CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Bestemmingsplan Ruimte voor ruimte Ottoland en Bleskensgraaf - Toelichting

Raadsvergadering 8 maart 2022, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Ruimte voor ruimte Ottoland en Bleskensgraaf (locaties A 100 en Polderweg 2 Ottoland en tegenover Heulenslag 77 Bleskensgraaf)25.582 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Verbeteren ruimtelijke kwaliteit Gezien het sterke contrast tussen een dynamische stedelijke omgeving en open deltalandschappen in Zuid-Holland, is zorg voor de ruimtelijke kwaliteit in het bijzonder van belang. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en 36

belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De essentie van het ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten toevoegen aan het gebied en de samenleving. Het plan zorgt voor een aanzienlijke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Vanuit landschappelijk en ruimtelijk kwaliteitsoogpunt is de nieuwvestiging van een volwaardig bedrijf op het perceel A 100 niet wenselijk. Middels het onderhavige plan wordt de gehele bedrijfsbestemming op het perceel A 100 (10.130 m²) uit het bebouwingslint langs de A-even verwijderd. Hiermee verdwijnt de mogelijkheid tot nieuwvestiging van een volwaardig bedrijf op deze locatie. 4.060 m² aan bedrijfsbestemming wordt daarbij ‘verplaatst’ naar een bestaand bedrijfsperceel aan de Polderweg 2 te Ottoland teneinde de efficiency van de bedrijfsvoering van het bedrijf te vergroten. De overige 6.070 m² aan bedrijfsbestemming op het perceel A 100 wordt ingezet om twee burgerwoningen te realiseren.

Eén burgerwoning wordt op het perceel A 100 gerealiseerd en een andere burgerwoning wordt gerealiseerd op het perceel tegenover Heulenslag 77 te Bleskensgraaf. Beide nieuwe woningen worden op een passende wijze gerealiseerd in de omgeving en landschappelijk ingepast. Om op het perceel A 100 te Ottoland in een optimale ruimtelijke kwaliteitsverbetering te voorzien, zal op het oostelijk deel van het perceel een strook met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ opgenomen worden, teneinde het bestaande landschappelijk doorzicht naar het achtergelegen slagenlandschap te behouden. Het perceel tegenover Heulenslag 77 zal tevens landschappelijk ingepast worden. Hiervoor heeft een landschapsarchitect een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld. Het plan voorziet al met al in een aanzienlijke ruimtelijke kwaliteitsverbetering en in een efficiëntere bedrijfsvoering van het bedrijf op het perceel Polderweg 2 te Ottoland. Kwaliteitskaart De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen. In de Visie ruimte en mobiliteit heeft de provincie de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen vastgelegd op de kwaliteitskaart.

De kwaliteitskaart bestaat uit de volgende lagen: • Laag van de ondergrond • Laag van de cultuur- en natuurlandschappen • Laag van de stedelijke occupatie • Laag van de beleving

37

Laag van de ondergrond De deelgebieden zijn gelegen in de gebieden ‘veen’ en ‘rivierklei en veen’.

Afbeelding 18: Uitsnede kaart 'Laag van de ondergrond’

Binnen het veencomplex zijn een aantal plekken waar in de ondergrond nog grote veenpakketten aanwezig zijn. Niet alleen zijn deze veenpakketten van bijzondere waarde, ook zijn deze gebieden zeer gevoelig voor bodemdaling. Ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor behoud van het veen en zijn met name bij de diepe veenpakketten gericht op het beperken van de bodemdaling. De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap. Ontwikkelingen in het rivierengebied houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar. Het plan is zodanig kleinschalig van aard dat het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar blijven. De ontwikkeling aan de A 100 (welke van de drie deellocaties als enige deel uitmaakt van het veenlandschap) zal niet zorgen voor zodanige bodemdaling dat het veen verloren gaat.

38

Laag van cultuur- en natuurlandschappen De deelgebieden zijn gelegen in de gebieden ‘veenweidelandschap’ en ‘linten’.

Afbeelding 19: Uitsnede kaart 'Laag van cultuur- en natuurlandschappen'

De ruimtelijke structuur in het veenweidegebied wordt sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Haaks hierop staan de verkavelingspatronen. Kenmerkend voor het veenweidelandschap is de openheid van het gebied met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels omringd door sloten. Voor ontwikkelingen in het veenweidelandschap heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders; • Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar. Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend.

Voor ontwikkelingen in de linten heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied; • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst;

39

• •

Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend; Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht.

De ontwikkelingen in de deelgebieden houden rekening met het landschap. De verkavelingspatronen en lengtesloten blijven behouden. Daarmee voorzien de ontwikkelingen in het behoud van deze kenmerkende landschapselementen. Door een strook aan de oostzijde van de woning A 100 te bestemming met Tuin in plaats van Bedrijf en het verwijderen van een deel van het bouwvlak, wordt bijgedragen aan het behoud van een landschappelijk doorzicht. De bebouwing die het plan mogelijk maakt worden in de structuren van de woonlinten gerealiseerd. Het plan voorziet bijvoorbeeld niet in het realiseren van bebouwing voorbij de wetering. Aan de Polderweg 2 te Ottoland voorziet het plan niet in extra bouwmogelijkheden. Verder houdt het plan rekening met de linten. Aan de A 100 in Ottoland en tegenover Heulenslag 77 te Bleskensgraaf wordt op elk perceel één woning toegevoegd binnen de bestaande structuren van het woonlint. Daarmee wordt aangesloten bij het lineaire karakter van deze linten. De uitbreiding van het terrein van het bedrijf aan de Polderweg 2 wordt aan de achterzijde uitgebreid. Het plan maakt het niet mogelijk aan de achterzijde gebouwen te realiseren. Door de terreinuitbreiding naar achteren plaats te laten vinden, wordt aangesloten bij de lange verkavelingspatronen in de omgeving en worden de lengtesloten gevolgd.

