 30 meter aangehouden tussen de schapenstal en de gevel van de nieuwe woningen, waarmee het plan tevens voldoet aan de richtafstanden uit het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) wanneer voor wat betreft de schaapskooi wordt uitgegaan van de functie ‘fokken en houden van graasdieren: overige graasdieren’ (SBI-2008 0145). Hiervoor geldt namelijk een zwaarste richtafstand in gemengd gebied van 30 meter voor geur.
A 117: 96 m
A 81: 103 m
A 93: 103 m
A 89: 111 m
A 81: 151 m
A 88: 157 m
A 112: 155 m
A 94: 83 m A 118: 174 m
Afbeelding 37: Afstanden bedrijven t.o.v. deelgebied A 100
73
Het perceel A 100 te Ottoland is gelegen op voldoende afstand ten opzichte van omliggende bedrijven. Gesteld kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat omliggende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Polderweg 2 te Ottoland Aan de Polderweg 2 wordt het bedrijfsterrein uitgebreid (zonder bebouwing). Hierdoor is sprake van het uitbreiden van een milieubelastende functie. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden of het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende milieugevoelige objecten (zoals woningen) niet (verder) wordt aangetast. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Het terrein wordt uitgebreid ten behoeve van een transportbedrijf. Deze bedrijfscategorie is in het VNG Handboek bedrijven en milieuhinder opgenomen onder milieucategorie 3.1, waarvoor een zwaarste richtafstand geldt van 30 meter in gemengd gebied. In de directe omgeving van het perceel Polderweg 2 zijn de volgende voor het aspect bedrijven- en milieuzonering relevante milieugevoelige objecten gelegen. Tabel 9: Omliggende milieugevoelige objecten Adres Functie Afstand tot bouwvlak A 26 Burgerwoning 103 meter A 32 Burgerwoning 54 meter A 34 Burgerwoning 55 meter A 26: 103 m A 32: 54 m
A 34: 55 m Indicatie uit te breiden bedrijfsbestemming
Afbeelding 38: Afstanden milieugevoelige objecten t.o.v. deelgebied Polderweg 2
74
De uitbreiding van het bedrijfsterrein is gelegen op voldoende afstand ten opzichte van omliggende milieugevoelige objecten. Gesteld kan worden dat de uitbreiding het woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen niet wordt aangetast. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is echter een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. De conclusie van dit onderzoek luidt: ‘Op basis van voorliggend onderzoek wordt geconcludeerd dat: Langtijd gemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT): • De etmaalwaarde van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door activiteiten op het terrein van de inrichting ter plaatse van beoordelingspunt 2 (woning A 32) ten hoogste 45 dB(A) bedraagt; • De normstelling van 50 dB(A) etmaalwaarde niet overschreden.
Maximaal geluidniveau (LAmax): • Het maximale geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door activiteiten op het terrein van de inrichting in de maatgevende nachtperiode ter plaatse van beoordelingspunt 2 (woning A 32) ten hoogste 57 dB(A) bedraagt ten gevolge van vertrekkende vrachtauto’s tussen 05.00 en 07.00; • De normstelling van 60 dB(A) in de nachtperiode wordt niet overschreden; • De maximale geluidniveaus zijn in de periode tussen 07.00 en 19.00 niet van toepassing op laad- en los (en aanverwante) activiteiten en worden in de dagperiode niet getoetst aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit.’ Indirecte hinder • Ten aanzien van indirecte hinder (als gevolg van de verkeersbewegingen van en naar de inrichting op de openbare weg) bedraagt de hoogst berekende etmaalwaarde van het equivalente geluidniveau door inrichtingsgebonden verkeer 55 dB(A) ter plaatse van beoordelingspunt 12 (woning A 24); • De voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) voor wegverkeerslawaai wordt met 5 dB(A) overschreden maar de maximale ontheffingswaarde van 65 dB(A) niet; • Uitgaand van een geluidwering van de gevel van 20 dB bedraagt het binnenniveau in een verblijfsruimte van de woning ten hoogste 35 dB(A) en is het binnenniveau analoog aan het Activiteitenbesluit gewaarborgd.’ Gesteld kan worden dat de bedrijfsterreinuitbreiding van het bedrijf aan de Polderweg 2 met betrekking tot geluid voldoet aan de
normstelling en grenswaarden. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling niet voorziet in de aantasting van het woon- en leefklimaat op omliggende milieugevoelige objecten. Ten aanzien van de equivalente geluidniveaus vanwege indirecte hinder die hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde, worden maatwerkvoorschriften opgenomen in de vergunning van het transportbedrijf. Tegenover Heulenslag 77 te Bleskensgraaf Op het perceel wordt een woning gerealiseerd. Hierdoor is sprake van het toevoegen van een milieugevoelig object. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden of de nieuwe woning geen belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009).