Laag van de stedelijke occupatie Uitsluitend (een deel van) de deellocatie aan de Polderweg 2 is opgenomen in deze laag. Dit deel is gelegen in de ‘stads- en dorpsrand’.

Afbeelding 20: Uitsnede kaart 'Laag van de stedelijke occupatie'

De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd 40

woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij onderscheiden we drie typen ‘overgangskwaliteiten’. Het front, het contact en de overlap. Op kaart vinden we de hoogwaardige en bijzondere fronten terug. Daar waar recreatiegebieden voorkomen langs stads- of dorpsrand is veelal sprake van overlap. Uitgangspunt bij ontwikkelingen aan dorpsranden is de contactkwaliteit. Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). Het plan voorziet niet in ontwikkelingen in het stads- of dorpsrand. Ter plaatse van het perceel Polderweg 2 wordt het terrein aan de achterzijde uitgebreid. De laag van stedelijke occupatie is derhalve niet relevant voor dit plan. Laag van de beleving Het plangebied is niet opgenomen in de laag van de beleving Het onderhavige plan sluit aan bij de kwaliteitskaart van de Omgevingsvisie ZuidHolland. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld.

Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9).

Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a) De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b) Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: ▪ zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen;

41

c) Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: ▪ Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. Het onderhavige plan kan worden geschaard binnen de categorie ‘inpassen’. De ontwikkeling is gebiedseigen en passend bij de schaal en aard van het gebied. Het onderhavige plan sluit aan bij de kwaliteitskaart van de Omgevingsvisie ZuidHolland. Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen (artikel 6.10).

Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a) De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b) Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Het onderhavige plan betreft een kleinschalige ontwikkeling buiten bestaand stadsen dorpsgebied (BSD). Het onderhavig plan betreft vanuit jurisprudentie geen stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame ontwikkeling’ is daarmee niet vereist. Desondanks is de behoefte in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel aangetoond (paragraaf 3.1.3).

42

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In navolging van de regionale structuurvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden, heeft de regio in 2012 de visie 2030 opgesteld. Deze visie is een actualisering van het beleid uit de regionale structuurvisie en bepaalt de beleidskeuzes met het oog op 2030. Binnen de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. Het plan zorgt met het verwijderen van de bedrijfsbestemming op het perceel A 100 voor een verbetering van het woon- en leefklimaat. Middels het onderhavige plan is nieuwvestiging van een volwaardig bedrijf en het bijbehorende zware verkeer op het perceel A 100 uitgesloten. De leefbaarheid in het lint wordt hiermee verbeterd.

Verder worden de nieuwe woningen aan de A en de Heulenslag op een passende wijze vormgegeven, wordt een landschappelijk doorzicht op het perceel A 100 gewaarborgd en wordt de uitbreiding van het bedrijf aan de Polderweg 2 landschappelijk ingepast. Het plan draagt bij aan het behoud van het open, rustige en authentieke karakter van de regio en is hiermee in overeenstemming met het regionaal beleid. 3.3.2 Regionale woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een actualisatie van de Regionale woonvisie 2020 (2013) vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn. De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied een dynamische stedelijke zone. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau. Om die goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld. Er wordt onderscheid gemaakt in: • Stedelijk gebied; • Voorzieningendorpen; • Woondorpen.

De huidige afspraak is een netto toevoeging van maximaal 3.364 woningen netto in totaal voor de regio voor de periode 2015-2025. De gemiddelde jaarlijkse netto woningbehoefte in de regio is geschat op 0,7% huishoudensgroei per jaar. Ottoland is in de regionale woonvisie benoemd als woondorp (kleine kern met beperkte voorzieningen). Het meest voorkomende mentality-milieu is ‘Traditionele 43

Burgerij’. Om flexibel in te kunnen spelen op de behoefte is van belang dat kleinere plannen tot ontwikkeling te brengen. Bleskensgraaf is aangeduid als een voorzieningendorp. Bleskensgraaf heeft hiermee een bovenlokale functie in wonen en voorzieningen. Voor het voorzieningendorp Bleskensgraaf geldt dat voor het realiseren van 10 wooneenheden (of minder), mits de totale groei van het aantal wooneenheden in Bleskensgraaf niet groter is dan 0,7% van de totale woningvoorraad in de planperiode 2010-2019, regionale afstemming niet noodzakelijk is. Dit plan, dat voorziet in de toevoeging van slechts één woning in Ottoland en één woning in Bleskensgraaf, voldoet aan de behoefte en is daarmee passend in de regionale woonvisie. De twee woningen worden gemeld in het regionaal overleg en worden meegenomen in de herijking van de woningbouwmonitor AlblasserwaardVijfheerenlanden 2020-2030.