75
In de directe omgeving van het perceel tegenover Heulenslag 77 zijn de volgende voor het aspect bedrijven- en milieuzonering relevante bedrijven gelegen. Tabel 10: Omliggende relevante bedrijven Adres Functie Milieucat. Zwaarste richtafstand Abbekesdoel Reclamebebordingsbedrijf 3.2 50 meter 88 Oosteinde 6 Café/restaurant 1 0 meter Zijdeweg 1 Agrarisch bedrijf 3.2 25 meter
Werkelijke afstand 126 meter 136 meter 198 meter
Zijdeweg 1: 198 m
Abbekesdoel 88: 126 meter Oosteinde 6: 136 m Afbeelding 39: Afstanden bedrijven t.o.v. deelgebied tegenover Heulenslag 77
Het perceel tegenover Heulenslag 77 te Bleskensgraaf is gelegen op voldoende afstand ten opzichte van omliggende bedrijven. Gesteld kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat omliggende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.
76
4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij de invloed van de externe veiligheid wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico’s door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico’s door stationaire (inrichtingsgebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico’s door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de wet milieubeheer. Naast het plaatsgebonden risico wordt ook gekeken naar het groepsrisico. De normen worden weergegeven door middel van risicocontouren. Onderzoek Invloed van stationaire bronnen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken en LPG-tankstations. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij huizen, ziekenhuizen, scholen of winkels.
Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Het besluit is, op enkele onderdelen na, op 27 oktober 2004 in werking getreden. Nieuwe kwetsbare objecten mogen niet worden gerealiseerd in gebieden waar sprake is van een plaatsgebonden risico van meer dan 10-6 per jaar. Voor het PR geldt als norm dat dit kleiner dan 10-6 per jaar moet zijn. De kans per jaar dat één persoon, die op een bepaalde plaats verblijft, komt te overlijden door een ongeval van het vervoer van gevaarlijke stoffen moet kleiner zijn dan 1 op 1 miljoen. Ook het vaststellen van een bestemmingsplan geldt als een nieuwe situatie, waarbij voldaan moet worden aan de eisen uit het Bevi. Concreet betekent dit dat kwetsbare objecten binnen de 10-6 per jaar contour niet zijn toegestaan. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden toegestaan. Wanneer zich binnen de 10-6 per jaar contour kwetsbare objecten kan een bestemmingsplan worden vastgesteld mits er zodanige voorschriften aan het besluit zijn verbonden dan wel er een traject van wijziging van de milieuvergunning is ingezet, zodat binnen 3 jaar na vaststelling van het besluit voldaan wordt aan de grenswaarde (artikel 8 lid 3 Bevi).
Wel dient in de tussentijd voldaan te worden aan de grenswaarde van 10-5 per jaar. Naast Bevi-inrichtingen zijn er ook inrichting die niet onder het Bevi vallen, maar waar wel opslag van risicovolle stoffen plaatsvindt. Regulering van de risico- aspecten die samenhangen met de opslag van deze stoffen vindt plaats middels het Activiteitenbesluit dan wel de WM vergunning. Een belangrijke richtlijn voor opslag en gebruik vormen de zogenaamde PGS richtlijnen. De PGS richtlijnen beschrijven de eisen voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu kan worden bereikt. 77
Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van de drie deelgebieden geen inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvinden en/of inrichtingen waar werkzaamheden met gevaarlijke stoffen plaatsvinden die een bedreiging kunnen vormen voor het onderhavige plan.
Afbeelding 40: Uitsnede Risicokaart A 100 te Ottoland
Afbeelding 41: Uitsnede Risicokaart Polderweg 2 te Ottoland
78
A-518-06: 142 m
A-553: 145 m
A-803: 169 m
Afbeelding 42: Uitsnede Risicokaart tegenover Heulenslag 77 te Bleskensgraaf
Invloed transport gevaarlijke stoffen – transportroutes Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Wegverkeer In de directe omgeving van de deelgebieden vinden geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Spoorverkeer In de directe omgeving van de deelgebieden zijn geen spoorwegen aanwezig. Vaarwegen In de directe omgeving van de deelgebieden zijn geen voor de beroepsvaart relevante vaarwegen aanwezig. Invloed transport gevaarlijke stoffen – buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden.
Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. De deelgebieden in Ottoland zijn niet gelegen in de directe omgeving van de voor het aspect externe veiligheid relevante buisleidingen. Het deelgebied tegenover
79
Heulenslag 77 te Bleskensgraaf is gelegen binnen de inventarisatieafstand van de gasbuisleidingen A-518-06, A-553 en A-803. Tabel 11: Gegevens nabijgelegen buisleidingen Leidingnummer A-518-06 A-553 Eigenaar Gasunie Gasunie Diameter 30 inch 37 inch Druk 66 bar 66 bar 100% letaliteitsafstand 140 m 170 m 1% letaliteitsafstand 380 450 1% eerstegraads 590 700 brandwondenafstand House Burning 176 m 205 m Distance (HBD)
A-803 Gasunie 48 inch 80 bar 220 m 620 m 980 m 277 m
House Burning Distance (HBD) De woning ligt binnen de HBD van alle drie de leidingen. Binnen de HBD zal een huis in brand raken. Het kan dus nodig zijn om binnen dit gebied bouwkundige maatregelen te treffen die ervoor zorgen dat personen binnenshuis toch beschermd worden tegen brand en warmtestraling. Echter liggen de leidingen minimaal 3,5 tot 4 meter verdiept, waardoor de kans op een incident klein is. Artikel 11 Bevb: plaatsgebonden risico Conform artikel 11 van het Bevb mogen kwetsbare objecten niet binnen de norm voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6) van een aangelegde of geprojecteerde buisleiding toegelaten worden. Het plaatsgebonden risico is in dit geval een grenswaarde. Verder moet rekening worden gehouden met de invloed van risico verhogende objecten in de directe omgeving van de buisleidingen. Het deelgebied in Bleskensgraaf is op een afstand van circa 142 meter gelegen van de dichtstbijzijnde leiding. De drie leidingen geen PR 10-6/jaar contour, waardoor wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. De afstand van de beoogde woning is gelegen binnen de 100% letaliteitsafstand van de drie buisleidingen.
Conform de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) dient voor zowel buisleidingen met een werkdruk van 66 bar als 80 bar een belemmeringenstrook van tenminste 5 meter te worden aangehouden waarbinnen geen bouwwerken worden opgericht en een vergunningstelsel geldt voor graafwerkzaamheden. Het deelgebied ligt ruim buiten de aan te houden belemmeringenstrook waarbinnen geen activiteiten mogen plaatsvinden die de buisleiding kunnen beschadigen. Artikel 12 Bevb: groepsrisico In artikel 12 van het Bevb is geregeld dat een plan dient te worden voorzien van een verantwoording over het groepsrisico in het invloedsgebied van de buisleidingen. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kans per jaar, dat ten minste tien of meer personen komen te overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een buisleiding, bij een ongeval aan deze buisleiding. Het groepsrisico is daarmee een maat voor maatschappelijke ontwrichting (ramp) bij 80
ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aanwezigen binnen het invloedsgebied van een risico dragen bij aan het groepsrisico. Het deelgebied in Bleskensgraaf is gelegen in een woonlint in het buitengebied. De populatie in de omgeving van dit plangebied is laag. Met het toevoegen van één woning zal de populatie in de omgeving nog steeds laag blijven. Daardoor is het zeer aannemelijk dat het groepsrisico ter plaatse van het deelgebied met weinig populatie iets toeneemt, maar lager is en blijft dan een factor 1.000 lager dan de oriëntatiewaarde. Omdat het groepsrisico lager is dan 10% van de oriëntatiewaarde, moet de gemeente nog steeds het groepsrisico verantwoorden, maar kan met een ‘beperkte verantwoording’ worden volstaan. Verantwoording groepsrisico Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om één woning te realiseren binnen het invloedsgebied van drie buisleidingen. Omdat de buisleidingen alle drie geen PR 10-6-contour hebben, wordt voldaan aan het plaatsgebonden risico. Bovendien wordt de woning niet gerealiseerd binnen een belemmeringenstrook van de buisleidingen. In alle redelijkheid kan verwacht worden dat het groepsrisico voor alle drie de buisleidingen kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde is. Daarom hoeft de gemeente geen maatregelen of alternatieven te overwegen .Wel dient ingegaan te worden op bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.