44

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Toekomstvisie Molenlanden 2030 Op 28 september 2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Molenlanden unaniem de Toekomstvisie Molenlanden 2030 vastgesteld. Op zes onderwerpen beschrijft de visie de landelijke en lokale trends en de wensen van de gemeente. Deze trends die de gemeente ziet, gebruikt de gemeente om de wensen mogelijk te maken. Per onderwerp schetst de gemeente het beeld voor het jaar 2030. Deze zes beelden samen bepalen het integrale beeld voor wat de gemeente in 2030 wil zijn. De zes beelden gaan in op de volgende aspecten: 1. Inclusieve samenleving 2. Leefomgeving 3. Economie 4. Recreatie & Toerisme 5. Klimaat & Energie 6. Bereikbaarheid In de Toekomstvisie is opgenomen dat de gemeente het vrachtverkeer door de kernen wil laten afnemen. Dit plan voorziet in het verplaatsen van circa 4.060 m² bedrijfsbestemming van de A 100 naar de Polderweg 2. De overige 6.070 m² aan bedrijfsbestemming aan de A 100 wordt verwijderd. Hierdoor is een eventuele nieuwvestiging van een volwaardig bedrijf aan de A 100 en daarmee samenhangende (vracht)verkeersbewegingen in de bebouwde kom van Ottoland uitgesloten. Verder wordt met de uitbreiding van het bedrijfsterrein aan de Polderweg 2 een efficiënte bedrijfssituatie gecreëerd, zonder het bedrijf extra bouwmogelijkheden te geven.

Met de uitbreiding kunnen de bedrijfsactiviteiten die nu op andere locaties plaatsvinden gebundeld worden aan de Polderweg 2. De verkeersbewegingen die tussen de locaties nodig waren (door de bebouwde kom van Ottoland) komen hierdoor weg te vallen, hetgeen zorgt voor een afname van het vrachtverkeer door de kern. Dit komt de verkeersveiligheid in de kern van Ottoland ten goede. Dit is in overeenstemming met de wens van ons om het vrachtverkeer door de kernen af te laten nemen, zoals opgenomen in de Toekomstvisie 2030. Uit de Toekomstvisie 2030 is verder opgenomen dat de gemeente een voldoende (kwalitatief) aanbod van bedrijventerreinen wenst. Er is ruimte voor vestiging of de uitbreiding van bedrijven om zo werkgelegenheid in het gebied te behouden en te stimuleren. Met de uitbreiding van het bedrijfsperceel aan de Polderweg 2 ontstaat voor het lokale bedrijf aan de Polderweg een efficiëntere bedrijfssituatie en daarmee een toekomstbestendige situatie. Daardoor kan het bedrijf zijn activiteiten continueren en werk blijven bieden aan werknemers. Om tot een goede landschappelijke inpassing te komen wordt het bedrijfsperceel groen omzoomd met streekeigen en inheemse soorten, zodat de groene omzoming passend is in de omgeving (zie §2.2.3). Het plan betreft verder de toevoeging van slechts twee woningen in de lintbebouwing en daarmee in een kleinschalige woningbouwontwikkeling.

Het plan is passend in de dynamiek in de lintbebouwing en zorgt voor een kwalitatieve

45

verbetering van de woningvoorraad van de gemeente Molenlanden. In de directe omgeving van de deelgebieden zijn tevens meerdere burgerwoningen gelegen. 3.4.2 Woonvisie Molenlanden 2030 Op 27 oktober 2020 heeft de gemeenteraad van de gemeente Molenlanden unaniem de nieuwe woonvisie vastgesteld. De woonvisie beschrijft vooral de opgaven die de gemeente ziet op het vlak van de woningmarkt, voortkomend uit de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte die de mensen hebben. De grootste opgave ligt in het voorzien in kleinere en betaalbare koopwoningen, maar de woonvisie maakt ook nog steeds woningbouwinitiatieven mogelijk als daar behoefte aan is; kwantitatief en kwalitatief. De woonvisie is opgedeeld in de volgende opgaven: • Meer woningen met de juiste kwaliteit; • Betaalbaar wonen; • Bestaande voorraad op peil; • Wonen met zorg; • Specifieke woningbehoeften; • Leefbare en vitale dorpen. Verder geldt voor Bleskensgraaf het volgende: een gevarieerd programma is gewenst, met de meer nadruk op grondgebonden koopwoningen. Dat zijn in eerste instantie betaalbare rij- en hoekwoningen (< €250.000) voor starters, maar ook ruimere woningen in het middel(dure) segment (€250-450.000) gericht op gezinnen. Voor het toenemend aantal ouderen is er behoefte aan een levensloopgeschikte woning. Dat kan zowel in de vorm van een appartement als een kleine grondgebonden woning.