Het scenario dat het externe risico veroorzaakt betreft een fakkelbrand. Het scenarioboek externe veiligheid geeft de volgende opties voor bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid: Bestrijdbaarheid: • Redden en verlenen van eerste hulp aan slachtoffers. • Bepalen van het bron- en effectgebied. • De situatie stabiliseren door middel van het afschermen van de omgeving en uitbreiding voorkomen. • Ontstane branden in de omgeving blussen. • Veiligstellen van het bron- en effectgebied. De planwijziging heeft geen effect op de bestrijdbaarheid met uitzondering dat het huishouden in de nieuwe woning in het gebied kunnen zijn. Zelfredzaamheid: • Schuilen in een gebouw achter een muur. • Vluchten uit het zicht van de fakkel onder dekking van constructies zoals muren. Het schuilen is alleen mogelijk buiten de eerste ring (220 meter). Daarbinnen is de warmte zodanig dat ook binnen schuilen onvoldoende is. Dit geldt niet alleen voor het voorgenomen pand, maar ook voor 20 bestaande panden die binnen de 100% letaliteitsafstand staan. Specifieke maatregelen van deze ene woning lijken daarmee
81
disproportioneel. Vanwege de landelijke inrichting van de omgeving zijn er bovendien weinig gebouwen om achter te schuilen bij het vluchten. De meeste risico’s met betrekking tot buisleidingen ontstaan echter bij graafwerkzaamheden en werken aan de buisleiding zelf. De externe risico’s zouden daardoor sterk kunnen worden gereduceerd met de maatregel om in geval van graaf- of onderhoudswerkzaamheden het gebied binnen 220 meter te evacueren. De kans dat in andere gevallen een fakkelscenario optreedt, is zodanig klein dat maatregelen niet nodig worden geacht. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
82
4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In de deelgebieden of de directe omgeving daarvan zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen of straalpaden gelegen. Op enige afstand van het perceel tegenover Heulenslag 77 zijn twee bovengrondse hoogspanningslijn (380 kV) gelegen, namelijk lijn Krimpen – Geertruidenberg (3) ten noorden van de locatie en Crayestein – Krimpen ten westen van de locatie aan de Heulenslag.
704 meter
1220 meter
Afbeelding 43: Uitsnede Netkaart
De sterkte van het magnetische veld in de buurt van een hoogspanningslijn hangt af van de stroom door de draden, de afstand tot de draden en de fasevolgorde van de draden. De magnetische veldsterkte wordt uitgedrukt in tesla of microtesla (één miljoenste deel van een tesla). Het voormalige ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft geadviseerd om in situaties waarin kinderen langdurig worden blootgesteld aan een veldsterkte die (jaargemiddeld) hoger is dan 0,4 microtesla te voorkomen. Op basis hiervan is door het 83
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) indicatieve magneetveldzones bij bovengrondse hoogspanningslijnen opgenomen in de Netkaart. De indicatieve magneetveldzone geeft de zone weer waar het jaargemiddelde magnetische veld hoger dan 0,4 microtesla is of in de toekomst kan worden. Voor de bovengrondse hoogspanningslijn Krimpen – Geertruidenberg (3) geldt een indicatieve magneetveldzone van 110 meter aan weerszijde van de hoogspanningslijn en voor de hoogspanningslijn Crayestein – Krimpen een indicatieve magneetveldzone van 150 meter aan weerszijde, gerekend over de grond vanuit het hart van de hoogspanningslijn. Het perceel tegenover Heulenslag 77 is gelegen op een afstand van respectievelijk 704 en 1.220 meter vanuit het hart van de hoogspanningslijn, waarmee gesteld kan worden dat het deelgebied in Bleskensgraaf ruim buiten de indicatieve magneetveldzone van de hoogspanningslijnen is gelegen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
84
4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek A 100 te Ottoland Aan de A 100 wordt een burgerwoning gerealiseerd. Met de bouw van een nieuwe woning is sprake van werkzaamheden die in het kader van ecologie bedreigend kunnen zijn voor verblijfplaatsen van beschermde plant- en diersoorten. Om de invloed van de geplande werkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. De conclusies uit dit rapport luiden: ‘Soortenbescherming De woning op de planlocatie kan mogelijk dienen als verblijfplaats voor vleermuizen.
Indien de nieuwe woning inpandig zal worden gerealiseerd, dient voorafgaand aan de werkzaamheden aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd naar de aan- of afwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen op de planlocatie. Om effecten op rugstreeppad te voorkomen dienen enkele maatregelen te worden getroffen. De beoogde ontwikkeling van een burgerwoning op het perceel aan de A100 te Ottoland leidt, mits de juiste maatregelen worden getroffen ten aanzien van rugstreeppad, de algemene zorgplicht, vleermuizen en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet Natuurbescherming. Te treffen maatregelen: • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht); • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige; • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen.
Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten; • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden; • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de 85
•
•
•
periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes); Gedurende de werkzaamheden dient het terrein ongeschikt of ontoegankelijk gehouden te worden voor rugstreeppad. Belangrijk is dat er geen vergraafbaar zand en ondiepe plassen binnen het plangebied aanwezig zijn. Op plaatsen waar rugstreeppadden het plangebied kunnen betreden, kunnen schermen worden geplaatst van stevig plastic of worteldoek van minimaal 50 cm hoog en minimaal 10 cm ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie te allen tijde kunnen vervullen; De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden; Indien de nieuwe woning inpandig zal worden gerealiseerd, dient ten aanzien van vleermuizen aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de aan- of afwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen ervan op de planlocatie.
Dit kan middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode van 15 mei t/m 1 oktober conform het vleermuisprotocol (www.vleermuisprotocol.nl.).
Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 5,7 km ligt het Natura 2000-gebied Donkse Laagten. De planlocatie ligt op een afstand van circa 500 m ten zuiden en 560 m ten oosten van het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 8,9 km ten westen van het plangebied bevindt zich een strategisch gereserveerd natuurgebied. Op een afstand van 290 m ten zuiden van de planlocatie ligt een Belangrijk weidevogelgebied.
86
Afbeelding 44: Afstand deelgebied A 100 t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Afbeelding 45: Afstand deelgebied A 100 t.o.v. Natura2000-gebieden
De beoogde ontwikkeling betreft de toevoeging van één extra woning, wat leidt tot een zeer beperkte verkeerstoename. De sloop- en bouwwerkzaamheden zullen waarschijnlijk leiden tot een tijdelijke toename in stikstofemissie (projecteffect). Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Echter leert de ervaring dat bij soortgelijke en grotere projecten en de afstand tot kwetsbare habitats er geen significante toename van de stikstofdepositie binnen omliggende Natura 2000-gebieden wordt verwacht. Voor de overige effecten 87
(trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is.’ Polderweg 2 te Ottoland Het bedrijfsterrein van het transportterrein op de locatie Polderweg 2 te Ottoland wordt richting het zuiden uitgebreid, waar thans sprake is van weiland. Met de aanleg van verharding is sprake van werkzaamheden die in het kader van ecologie bedreigend kunnen zijn voor verblijfplaatsen van beschermde plant- en diersoorten. Om de invloed van de geplande werkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. De conclusies uit dit rapport luiden: ‘Soortenbescherming Het grasperceel heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Er is geen aanvullend onderzoek nodig. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. De beoogde verharding van het perceel aan de Polderweg 2 te Ottoland leidt, mits de juiste maatregelen worden getroffen ten aanzien van beschermde amfibieën, de algemene zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet Natuurbescherming.
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). • Gedurende de werkzaamheden dient het terrein ongeschikt of ontoegankelijk gehouden te worden voor rugstreeppad. Belangrijk is dat er geen vergraafbaar zand en ondiepe plassen binnen het plangebied aanwezig zijn.
Er kunnen schermen worden geplaatst van stevig plastic of worteldoek van minimaal 50 cm hoog en minimaal 10 cm ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie te allen tijde kunnen vervullen.
88
•
De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland, Strategische reservering of Belangrijk weidevogelgebied. Op een afstand van 6,5 km ligt het Natura 2000gebied Donkse Laagten. De planlocatie ligt op een afstand van circa 380 m ten zuidoosten van het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 9,4 km ten westen van het plangebied bevindt zich een strategisch gereserveerd natuurgebied. Op een afstand van 150 m ten zuiden van de planlocatie ligt een Belangrijk weidevogelgebied. Weidevogels worden niet verwacht op de planlocatie door de aangrenzing van de naastgelegen Polderweg en de het transportbedrijf. Negatieve effecten op weidevogels en het weidevogelgebied kunnen worden uitgesloten.