De totale behoefte voor de periode 2020 t/m 2029 ligt op 100 woningen. Het plan voorziet in het toevoegen van een grondgebonden koopwoning, gericht op gezinnen. Daarmee wordt ingespeeld op de vraag in Bleskensgraaf. Daarnaast geldt voor Ottoland het volgende: het aantal ouderen neemt de komende jaren toe, maar een deel van hen verhuist op termijn naar een geschikte woning in een van de voorzieningenkernen. De grootste behoefte is afkomstig van gezinnen die op zoek zijn naar een ruime grondgebonden woning. In beperkte mate is er behoefte aan betaalbare woningen die geschikt zijn voor zowel jong als oud. De totale woningbehoefte voor de periode 2020 t/m 2029 komt uit op ongeveer 25 woningen. De extra woning op het perceel A 100 sluit aan op de grootste behoefte die afkomstig is van gezinnen die op zoek zijn naar een ruime grondgebonden woning. De nieuwe woning zal echter worden bewoond door de zoon of dochter (starter) van de eigenaar van het perceel A 100. Daarmee voorziet het plan in het realiseren van een woning ten behoeve van een starter uit het dorp Ottoland zelf. Daarnaast voorziet het plan per saldo in het toevoegen van slechts twee woningen. Het plan voorziet daarmee in een kwalitatieve verbetering van de woningvoorraad van Molenlanden.

46

3.4.3 Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom De deelgebieden vallen binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’, onherroepelijk vastgesteld op 25 januari 2010 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Graafstroom. Deelgebied A 100 te Ottoland Het deelgebied A 100 te Ottoland heeft de enkelbestemmingen: • Agrarisch met waarden; • Bedrijf. De dubbelbestemming: • Waarde – Archeologie. En de aanduidingen: • Bouwvlak; • Functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – constructiebedrijf’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – aanlegvergunning overgangsgebied’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – aanlegvergunning gevoelige bodem’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied dorpslint’.

Afbeelding 21: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’

Deelgebied Polderweg 2 te Ottoland Het deelgebied Polderweg 2 te Ottoland heeft de enkelbestemmingen: • Agrarisch; • Bedrijf. Geen dubbelbestemmingen. En de aanduidingen: • Bouwvlak;

47

• • • •

Functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – transportbedrijf’; Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – aanlegvergunning overgangsgebied’; Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – aanlegvergunning gevoelige bodem’; Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied dorpslint’.

Afbeelding 22: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’

48

Deelgebied tegenover Heulenslag 77 te Bleskensgraaf Het deelgebied tegenover Heulenslag 77 te Bleskensgraaf heeft de enkelbestemming: • Agrarisch met waarden. De dubbelbestemmingen: • Waarde – Archeologie; • Waterstaat – Waterkering. En de aanduidingen • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – aanlegvergunning overgangsgebied’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – aanlegvergunning gevoelige bodem’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied dorpslint’.

Afbeelding 23: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Graafstroom'

Het plan is in strijd met het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’. Ter plaatse van de bestemmingen ‘Bedrijf’ en ‘Agrarisch met waarden’ zijn burgerwoningen niet toegestaan. Daarnaast dient met het ‘verplaatsen’ van de bedrijfsbestemming een bestemmingsplanprocedure doorlopen te worden. Gezien de strijdigheid wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen.

3.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • Het onderhavige plan zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; • Vanuit jurisprudentie in dit geval geen sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' en is toetsing aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' niet van toepassing; • Het onderhavige plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders;

49

•

Er is sprake van strijdigheid met het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom.

50

4

Verantwoording sectorale aspecten

4.1 Milieueffectrapportage Beleidskader In de Wet Milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Voor de beantwoording van de vraag of er een m.e.r.-(beoordelings)plicht bestaat voor de ruimtelijke ontwikkeling is allereerst het bepaalde in het Besluit m.e.r. van belang. De verplichting tot het opstellen van een m.e.r. is opgenomen in artikel 7.2 Wet milieubeheer (Wm). Dit artikel vormt een omzetting van de EG-m.e.r-richtlijnen. Voor de beantwoording van de vraag of voor een concreet plan een m.e.r. dient te worden doorlopen, dient primair te worden beoordeeld of de activiteit valt binnen de onderdelen C en D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Onderdeel C geeft aan wanneer sprake is van een m.e.r.-plicht. Een onderscheid dient te worden gemaakt tussen een plan-m.e.r. (kolom 3 van onderdeel C) en een besluit-m.e.r (kolom 4 van onderdeel C).

Onderdeel D geeft de activiteiten en gevallen aan waarin sprake is van een m.e.r.- beoordelingsplicht (dan moet worden nagegaan of er al dan niet sprake is van significante milieugevolgen en als deze aan de orde zijn dient een m.e.r. plaats te vinden). Voor het onderhavige plan kan gesteld worden dat geen directe m.e.r.-plicht vanuit de wet milieubeheer en vanuit het besluit m.e.r. geldt op grond van Bijlage C. De activiteiten / bouw welke middels onderhavig bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt valt binnen de in de bijlage D bij het Besluit m.e.r. (D11.2). Het onderhavige plan maakt het mogelijk om twee woningen toe te voegen en circa 5.000 m² bedrijfsbestemming te ‘verplaatsen’ teneinde het terrein van het bedrijf uit te kunnen breiden (zonder uitbreiding van bouwmogelijkheden). De planontwikkeling is hiermee zeer kleinschalig van aard en omvang, waardoor geen drempels/grenswaarden uit het Besluit milieueffectrapportage worden overschreden. Kenmerken van het plan Het onderhavige plan maakt het juridisch-planologisch mogelijk om twee vrijstaande burgerwoningen te realiseren en het uitbreiden van het terrein van het transportbedrijf aan de Polderweg 2 te Ottoland. He plan is hiermee kleinschalig van aard. Er vinden geen productiewerkzaamheden plaats.

Er is geen sprake van productie van afvalstoffen, anders dan regulier huishoudelijk afval en bedrijfsafval behorende bij het bedrijf. Behoudens de standaard toegestane aan-huis-gebonden beroepen / bedrijven zullen er geen nieuwe bedrijfsactiviteiten plaatsvinden.

51

Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000-gebieden, Belangrijk weidevogelgebied of het Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied is gelegen op een minimale afstand van 68 tot het Natuurnetwerk Nederland en minimaal 2,0 kilometer van een Natura2000gebied.

380m 500m 560m

Polderweg 2 A 100

Afbeelding 24: Uitsnede kaart Natuurnetwerk Nederland (NNN) te Ottoland

Tegenover Heulenslag 77

65m

Afbeelding 25: Uitsnede Natuurnetwerk Nederland (NNN) te Bleskensgraaf

52

1 = A 100 2 = Polderweg 2 3 = Tegenover Heulenslag 77 8,7km

5,7km

5,7km

12

2,0km

4,7km

3

8,7km 8,3km

Afbeelding 26: Uitsnede kaart Natura2000-gebieden

Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen. Gezien de kleinschaligheid van het plan zullen geen van de toenames leiden tot significante negatieve effecten op het milieu. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaatsgevonden van diverse milieuaspecten. In de volgende hoofdstukken zijn de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Hieruit blijkt dat er door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen sprake is van nadelige milieueffecten. Conclusie Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling, het plangebied geen deel uitmaakt van beschermde gebieden of locaties en geen sprake is van (een significante toename van) het aantal verkeersbewegingen, etc. kan – met inachtneming van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, redelijkerwijs worden verwacht dat er geen sprake is van ernstige milieugevolgen gerelateerd aan de ruimtelijke ontwikkeling en kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. kan worden volstaan met een onderbouwing van de diverse milieuaspecten in de volgende hoofdstukken.

53

4.2 Water Beleidskader In het onderhavige plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Gemeentelijk beleid Vanuit onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), is bepaald dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld moet worden. Om aan deze eis te kunnen voldoen hebben de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en het waterschap Rivierenland de handen ineengeslagen en het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom opgesteld. In dit waterplan is aangegeven welke doelen men wenst te bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom. De doelen uit het beleidsplan zijn uitgewerkt in vier aspecten: • Afkoppelen, meer ruimte voor water creëren en diffuse bronnen aanpakken (duurzaam onkruidbeheer, duurzaam bouwen); • Belevingswaarde; • Samenwerking; • Beheer en onderhoud.

Het beleidsplan moet de gemeenten helpen om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 door optimalisering van het huidige systeem. De gemeenten en het waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem. Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen.

Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen.

54

Verordening ‘de Keur’ Het waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de Keur is geregeld dat langs A- en Bwatergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Voor het onderhavige plan is de digitale watertoets doorlopen (dossiercodes 20190624-9-20841, 20190624-9-20842 en 20190624-9-20843). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. A 100 te Ottoland Peilgebied Het deelgebied is gelegen binnen het peilgebied OVW062. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,68 meter NAP en een winterpeil van –1,78 meter NAP.

Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.

Deelgebied

Afbeelding 27: Uitsnede peilgebiedenkaart

Watergangen Voor een A- en een B-watergang gelden in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een beschermingszone van 5 respectievelijk 1 meter. Werkzaamheden binnen deze beschermingszones zijn vergunnings- en/of meldingsplichting. 55

C-watergang 062877

B-watergang 015587 C-watergang 062973

C-watergang 062882 C-watergang 063409

C-watergang 062972

C-watergang 063512 C-watergang 063485

C-watergang 064010

C-watergang 063533

Afbeelding 28: Uitsnede legger wateren

In de directe omgeving van het deelgebied zijn meerdere watergangen gelegen. Indien bouw- en/of sloopwerkzaamheden plaats zullen vinden binnen de beschermingszone van een watergangen dient voor de werkzaamheden een watervergunning aangevraagd te worden bij het Waterschap Rivierenland. Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren. De locatie A 100 te Ottoland is gelegen in het buitengebied en daarmee in het landelijk gebied.

In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2. Indien de toename aan verhard oppervlak groter is dan de vrijstelling, mag het vrijgestelde oppervlak in mindering worden gebracht. Of de nieuwe woning op het perceel A 100 te Ottoland wordt gerealiseerd in de bestaande boerderij of als vrijstaande woning naast de boerderij is nog niet bekend. Tevens is de inrichting van het terrein van de nieuwe woning onbekend. Derhalve is met betrekking tot de watercompensatieberekening worstcase uitgegaan dat een

56

vrijstaande woning wordt gerealiseerd naast de boerderij. Het waterschap hanteert de stelregel dat erven van vrijstaande woningen voor 70% worden verhard.