Afbeelding 46: Afstand deelgebied Polderweg 2 t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
89
Afbeelding 47: Afstand deelgebied Polderweg 2 t.o.v. Natura2000-gebieden
De beoogde ontwikkeling betreft de verharding van een grasperceel ten behoeve van de uitbreiding van een transportbedrijf, wat zal leiden tot een zeer beperkte verkeerstoename. De werkzaamheden zullen waarschijnlijk leiden tot een tijdelijke toename in stikstofemissie (projecteffect). Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Echter leert de ervaring dat bij soortgelijke en grotere projecten en de afstand tot kwetsbare habitats er geen significante toename van de stikstofdepositie binnen omliggende Natura 2000gebieden wordt verwacht. Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is.’ Tegenover Heulenslag 77 te Bleskensgraaf Tegenover de Heulenslag 77 wordt een burgerwoning gerealiseerd. Met de bouw van een nieuwe woning is sprake van werkzaamheden die in het kader van ecologie bedreigend kunnen zijn voor verblijfplaatsen van beschermde plant- en diersoorten. Om de invloed van de geplande werkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd.
De conclusies uit dit rapport luiden: Soortenbescherming ‘De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. De beoogde realisatie van een woning aan de Heulenslag ong. te Bleskensgraaf leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet Natuurbescherming. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht); 90
•
•
•
•
•
•
Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige; Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten; Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden; De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes); Gedurende de werkzaamheden dient het terrein ongeschikt of ontoegankelijk gehouden te worden voor rugstreeppad. Belangrijk is dat er geen vergraafbaar zand en ondiepe plassen binnen het plangebied aanwezig zijn. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van minimaal 50 cm hoog en minimaal 10 cm ingegraven in de grond.
De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie te allen tijde kunnen vervullen; De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 2 km ligt het Natura 2000-gebied Donkse Laagten en op 4,7 km ligt het gebied Boezems Kinderdijk. De planlocatie ligt op een afstand van circa 65 m ten noordwesten van het Natuurnetwerk Nederland, op 700 m van een belangrijk weidevogelgebied en 1,7 km van een strategische reservering natuur.
91
Afbeelding 48: Afstand deelgebied Heulenslag t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Afbeelding 49: Afstand deelgebied Heulenslag t.o.v. Natura2000-gebied
De beoogde ontwikkeling betreft de toevoeging van één extra woning, wat leidt tot een zeer beperkte verkeerstoename. De werkzaamheden zullen waarschijnlijk leiden tot een tijdelijke en zeer beperkte toename in stikstofuitstoot (projecteffect). Over de langere termijn zal met de nieuwbouw aannemelijk sprake zijn van een relatief lagere stikstofuitstoot (hogere isolatiewaarden en een hoogrenderende stookinstallatie). Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Echter leert de ervaring dat het projecteffect bij soortgelijke en grotere projecten en de afstand tot kwetsbare habitats dat er geen significante toename van de stikstofdepositie binnen het Natura 2000-gebied wordt verwacht. Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot
92
is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect ecologie geen belemmeringen, mits de (voorzorgs)maatregelen getroffen worden. Indien de nieuwe woning op het perceel A 100 te Ottoland inpandig in de bestaande woning (en hierbij het voorste gedeelte van de woning wordt herbouwd) dient voorafgaand aan de werkzaamheden een aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd naar de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen voor vleermuizen. De eigenaar van het bedrijf aan de Polderweg 2 gaat vleermuisvriendelijke verlichting toepassen op zijn bedrijfsterrein. De verlichting wordt zoveel mogelijk naar beneden schijnend geplaatst. Voor de nachtverlichting wordt amberkleurige en geconvergeerde verlichting toegepast. Tenslotte wordt de verlichting op het achterterrein alleen ingeschakeld op basis van sensoren.
93
4.9 Stikstofdepositie Beleidskader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in het onderdeel ‘gebiedsbescherming’. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Bij mogelijke negatieve effecten op Natura 2000-gebieden geldt een ontheffingsplicht. Uit een passende beoordeling dient te blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan voordat een ontheffing verleend kan worden. Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Hierom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten welke voorzien in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats. Voorheen was toestemming hiervoor gebaseerd op het PAS, waarbij de drempelwaarde van 0,05 mol per hectare per jaar werd gehanteerd om effecten van ontwikkelingen te toetsen. De Raad van State heeft op 29 mei 2019 beoordeeld dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt.