Afbeelding 29: Uitbreiding verharding A 100 Ottoland

Tabel 4: Oppervlaktebalans verharding A 100 Ottoland Bestaande situatie Oppervlakte verharding Bebouwing 762 m² Halfverharding (50%) 787 m² Totaal bestaande situatie 1.549 m² Nieuwe situatie Bebouwing Halfverharding (50%) Totaal nieuwe situatie

893 m² 771 m² 1.664 m²

Verschil

155 m² toename

Het deelgebied A 100 te Ottoland voorziet in een toename aan verharding van 155 m². In het geval dat de initiatiefnemer gebruikmaakt van de eenmalige particuliere vrijstelling is watercompensatie niet noodzakelijk. Om gebruik te kunnen maken van de vrijstelling dient contact opgenomen worden met de afdeling Vergunningen van het waterschap. Indien geen gebruik wordt of kan worden gemaakt, dient conform de stelregel van het waterschap 6,76 m³ (155 × 0,0436) aan water gerealiseerd te worden. Uitgaande van een peil van 0,2 m betekent dit een wateroppervlak van 33,8 m². De watercompensatie moet binnen hetzelfde peilgebied plaatsvinden. In eerste instantie moet de berging bij het lozingspunt-plangebied worden gerealiseerd. Als de aanvrager aantoont dat dit niet mogelijk is, kan de berging elders in het peilgebied worden gerealiseerd. Als de aanvrager aantoont dat compensatie in hetzelfde peilgebied niet mogelijk of onwenselijk is, kan het waterschap op grond 57

van waterhuishoudkundige argumenten toelaten dat compensatie in een benedenstrooms gelegen peilgebied plaatsvindt. Hoe de exacte watercompensatie wordt gerealiseerd (als dat nodig is) is thans nog niet bekend, dit wordt inzichtelijk gemaakt bij de omgevingsvergunning- en watervergunning-aanvraag. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen.

Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. In de directe omgeving van het deelgebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De nieuwe woning wordt aangesloten op het gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. Op het perceel A 100 te Ottoland ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Waterkering Het deelgebied is niet gelegen in de kern- en/of (buiten)beschermingszone van een waterkering. Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het Waterschap Rivierenland verantwoordelijk voor het beheer van de wegen in de Alblasserwaard, waaronder de A. Het perceel wordt thans ontsloten middels een in- en uitrit op de A. Deze in- en uitrit blijft behouden. Bij het realiseren van een extra in- en uitrit op de openbare weg dient een watervergunning aangevraagd te worden.

Het beleid van het Waterschap staat één perceelontsluiting per perceel toe. Het Waterschap kan hiervan afwijken teneinde meerdere uitritten toe te staan indien er sprake is van een zwaarwegend belang.

58

Polderweg 2 te Ottoland Peilgebied Het deelgebied is gelegen binnen het peilgebied OVW062. Het peilgebied heeft een zomerpeil van –1,68 meter NAP en een winterpeil van –1,78 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.

Deelgebied

Afbeelding 30: Uitsnede peilgebiedenkaart

Watergangen Voor een A- en een B-watergang gelden in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een beschermingszone van 5 respectievelijk 1 meter. Werkzaamheden binnen deze beschermingszones zijn vergunnings- en/of meldingsplichting.

59

C-watergang 062814 B-watergang 429738 C-watergang 063344

C-watergang 063392

C-watergang 062895

Afbeelding 31: Uitsnede legger wateren

In de directe omgeving van het deelgebied zijn meerdere watergangen gelegen. Indien bouw- en/of sloopwerkzaamheden plaats zullen vinden binnen de beschermingszone van een watergangen dient voor de werkzaamheden een watervergunning aangevraagd te worden bij het Waterschap Rivierenland. De groene omzoming ten oosten van het terrein wordt buiten de 1 meter brede beschermingszone van de B-watergang 429738 gerealiseerd. Dit is in het landschappelijk inrichtingsplan opgenomen. Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2.

Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren. De locatie Polderweg 2 te Ottoland is gelegen in het buitengebied en daarmee in het landelijk gebied. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2. Indien de toename aan verhard oppervlak groter is dan de vrijstelling, mag het vrijgestelde oppervlak in mindering worden gebracht. Met betrekking tot de nieuwe situatie is aangesloten bij het landschappelijk inrichtingsplan.

60

Afbeelding 32: Uitbreiding verharding Polderweg 2 Ottoland

Tabel 5: Oppervlaktebalans verharding Polderweg 2 Ottoland Bestaande situatie Oppervlakte verharding Bebouwing 618 m² Halfverharding (50%) 150 m² Verharding 3.435m² Totaal bestaande situatie 4.203 m² Nieuwe situatie Bebouwing Halfverharding (50%) Verharding Totaal nieuwe situatie

618 m² 150 m² 6.049 m² 6.817 m²

Verschil

2.614 m² toename

Het deelgebied Polderweg 2 te Ottoland voorziet in een toename aan verharding van 2.614 m². In het geval dat de initiatiefnemer gebruikmaakt van de eenmalige particuliere vrijstelling voorziet het plan in een theoretische verhardingstoename van 1.114 m² en is daarmee 48,6 m³ (1.114 × 0,0436) aan watercompensatie noodzakelijk. Uitgaande van een peil van 0,2 m betekent dit een wateroppervlak van 242,9 m². Om gebruik te kunnen maken van de vrijstelling dient contact opgenomen worden met de afdeling Vergunningen van het waterschap. Indien geen gebruik wordt of kan worden gemaakt, dient conform de stelregel van het waterschap 114,0 m³ (2.614 × 0,0436) aan water gerealiseerd te worden. Uitgaande van een peil van 0,2 m betekent dit een wateroppervlak van 570,0 m². De watercompensatie moet binnen hetzelfde peilgebied plaatsvinden. In eerste instantie moet de berging bij het lozingspuntplangebied worden gerealiseerd. Als de 61