Op basis van het PAS werd namelijk vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Een dergelijke toestemming ‘vooraf’ mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunningplichtig en dient aangetoond te worden dat een ontwikkeling niet voorziet in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS uitgebracht. Met deze nieuwe rekentool kan de depositie op stikstofgevoelige habitats berekend worden. Onderzoek Uit de ecologische quickscans blijkt dat voor de drie deelgebieden geen significante toename van de stikstofdepositie binnen omliggende Natura 2000-gebieden wordt verwacht. Daarnaast heeft de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid een beoordelingskader opgesteld om te kunnen bepalen of er een stikstofdepositieonderzoek noodzakelijk is om de depositie van stikstof op Natura 2000-gebieden te bepalen. Wanneer ontwikkelingen voorzien in het toevoegen van 3 woningen en op een minimale afstand van 2,6 km tot Natura 2000-gebieden zijn gelegen, is een stikstofdepositieonderzoek niet noodzakelijk.
Gesteld kan worden dat de conclusie uit de ecologische quickscan ten aanzien van stikstof voor de woningbouwlocaties A 100 te Ottoland en tegenover Heulenslag 77 te Bleskensgraaf aansluit bij het beoordelingskader van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. Geconcludeerd wordt dat een stikstofonderzoek voor deze locaties niet noodzakelijk is. Voor het uitbreiden van bedrijfsterreinen heeft de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid geen beoordelingskader opgesteld ten aanzien van stikstofdepositie. Derhalve is in het kader van een goede ruimtelijke ordening een stikstofdepositieonderzoek 94
opgesteld voor de locatie Polderweg 2 te Ottoland. De conclusie van dit onderzoek luidt: ‘In het stikstofdepositieonderzoek is voor het plan de stikstofdepositie vanwege de aanleg- en gebruiksfase ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden berekend met behulp van de AERIUS Calculator 2019A. Uit de berekening blijkt dat zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van de ontwikkeling niet voorzien in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie.’ Conclusie Het plan ondervindt geen belemmeringen ten aanzien van het aspect stikstofdepositie.
95
4.10 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek A 100 te Ottoland Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik is door Linge Milieu een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) en asbestbodemonderzoek (NEN 5707) uitgevoerd. De resultaten uit de onderzoeken luiden: ‘De bodem ter plaatse bestaat uit klei, overgaand in veen tussen 0.8 en 1.0 m-mv. In een beperkt aantal boringen is de bovengrond zandig tot 0.5 m-mv. In de meeste boringen is puin waargenomen, tot een diepte van 0.9 m-mv. Het puin bestaat uit steenachtig materiaal zoals baksteen, beton en metselwerk. Het gehalte is gekwalificeerd als licht of sporen van. Visueel zijn nergens asbestverdachte materialen als plaatjes of scherven waargenomen.
Grond In de boven- en ondergrond van het terrein aan de A worden geen tussenwaarden overschreden. Dat geldt zowel voor de licht puinhoudende, zandige en kleiige bovengrond als de puinvrije, kleiige ondergrond. De grond in de contour van de twee gedempte sloten wijkt wat betreft samenstelling en kwaliteit niet af van de grond van het overige terrein. Asbest Zoals visueel als analytisch is asbest niet aantoonbaar in de geroerde, puinhoudende bovengrond van de locatie en de fundering van menggranulaat onder het grind. Grondwater Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Dit metaal is landelijk verhoogd en niet specifiek voor het perceel aan de A 100 zelf. Conclusie De algemene kwaliteit van de grond en grondwater van de locatie aan de A 100 is geen belemmering voor een bestemmingswijziging.’ Polderweg 2 te Ottoland Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik is door Linge Milieu een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) uitgevoerd. De resultaten uit de onderzoeken luiden: 96
‘De bodem ter plaatse bestaat uit humeuze klei, overgaand in veen op gemiddeld 0.5 m-mv. In geen van de boringen is puin waargenomen. Visueel zijn dus ook nergens asbestverdachte materialen als plaatjes of scherven aangetroffen. Grond In de boven- en ondergrond van het terrein aan de Polderweg worden met uitzondering van molybdeen geen achtergrondwaarden overschreden. Dit is conform verwachting, op basis van de bodemkwaliteitskaart voor Ottoland en de zintuiglijke waarnemingen. Het metaal molybdeen is van nature verhoogd, niet specifiek voor de locatie zelf. Grondwater Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Dit metaal is landelijk verhoogd en niet specifiek voor het terrein langs de Polderweg zelf. Conclusie De algemene kwaliteit van de grond en grondwater van de locatie langs de Polderweg is geen belemmering voor een bestemmingswijziging of de ontwikkeling van het terrein.’ Tegenover Heulenslag 77 te Bleskensgraaf Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik is door Linge Milieu een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) uitgevoerd. De resultaten uit de onderzoeken luiden: ‘Grond, grondwater De bovengrond van het terrein aan de Heulenslag is licht verontreinigd met metalen en PAK. Er is geen verschil tussen de licht puinhoudende grond ter plaatse van de voormalige stort en de niet puinhoudende grond.
De aanwezigheid van puin resulteert dus niet in daadwerkelijke verontreiniging. Licht (en matig) verhoogde gehaltes zijn conform verwachting, op basis van de bodemkwaliteitskaart voor Bleskensgraaf. De ondergrond is analytisch schoon. Asbest Asbest is in de puinhoudend bovengrond aan de voorzijde van de weg, de locatie van de voormalige stort, zowel visueel als analytisch niet aantoonbaar. Grondwater Het grondwater is licht verontreinigd met lood en barium. Conclusie Licht (en matig) verhoogde gehaltes zijn conform verwachting, op basis van de bodemkwaliteitskaart voor de lintbebouwing langs de Heulenslag. Er worden geen tussenwaarden overschreden. Aanleiding voor verder onderzoek is er dus niet en de algemene bodemkwaliteit van de locatie is geen belemmering voor de ontwikkeling van de locatie.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen. 97
4.11 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. De Erfgoedwet maakt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument. Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden.
Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek A 100 te Ottoland Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Molenlanden is te zien dat het deelgebied is gelegen op gronden met een: • Zeer hoge verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd (paars). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 30 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd (roze). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Hoge verwachting dieper dan 5 meter beneden maaiveld voor prehistorie tot middeleeuwen (oranje). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m² en dieper dan 500 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
98
Afbeelding 50: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
Met de realisatie van een vrijstaande woning voorziet het plan aan de A 100 in ingrepen groter en/of dieper dan de genoemde oppervlakten en diepten, waarmee een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Door ADC ArcheoProjecten is een bureau- en inventariserend onderzoek gedaan in de vorm van een verkennend booronderzoek. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘De gestelde onderzoeksvragen kunnen op basis van de bereikte resultaten als volgt worden beantwoord: • Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? Het plangebied bevindt zich in een komgebied. De ondergrond van het plangebied bestaat grotendeels uit mineraalarm bosveen. Mogelijk bevinden zich nog rivierafzettingen van de Vuilendamse meandergordel in de ondergrond, deze afzettingen worden op ca. 6 m –mv verwacht en zijn dan ook tot een diepte van 492 cm –NAP niet aangetroffen. In boring 1 is boven de jongste fase van de komafzettingen een ophogingspakket aanwezig, bestaande uit puinhoudende klei met zandbrokken. Dit pakket is te relateren aan de aldaar aanwezige huisterp. •
Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? De opbouw is grotendeels intact.
99
•
Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? In het noordelijke deel van het plangebied is een humeus, zandig kleipakket met puinfragmenten aangetroffen, hetgeen te relateren is aan de aldaar aanwezige huisterp. Het betreft hier een ongeveer 170 cm dik pakket. Omdat tijdens het booronderzoek geen dateerbare indicatoren zijn gevonden, kan het pakket niet nader gedateerd worden dan Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd. De top van het pakket is omgewerkt tot een diepte van 60 cm –mv (de bouwvoor).
•
Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? Het pakket bevindt zich rond boring 1 op een diepte van 60 – 170 cm –mv (67 – 177 cm –NAP).
•
Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? De puinresten kunnen worden beschouwd als archeologische indicator voor een voorganger van de huidige boerderij.
•
In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? De archeologische verwachting zoals deze is opgesteld naar aanleiding van het bureauonderzoek hoeft niet te worden bijgesteld.
•
In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? Op dit moment zijn de bouwplannen nog niet exact bekend. Op basis van dit onderzoek kan worden bepaald dat buiten de woonheuvel in het noordelijke deel van het plangebied (zie het bruin gekleurde vlak op [afbeelding 51]) er tot een diepte van 5 m –NAP geen risico bestaat op het aantasten van eventuele archeologische waarden.
•
Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Indien de bebouwing wordt gerealiseerd buiten de op [afbeelding 51] aangegeven zone en deze niet gepaard gaat met ontgraving dieper dan 5 m – NAP, kan het plangebied als voldoende onderzocht worden beschouwd.
100