aanvrager aantoont dat dit niet mogelijk is, kan de berging elders in het peilgebied worden gerealiseerd. Als de aanvrager aantoont dat compensatie in hetzelfde peilgebied niet mogelijk of onwenselijk is, kan het waterschap op grond van waterhuishoudkundige argumenten toelaten dat compensatie in een benedenstrooms gelegen peilgebied plaatsvindt. De eigenaar van het perceel Polderweg 2 heeft aangegeven dat de watercompensatie volledig op zijn eigen terrein gerealiseerd kan worden. Op deze locatie is voldoende ruimte om de gehele watercompensatie te laten plaatsvinden, ook als de initiatiefnemer geen gebruik gaat of kan maken van de eenmalige particuliere vrijstelling. De compensatielocatie is in hetzelfde peilgebied gelegen als waar de toename aan verharding plaatsvind en watert af op B-watergang 429738.

Afbeelding 33: Indicatie watercompensatie Polderweg 2

De exacte locatie en hoeveelheid watercompensatie wordt inzichtelijk gemaakt bij de omgevingsvergunningaanvraag en de aanvraag voor de watervergunning. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. 62

Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. Voor nieuwe lozingen vanwege de toename van verhard oppervlak is een watervergunning vereist. In de directe omgeving van het deelgebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. Op het perceel Polderweg 2 te Ottoland ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Voor nieuwe lozingen vanwege de toename van verhard oppervlak is een watervergunning vereist.

Waterkering Het deelgebied is niet gelegen in de kern- en/of (buiten)beschermingszone van een waterkering. Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het Waterschap Rivierenland verantwoordelijk voor het beheer van de wegen in de Alblasserwaard, waaronder de A en de Polderweg. Het perceel wordt thans ontsloten middels een in- en uitrit op de A en de Polderweg. Deze in- en uitritten blijven behouden. Bij het realiseren van een extra in- en uitrit op de openbare weg dient een watervergunning aangevraagd te worden. Het beleid van het Waterschap staat één perceelontsluiting per perceel toe. Het Waterschap kan hiervan afwijken teneinde meerdere uitritten toe te staan indien er sprake is van een zwaarwegend belang. Tegenover Heulenslag 77 te Bleskensgraaf Peilgebied Het deelgebied is gelegen binnen het peilgebied NDW015. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -2,21 meter NAP en een winterpeil van –2,31 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.

63

Deelgebied

Afbeelding 34: Uitsnede peilgebiedenkaart

Watergangen Voor een A- en een B-watergang gelden in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een beschermingszone van 5 respectievelijk 1 meter. Werkzaamheden binnen deze beschermingszones zijn vergunnings- en/of meldingsplichting.

B-watergang 132053

A-watergang 112051

C-watergang 068995

C-watergang 069520

Afbeelding 35: Uitsnede legger wateren

In de directe omgeving van het deelgebied zijn meerdere watergangen gelegen. De bouw- en sloopwerkzaamheden zullen buiten de beschermingszone van de omliggende watergangen plaatsvinden, waardoor hiervoor geen watervergunning

64

aangevraagd hoeft te worden bij het Waterschap Rivierenland. Ten behoeve van de wetering is in de verbeelding en regels een waterbestemming opgenomen. Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren. De locatie tegenover Heulenslag 77 te Bleskensgraaf is gelegen in het buitengebied en daarmee in het landelijk gebied. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2.

Indien de toename aan verhard oppervlak groter is dan de vrijstelling, mag het vrijgestelde oppervlak in mindering worden gebracht. Voor dit deelgebied is een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld. Hierdoor is de hoeveelheid en positie van bebouwing en erfverharding al bekend.

Afbeelding 36: Verhardingsverschil tegenover Heulenslag 77 Bleskensgraaf

65

Tabel 6: Oppervlaktebalans verharding Bestaande situatie Bebouwing Verharding Totaal bestaande situatie Nieuwe situatie Bebouwing Halfverharding (50%)

Oppervlakte verharding 12 m² 17 m² 29 m²

Totaal nieuwe situatie

168 m² 406 m² 574 m²

Verschil

545 m² toename

Op het perceel tegenover Heulenslag 77 voorziet in een toename aan verharding van 545 m². In het geval dat de initiatiefnemer gebruikmaakt van de eenmalige particuliere vrijstelling is watercompensatie niet noodzakelijk. Om gebruik te kunnen maken van de vrijstelling dient contact opgenomen worden met de afdeling Vergunningen van het waterschap. Indien geen gebruik wordt of kan worden gemaakt, dient conform de stelregel van het waterschap 23,8 m³ (545 × 0,0436) aan water gerealiseerd te worden. Uitgaande van een peil van 0,2 m betekent dit een wateroppervlak van 119,0 m². De watercompensatie moet binnen hetzelfde peilgebied plaatsvinden. In eerste instantie moet de berging bij het lozingspuntplangebied worden gerealiseerd. Als de aanvrager aantoont dat dit niet mogelijk is, kan de berging elders in het peilgebied worden gerealiseerd. Als de aanvrager aantoont dat compensatie in hetzelfde peilgebied niet mogelijk of onwenselijk is, kan het waterschap op grond van waterhuishoudkundige argumenten toelaten dat compensatie in een benedenstrooms gelegen peilgebied plaatsvindt. Hoe de exacte watercompensatie wordt gerealiseerd (als dat nodig is) is thans nog niet bekend, dit wordt inzichtelijk gemaakt bij de omgevingsvergunning- en watervergunningaanvraag.

Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen 66

per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. In de directe omgeving van het deelgebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De nieuwe woning wordt aangesloten op het gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. Op het perceel tegenover Heulenslag 77 te Bleskensgraaf ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Waterkering Het deelgebied is gelegen in de kern- en beschermingszone van een regionale waterkering. De sloop- en bouwwerkzaamheden vinden buiten deze zones plaats. Uitsluitend het verharden van de in- en uitrit vindt binnen de beschermingszone plaats, waardoor een watervergunning aangevraagd moet worden. Ter bescherming van de regionale waterkering zal de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ en de aanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’ worden opgenomen.

Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het Waterschap Rivierenland verantwoordelijk voor het beheer van de wegen in de Alblasserwaard, waaronder de Heulenslag. Het perceel wordt thans ontsloten middels een onverharde in- en uitrit op de Heulenslag. Deze in- en uitrit blijft behouden en wordt verhard. Bij het realiseren van een extra in- en uitrit op de openbare weg dient een watervergunning aangevraagd te worden. Het beleid van het Waterschap staat één perceelontsluiting per perceel toe. Het Waterschap kan hiervan afwijken teneinde meerdere uitritten toe te staan indien er sprake is van een zwaarwegend belang. Conclusie Voor het realiseren van water(compensatie) en voor het realiseren van nieuwe in- en uitritten dient een watervergunning aangevraagd te worden bij het waterschap Rivierenland. Tevens dient voor de aanleg van de uitrit op wegen van het waterschap en voor werkzaamheden binnen de beschermingszone van een regionale waterkering een vergunning aangevraagd te worden bij het waterschap en zijn nieuwe lozingen als gevolg van een toename van het verhard oppervlak ook vergunningsplichtig.

67

4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige objecten en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. De Wgh stelt dat alle wegen een geluidszone hebben, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-wegen. Conform artikel 74 lid 2 van de Wgh hoeft geen akoestisch onderzoek te worden verricht voor 30 km/h wegen. De wettelijke voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige objecten binnen de geluidszone van wegen bedraagt 48 dB, de maximaal te ontheffen geluidsbelasting bedraagt 53 dB. Onderzoek A 100 te Ottoland De locatie ligt binnen de invloedsfeer van enkele voor de Wgh relevante wegen. Het perceel is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, waardoor deze bronnen buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Op het perceel A 100 wordt één woning gerealiseerd.

In het kader van de Wgh is hiermee sprake van het toevoegen van een nieuw geluidsgevoelig object en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd door Voortman Ingenieurs. De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat: • De 48 dB geluidcontour ten gevolge van het wegvak A (incl. aftrek art. 110g Wgh) ter plaatse van het midden van het plangebied voor de beoordelingshoogte van 1,5 m, 4,5 m en 7,5 m op respectievelijk ca. 21 m, 23 m en 24 m uit de as van de weg gesitueerd; • De 48 dB geluidcontour ten gevolge van de gecumuleerde geluidbelasting LCUM* ten gevolge van alle wegen (incl. 30 km/h wegen) en incl. aftrek art. 110g Wgh, ter plaatse van het midden van het plangebied voor de beoordelingshoogte van 1,5 m, 4,5 m en 7,5 m op respectievelijk ca. 22 m, 24 m en 25 m uit de as van de weg gesitueerd; • Naar verwachting zal de voorgevel van de woning op niet minder dan 9 meter uit de as van de weg worden gesitueerd en de woning ter plaatse van de zuidgevel over een geluidluwe gevel en buitenruimte beschikken, zodat aan het streven uit het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan. Afhankelijk van de definitieve positie van de woning dient een (nader te bepalen) hogere grenswaarde vastgesteld te worden.’

68

Polderweg 2 te Ottoland De locatie ligt binnen de invloedsfeer van enkele voor de Wgh relevante wegen. Het perceel is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, waardoor deze bronnen buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Aan de Polderweg 2 zal ten behoeve van het bedrijf het bedrijfsterrein worden uitgebreid. Er zullen geen gebouwen gerealiseerd worden. In het kader van de Wgh is hiermee geen sprake van het toevoegen van geluidsgevoelige objecten en is het uitvoeren van akoestisch onderzoek niet noodzakelijk en derhalve achterwege gelaten. De conclusie van het akoestisch onderzoek industrielawaai vanwege de bedrijfsterreinuitbreiding op omliggende milieugevoelige objecten is opgenomen in paragraaf 4.5. Tegenover Heulenslag 77 Bleskensgraaf De locatie ligt binnen de invloedsfeer van enkele voor de Wgh relevante wegen. Het perceel is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, waardoor deze bronnen buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Op het perceel tegenover Heulenslag 77 wordt één woning gerealiseerd. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van het toevoegen van een nieuw geluidsgevoelig object en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=06769a61-bf07-46d5-a89d-f3e893f8ae2e